Dit hoofdstuk is gewijd aan de strijd aan de Maginot-linie;
het is echter geenszins mijn bedoeling om hier een preciese en gedetailleerde
beschrijving te geven van de linie met al haar vestingswerken.
* * *
Zoals gezien in 'Operatie Fall
Gelb' zal tijdens de eerste dagen van Fall Gelb de Pz.Gruppe
Kleist dwars door de Ardennen oprukken naar de Maas, in de richting
van Dinant en Sedan.
Voor de goede afloop van dit plan boezemt de Maginot-linie (ML)
de Duitsers nogal wat ongerustheid in. Ze vrezen immers dat de Fransen
vanaf deze verdedigingsgordel de panzers in hun flank zullen aanvallen.
Om dit te voorkomen voorziet het OKH de inzet van het 16.Armee van
Gen. Busch. Van bij het begin van het offensief zal dit leger de
Moezel oversteken, het Groothertogdom Luxemburg volledig doorkruisen
en zich tenslotte frontaal opstellen tegenover de ML tussen Sierck-les-Bains
en Mouzon, in de sector gehouden door het 3e Armée van Gén.
Condé.
Dit plan bezorgt de staf van Gen. Busch nogal wat kopbrekens. De
Duitsers weten immers dat bij het schenden van de Luxemburgse neutraliteit
meteen de 3e DLC van Gén. Petiet op het grondgebied van het
Groothertogdom Luxemburg wordt ingezet. De factor “snelheid”
wordt dus van primordiaal belang.
Net zoals in Nederland en België voorziet Hitler de inzet van
Fieseler Storch’s om kleine eenheden snel naar strategisch
belangrijke punten te brengen. Hoewel dit toestel op zowat elk type
van terrein kan landen en opstijgen, kan het slechts drie volledig
bepakte manschappen aan boord nemen.
Gen. Busch voorziet echter de inzet van gemotoriseerde voorhoeden
die het Groothertogdom Luxemburg kunnen doortrekken, vóór
de Franse cavalerie verschijnt. Hij heeft hiertoe reeds een studie
laten uitvoeren voor de oprichting van zes Jagdkommando’s.
Deze lichte en uiterst mobiele groepen bestaan uit een 40-tal manschappen
bewapend met 6 mitrailleurs en 1 AT-kanon. Achter deze Kommando’s
volgen twee grotere gemotoriseerde eenheden, de Vorausabteilungen
Saarburg en Bitburg. Deze bestaan uit een bataljon mitrailleurs,
een compagnie fuseliers, een compagnie Panzerjäger, een eenheid
Pioniere en een radio-groep; de bewapening omvat 60 mitrailleurs,
18 mortieren, 16 AT-kanonnen en 12 stukken Flak van 20’.
Wanneer Hitler deze opstelling verneemt is hij het volledig oneens.
Hij vreest dat de Jagdkommando’s zouden kunnen opgehouden
worden, of erger nog, tegengehouden worden, waardoor het gros van
het 16.Armee de vooropgestelde doelen niet tijdig kan bereiken.
Hij laat het idee van de inzet van Fieseler Storch’s niet
los en beveelt de oprichting van een Luftkommando. De Jagdkommando’s
worden tot de helft van hun oorspronkelijk effectief herleid en
heten voortaan Jagdgruppen. Zij moeten zo snel mogelijk de via de
Storch’s gedropte eenheden gaan ondersteunen. De Vorausabteilungen
Saarburg en Bitburg verliezen hun codenaam en worden de Vorausabteilungen
A en B. De eerste, onder het bevel van Maj.Freiherr von und zu Aufsess
volgt de as Luxemburg-Longwy; de tweede, onder het bevel van Maj.Freiherr
von Dobeneck rukt op naar de Luxemburgse grens tussen Esch-s/Alzette
en Bettembourg. Tussen de beide Abteilungen opereert een minder
snelle eenheid onder het bevel van Maj. Joachim von Hellermann,
met twee eskadrons ruiterij en fietsers. Daarna komt het gros van
de eenheden, op het ritme dat de voorspelbare verkeerschaos het
zal toelaten.
In februari 1940 wordt O.Lt. Werner Hedderich (IR.80) aangeduid
als hoofd van het Luftkommando. Hij hangt rechtstreeks af van Gen.
Model, Hoofd van de Generale-Staf van het 16.Armee. Een week later
zijn 125 vrijwilligers geselecteerd voor verdere training; ze zijn
onderverdeeld in vijf groepen van 25 manschappen.
In de loop van april worden de manschappen overgebracht naar een
kazerne in Trier, dat slechts op 47km van Luxemburg ligt. Hedderich
is er zich terdege van bewust dat het slagen van zijn missie volledig
afhangt van de snelheid waarmee de Jagdgruppen en de Vorausabteilungen
hem zullen kunnen vervoegen; alléén tegen de cavaleristen
van Petiet kan hij immers weinig uitrichten. De geheimhouding van
de inzet van het Luftkommando speelt daarbij een essentiële
rol.
Het netwerk Polux heeft het geheim echter reeds doorgrond; door
de loslippigheid van een Duitser verblijvend in het Groothertogdom
Luxemburg, die belast zou zijn met een opdracht op het ogenblik
van de inval, wordt vernomen dat de Duitsers parachutisten of luchtlandingstroepen
zullen inzetten op de volgende plaatsen: Bascharage en Pétange
langs de weg naar Longwy, Leudelange en Pontpierre langs de weg
Esch-s/Alzette en een niet nader vermeld punt in de omgeving van
Mondorf-les-Bains.
Tegen de avond van de 9e mei krijgt O.Lt. Hedderich het bevel zijn
manschappen in gereedheid te brengen. Er zijn 25 Storch’s
geland op het vliegveld van Trier-Euren; elke Stosstrupp bestaat
uit 25 manschappen en krijgt de beschikking over 5 Storch’s
die in maximaal drie vluchten manschappen en bepakking moeten overbrengen
naar de afgesproken landingsplaatsen. Elk bevelvoerend officier
van een Stosstrupp ontvangt drie foto’s van zijn landingsplaats.
Maar wat is er intussen geworden van de zo belangrijke informatie
van het Polux-netwerk ? Dit is tot op heden niet uitgeklaard, maar
feit is dat Gén. Petiet niet op de hoogte is gebracht !!
* * *
In de vooravond van de 9e mei ontvangen de korpsoversten
het codewoord Fall Gelb; in tegenstelling tot menige voorgaande
alarmsituaties komt de bevestiging voor het offensief door het codewoord
Dantzig: de aanval zal beginnen op 10 mei om 04.35.
Op de westelijke oevers van de Moezel, de Sûre en de Our worden
de eerstelijneenheden van het 16.Armee in gereedheid gebracht, met
op kop de manschappen van de Jagdgruppen en de Vorausabteilungen.
Samen met deze bijzondere groepen zullen enkele andere “speciale
eenheden” ingezet worden. Het Abwehrkommando van Maj. Oscar
Reile beschikt over lijsten met namen van personen die hetzij moeten
beschermd worden, hetzij aangehouden moeten worden, zoals de leden
van het Polux-netwerk. Het buitenlands diplomatiek personeel wordt
onder huisarrest geplaatst; hun namen worden meegedeeld aan de Abwehrstelle
Generalkommando XII te Wiesbaden.
Daarnaast is er Abwehr II, bestaande uit twee Sonderkommando’s
die zullen ingezet worden tijdens de nacht van 9 op 10 mei. Het
Sonderkommando Stefanus (O.Lt. Schöler) komt uit de Abwehr-eenheid
Lehr und Bau Bataillon zbV.800 (het latere Brandeburg Regiment).
Het tweede is het Sonderkommando Lützelburg; het bestaat uit
in Luxemburg verblijvende Duitsers en enkele tot het nationaal-socialisme
bekeerde Luxemburgers. Ze treden op in burger en zullen strategische
punten bezetten, zoals tunnels, kruispunten en bruggen; daarnaast
zullen zij de verschillende rijkswachtbrigades met hun zendapparatuur
neutraliseren.
Verschillende rijkswachtposten worden overmeesterd, maar meestal
heeft de radio-operator nog de tijd om het alarm door te seinen;
dit is het geval tussen Grevenmacher en Wasserbillig; te Bous (op
4km ten westen van Remisch); te Moestroff (op 5km van de Moezelbrug
van Wallendorf en doorgangspunt voor de 1.Pz.D.); te Vianden aan
de Our (doorgangspunt voor de 2.Pz.D.) en te Echternach (doorgangspunt
voor de 10.Pz.D.).
* * *
Vanaf 03.30 worden de Franse Hoofdkwartieren te Metz
en te Longwy op de hoogte gebracht van de Duitse troepenconcentraties
aan de Luxemburgse grens.
Vanaf 04.10 overvliegt de Luftwaffe massaal Luxemburg-stad. Even
vóór 05.00 worden de vliegvelden van Metz-Frescaty,
Essey-lès-Nancy, Luxeuil-les-Bains, Lyon-Bron en Châteauroux
gebombardeerd.
Zoals hoger gezien trekken de Duitse troepen om 04.35 de grens over;
om 05.00, hetzij 25 minuten later, is de Generale-Staf van het 3e
Armée nog steeds besluitloos. Nog eens een half uur later
stuurt Gén. Condé een beperkte luchtverkenning boven
Luxemburg.
De Groupement Petiet is verondersteld om onmiddellijk na een Duitse
grensoverschrijding het grondgebied van het Groothertogdom binnen
te trekken. De uiteenlopende ligging van de verschillende eenheden
en het grote aantal verlofgangers zorgen er voor dat de inzet van
de 3e DLC te lang duurt; Gén. Petiet meldt om 06.00 aan Gén.
Condé dat zijn eenheden zich pas omstreeks 08.00 in beweging
kunnen zetten, hetzij drie en half uur na de Duitse inval.
* * *
Om 04.25 vertrekken de 25 Fieseler Storch’s
van het vliegveld van Trier-Euren; ze volgen op lage hoogte de loop
van de Moezel, terwijl hoog boven hen de eskaders van de Luftwaffe
overvliegen. Boven Wasserbillig trekken ze het luchtruim van het
Groothertogdom binnen.
De Stosstrupp Hedderich landt in de omgeving van Luxemburg-stad;
een half uur later zijn reeds wegversperringen aangelegd met omgehakte
bomen, landbouwwerktuigen en personenwagens
Op een tiental km daarvandaan, landt de Stosstrupp van Lt. W?? langs
de weg naar Longwy, aan het kruispunt Bomicht, tussen Pétange
en Bascharage. Ook daar wordt de weg geblokkeerd en worden de arbeiders
van de fabrieken van Differdange en de toegesnelde rijkswachters
naar huis teruggestuurd.
Tussen Bettembourg en Dudelange landt de Stosstrupp van Lt. Steffen.
Daarbij wordt één Storch beschadigd die meteen in
brand wordt gestoken. Ook hier wordt de weg geblokkeerd en wordt
een lichte mitrailleur geïnstalleerd aan het terras van de
melkerij Celula.
Langs de as Thionville-Luxemburg landt de Stosstrupp van Lt. Lauer,
ter hoogte van het gehucht Hau, net buiten het grensdorp Frisange.
Weer hetzelfde scenario voor de wegblokkering en het graven van
individuele mangaten. Tegen 07.00 stuurt Lauer een patrouille naar
het dorp, maar er worden nog geen Franse troepen waargenomen.
Tenslotte landt de Stosstrupp van Lt. Oswald aan het kruispunt van
Foetz, op zo’n 3km ten noorden van Esch-S/Alzette. De eerste
drie Storch’s komen terecht in zeer sompig terrein en gaan
overkop. Weer wordt de weg geblokkeerd, zelfs met een omgekieperde
autobus
* * *
Inmiddels beginnen de voorhoeden van het 16.Armee
de Moezel over te steken; de wegenbruggen zijn immers intact in
Duitse handen gevallen. Toch stelt zich bij de bruggen van Remich,
Wormeldange, Grevenmacher en Wasserbillig een probleem; aan de Luxemburgse
zijde zijn obstakels voorzien, bestaande uit grote, zware blokken
beton met stukken rails en prikkeldraad. De ontmanteling is een
werkje voor de Pionniere. Met lastoestellen branden ze de rails
en de prikkeldraad door; over de betonblokken worden houten “ezelsruggen”
gelegd. Daarnaast zorgen Pionniere voor pontons over de Moezel zodat
de kadans van oversteken sterk verhoogd wordt.
Te Remich steken de Vorausabteilung B met zijn Jagdgruppe over;
te Wormeldange de Vorausabteilung A met zijn Jagdgruppe; 3km verderop
is het de beurt van de ruiterij-eskadrons van Maj. von Hellermann.
* * *
Van zijn kant begint Gén. Petiet zich af te
vragen wanneer hij in actie zal mogen treden. Om 06.55 komt eindelijk
het lang verwachte bevel van Gén. Condé: “Falguière
exécute mission initiale prévue au Luxembourg”.
De codenaam Falguière stelt het geheel voor van de troepen
van Gén. Petiet. Maar hoeveel kostbare tijd is er ondertussen
niet verloren gegaan ?? Om 07.00 geeft Petiet zijn marsorder. Op
dat ogenblik moeten de Fransen zich enkel bekommeren met de vijf
Stosstruppen.
De troepen van Gén. Petiet zijn opgedeeld in vier groepen
en verspreid over een front gaande van de Moezel tot Longwy.
Aan de rechterflank de groep van Gén. Maillard (omvat de
5e BC met de 4e Hussards van Col. Chiappini en het 6e Dragons van
Col. Jacotet, versterkt met de GRCA/22 van de XVIIIe CA [Col. Leclerc],
de GRDI/63 van de 56e DI [Cdt. Oudar] en de GRFF/45 [Lt.Col. de
Kérangat]. De GRFF/45 zal het Groothertogdom niet binnenrijden;
de manschappen zijn met verlof in de regio van Thionville en kunnen
onmogelijk op tijd hun eenheid vervoegen. De manschappen van Col.
Leclerc worden reeds gestopt ter hoogte van Aspelt, het eerste Luxemburgse
dorp dat door de Duitsers bezet is. In het gehucht Hau slaagt het
6e Dragons er in om de versperringen te doorbreken; de Stosstrupp
Lauer kan met zijn 25 manschappen weinig inbrengen tegen de H 35’s
van het peleton-Faye en de motorwielrijders van de GRDI/63. Lt.
Lauer wordt met drie van zijn manschappen gedood, maar verder rukken
de Fransen niet op. Een eenheid van het 3e RAM (Cdt. de la Motte-Rouge)
dringt 5km het grondgebied van het Groothertogdom binnen maar stuit
op de Stosstrupp Steffen, die inmiddels versterkt is met een eenheid
wielrijders.
De groep van Col. Lafeuillade (13e BLM) rukt op in
drie kolonnes. De rechter omvat de GRDI/31 van de 20e DI [Lt.Col.
Watteau]. Rond 08.00 trekken drie automitrailleurs de grens over
ter hoogte van de douanepost van Rumelange; even later verneemt
Watteau dat zijn voorhoede 3km verderop, te Tétange, op een
Duitse eenheid is gestoten: één autimitrailleur wordt
vernietigd met een 37 Pak en er sneuvelen 4 cavaleristen.
De kolonne in het centrum (3e RAM) kan zelfs Esch-s/Alzette niet
verlaten; de Stosstrupp Oswald kan met de hulp van de toegesnelde
Jagdgruppe de Fransen ophouden. Rond 08.00 worden twee peletons
motorwielrijders uitgestuurd. Het peleton van Lt. de Mandat-Grancey
wordt praktisch ter plaatste gestopt; dat van Lt. Rouzée
geraakt via het stationsplein tot aan de noordelijke voorstad, maar
daar is het eveneens afgelopen. Om 09.40 bereikt Lt.Col. Le Coulteux
de Caumont met het gros van het 3e RAM eveneens Esch ; hij beveelt
Cap. de Royère om met de steun van het peleton H 35’s
van S.Lt. Maugey de Duitse barricades op te ruimen. Tot tweemaal
toe wordt een frontale aanval uitgevoerd; de Royère probeert
het dan met een flankaanval, die op zijn beurt mislukt doordat drie
tanks zich vastlopen in het drassige terrein van het Sportpark.
Vijf kilometer westwaarts heeft de derde kolonne meer geluk. Het
2e RDP van Chef d’Escadron L’Hotte steekt de grens over
te Belvaux; vandaar gaat het 6km verderop tot Ehlerange en dan nog
eens 3km tot Mondercange, waar de kolonne wordt gestopt door het
vuur van verschillende Pak’s.
De derde groep van Petiet wordt voornamelijk gevormd
rond de 1e Brig. de Spahis van Col. Jouffrault (4e Spahis Marocains
van Col. Roman-Amat en de 6e Spahis Algériens van Col. Hennet
de Goutel) met de steun van een batterij van het 46e RA (Cap. Petit),
de GRDI/61 van de 58e DI van Cdt. de Poret en enkele infanterie-eenheden
onder het bevel van Cdt. Feuillâtre.
Rond 08.00 betreden de voorhoeden van het 4e Spahis Marocains het
grondgebied van het Groothertogdom. Ze ontmoeten geenenkele weerstand.
Dat is te wijten aan het feit dat ze, zonder het te beseffen, terecht
gekomen zijn in een corridor tussen de beide Vorausabteilungen.
Volgens plan moest deze ruimte opgevuld worden door de wielrijders
en de ruiterij van Maj. von Hellermann; maar wielrijders en paarden
zijn nu éénmaal trager dan motorrijtuigen. Hierdoor
hebben de Spahis enkel de Stosstrupp Hedderich en zijn Jagdgruppe
vóór zich.
De Franse voorhoede bestaat uit een eenheid van het 3e RAM (Cap.
de Brignac) met drie automitrailleurs, 15 motorwielrijders en een
peleton H 35’s. Soleuvre wordt bereikt, maar nog geen 500m
verder stuit de eenheid op de barricade van Hedderich. Een automitrailleur
wordt uitgeschakeld door een Pak. De tanks twijfelen om door te
zetten, uit vrees voor Tellerminen. De Fransen proberen dan een
tangbeweging; door de overmacht wijken de Duitsers, waarbij ze 15
doden en 12 gewonden moeten achterlaten. Hedderich trekt met de
rest van zijn manschappen terug en laat het kruispunt in de handen
van de aangekomen Spahis; ze veroveren daarbij het Pak, enkele mitrailleurs
en side-cars. Dan gaat de opmars verder. Vanaf Sanem zwenken de
Marokkaanse Spahis naar het noordoosten. Na de boerderij Arsdorf
wordt het dorpje Limpach bereikt. De voorhoede van Lt. de Cassin
bevindt zich op amper 15km van de stad Luxemburg; het is meteen
de diepste incursie van de Franse troepen in het Groothertogdom
op deze 10e mei.
Vanaf de hoogten rond Limpach zien de Spahis in de vallei de snelle
opmars van het gros van de 34.ID; ze beseffen dat het voor hen gedaan
is.
Het 6e Spahis Algériens heeft meteen contact
met een voorhoede van de Vorausabteilung A. Maj. von und zu Aufsess
bereikt met een eenheid automitrailleurs het beboste gedeelte van
Tittelberg, een hoogte gelegen tussen Differdange en het plateau
van Saulnes. Amper uitgestapt worden de Duitsers onder vuur genomen
door de Spahis; Aufsess krijgt twee kogels in een arm, zijn adjunct
wordt geraakt in de rug en de schouder van een jonge luitenant wordt
kapotgeschoten. Gelukkig hebben de onderofficieren hun manschappen
goed onder controle.
De Spahis hebben ei zo na de bevelhebber van de Vorausabteilung
A kunnen gevangen nemen, maar enkele uren later zullen ze een nog
grotere mogelijkheid laten voorbijgaan. Gen. Hans Behlendorff, de
bevelhebber van de 34.ID is er niet de man naar om rustig in zijn
CP te wachten op nieuws uit de eerste lijn. Daarom rijdt hij samen
met zijn chauffeur en zijn ordonnans, Maj. von Scheliha, in de richting
van Longwy. Te Pétange verneemt de generaal de zware kwetsuur
van Aufsess. Vandaar wil Behlendorff zich gaan vergewissen van de
toestand van de Stosstrupp Hedderich, zonder te weten dat deze laatste
zich heeft moeten terugtrekken. Na het dorp Bascharage rijdt de
wagen naar de 2km verderop gelegen spoorovergang; daar heeft zich
net een flankeenheid van het 6e Spahis Algériens gevestigd.
Bij de aankomst van de wagen laat de stationchef de slagboom neer.
Behlendorff stapt uit en eist de vrije doorgang. Meteen weerklinkt
een schot dat de chauffeur verwondt aan de hand. Er volgt onmiddellijk
een tweede schot dat de generaal raakt aan het hoofd. Maj. von Scheliha
slaagt er in om met een gevonden fiets weg te vluchten in de richting
van Bascharage ; de chauffeur maakt zich uit de voeten door het
veld. De gewonde generaal wordt een huis binnengedragen waar hij
de eerste zorgen ontvangt; de kogel is het hoofd binnengedrongen
onder het rechteroor en er weer uit via het linkeroog. Aan de hand
van zijn identiteitspapieren komt de bevelvoerende onderofficier
van het 6e Spahis Algériens te weten dat hij te maken heeft
met de Duitse generaal Behlendorff. Wat er daarna gebeurt grenst
aan het ongelooflijke: de onderofficier laat de generaal onder de
goede zorgen van een burger, zonder zijn oversten te verwittigen;
erger nog, want hij vindt het zelfs niet nodig om de wagen te doorzoeken.
Hierin bevinden zich in een aktentas de marsorders voor de 34.ID
en de omringende divisies.
Inmiddels bereikt von Scheliha Bascharage vanwaar hij een eenheid
mitrailleurs naar de plaats van de aanval stuurt. Na een kort gevecht
trekken de Spahis zich terug en kan Behlendorff geëvacueerd
worden; hij zal zijn zware verwondingen overleven en zelfs nog actieve
dienst nemen. Van zijn kant is von Scheliha ten zeerste verwonderd
om de aktentas onaangeroerd terug te vinden.
De vierde en laatste groep van Gén. Petiet
wordt gevormd door GRCA/25 (Lt.Col. Lesage) en de GRDI/70 (Cdt.
Viennet). Lesage moet de grens oversteken ter hoogte van de douanepost
van Longlaville en oprukken in de richting van Luxemburg, met op
links de verkenningsgroep Viennet en op rechts het 6e Spahis Algériens.
De GRDI/70 neemt via België zijn posities in ten noorden van
Messancy; rond 10.00 is er echter nog steeds geen nieuws van de
GRCA/25. Cap. Tilette de Clermont-Tonnerre laat een verkenning uitvoeren,
maar in de plaats van de cavaleristen van Lesage worden Duitse motorwielrijders
ontmoet. Clermont-Tonnerre laat meteen een stoppunt uitbouwen met
een kanon van 25’, onder het bevel van de Lt.’s Journe
en Cadillac. Na een kort treffen besluiten de Duitsers niet aan
te dringen en rechtsomkeer te maken. De toestand van de groep Viennet
wordt zorgwekkend want hij dreigt omsingeld te worden.
Wat is er nu gebeurd met de GRCA/25 ?? Rond 07.00 staat de groep
opgesteld ter hoogte van Longlaville. Het is een niet onbelangrijke
groep met 36 officieren, 80 onderofficieren, 800 manschappen met
400 paarden, 107 moto’s en 18 wagens; de gemeenschappelijke
bewapening bestaat uit 12 mitrailleurs, 32 FM’s, 4 kanonnen
van 25’ en 3 mortieren van 60’. Om 08.00 ontvangt Lesage
zijn marsbevel; omstreeks 08.40 meldt hij dat de Duitsers de ijzergieterij
van Athus bezetten, net als het station van Rodange, Pétange
en Bascharage. Die inlichtingen kan hij enkel bekomen hebben door
Luxemburgse vluchtelingen, aangezien zijn troepen nog geen contact
gehad hebben met Duitse eenheden. Even later is het zover en de
groep kent zijn eerste doden en gekwetsten.
Lt.Col. Lesage besluit om niet verder aan te dringen en omstreeks
10.05 meldt hij Petiet dat hij in de onmogelijkheid verkeert om
zijn opmars verder te zetten.
* * *
In het begin van de namiddag wordt Gén. Petiet op de vingers
getikt door Gén. Condé wegens een gebrek aan successen
en inzet. Buiten het 4e Spahis is geen enkele eenheid er in geslaagd
om zijn opdracht correct uit te voeren.
Rond 20.30 ontvangt Petiet zijn nieuwe bevelen; aangezien geen diepgaande
cavalerie-acties meer mogelijk zijn in het Groothertogdom zal Petiet
instaan voor de bescherming van de CA’s ten westen van de
Moezel en van de Position Avancée de Longwy (PAL) [Gén.
Perraud].
Tijdens de ochtend van de 11e mei trekt de cavalerie
van Petiet overal terug; de groep Lafeuillade vormt nu het centrum
van het front. De kolonne van Cdt. L’Hotte plooit terug op
Belvaux. De kolonne van Lt.Col. Le Coulteux is nog steeds niet buiten
Esch-s/Alzette geraakt. De noordelijke buitenwijken worden opgegeven
en tegen de middag valt het station in Duitse handen.
En er volgt nog meer slecht nieuws; de verkenningsgroep Leclerc
die de rechterflank beschermt van de groep Maillard trekt zich onverwachts
terug uit Mondorf. In functie daarvan herschikt Gén. Maillard
zijn beide verkenningsgroepen en het 6e Dragons.
Tegen de avond maken de verschillende eenheden van Petiet zich klaar
om opnieuw Frankrijk binnen te trekken. Vanaf ’s anderendaags
zullen ze zich moeten bezighouden met de onmiddellijke bescherming
van de PAL.
Het begint nochtans vrij slecht; de snelle terugtocht van de GRCA/25
op Longwy zorgt voor onrust bij de garnizoenseenheid, het 227e RI
(Lt.Col. Marcouire), in zoverre dat de citadel ontruimd wordt en
het regiment teruplooit in de richting van de Maginot-linie (ML).
Rond 03.40 geeft Gén. Condé zijn akkoord voor de inzet
van de Brigade Spahis om het gat te dichten. De ruiters nemen posities
in langs de Chiers, ten zuiden van Longwy. Ze krijgen de steun van
het II/334e RI (Cdt. Faramin).
Het ziet er dus naar uit dat het Franse Opperbevel besloten heeft
om Longwy te verdedigen, terwijl de stad strategisch weinig voorstelt.
Ze vormt een onafgewerkt saillant van de ML.
In de ochtend van de 12e mei vraagt en krijgt Gén. Perraud
nog meer versterkingen: het 52e Bat. de Mitrailleurs Motorisés,
maar dan zonder hun vervoer. Als alles vlot verloopt wordt de eenheid
in Longwy verwacht tegen de avond.
Nog tijdens die voormiddag stuurt Gén. Condé een stafofficier,
Cap. Cogny, naar Longwy. Hij wil immers weten wat er zich de verlopen
nacht allemaal heeft voorgedaan. De kapitein vindt de citadel verlaten
en gaat verder naar het bos van Chadelle, dat hij eveneens verlaten
vindt. Die kans mag niet verloren gaan en er wordt besloten dat
de 5/ en de 6/334e RI het bos moeten herroveren.
De vraag is natuurlijk waarom dat bos verlaten is ?? Het antwoord
is eenvoudig. De Duitsers hebben hier twee bataljons van het IR.21
ingezet; deze eenheden zijn echter danig uiteengeslagen dat ze moeten
gehergroepeerd worden. Oberst Hoffmeister heeft nu het bevel gekregen
om met het II/IR.21 (Hptm. Pfeiffer) opnieuw op te rukken door het
bos en de hoogte 400 te veroveren, ten noordwesten van de citadel;
daarna moet de eenheid doorstoten naar de weg van Longuyon, tussen
Tellencourt en Longwy. De beide voorste compagnie’s worden
versterkt met een sectie mitrailleurs en een groep mortieren.
Op het ogenblik dat de Duitsers beginnen op te rukken door het bos
wordt een patrouille onder de leiding van Lt. Flamand van de 6/334e
RI op verkenning gestuurd. De Franse soldaten worden volledig verrast.
De Duitsers naderen nu de Redoute, een klein vestingswerk van de
citadel; ze wordt gehouden door de 7/227e RI (Lt. Charlut), ondersteund
door drie stukken van 25’ (Lt. Dussert). De Duitsers leiden
zware verliezen door de automatische wapens van de verdedigers.
Uit het oorlogsjournaal van het II/IR.21 zal later blijken dat het
bataljon die dag meer gewonden en gesneuvelden telt dan tijdens
de volledige Poolse campagne.
In de Redoute is de situatie echter verre van schitterend; mondvoorraad
en munitie beginnen te slinken en de telefonische verbinding met
de buitenwereld is verbroken. Charlut besluit om samen met Sgt.
Durand zelf het nodige te gaan halen bij de achterliggende eenheden;
ze worden praktisch meteen neergeschoten. Omdat hij niets ziet komen
stuurt Dussert omstreeks 14.00 Sgt. Audouard naar de citadel; na
een uur komt hij met lege handen terug.
Inmiddels gaan de Duitsers opnieuw tot de aanval over; ze proberen
de Redoute te omsingelen. Maar Dussert en zijn manschappen houden
stand. Men kan zich terecht de vraag stellen waarom de Franse Staf
geen versterkingen stuurt naar het bolwerk; ook hier is het antwoord
weer simpel: men is ervan overtuigd dat de Redoute reeds in Duitse
handen gevallen is.
Rond 17.00 hernemen de Duitsers een nieuwe aanval. Ook deze wordt
afgeslagen, maar de munitievoorraden zijn nu zo goed als uitgeput.
Even later krijgt de Redoute zijn genadeslag door toedoen van de
…Franse artillerie !! Na het bombardement plaatsen Pionniere
enkele springladingen die het bolwerk openreten. Lt. Dussert ziet
het nutteloze van verdere weerstand in en geeft zich over met zijn
laatste manschappen.
Het II/IR.21 zal echter niet verder oprukken ; de verliezen zijn
te groot : 34 gesneuvelden en een 100tal gekwetsten, waarvan er
nog verscheidene zullen sterven.