De doorbraak aan het sailliant Duinkerke-Calais
en Operatie Dynamo.
Sinds 20 mei heeft Admiraal Ramsay
een evacuatieplan uitgetekend vanuit de Kanaalhavens. Het grootste
probleem bestaat er in om voldoende schepen te vinden om een maximum
aan manschappen in te schepen in een minimum van tijd. Op dat ogenblik
gaat men uit van een maximum van 10.000 manschappen per dag vanuit
de drie belangrijkste havens: Calais, Boulogne en Duinkerke. Deze
havens kunnen geen grote schepen ontvangen. Er zal moeten rekening
gehouden worden met de Duitse artillerie en de Luftwaffe. Destroyers
zullen de vloot moeten bescherming geven, maar heel wat van die
schepen zijn nu reeds belast met andere opdrachten. De meest geschikte
schepen zijn de ferry's, die speciaal ontworpen zijn om in de Kanaalhavens
aan te meren. Naast de beschikbare aken zal eveneens een beroep
kunnen gedaan worden op een veertigtal Hollandse schuiten die na
de val van Nederland overgevaren zijn naar Groot-Brittannië.
Tenslotte wordt nog een groot aantal kleine scheepjes
voorzien. Met gans dat arsenaal aan grote en kleine schepen zal
de Operatie Dynamo van start gaan.
Alle beschikbare schepen verzamelen te Sheerness o/Thames,
waar de kleinere formaten worden gesorteerd en klaargemaakt voor
de oversteek. Ramsgate vormt het laatste verzamelpunt waar een finale
controle plaatsvindt van de brandstoftanks en de voorraden en waar
de verschillende konvooien worden gevormd.
Er worden drie evacuatieroutes voorzien:
Route Z: 39 mijl
tussen Dover en Duinkerke, meteen de kortste verbinding, maar
gedurende de dag weinig bruikbaar ingevolge de activiteiten van
de LW;
Route X: 55 mijl,
meer naar het noordoosten langs de Ruytingen Pas en de lichttorens
van North en South Goodwin; deze route ligt buiten het bereik
van de Duitse kustbatterijen, maar de LW heeft er talloze mijnen
gedropt;
Route Y: is met
haar 87 mijl de langste route; ligt nog verder noordoostwaarts,
langs Oostende, over de Kwinte Boei en langs de voornoemde lichttorens;
is vrij goed bevaarbaar, zonder veel mijnen en eveneens buiten
het bereik van de kustbatterijen.
Als men er van uitgaat dat de evacuatie moet plaatsvinden
vanuit drie havens, ligt de militaire situatie op 26 mei reeds heel
anders; zoals gezien zijn Boulogne en Calais reeds in Duitse handen
en blijft de Geallieerden slechts een strook tussen Gravelines-Duinkerke-Nieuwpoort.
Aangezien het Belgische front op springen staat wordt de 5th Div.
naar deze bedreigde sector gestuurd. De berichten van aan dat front
worden met uur slechter. Koning Leopold verzoekt verscheidene keren
om bijkomende Engelse en Franse hulp; zijn oproepen lijken in dovemansoren
terecht te komen.
Omstreeks 10.00 heeft een vergadering plaats te Attiches,
die wordt bijgewoond door de Gen.'s Gort en Blanchard. Al snel wordt
een akkoord gesloten voor een terugtocht van de Frans-Britse troepen
in twee tijden: tijdens de nacht van 26 op 27 mei wordt teruggevallen
op een lijn Cysoing-Pont à Marcq, waarbij de Franse achterhoede
stand houdt aan de Scarpe; de volgende nacht wordt nog zo'n 30tal
km achteruitgetrokken, waarbij het gros van de troepen de Leie bereikt
en de achterhoede de Deule. Een as Cysoing-Armentières scheidt
de Franse en de Britse troepen: ten westen de Fransen, ten oosten
de Britten, die bovendien van de bruggen van Armentières
kunnen gebruik maken tijdens de nacht van 26 op 27 mei.
In de namiddag begeeft Gén. Blanchard zich
nogmaals naar het Belgische Hoofdkwartier in Brugge. Hij vraagt
de Belgische steun voor een tegenaanval in de regio van Kortrijk.
Gezien de zwakte van het Belgische leger kan Koning Leopold hierop
niet ingaan; Lord Gort wordt hiervan eveneens op de hoogte gebracht.
Praktisch tegelijkertijd ontvangt hij een telegram
vanwege Anthony Eden, de Staatssecretaris voor Oorlog. Daarin wordt
het groene licht gegeven voor de uitvoering van Dynamo. Alle stranden
ten oosten van Gravelines zullen ter beschikking gesteld worden;
de Royal Navy zorgt voor de noodzakelijke schepen en de RAF staat
in voor de luchtsteun. De eerste ferry's, afkomstig van de reguliere
overvaarten uit het Kanaal en de Ierse Zee, bereiken Duinkerke met
een ritme van twee afvaarten per vier uur. Omstreeks 20.30 bereiken
de eerste 1312 geëvacueerden Dover.
De 27 e mei om 07.00
heeft een meeting plaats te Cassel met het oog op een bespreking
van de verschillende maatregelen ter versterking van de verdediging
van het sailliant van Duinkerke. De meeting is er gekomen op het
initiatief van Admiraal Abrial; zijn aanwezig aan Franse kant: Gén.
Prioux (bevelhebber van het 1 e Armée), Gén. Koeltz
(vertegenwoordiger van de bevelhebber van de GA), en Gén.
Fagalde (bevelhebber van de grondstrijdkrachten van de regio Boulogne-Calais-Duinkerke);
aan Engelse kant laat Gen. Gort zich vertegenwoordigen door Gen.
Adams, vergezeld van Col. Bridgeman en Lt.Gen. Lindsell. Op voorstel
van Admiraal Abrial en goedgekeurd door Gén. Koeltz wordt
overeengekomen om Calais opnieuw op te nemen in het Geallieerde
bruggenhoofd. Gén. Fagalde wordt belast met de herrovering
van de haven. De uitvoering van het plan is voorzien in twee stappen:
eerst hergroepeert het Franse leger zich ten noorden van de Leie
om vervolgens aan te vallen langs de rechterflank tot Calais. De
Fransen zijn immers van oordeel dat Duinkerke een permanent bruggenhoofd
zal vormen op het continent. De Engelse vertegenwoordiger distancieert
zich volledig van het Franse plan; het enige wat de Engelsen interesseert
is een inscheping.
Op hetzelfde ogenblik heeft een andere vergadering
plaats te Dover, waaraan deelnemen aan Franse kant: de Admiraals
Odend'hal en Leclerc en Cap. de Vaisseau Auphan; aan Engelse kant
de Admiraals Ramsay en Somerville. Het is de bedoeling om de modaliteiten
van de evacuatie te coördineren.
Inmiddels wordt het bruggenhoofd van Duinkerke verdedigd
met alle beschikbare middelen. De organisatie ervan is in handen
van de Gen.'s Adam en Fagalde. De Engelsen bevinden zich ten oosten
van Duinkerke, waar hun front opgesplitst is in drie sectoren, één
per Corps: het III.Corps houdt Duinkerke, naast de Franse troepen;
het I.Corps het centrum en het II.Corps de oostflank, naast de Belgen.
De voornaamste defensielijn wordt gevormd door de kanalen Bergues-Veurne
en Veurne-Nieuwpoort. Aan het hoofd staat Brig. Hon. E. Lawson.
De Fransen houden de sector ten westen van Duinkerke en voorzien
een buitenste en een binnenste verdedigingsperimeter rond het bruggenhoofd.
Buitenste gordel:
Gén. Barthélémy; strekt zich uit van Gravelines,
Watten, Cassel tot Steenvoorde; de sector wordt gehouden door
eenheden van de Secteur Fortifié des Flandres (SFF) met
8 bat. infanterie van het 225e en het 341e RI, 2 reg. arbeiders,
1 geniebat. en 2 artileriebatt.; deze eenheden worden aangevuld
met de resten van de 21 e DI.
Binnenste gordel:
Gén. Beaufrère; strekt zich uit vanaf het oude Kanaal
van Mardyck tot aan de kanalen van de Haute en de Basse-Colme.
Deze sector wordt sinds 25 mei gehouden door de 68 e DI.
Op dit ogenblik bestaat de Britse defensielijn enkel
op papier; hij beschikt immers niet over georganiseerde troepen.
Hij zal dus in eerste instantie een beroep moeten doen op de manschappen
die hij her en der kan vastkrijgen, om ze eventueel later te vervangen
door eenheden die voorlopig nog het corridor beschermen. Het gaat
vooral om artilleristen die tijdens hun terugtocht hun stukken opgeblazen
hebben en dus als infanteristen ingezet kunnen worden. Inmiddels
voorziet Col. Bridgeman in het terugtrekken van de drie Britse korpsen
naar de kuststreek: het III.Corps naar Malo-les-Bains, het I.Corps
naar Bray-Dunes en het II.Corps naar De Panne, dat meteen dienst
doet als hoofdkwartier.
De gevechten rond Lille;
Vanaf de beide oevers van de Deule wordt Lille zwaar
belaagd. In principe zal het IIIe CA zich zonder al te veel problemen
kunnen terugtrekken, maar dat geldt zeker niet voor het IVe en het
Ve CA. Deze beide CA's trekken terug binnen de agglomeratie van
Lille. De stad is weldra zo goed als omsingeld, langs het oosten
door eenheden van het IV.AK. (18., 31. en 61.ID) en langs het westen
door de 4., 5. en 7.Pz.D. In de voorstad Loos verzamelt Gén.
Jenoudet (32 e DI) enkele eenheden van de 1er en 110 e RI. Daarentegen
worden enkele grote Franse eenheden definitief afgesneden: 15 e
DIM (Gén. Juin), 25 e DI (Gén. Molinié) en
het grootste gedeelte van de 2 e en 5 e DINA.
Aan Duitse kant meldt Guderian
aan Kleist dat hij zijn panzers niet zal kunnen inzetten ingevolge
de zware inspanningen van de vorige dagen. Toch eist Kleist dat
er wordt aangevallen met minstens één divisie. Guderian
voorziet de 20.ID. (Mot) die onder zijn bevel is geplaatst. Met
de SS LAH en het Reg.GrossDeutschland gaat het naar Wormhout; tegen
de avond worden Bollezeele en Bourbourg bereikt. De aanval zal 's
anderendaags worden verdergezet met de steun van de panzers; de
drie Panzerdiv. hebben zich inmiddels gehergroepeerd in de driehoek
Lumbres-Ardres-Desvres.
De SS Verfügungsdiv. rukt met twee van haar regimenten
op door het dichte bos van Nieppe; het derde regiment "Deutschland"
zet zijn offensief verder in de regio St Venant-Merville, op rechts
gesteund door de 3.Pz. en op links door de SS Totenkopfdiv. In het
bos stuiten de Duitsers op hevige weerstand; tussen St Venant en
Robecq breken de andere Duitse eenheden door de Engelse defensielijn.
Deze lijn loopt langs de Leie, tussen St Venant-Merville-Estaires-Armentières.
De 3.Pz.D. wordt voorlopig gestopt vóór Merville;
het regiment SS Deutschland bereikt de Leie tussen Merville en Estaires.
Haar bevelhebber, Oberführer Felix Steiner laat de rivier oversteken
door zijn III.Bat., ondersteund door twee art.batterijen. De Engelse
infanterie en mitrailleurs worden overrompeld, en in de namiddag
hebben de Duitsers een bruggenhoofd uitgebouwd met twee bataljons.
Aan de linkerflank houden de Engelsen nog steeds Estaires en Lestrem;
de ondersteunende SS Totenkopfdiv. bevindt zich nog kilometers achterop.
Aan de rechterflank houden de Engelsen nog Merville. Inderhaast
leggen Pioniere enkele bruggen over de Leie. In de vooravond wordt
het Duitse bruggenhoofd aangevallen door een 20tal Britse tanks;
vooral in de sector van het I.Bat wordt de strijd hevig. De Duitsers
beschikken nog niet over AT-kanonnen, zodat ze stilaan moeten terugtrekken.
De komst van een peleton Pz.Abwehr van de SS Totenkopfdiv. kan de
situatie redden. De tanks plooien terug, maar blijven de Duitse
posities onder vuur houden, zodat de terugtocht van Geallieerde
troepen in de richting van Duinkerke kan voortgaan. In de nacht
van de 27 e mei zijn het gros van de Engelse troepen en een gedeelte
van het 1 e Armée teruggetrokken achter de Leie.
Van haar kant bevindt het gros van de SS Totenkopfdiv.
zich ter hoogte van Béthune; in de stad maakt het Canal de
la Bassée een bocht, zodat twee keer het water moet overgestoken
worden. Een eerste aanval op 26 mei kost het leven aan 44 manschappen
en er vallen 144 gekwetsten. De tweede aanval van 's anderendaags
maakt al evenveel slachtoffers. Aan Britse kant is de situatie al
niet veel beter; de 2nd Div. offert zich op om de terugplooi-route
open te houden. De divisie verliest 2/3 van haar effectieven. Het
is tijdens deze gevechten dat zich de eerste oorlogsmisdaad voordoet,
uitgevoerd door SS troepen in het Westen. De 4th Brig. trekt zich
gestadig terug op Le Paradis en Locon. In een boerderij bij Le Paradis
weigert een eenheid van een 100tal manschappen van het 2nd Royal
Norfolk zich over te geven. Ze blijven zich verzetten tegen de manschappen
van de 4/IR.2 van de SS Totenkopf (Obersturmführer Fritz Knochlein)
en brengen hen zware verliezen toe. Uiteindelijk, en na het verschieten
van hun munitie en voor het merendeel gewond, geven de Engelsen
zich over. De Duitse officier laat de gevangenen tegen een muur
van de boerdeij zetten waarna ze worden gefusilleerd door twee mitrailleurs.
De overlevenden worden afgemaakt met pistolen en bajonetten; toch
slagen 2 soldaten er in om de slachting te overleven. Zwaargewond
worden ze gevangen genomen door andere oprukkende Duitse troepen.
Ze zullen later getuigen tegen Knochlein die op 25 oktober 1948
ter dood zal veroordeeld worden door een Engels Militair Tribunaal;
hij wordt 3 maanden later opgehangen.