<< Menu  


- Fall Gelb -
De campagne in België.

De strijd aan het Albertkanaal.

De voorbereidingen.

Op 9 mei stuurt Hitler omstreeks 13.10 een telegram aan het 6.Armee, met de melding "Gelb - 10 Mai 1940". Dit betekent dat 's anderendaags 10 mei om 05.35 (Duitse tijd - ligt 1 uur vóór op de Belgische) het Duitse offensief van start gaat. Overeenkomstig de instructies voorzien in Fall Gelb belt Hitler om 22.15 het codewoord "Dantzig" door.

Fall Gelb omvat eveneens specifieke instructies betreffende de neutralisering van het fort van Eben-Emael en de bezetting van de bruggen van Kanne, Veldwezelt en Vroenhoven. Deze operatie krijgt de codenaam "Stahl, Beton, Eisen, Granit"; "Stahl" staat voor Veldwezelt, "Beton" voor Vroenhoven, "Eisen" voor Kanne en "Granit" voor Eben-Emael.

Waarom nu precies die bruggen over het Albertkanaal en het fort van Eben-Emael ? Deze posities bepalen immers de oversteek van de Maas en het kanaal binnen de kern van het 6.Armee. Het Albertkanaal vormt de verbinding tussen de Maas en Antwerpen. Voorbij Maastricht loopt het kanaal door de St Pietershoogten, langs de Caster-geul, waarbij op sommige plaatsen een hoogte van 65m bereikt wordt. Het vormt dus een belangrijk militair obstakel.

Het fort van Eben-Emael beschermt als het ware de toegangen tot de Maas en het Albertkanaal, langs ondermeer de 3 voornoemde bruggen. Daarenboven biedt het bescherming tegen het "gat" van Visé en de noordoostelijke flank van de versterkte positie van Luik.

Gezien de positie van het fort en het feit dat rederlijkerwijs mag aangenomen worden dat de bruggen bij een Duitse aanval zullen vernietigd worden, lijkt een klassieke grondaanval uitgesloten.
Rest dus de mogelijkheid van een luchtlandingsoperatie. Een klassieke parachutage wordt al snel afgewezen; enerzijds maken de transportvliegtuigen Ju-52's te veel lawaai, anderzijds zwermen de gedropte para's meestal te ver uit elkaar, zodat ze zich eerst moeten hergroeperen voor een aanval. Vandaar ontstaat het idee van het gebruik van zweefvliegtuigen. Het meest voor de handliggende model is de DFS.230 (Deutsches Forschungsinstitut für Segelflug of Duits Onderzoeksinstituut voor de Zweefvlucht). Het toestel weegt 900 kg en kan ongeveer dezelfde vracht inladen. Er kunnen 9 manschappen aan boord, inclusief de piloot. Aangezien de aanvalsgroep zijn geheim wapen moet meevoeren, met name de "holle springladingen" van 50 kg, worden slechts 8 manschappen ingescheept.

Op 2 november 1939 ontvangt Maj. Koch zijn geheime onderrichtingen voor de oprichting van een Sturmgruppe. Daarnaast wordt voorzien in de bezetting van de intacte bruggen van Kanne, Veldwezelt en Vroenhoven; de uitschakeling van het fort van Eben-Emael; de ontzetting van de Sturmgruppe door het IR.151; de uitbreiding van de bruggenhoofden over de bruggen van Veldwezelt en Vroenhoven en de bezetting van de 3 Maastricht-bruggen door het Btl.zbV.100.
De Sturmgruppe Koch neemt 's anderendaags kantonnement aan het vliegveld van Hildesheim. Aldus ontstaat het FallschirmJägerReg.1 van Maj. Koch, met een sectie FallschirmPioniere van Olt. Witzig en een eenheid Lastensegler (vracht-zwevers) van Hpt. Kiess.

De bijeengebrachte eenheden zijn de 1/FR.1, de sectie Pioniere van de 7e Fliegerdiv., een eenheid trekkers, een sectie zoeklichten en een Cie. vliegveldtroepen. Daarbij komt nog een groep vrijwillige Pioniere van het VI.Armee. De coördinatie tussen de Gruppe en de Luftwaffe staat onder de directie van Gen. von Stutterheim. De Sturmgruppe zelf staat onder het hoge bevel van Gen. Student. Tijdens de operaties zal de Gruppe onder het uniek commando staan van de Wehrmacht.

De verovering van de bruggen over het Albertkanaal zal gebeuren door de Sturmgruppe Koch met 31 zwevers, met aan boord 11 officieren en 427 manschappen. De uitschakeling van het fort van Eben-Emael wordt toevertrouwd aan de SturmPionieregruppe van Olt. Witzig met 78 manschappen, gevolgd door de ontzetting door het IR.151, versterkt met het Pioniere Btl.(Mot).51, onder het bevel van Oberst Lt. Mikosch.

Hierna volgt een korte beschrijving van het fort van Eben-Emael. Het bevindt zich op een hoogte van 50m boven het dorp van Eben-Emael. Het heeft ongeveer de vorm van een gelijkzijdige driehoek. Tussen noord en zuid heeft het een diameter van 900m en tussen oost en west 800m. De noordoostflank loopt parallel met het Albertkanaal. Het nevenkanaal (met water gevulde antiitankgracht) loopt van het noordelijk punt naar het zuiden tot bij Blok II. De zuidelijke en zuidwestelijke flanken zijn beschermd door betonnen grachten en prikkeldraad; 40 gepantserde bouwwerken vormen een verdedigingsgordel, waarvan 4 artilleriekazematten met elk 3 kanonnen van 75, 2 koepels met een koppel uitschuifbare kanonnen van 75 met observatieposten (het betreft de noordelijke en de zuidelijke koepels), een grote koepel met een koppel kanonnen van 120, de bouwwerken voor de vestingstroepen, met achter gepantserde platen 13 zoeklichten, 8 kleine observatiekoepels of mitrailleurposten. De 120's hebben een reikwijdte van 17,5 km, die van 75 zowat 11km.

Buiten het hoofdbouwwerk bevinden zich 5 luchtdoelmitrailleurs en de verluchtingstorens voor de ondergrondse installaties die zich 40m diep bevinden. De verschillende ondergrondse verdiepingen zijn met elkaar verbonden door trappen en liften. Het garnizoen bestaat uit 1200 manschappen, waarvan 2 x 500 artilleristen en 200 technici (koks, techniekers en wapenmakers). Eelke groep artilleristen verblijft 1 week in het fort; de andere ligt in kantonnement in Wonck, op 6km ten zuiden van het fort.

De trekkers met hun zwevers zullen vertrekken van de vliegvelden van Köln-Ostheim en Köln-Butzweilerdorf.
De piloten van de zwevers worden getraind om 's nachts te vertrekken, in volstrekte duisternis, in formatie en te kunnen landen op onbekend terrein op een oppervlakte van een "zakdoek" groot.
Ook de piloten van de Junkers krijgen een zware training; het leren trekken bij dag en nacht, alleen of in lijn en tenslotte in formatie met de zwevers, geladen met een ton vracht en bengelend aan een kabel van 70m.

Het zware werk zal echter moeten geleverd worden door de stoottroepen. Zij bestuderen luchtfoto's en schaalmodellen van het fort en de bruggen. Op en rond de bruggen van Hildesheim wordt druk geoefend. In januari 1940 vertrekken de stoottroepen naar het Tjechische Altvatergebergte waar wordt getraind op fortificaties, gebouwd voor het Tjechische leger. Daar worden de holle ladingen uitgetest. Het IR.151 en het Pi.Btl.51 oefenen in de regio Aachen-Eschweiler, op een terrein in de omgeving van Stolberg. Er bevinden zich vestingwerken die deel uitmaken van de Siegfriedlinie en die een zekere gelijkenis vertonen met de Belgische. In maart volgt een algemene repetitie in Dedelsdorf, nabij Berlijn, van de operatie "Stahl".
Sinds januari is al een aantal zwevers uit elkaar gehaald en opgeborgen in kisten. Deze worden 's nachts en in konvooi overgebracht naar de Einsatz-flughafen van Keulen. Daar worden de zwevers in daarvoor speciaal gebouwde hangars opnieuw gemonteerd.

Naast de trekkers Ju-52's zijn voorzien, 4 reserve zwevers met hun trekkers, 6 Ju-52's voor parachuteringsopdrachten, 1 Ju-52 als reserve, 3 He-111's voor het droppen van bevoorrading en 50 zwevers DFS.230. Al deze toestellen maken deel uit van het KG.zbV.17. De trekkers zijn onderverdeeld in 4 Gruppe. Vanaf Ostheim zullen 31 zwevers opstijgen, vanaf Butzweilerdorf 11 en 7 Ju-52's voor parachutages. In Ostheim gebeurt het vertrek vanaf 2 pistes, met een tussentijd van 45 seconden. In 25 minuten moeten alle vliegtuigen in de lucht zijn. Elke trekker is aan zijn staart voorzien van een lichtbaken. Het volledige traject tussen Keulen en Aachen zal verlicht worden door zoeklichten van de Marine en de Flak.

* * *

De aanval.

De afstand tussen de Keulse vliegvelden en het afdalingspunt, de Vetschauer Berg, bedraagt zowat 73km. Daar zouden de zwevers zich op een hoogte van 2500 tot 2600m moeten bevinden. Vanaf het afdalingspunt tot aan de verschillende doelen bedraagt de afstand tussen de 24,5km en de 29,5km. De zwevers dalen aan een gemiddelde snelheid van zowat 124 km/u, zodat ze ongeveer 12 tot 14 minuten onderweg zijn. Na het afhaken van de zwevers zullen de Ju-52's ongeveer 200 levensgrote mannequins afgooien, gekleed in uniformen van Duitse para's.Deze moeten zorgen voor de nodige afleiding bij de Belgische soldaten en de bevolking.
Onderweg breekt de kabel af van één van de zwevers van de Gruppe Witzig. Door een inschattingsfout van de piloot van de zwever van U.Ofz. Brendenbeck wordt de kabel reeds gelost ter hoogte van de stad Düren. Eens aan de grond vordert deze troep een aantal voertuigen waarmee de brug van Kanne toch kan worden bereikt.

Vanaf het moment dat de alarmsirenes weerklinken op het fort van Eben-Emael, loopt de bezetting van de gevechtsposten door de manschappen van de 7e ID. in het honderd. Er worden granaten uitgedeeld zonder ontstekingsmechanisme, de lichte geweermitrailleurs krijgen 10 laders met elk 20 patronen, wetende dat zulk een wapen ongeveer 600 kogels/min kan afvuren. De toestand in het fort is al niet veel beter. De vesting heeft immers de naam een "strafkamp" te zijn. De bevelhebber is Maj. Jottrand, die op 26 juni 1939 het commando heeft opgenomen. Zijn officieren hebben slechts één doel vóór ogen, namelijk om zo snel mogelijk een mutatie te verkrijgen. De meeste onder hen die er terechtkomen zijn de zwaksten uit hun promotie of door een disciplinaire maatregel. Hetzelfde geldt voor de onderofficieren en de manschappen.

Daarnaast is het fort verre van afgewerkt. Heel wat kabels liggen nog bloot, transformatorkasten zijn nog niet aangesloten, heel wat luchtfilters ontbreken, het vizier van de 120 batterij is nog niet geleverd, er zijn technische mankementen aan de kanonnen van 75 en het garnizoen is zwak bewapend met enkel karabijnen en granaten. Tot slot bevinden er zich vaten met kalkchloride in de gangen en de gallerijen; deze zullen bij de explosies opengereten worden, waardoor heel wat manschappen intoxicaties zullen oplopen.
Op deze 10e mei is de bezetting van het fort niet volledig. De reeds geciteerde 1200 manschappen vormen in feite het organieke kader. Daarvan moet worden afgetrokken 10 tot 15% van het garnizoen door verloven, ziekte en andere korte afwezigheden en een eenheid van 233 manschappen onder het bevel van Cdt. Levaque, dat verblijft in het naburige dorpje Wonck. Zodoende vertoeven ongeveer 750 manschappen in het fort op het ogenblik van de aanval.

Het garnizoen is georganiseerd in een Staf en 2 batterijen. De Staf staat onder het bevel van Maj. Jottrand, met als adjunct Cdt. Van Der Auwera. Maken er verder nog deel van uit, 6 officieren, 3 geneesheren, een officier-administratie, een aalmoezenier, een adjunct van de genie, 40 onderofficieren en 157 manschappen.

De eerste batterij (artillerie) staat onder het commando van Kap. Vanecq en bestaat uit 8 officieren, 28 onderofficieren en 234 manschappen. Deze batterij omvat de Koepel van 120 met zijn dubbele 120' en een rotatie van 360°, de Noordelijke en Zuidelijke koepels met hun 2 intrekbare geschutstorens met elk 2 snelvuurkanonnen van 75' en een rotatie van 360°, de kazematten Maastricht (Ma) 1 en 2 en Visé (Vi) 1 en 2 met elk 3 kanonnen van 75' en een rotatie van ongeveer 70°.

De tweede batterij (= de nabije verdediging met lichte wapens) wordt geleid door Kap. Hotermans en heeft 4 officieren, 34 onderofficieren en 468 manschappen. De batterij omvat de Blokken I (aan de hoofdingang van het fort), II (aan de westzijde tussen de hoofdingang en de watergracht), IV (zuidelijk gelegen langs de antitank-gracht), V (idem als Blok IV, vormt één geheel met Koepel Zuid) en VI (zuidwestelijk gelegen langs de antitank-gracht), de mitrailleurs Noord (Mi Nord, op het dak van het fort met 3 mitrailleurs) en Zuid (Mi Sud, eveneens op het dak van het fort met 3 mitrailleurs), de luchtdoelmitrailleurs, het Kanaal Noord (langs het jaagpad van het Albertkanaal, met vuurrichting Kanne) en Zuid (eveneens langs het jaagpad van het Albertkanaal, met vuurrichting Lanaye) en het Observatorium I (Blok O 1, bevindt zich buiten de antitank-gracht en is verbonden met het fort door een lange tunnel van ongeveer 280m).

Naast de reeds gekende objectieven voorziet Hitler eveneens de bezetting van de 3 bruggen van Maastricht (Wilhelmina, St Servaas en de spoorwegbrug) en deze van Maaseik. De uitvoering van deze operatie wordt toevertrouwd aan het Btl.zbV.100, dat afhangt van de Abwehr. Het bataljon staat onder het bevel van Oberst Lahousen en is belast met sabotageopdrachten en activiteiten van de 5e kolonne. De eenheid ziet het licht tijdens de Poolse campagne en is voornamelijk samengesteld met Sudeten-vrijwilligers uit de regio's van Osla en Opper-Silizië, alsook met "Vertrauensleute" uit het westen.
Het bataljon bestaat uit een stafcompagnie, verschillende groepen wielrijders en motorrijders, 2 cie.'s Pioniere, 1 cie. Flak en een verkenningseenheid. De Pioniere worden evenwel overgeheveld naar de Wehrmacht.
Het gros van het Btl. zal drie kwartier vóór het ontketenen van Fall Gelb de Nederlandse grens oversteken, gekleed in uniformen van de Marechaussee. Er zal worden opgerukt via Sittard naar Maastricht. Dit deel van de operatie is in handen van Hptm. Fleck en Lt. Hocke.
De bezetting van de bruggen van Roosteren (NL) en Maaseik wordt toevertrouwd aan 2 gevechtspatrouilles onder de leiding van Lt. Grabert en Ofdw. Schiller (eveneens voorzien in uniformen van de Marechaussee).

De opmars naar de Maastrichter-bruggen mislukt volledig. De Duitsers worden op verscheidene plaatsen onderschept en uitgeschakeld. Enkele zeldzame overlevenden komen net op tijd om de bruggen te zien springen.

De Gruppe Grabert wordt bij de oversteek van de grens aan de post van Susteren meteen tegengehouden. Een groepje van 4 Nederlandse Grenswachten wordt al snel uitgeschakeld. Vervolgens gaat het naar Vloedbeek, waar eveneens de Nederlandse schildwachten worden overmeesterd. Aldus wordt de brug van Roosteren bereikt, aan het Julianakanaal. Ondanks dat Grabert het wachtwoord kent wordt de Gruppe tegengehouden door de Marechaussee, die de Duitsers begint te ontwapenen. Deze kunnen echter met in hun uniformen verstopte handvuurwapens de Nederlanders uitschakelen. Tijdens het korte gevecht komen langs beide kanten 4 soldaten om.

Van zijn kant slaagt de Gruppe Schiller er in om het Julianakanaal over te steken over een sluizencomplex ten zuiden van de brug van Roosteren.
Grabert marcheert met zijn manschappen naar Maaseik, maar blijft voorlopig aan de Nederlandse kant van het kanaal.

Aan Belgische zijde staat de verdediging van de brug onder het bevel van O.Lt. de Vinck (Groep Wielrijders van de 14e ID.) Omstreeks 04.35 vliegt een groot aantal Duitse toestellen over de sector. Op hetzelfde ogenblik lopen de "Nederlandse verdedigers" over naar de Belgische kant. Een 3tal Belgische soldaten wordt uitgestuurd om de versperringen te openen, maar ze worden onthaald op mitrailleurvuur en granaten. O.Lt. de Vinck begrijpt meteen de ernst van de situatie en loopt naar de kazemat waar zich het ontstekingsmechanisme bevindt voor de springladingen op de brug. Aan het wachthuis belt hij naar de kazerne van de Grens-Wielrijders te Maaseik om te melden dat hij de brug laat springen. Dan ontsteekt hij de lont die verbonden is aan een TNTstaaf die het volledige springmechanisme in gang steekt. Het duurt nog 4 min. vooraleer de brug in de lucht gaat. De officier wordt gekwetst, maar de Duitsers tellen verscheidene doden en gewonden.

Lt. Grabert heeft in zijn opdracht gefaald, meer dan waarschijnlijk omdat zijn manschappen teveel tijd hebben verloren met het nemen van gevangenen. Het mislukken van de opdrachten van het Btl.zbV.100 veroorzaakt een belangrijke vertraging in de opmars van de Duitse gemotoriseerde eenheden, zoals de 3. en 4.Pz.D. en laat de Franse troepen meer tijd om zich te ontplooien langs de lijn Waver-Namen.

Verslag/artikel door:
Mark Demol
 

     

Copyrighted © to www.AboutWorldWar2.tk and Roel Boons.
Please contact us for use of this material.