<< Menu  


De Maginotlinie

Dit hoofdstuk is gewijd aan de strijd aan de Maginot-linie; het is echter geenszins mijn bedoeling om hier een preciese en gedetailleerde beschrijving te geven van de linie met al haar vestingswerken.

* * *

De situatie aan de noordoostflank van Longwy is even slecht. Aan het einde van de namiddag loopt het IR.95 (Oberst Schnarrenberger) storm tegen de Mont St Martin, die wordt verdedigd door het III/227e RI (Cap. Pfister), met op links de 9e Cie., de 10e Cie. (Lt. Sullerot) in het centrum en de 11e op rechts (Lt. Vaissier). Het bataljon wordt ondersteund door de kanonnen van 25’ van Lt. Pattalochi. Door de aanhoudende Duitse druk vallen de verschillende defensielinies in de vooravond.

* * *

In het hoofdkwartier van het 3e Armée te Metz is men vrij ongerust over de situatie in Longwy. Als de stad valt, valt immers de volledige PAL. In de voormiddag van de 13e mei begeeft Gén. Condé zich naar de CP’s van de generaals Sivot en Perraud; de berichten die hij er ontvangt zijn weinig hoopgevend. Volgens de inlichtingen van het 2e Bureau zou de PAL door acht Duitse divisies aangevallen worden. In feite zijn er slechts vier: in de onmiddellijke omgeving van Longwy de 17.ID (Gen. H. Loch, met het IR.21 van Oberst Hoffmeister aan de Redoute, het IR.95 van Oberst Schnarrenberger aan de Mont St Martin en het IR.107 van Oberst Hackel op het plateau van Saulnes), en meer oostwaarts de 34.ID (Gen. W. Sanne, de vervanger van de zwaargewonde Gen. Behlendorff), de 73.ID (Gen. B. Bieler) en de 76.ID (Gen. M. de Angelis).
Het is echter op basis van de verkeerde gegevens dat Condé contact opneemt met Gén. Prételat (2e GA) met de vraag tot ontruiming van de PAL en het terugtrekken op de versterkte posities van de ML. Na overleg tussen Prételat en Gén. Georges krijgt Condé de toestemming; het 3e Armée zal bijgevolg terugtrekken tijdens de nacht van 13 op 14 mei. Dit nieuws wordt echter nog geheimgehouden, zelfs voor de verschillende korpsoversten.

Hoe is de toestand in Longwy op deze 13e mei ?? Het begint al slecht want nog vóór het optrekken van de zon verlaat de 5/227e RI zonder bevel haar posities aan de Maragolles in de richting van Rehon. Het als versterking gestuurde 52e BMM (Cdt. Morel) komt op die positie aan wanneer de laatste infanteristen afdruipen, in zoverre dat sommigen denken dat ze worden afgelost !!
Aan de noordflank van de citadel houdt het II/334e RI (Cdt. Faramin) nog steeds stand, ondanks het verlies van de drie compagniecommandanten. Aan de oostflank gaat het echter al snel mis. Omstreeks 07.00 trekt het III/227e RI (Cap. Pfister) onverhoeds terug in de richting van Longwy-Bas, Hierdoor kunnen Duitse infanteristen infiltreren in Longlaville, waarna ze via de industriële voorstad Glaba patrouilles kunnen uitsturen in de richting van Gouraincourt en de hoogovens van de Chiers.

Vanuit zijn CP probeert Gén. Perraud wat orde te krijgen in de verdediging van Longwy ; hij belt Lt.Col. Beurville met het order de Duitse patrouilles uit Gouraincourt terug te drijven. Deze heeft echter andere katten te geselen door het vertrek van het III/227e RI. De GRDI/61 (Cdt. de Poret) moet het gat dichten. Omstreeks 09.30 vallen de Duitsers de Mont de Châ aan, waardoor de cavaleristen moeten terugplooien. Ondertussen begint een Duits artilleriebombardement op de vallei, het bos van Klopp en op Herserange; de citadel van Longwy wordt bestookt door mortieren van 210’. De Franse artillerie laat zich niet onbetuigd en vuurt terug; ze krijgt zelfs de steun van enkele 75’ van de ML, namelijk van de forten van Bréhain, Fermont en Latiremont.

Rond 11.30 kunnen de cavaleristen van de GRDI/61 hun posities niet meer houden en besluit Cdt. de Poret om terug te trekken op Herserange. Hiermee ontbloot hij echter de linkerflank van het III/334e RI (Cdt. Ribaut). Er blijft Ribaut weinig andere keuze dan op zijn beurt terug te trekken, maar met als domino-effect het onbeschermd laten van het II/204e RI ( Cdt. Jourdan). Deze ontvangt het bevel dat het bataljon vanaf 13.30 mag terugtrekken. Maar terwijl enkele eenheden beginnen terug te trekken komt er een tegenbevel vanwege de regimentscommandant, Lt.Col Cavey. Het bataljon moet ter plaatse blijven en standhouden.

* * *

Gén. Condé is helemaal niet tevreden over de lakse aanpak van zijn generaals Sivot en Perraud. Vooral Perraud moet het ontgelden; hij wordt opgevolgd door Gén. Petiet.
Condé beslist eveneens om de 13e BLM en het 6e Spahis Algériens toe te voegen aan de verdediging van de PAL.
Petiet zal meteen pogen orde op zaken te stellen in Longwy, de Duitse infiltraties te stoppen en een sterke verdedigingslijn voorzien aan de Chiers, tussen Rehon en Saulnes, waarbij onder geen beding zal mogen teruggetrokken worden.

* * *

Aan de posities van de Maragolles verdedigt het 52e BMM maar slap; de Duitsers winnen er terrein, waardoor Cdt. Bouteil van het nevenliggende II/100e RI zich ongerust begint te maken. Het wordt nog erger wanneer Bouteil verneemt dat het 52e BMM op het punt staat om terug te plooien. Maar dat blijkt op “een vergissing” te berusten. In de late namiddag beginnen echter verschillende eenheden van het bataljon ongeordend terug te trekken. Rond 17.00 bereiken de Duitsers de slakkenberg van Rehon, in de omgeving van de hoogoven van de Providence. Om de situatie meester te blijven haalt de commandant van het 100e RI, Lt.Col. Fortet, vier secties weg bij het I/100e RI (Cdt. Madeleine) en stuurt ze naar Rehon; het betreft de secties Thoré, Gravellier, Gaudart en Tiberghien.
Rond 18.30 oordeelt Cdt. Bouteil de situatie van zijn bataljon onhoudbaar en trekt terug achter de Chiers, waar het zich hervormt onder het bevel van Cap. Honoré. Deze terugtocht heeft meer weg van een vlucht want ter plekke blijven zes stukken van 25’ en verscheidene mitrailleurs.

Aan de citadel van Longwy-Haut beginnen de Duitsers posities in te nemen langs de noordwestelijke flank. Tegen de vooravond zijn alle Franse troepen vertrokken, behalve het II/334e RI dat blijkbaar “vergeten” is. Cdt. Faramin houdt nog met een 100tal manschappen stand temidden de gekwetsten en de doden. Wanneer de commandant rond 20.00 beseft dat hij alleen is laat hij meteen zijn soldaten terugtrekken naar Longwy-Bas. Er hoeven zelfs geen achterehoedegevechten geleverd te worden want de infanteristen van het IR.95 volgen niet. De val van Longwy is voorzien voor ’s anderendaags maar de Duitsers beseffen waarschijnlijk niet dat de citadel reeds ’s avonds van de 13e mei volledig ontruimd is door de Franse troepen.

* * *

Op het plateau van Saulnes heeft het II/204e RI het onheilspellende gevoel van geofferd te worden. Vanaf de vooruitgeschoven post van van Surfrance worden verschillende Duitse incursies waargenomen te Lasauvage. Het verderop gelegen I/204e RI (Cdt. Charpy) bemerkt oprukkende Duitse soldaten in het bos; het zijn infanteristen van het IR.107. Er wordt snel een tegenaanval uitgevoerd om te beletten dat de Duitsers in de rug geraken van het zusterbataljon, via de verlaten posities van het III/334e RI.

In zijn CP van Metz besluit Gén. Condé eindelijk zijn evacuatiebevel kenbaar te maken; het is dan om en bij 19.00 !! Het contact met de Duitse troepen zal verbroken worden tijdens de nacht. Alles moet echter ordelijk verlopen, want de Duitsers mogen niet merken dat de Fransen terugtrekken. Na een lange zenuwachtige nacht kan Gén. Petiet tegen de morgen melden dat alles goed verlopen is

De Franse verliezen aan de PAL zijn niet te vergelijken met deze van augustus 1914. Het is de 58e DI die het meest geleden heeft: het 204e RI telt 20 doden, 40 gekwetsten en 190 vermisten; het 227e RI telt 34 doden, 88 gekwetsten en 132 vermisten; het 334e RI heeft 21 doden, 78 gekwetsten en 144 vermisten.

* * *


De ML stopt op ongeveer 30km van Sedan bij het fort van La Ferté (Secteur Fortifié of SF van Montmédy). Het is slechts een bescheiden vestingswerk. Het heeft twee blokken, met elkaar verbonden door een onderaardse gallerij op 35m diepte. Er is als dusdanig geen zware artillerie; op blok 2 zitten onder een koepel van 75’, afkomstig van een oud fort van Verdun, twee stukken van 25’ en een dubbele mitrailleur; op blok 1 is een AT van 47’ gemonteerd.
Het fort staat sinds 25 maart 1940 onder het bevel van Lt. Bourguignon met als adjunct S.Lt. Thouémont; verder zijn aanwezig de jonge dokter S.Lt. Fontaine, 15 onderofficieren en 89 manschappen. Het garnizoensleven is er ééntonig en de verveling is troef.

Met zijn 7 dubbele Reibel-mitrailleurs, 5 x 25’, 1 x 47’en 8 FM’s is La Ferté wel bestand tegen een infanterie-aanval. Daarentegen is aan de boven-verdediging niets gedaan. Hiervoor rekent Lt. Bourguignon op de artillerie van de 3e DIC en de 75’ van het fort Le Chesnois; dat bevindt zich echter op 8km en vuurt op maximum geschutsafstand. Tussen de beide forten bevinden zich een aantal kazematten in de omringende dorpen, zoals in Margut, Moiry, Sapogne en Ste Marie. Rond La Ferté liggen eenheden van het 23e RIC (Col. Cuzin), ondersteund door enkele compagnies mitrailleurs van het 155e RIF (Col. Culot). Achter blok 2 bewaken twee kanon-kazematten met een 75’ de baan; de ene bestrijkt het dorp van Villy, de andere de loop van de Chiers en het dorp van La Ferté.

Na de inval van de 10e mei krijgen de bewoners van de grensdorpen ’s anderendaags het bevel om te vertrekken.
Tot grote verwondering van de Fransen zal het nog twee dagen duren vooraleer de Duitsers zich in de sector vertonen. Op dit ogenblik hebben zij enkel oog voor een snelle opmars naar Sedan en de doorbraak naar de kust. In haar rol van flankverdediging voor het 16.Armee zal het de 71.ID van Gen. Weisenberger zijn die oprukt tegen de ML.
Tijdens de nacht van 14 op 15 mei laat Weisenberger zijn manschappen rusten en hergroepeert hij zijn drie regimenten ten noorden van de Chiers. De artillerie krijgt het bevel om zich klaar te maken voor de ondersteuning van de aanval die voorzien is voor de ochtend van de 15e mei. De bevelhebber van het VII.A.K. (Gen. Ritter von Schobert) geeft als objectief de uitbouw van een bruggenhoofd te Blagny, aan de Chiers.
Om 05.00 begint het artilleriebombardement dat een uur zal aanhouden, maar de Fransen reageren niet. Wanneer de Duitse infanterie de weg van Sedan oversteekt wordt er vanuit de kazematten niet gevuurd. Waarom niet ?? Simpel, omdat ze leeg staan.
De 3e DINA (Xe CA) die het terrein verdedigt tussen de verschillende kazematten, gehouden door het 136e RIF, heeft haar posities ontruimd tijdens de nacht. Gén. Huntzinger heeft immers de vrees dat zijn koloniale divisie zou omsingeld en vernietigd worden. De terugtocht gebeurt vrij chaotisch: het 136e RIF laat haar kanonnen van 47’ en 25’ in de bolwerken achter, met voorraden en munitie, het II/20e RA laat zes stukken van 75’ achter en het 220e RA acht stukken van 155’. Deze haastige terugtocht laat een snelle opmars toe van de 68. en de 71.ID. De Pionniere zorgen voor een vlotte oversteek van de Chiers. De Duitse infanterie bereikt weldra de hoeve Blanchampagne en daarna de hoeve van Prêle, op ongeveer 300m van de weg Villy-Malandry. Daar wordt ze gestopt door het mitrailleurvuur van het 23e RIC. Vanaf het dak van de hoeve van Prêle ontwaren de Duitsers de koepels van het fort van La Ferté, bij de Duitsers beter bekend als Panzerwerk 505.
De uitkijk op blok 2 merkt eveneens de Duitsers op; meteen laat Lt. Bourguignon enkele mitrailleurs vuren. Hetzelfde gebeurt vanuit de kazemat Ouest, vlak naast blok 2.
In Villy zijn naast twee grotere kazematten een twaalftal huizen omgebouwd tot bolwerken. Het centrum van het dorp wordt gehouden door de 1/23e RIC (Lt. Laurent), ondersteund door een sectie mitrailleurs van het 155e RIF. In feite hebben de Duitsers niet de intentie om op deze 15e mei Villy aan te vallen. Ze voeren enkele doorgedreven verkenningen uit om de sterkte van de Franse verdediging af te tasten. Tijdens de nacht van 15 op 16 mei zullen de gevreesde mortieren van 210’ vanuit België aangevoerd worden.

* * *

Vanuit zijn CP op de heuvel van Tilleul, in de omgeving van Carignan, bestudeert Gen. Weisenberger samen met zijn overste, Gen. von Schobert, het slagveld. De beide generaals zijn het erover eens dat het Panzerwerk 505 moet vallen, maar niet tot elke prijs. Daarom besluit von Schobert om Weisenberger alle mogelijke steun te verlenen, met name alle beschikbare artillerie en de inzet van een volledig Stukaverband. De artillerie-officier van het AK., Oberst Martinek, voorziet in de ochtend van de 18e mei de volgende regeling: tussen 07.00 en 07.30 het inschieten met de mortieren van 210’ en het veldgeschut; tussen 07.30 en 08.00 het gericht vuren van de mortieren op de beide blokken van het fort; tussen 08.00 en 08.30 stopt de artillerie tijdens het Stukabombardement; tussen 08.30 en 09.00 precisiebombardement met alle batterijen. Vanaf 09.00 begint de infanterie-aanval op blok 2 met de steun van een batterij 88’ Flak.
Zover zijn we echter nog niet, want op deze 16e mei moeten eerst nog de heuvels “226” en “311” rond het fort veroverd worden.
In de loop van de dag wordt een artillerieduel uitgevochten tussen de Duitse batterijen en de 75’ van het 3e RAC.
Om de sterkte van de kazemattengordel ten noorden van de weg Montmédy-Sedan te toetsen zet Gen. Weisenberger zijn IR.194 in (Oberst Johannes Schmidt). De dorpen Fromy en Moiry worden zonder problemen bereikt, waarna patrouilles worden uitgestuurd naar Margut. Ze worden tot staan gebracht door mitrailleurvuur aan de spoorovergang.
De kazemat van Moiry kan vrij gemakkelijk benaderd worden langs de omringende boomgaarden. De uitkijk in de koepel bemerkt niets terwijl twee stukken 37’ PAK in stelling worden gebracht. Gelukkig is de uitkijk van de kazemat van Ste Marie iets waakzamer, want deze meldt de Duitse aanwezigheid. De Duitsers beginnen te vuren met perforerende obussen. Het vuurgeleidingssysteem wordt geraakt zodat vanuit de kazemat blind gevuurd wordt. Lt. Chaineux belt daarop zijn collega in het fort van Le Chesnois die met zijn 75’ de omgeving van de kazemat “schoonveegt”. Met het achterlaten van een tiental gesneuvelden trekken de Duitsers terug op Margut.

Inmiddels valt ten zuidwesten van Villy het I/IR.191 (Maj. Kranke) de heuvel “226” aan, die wordt verdedigd door het I/23e RIC (Cap. de Brébisson). Met artilleriesteun slagen de Duitsers er in om de Fransen te doen wijken, maar het is slechts tegen de avond dat Kranke de verovering van de heuvel kan melden; één officier en 78 manschappen van het I/23e RIC worden gevangen genomen.
De majoor besluit om zijn manschappen niet verder te laten oprukken naar de heuvel “311”; ze hebben immers rust nodig, maar die wordt hen niet gegund want de Franse artillerie bestookt de ganse nacht de Duitse posities op de heuvel “226”.
Tegenover het dorp van Villy bevindt zich het III/IR.191 van Maj. Zenker. Hij belast zijn adjudant, Olt. von Grivicic met een verkenning van de verdediging van het dorp. Zoals hoger reeds gezien is deze in handen van de 1/23e RIC, ondersteund met 3 x 25’, 12 mitrailleurs en 16 FM’s en een mortier van 60’. Reeds op 600m van het dorp worden de Duitsers onder vuur genomen en trekken ze terug. Gen. Weisenberger weet meteen dat hij de grove middelen zal moeten bovenhalen om de Franse posities te doorbreken.

Tijdens de nacht van 16 op 17 mei duelleren de beide artillerie’s, zodat noch de Franse noch de Duitse infanterie moeten slapen. In de vroege ochtend van de 17e mei beveelt de bevelhebber van het IR.191, Oberst von Scheele, de bezetting van heuvel “311” en de opruiming van de verdediging van Villy. Vanaf 08.00 wordt het dorp onderworpen aan een intensief artilleriebombardement.
Vertrekkend vanaf de hoeve van Prêle gaat omstreeks 10.00 het III/IR.191 in de aanval. Vanuit de verschillende kazematten vuren de mitrailleurs onverbiddelijk op de infanteristen; nochtans moet Villy vallen !! Oberst von Scheele gunt zijn manschappen twee uur rust; in die tussentijd begint de artillerie opnieuw een hevig bombardement.
Na de beschieting slagen de manschappen van Zenker er in om de ruïnes van Villy te bereiken, maar verder geraken ze niet. Ze zijn oververmoeid en hun moreel is beneden alle peil. Gen. Weisenberger laat daarom in de vooravond het bataljon aflossen door het II/IR.211 (Hptm. Corduan), dat ’s anderendaags de aanval op Villy zal hervatten.

Aan de heuvels is de situatie niet veel beter; omstreeks 16.00 vervoegt het III/IR.211 (Maj. Haas) het bataljon Kranke aan de heuvel “226” met het oog op een opmars naar de heuvel “311”. In eerste instantie komt er geen aanval, maar uiteindelijk kan het bataljon Haas de Fransen terugdrijven naar Olizy en de vallei van de Chiers. Rond 22.30 is de heuveltop in Duitse handen.

Tegen de avond van de 17e mei zal het fort van La Ferté zijn beide kazematten van 75’ verliezen. Omstreeks 15.00 melden zich drie soldaten van het 23e RIC aan de westelijke kazemat; het zijn de overlevenden van een vooruitgeschoven post. Volgens hen is Villy in Duitse handen gevallen. Lt. Tyckozinski besluit daaruit dat de Duitse infanterie vrij snel zijn bolwerk zal aanvallen en meer dan waarschijnlijk zullen de Pionniere langs de onbeschermde achterkant springladingen aanbrengen. Waarom is die achterkant nu onbeschermd ?? In principe is dat de taak van de intrekbare koepel van het fort. Lt. Bourguignon heeft in de voormiddag echter al laten weten dat die koepel geblokkeerd is en dat « er aan gewerkt wordt ». Dat heeft eveneens zijn gevolgen voor een aanval op het fort. Het geschut uit de intrekbare koepel vormt immers de enige korte verdediging; de beide 25’ en de dubbele mitrailleurs zijn naar het zuiden gericht.
Hierop besluit Tyckozinski om zijn kazemat te ontruimen; hij verwittigt Lt. Bouguignon die antwoordt dat hij mag handelen naar best vermogen. Na de stukken te hebben gesaboteerd wordt omstreeks 19.30 het bolwerk verlaten. Vandaar gaat het naar de oostelijke kazemat (S.Lt. Pénalva) die eveneens ontruimt naar het dorp van La Ferté.

* * *

Diezelfde avond begint de Duitse artillerie het fort van La Ferté te bestoken. De inslagen van de mortieren van 210’ zijn verschrikkelijk; de grondlaag bovenop het fort wordt weggeschoten en het beton wordt zichtbaar. De Franse uitkijk in de koepels kunnen onmogelijk op post blijven door het enorme weergalmen. Vooral blok 2 (S.Lt. Thouément) lijkt geviseerd te worden. De Duitse artillerie schiet niet zomaar in het wilde weg. Er wordt een “corridor” gemaakt door de 70m brede bescherming van spoorwegrails en prikkeldraad, langswaar de Pionniere verder zullen kunnen oprukken met hun springladingen. Lt. Bourguignon vreest een infanterie-aanval en laat daarom vanuit de kazemat van Margut regelmatig de onderkant van het fort belichten met de projector; hij vraagt eveneens artilleriesteun vanuit Le Chesnois; er worden verschillende reeksen van 80 schoten van 75’ afgevuurd.

In zijn CP van Tilleul wordt Gen. Weisenberger steeds zenuwachtiger. Hij heeft in de vooravond van de 17e mei nog twee verkenningen laten uitvoeren door het Pion.Bat.171; de ene ter hoogte van Fromy, de andere achter Malandry. De beide rapporten zijn identiek; het dorp van Villy vormt de beste uitvalsbasis voor een aanval op het fort, ware het niet dat dit nog stevig in handen is van de Fransen. In de ochtend van de 18e mei stelt zich de 2e batterij 88’ van de FlakAbt.26 op in Fromy; de stukken worden zorgvuldig gecamoufleerd want ze zullen nog niet direct moeten vuren. En Weisenberger krijgt nog meer slecht nieuws: het beloofde Stukaverband wordt door de LW op een andere plaats ingezet en de zware mortieren van 210’ worden tegen de avond onherroepelijk teruggetrokken. Villy zal dus deze 18e mei moeten vallen.

In de ochtend van de 18e mei openen vier batterijen van 105’ (Olt. von Rohr) opnieuw het vuur op het reeds in ruïnes geschoten dorp van Villy. Omstreeks 07.00 gaat het II/IR.211 tot de aanval over. In de voormiddag krijgen de Duitsers vaste voet aan de ruïne van de kerk, die gehouden wordt door een sectie van het 155e RIF.
Weisenberger verzoekt aan Oberst von Scheele om een aanval te voorzien tegen het fort vanaf de heuvel “226”; deze laat de manschappen van Maj. Kranke in gereedheid brengen, met de steun van een Stosstrupp van het Pion.Bat.171.
In Villy gaan de gevechten onverminderd door; rond 13.00 slagen Pionniere er in om drie mitrailleurs te vernietigen met springstofladingen.
Omstreeks 16.00 vallen nog twee verdedigingsposten; in zijn CP vernietigt Lt. Laurent alle codes en documenten. Een half uur later geven de laatste verdedigers zich over en worden de gekwetsten uit de kelders gehaald; Duitse bronnen vermelden 130 krijgsgevangenen in het dorp.

Meteen wordt Gen. Weisenberger op de hoogte gebracht. Hierdoor veranderen de bevelen voor Maj. Kranke; zijn manschappen zullen niet meer moeten aanvallen vanaf de heuvel “226”, maar steun verlenen aan de hoofdaanval die zal starten vanaf Villy. Vrezend voor een Franse tegenaanval wil hij zijn manschappen zo snel mogelijk inzetten tegen het Panzerwerk 505. Tegen 17.00 ontbiedt hij zijn voornaamste eenheidscommandanten: Oberst von Scheele, Maj. Krumsiek (Pion.Bat.171), Hptm. Schott (inlichtingenofficier), Olt. von Rohr (AR.171) en Oberst Martinek.
De 1/Pion.Bat.171 (Olt. Germer), die een speciale opleiding heeft gehad, zal vanaf Villy oprukken onder de bescherming van een artilleriebombardement dat door Martinek strict zal geörkestreerd worden. Tussen 17.30 en 18.10 zullen alle beschikbare batterijen ingezet worden : 3 x 3 batterijen mortieren van 210’, 1 groep kanonnen van 150’, 3 groepen kanonnen van 100’, 6 groepen mortieren van 150’, 9 groepen mortieren van 105’ en een batterij 88 Flak, of in totaal 259 vuurmonden. Om 18.10 verlengt de artillerie haar geschut met rookobussen tot de Franse posities aan de rechteroever van de Chiers, meer bepaald op de heuvel van St Walfroy. Vanaf hetzelfde tijdstip, en slechts gedurende tien minuten, zal de FlakAbt.26 (Hptm. Pretzchner) vanaf Fromy met zijn 88’ op de koepels van het fort vuren; het doel van de beschieting is niet om de stalen koepels te doorboren, maar om de inslagen later door de Pionniere te laten gebruiken om er hun springladingen in aan te brengen. Na deze beschieting zullen de Pionniere snel moeten handelen want het risico bestaat dat de Fransen een tegenvuur ontketenen met hun 75’ van het 3e RAC en het fort van Le Chesnois.
Even vóór 17.30 bemerkt Germer met zijn verrekijker dat er Duitse soldaten rond blok 2 van het fort sluipen. Het blijken manschappen te zijn van het bataljon Corduan: op rechts de 5/IR.211 (Olt. Westfahl) en op links de 6/IR.211 (Olt. Schuhmann). De Stosstrupp van Uofz. Pape neemt bezit van de westelijke kazemat.
Klokslag 17.30 begint het artilleriebombardement. De infanteristen van Corduan moeten maken dat ze wegkomen ; diegenen die zich uit de voeten maken langs de zuidelijke helling van de heuvel ontmoeten de eerste Stosstrupp van het bataljon Kranke. De obussen komen terecht in de prikkeldraadversperringen en op de beide blokken van het fort; de kanonnen van 100’ bestoken de heuvel van St Walfroy en La Ferté-s/Chiers.
De compagnie Germer zet zich stilaan in beweging. Ze liggen op amper 100m van het bolwerk wanneer de 88 Flak begint te vuren; het geluk zit de Duitse artilleristen mee want een geluktsvoltreffer raakt de GFM-koepel (Guet et fusil-mitrailleur).

Verslag/artikel door:
Mark Demol
 




Totstandkomen van het bruggenhoofd in Duinkerken.


Verdere doorbraak Duitse troepen van 4 tot 22 juni 1940.

     

Copyrighted © to www.AboutWorldWar2.tk and Roel Boons.
Please contact us for use of this material.