Dichters


Dichters met wilde haren
Dichters met wilde zinnen
Dichters met vrolijke handen
Dichters met lelijke tanden
Dichtersfiguren met deftige mantel
Dichters op de receptie van K.A.N.T.L.
Dichters met geld maar zonder vrouwen
                  (en omgekeerd) –
Dichters die zich het dichten berouwen
Dichters die de waarheid spreken
Dichters die om erkenning smeken
Dichters met alziende ogen
Of met opgetrokken wenkbrauwbogen
Dichters met macht (te mijden)
Dichters met kracht (te benijden)


Nu en dan is een dichter slecht
Vergeef hem als hij meent
wat hij zegt.


Patricia Lasoen (1948)
Brugge































































































































































































































































































Poète maudit


In een wereld waar Mens geboeid
chat en surft en schermpje kijkt,
is de poète maudit onbestaand,
de dichter heeft hernia.

Ik neem het boekje uit het rek.
Wie heeft thee gezet? Koffie graag.
De dichter schrijft: "Ik ben een god
in 't diepst van mijn gedichten."

De dichter klankbord voor rebel,
revolte, revolutie,
met chaos dreigen, splijtzwam.
Ik zet het boekje in het rek,

plooi het woord tot macht, genadestoot,
spiets het aan de bomen in mijn droom,
de letters huiveren, vallen,
blank is het land der dichters.

Het boekje in het rek pijnstoot
een gil, hernia weet je nog?
De dichter is dood, ik overleef.
De bib sluit vrijdag om acht.


Thierry Deleu (1940)
Oostduinkerke































































































































































































































































































De dichter


Hij ziet zijn nagels groeien
Houdt ze amper in bedwang
Zijn tenen zitten hem
Al jaren in de weg

Gelukkig zijn er nog zijn vrienden
Die driftige dieren met kale poten
Vreten ijverig het beenrot weg
Houden hem alert
Rood en bloedend


Liliane Melis (1957)
Brecht































































































































































































































































































ommetje naar moeder


zij praat in haar slaap
knarsetandt een verhaal,
hoe heerlijk rustig ruiken
haar handen op gespreid satijn

gek... dat klinkt nu net of
ik iets anders wilde zeggen

ik kijk nog even achterom
en maak als haar kleintje
een ommetje in het kommetje
van haar schoot


Marleen De Smet (1959)
Geraardsbergen































































































































































































































































































hij waait door haar hoofd
en laat verward
haar haren voor wat ze zijn

alles oogt zo perfect

het ochtendgloren rood
van haar wangen
neemt op trippeltenen
een loopje met fantasie

zacht ontknopt de lente
en je had het bijna
niet gemerkt


Josien De Brandt (1986)
Merchtem































































































































































































































































































spruitjeslucht


- Gerrit Komrij in Ooggetuige van Johan Anthierens –

hoe benepen en beneveld door goedkope
hoeren en jenever zuchten de vaderlandse
dichters, keft de kenner van de Alentejo en wist
zich attent het zweet van het voorhoofd

de zon schatert in zijn zuiders zwembad:
waar is het oproer van onder Salazar?
Neerlands hoop is dat er een Stalin opstaat
die de neurotische zangen dichtknijpt
tot een reutel, een ratel die de slaapwandelaars
doet ontwaken

burgeroorlogen woeden in de Lage Landen
onder satijnen lakens, wie gooit een brandbom
naar een tank?

het zilt gutst over zijn flitsende glazen
en vult de lebben onder zijn kin:
wie maakt een begin, een Praagse Lente
in de voortuintjes van Den Haag?

gekakel en baldadig zaad, meer krijg ik niet
te lezen – verweest beveelt hij zijn butler
en bedgenoot: bevrijd mij van die
kneuterigheid , waar zijn de tijden

van geknetter in de letteren, toen een toon
werd aangeslagen als een opgestoken vuist,
toen de machtigen beefden tijdens
hun onmachtig beffen? de benauwenis

van die verflensde dameskreten, dat duf
en wuft gegorgel uit een grachtengordel:
het is gemiezer in nog meer regen

mismoedigheid beneemt hem de adem,
de bedgenoot brengt het laatste gestoomde
overhemd: waar is de tijd van de dichter
die met zijn vingernagels gedegen tekens

in gevangenismuren krast? de kenner schopt
tegen de schenen van eeuwenoude cannelures
aan zijn boekenkast: hij zou die hele
klerezooi verbranden, maar zijn butler
houdt hem vast


Staf De Wilde (1948)
De Haan































































































































































































































































































HOTELKAMERS IN TURIJN EN RIMINI
of de dood van Cesare Pavese en Marco Pantani

De hotels waarin goden uit het leven stappen
zijn gelijk: hun ramen sluiten harten af
van zonlicht en het gejoel van kinderen,
hun kamers doen voor altijd deuren dicht
en knijpen longen stuk, maken ogen blind.

Zou hij Pavese hebben gekend,zou Marco
een gedicht van hem hebben gelezen ?
Wij weten dat er - zoals altijd - vrouwen waren :
de dichter zette de klok van zijn hart stil
voor Constance, een Amerikaanse actrice die zei
dat ze terug zou keren. Maar ze stuurde haar kat.
Pavese: Caesar gedood door de Brutus in zichzelf,
met zestien pillen, in Turijn, hotel Roma.

Marco werd plots Botticelli toen hij in Cesenatico
zijn Venus zag geboren worden : ze heette Christina,
was Deens en blond en danste op een kubus
in een bar die naar zweet rook. En naar liefde.
Hij beklom met haar de hoogste bergen, in een roes
van tederheid en warmte, de piraat werd galeislaaf
van een vuur dat met zijn vlammen vlees verschroeit.
Het witte poeder kwam als een dief in de nacht,
de ketting kraakte, kamwielen kotsten hun tanden uit
op de hete flanken van de voorbije roem.
Het geel en roze waarmee zijn lichaam ooit
tot dat van een Romeinse keizer werd gekroond,
werd zwart, de kale schedel spatte uit elkaar
als een gevallen ster. In zijn glazig oog het einde,
de finish waar geen roem te halen valt.

Hotel Le Rose in Rimini, reutel en roes,
de laatste kreet in de telefoon: Lasciatemi in pace!
Laat me in vrede rusten, gun mij het gif!
Oorverdovend de stilte van zijn stilgevallen benen,
de handen die van het kromstuur naar de onmacht
van lijkwitte lakens klauwen, de klim naar de dood.

Op zijn nachttafel leg ik de verzen van Pavese:
"E buio il mattino che passa
senza la luce dei tuoi occhi."
Donker is de ochtend die voorbij gaat
zonder het licht van jouw ogen.


Willie Verhegghe (1947)
Pollare/Ninove































































































































































































































































































Theodora
(uit: Ravenna, 2001)


Uit de coulissen van het Hippodroom
kwam deze danseres. Haar fonkelogen
verraden hoe zij hoerde zonder schroom.
Zij pronkt beaat, haar woord klinkt onvertogen.

Zij droomt nog wat onwennig in haar weelde.
Of ziet zij lonkend naar de tegenwand
de laatste minnaar die haar warmte streelde,
haar luister gaf en macht van hogerhand?

De volle beker die zij weldra schenkt:
een schijn van heiligheid en offergave.
Hij ademt geur van wijn. Beneveld denkt
zij aan de wilde uren in de haven.


Patrick Lateur (1949)
Gijzegem































































































































































































































































































Ars Poëticarte Blanche


Bij deze heet ik U van harte welkom
op de opening van dit gedicht.
Treed binnen, neem een glaasje
schuimwijn, knabbel een nootje
en struin even gezellig rond.

U kan ook gaan zitten
in één van de zetels
die overal te uwer comfort
tussen de regels zijn neergezet,
en uw zinnen verzetten.

Zie, is dat geen knappe jongeman
die uw gedichtsveld komt binnengewandeld?
Spreek hem gerust aan: u kent hem.
Hij is het toch die u
met zijn slanke handen en zijn lenig lijf
in uw dromen en in gedachten
komt vervoegen?

En als u na afloop met hem huiswaarts wilt,
laat u zich dan gerust oeverloos vervoeren.
Want u heeft een glaasje op,
en de laatste tram is allang vertrokken
als dit gedicht voldaan zijn deuren sluit.


Anthony Parmentier (1978)
Gent































































































































































































































































































keerkring


dichters zitten in
een kring wikken woorden
- wankele stapstenen
naar geluk –
op de rotonde
van hun hart

het onuitgesprokene
verschuilt zich
aan de binnenkant
van een vers
de werkelijkheid
ondergedoken in een metafoor

de spoken van de nacht
belanden in spiegelschrift
op het weerloze blad
woorden als kruipende reptielen
die zich verdringen
rond nauwe keldervensters

’s ochtends in het schrille
daglicht worden
gedichten belicht en krijgen
dichters een gezicht


Viviane Burssens (1949)
Wichelen































































































































































































































































































Het is moeilijk spreken met een mond vol poëzie
[een poëticaal fabeltje]


stel een sprookjesbos, stel een boswachter
dramatiseert een tegensputterend elfje, en verkracht haar
of verkracht haar niet, laat haar elfjeskutje bloeden of
groet haar en passant met één hand voor het oog, fluit een melodie
die het elfje niet herkent, of wel herkent, of toch in elk geval
ooit herkend heeft - tegen die tijd is de boswachter natuurlijk
allang weer thuis, het sprookjesbos een bos, een regulier bos
met populieren, beuken, dennen enzovoort, bomen kortom,
oude en jonge, met takken en bla
                                                bla
                                                        bla

ja hallo, ik hoef toch niet alles uit te leggen!


Olaf Risee (1974)
Waregem































































































































































































































































































dromen van Alcestis


dit verleidingsfeest, dit onaantastbaar vallen
voor spijzen op tafel en in bed, hoe wij
gulzig door de tijdsmuur
happen naar seconden want
de honger loert overal

de uren vol rozengeur zijn onbetaalbaar
zij verkoopt de mooie kinderen, vrolijke
spikkeltjes in een gekleurd verhaal
haar wilde haren los in een repertoire
zonder pakkans op wezenlijkheid

er is geloof in simultaan bewegen
de natuur roept en verbergt
onze natuurlijke staat

de prijs voor ontbinding
wordt met de tijd bepaald


Arno Bontjager (1972)
Wevelgem































































































































































































































































































DANSE MACABRE


je zal maar in een massagraf belanden,
moeten zoeken naar je voeten en je handen,
waar schuilt je schaambeen, schedel, ellepijp?
je kan niet zonder deze kuil verlaten

laat alle ribben zweven in de wervelwind,
haal menig scheenbeen onderuit, of beter
nog, als steun gebruik een schamel schouderblad
en wordt een bot jou bikkelhard geweigerd,
gebruik desnoods een elleboog, een vuist vol
losse kootjes, geen heiligbeen is heilig

vind je tot slot je eigen sleutelbeen terug
- je vindt beslist niet alles - kus dan de vrouw
die voor haar slaap- en spaak- en staartbeen, in ruil
van nu af aan jouw kuitbeen mag behouden


Marnix Speybroeck (1947)
Lovendegem































































































































































































































































































WAT GEDICHTEN VAN HUN DICHTERS VINDEN

- voor Willy Tibergien, zestig


1.

Zus en zo. Gedichten vinden hun dichters zijdelings, rakelings, zonder ruggengraat en ronduit
vervelend.

Ze draaien er maar omheen. Tot op het bot gaan maakt ze bang. Te confronterend. ‘Wat heb je daarbij te winnen?’, denken ze, ‘Toch geen poëzie?’

Gedichten vinden hun dichters maar niks. Niks aan poëzie.

2.

De schrik zit erin. Ze dekken zich in, camoufleren zich als ze hun dichters weer eens horen komen: pintelierend met allerlei kinderachtigheid, een mondvol gemompeld parlando, halfdronken kronkels en veel rare, niet mooi te praten manieren.

3.

Tegen close reading bestand, niettegenstaande een writer’s block, houden gedichten zich binnen hun wit gedeisd, houden ze het voor gezegd en dus voor zich.

4.

Altijd aan de verliezende kant, die dichters.

Maar met al hun overroepen talenten blijken hun gedichten toch nog op hen gesteld.

Het maakt gedichten gelukkig dat ze hen zijn blijven schrijven.

Dat begrijpen ze: meer dan wat hun dichters voor hen deden, kon geen levend wezen meer voor
gedichten doen.

Die houterigheid, dat haasje-over, dat haastig vallen over woorden, poespas van taal: gedichten ondergaan het met meewarigheid.

5.

Wat ze hun dichters nog meer verwijten: hun spellingsfouten, de malle leestekens, hun navelstaren!

Hun gebrekkig articuleren.

En met dat laatste verwijten ze hun dichters heel hun menselijkheid.

6.

Met Engelen dialogeren! Dat zouden ze het liefste willen. Nooit zullen dat hun dichters of hun lezers zijn: daarom dat ze per se het ongeschrevene en het onleesbare willen uitproberen.

In dat vermomde zwijgen herinneren ze zich wat ze hadden kunnen worden.

Ongemoeid, onbestemd. Bloeiend in het ongewisse.

(Is dit hun hoogste waarde, hun utopie: onuitgesproken blijven?)

7.

Sommige gedichten laten zich daarom niet schrijven. Hun woorden zijn te broos voor het licht waarin iemand hen leest. Hun geheim te geheimzinnig en te waarachtig om het prijs te geven.

8.

‘Onze woorden knokken voor ruimere, voortvarendere betekenissen. Voor joligheid.

Waarom knippen onze dichters in godsnaam nu niet die navelstreng door? Waarom weken ze zich niet van ons los? Ze moeten leren onze palavers laten.

Dichters, duw ons eruit, gooi ons de buitenwereld in!’

9.

Prince,

Ontmasker dit gedicht en je zal merken: veel staat er niet. Een paar woorden in een verwarde, verwarrende poging tot vlotte zinsbouw. Het voorbijgaande werd er excessief in geëvoceerd. De weemoedigheid en het ongemak van al wat aan de oppervlakte blijft.

Wat er niet staat is een flink stuk gelogen.

Nee - en dat siert hen - het vermoeit gedichten niet om - als hun dichters - net zo sterfelijk te zijn.


Alain Delmotte (1957)
Kortrijk































































































































































































































































































voorbij deze dag heb ik je in het water gezien
het laatste water dat de avond sloot
en de kier van de nacht liet vollopen met afscheid

maar van dit afscheid wil ik niet genezen
geen oever meer kan me nog wenken
als het niet de jouwe is
je heuvel zal ik voegen bij de heuvels van de tijd

maar zeg me ook als ik ontoereikend ben
ik zal mijn handen uitdoen en ze naast je leggen
mijn schepen zal ik met hun hout verbranden
in jouw water wil ik alleen drenkeling zijn

zo wacht ik op de lippen van je dag
als je een maand was
kon ik dertig maal meer van je houden


Roel Richelieu Van Londersele (1952)
Gent































































































































































































































































































JE HEBT JE WANGZAKKEN VOL LUCHT GEBLAZEN


Ik ben van het vrouwelijk geslacht, gemiddeld gewicht, gemiddelde lengte (zeventien centimeter).
Het liefst draag ik lelijke kleren. Ik ben er niet tegen om er lelijk uit te zien.

Jij hebt een sterk gebit, je voorpoten zijn erg krachtig. Je hebt je wangzakken vol lucht geblazen en daarom lijk je veel groter.

* Probeer je indruk op me te maken?

Je zwelt. Het lukt je niet om te antwoorden, met die wangzakken vol lucht. Je zwelt.
We spelen, tot onze vingers bloeden. Jij streelt me en ik bijt terug. Het kan wreed lijken, maar dat is het niet.
We zijn gelukkig nu.

* Probeer je indruk op me te maken?

Je wangzakken zijn leeg. Je bent niet groter dan zeventien centimeter, nu. Jij hebt een sterk gebit, je voorpoten zijn erg krachtig.

* Ik probeer geen indruk te maken – jij maakt me bang.
* Bang?
* Bang.
* Door mijn kleren?

Nu draag ik het liefst lelijke kleren en een vuile bril. Mijn haar lijkt op een vogelnest.
Jij hebt een sterk gebit, je voorpoten zijn erg krachtig. Je hebt je wangzakken vol lucht geblazen en daarom lijk je veel groter.

We slapen samen. Boven, in een bed met spijlen.
Ik sla jou, jij loopt weg. We beginnen raar te doen. Het is de angst. Onze vingers bloeden, maar gelukkig zijn we niet meer.

Je kijkt me aan. Ondanks de drie lelijke truien die ik over elkaar draag, voel ik me zo naakt als een slak. Slakken zijn niet naakt. Jij trekt mijn huis er af. Het kan wreed lijken maar dat is het niet. We zijn niet groter dan zeventien centimeter. Mijn vacht zorgt voor isolatie tegen kou en hitte.
We leven nog lang en gelukkig (2,5 jaar).


Sandrine Lambert (1974)
Leuven































































































































































































































































































D I T

(uit: Verzamel de liefde, Querido, 2005)


Van alles wat ik schreef
zijn dit het minste woorden.
En tel ze na, het zijn er
nog te veel: zelf hou ik van
mijn mond vol tanden,
het aaien van dit blad, de
woordenschat van mijn
twee handen, het stokken
van mijn adem als ik zeg
dat ik je hier niet kan
vertellen wie of wat ik
voor je ben, omdat papier
me in de weg zit, en ik
het juiste woord niet ken.


Bart Moeyaert (1964)
Antwerpen































































































































































































































































































Wij dichters
(uit: Man in Manhattan, Wereldbibliotheek, 2003)

Te langzaam kruipend
licht in burgerkoningland.

Met vreemde streken
in het hoofd.

Met vouwmeters van schoonheid
diep in de zakken.

Met pleisters van eens of ooit
en al die blinde, blinde kaarten.

Peter Theunynck (1960)
Antwerpen































































































































































































































































































TEGENFIGUREN


Van bij het begin, alsof er altijd een angel stekensklaar zat
de staart aan het verhaal, alsof we daar achter aan liepen
niet met pirouettensier, maar als in een stomme film
te snel om stil te staan bij wat echt belangrijk moest zijn

van bij het begin dus, als twee kwispelende honden
we raakten van trap of tafel tussen de lakens
we smeerden honing op onze woorden
snoepten van elkaar met smaak

met metronoomregelmaat
als de kortste en snelste route volgen
of die omweg waar we niet filerijden
alsof we afdwalen van de staart van het verhaal

want onderweg waren de landschappen meer en beter
we hadden enkel nog oog voor elkaar
niet voor de figuren die we uitsneden
niet voor de rituelen die we deden

we waren te snel voor onze gebreken
we groeiden terwijl we stoeiden
we werden wijs voor onze tijd
en toen was het opeens te laat

ik weet niet meer wie er mee begon
maar iemand werd de ander
de ander werd iemand

alles verandert.


Denis S.M. Vercruysse (1975)
Brugge































































































































































































































































































Zij breekt (in zes fragmenten)

- voor Efi Leontopoulou


I.

Zij breekt de fetakaas in twee en drijft scabreus de spot
met Belgische tomaten, grof versneden circusneuzen
tussen het komkommerzaad, ach geeft niet, fluistert ze
en slaat een kruis (want goede olie kan mirakels doen).

II.

Zij is mooi als sneeuw en breekt het ijs in januari
als we samen met het nieuwe jaar ineengestrengeld
en woordeloos naar dode bomen turen, fabelachtig
veinst ze dat ze van de winter houdt (en kust me zacht).

III.

Zij breekt me soms in hele kleine stukjes als de maan
vol is en er moordende horden door haar aders jagen
als ik door de badkamerdeur naar haar borsten staar,
ze likken wil, dan laat ze honden los en gooit met tanden.

IV.

Zij breekt naar oeroud ritueel en met een vloek haar ei
hard op het mijne, synthetisch rood en niet langer gedoopt
in bloed van pasgeborenen, vóór ons een versneden karkas
ter meerdere glorie van een pas herrezen lentegod.

V.

Zij breekt de ritmische adem van het grote, blauwe lichaam
dat ze meedraagt in het hart, waar ze zorgen in laat zouten,
ze beseft maar ziet niet dat er vissen in haar leven,
– ik wel, zie ze soms wanneer ik in haar ogen duik.

VI.

Zij breekt vandaag wat morgen, in soepel ochtendlicht
onverwoestbaar lijken zal, weet steeds van de dingen
de wezenlijke kern te vinden, dat wat theoretici
hadden uitgesloten, en knijpt dan hard, genadeloos.


Frédéric Leroy (1974)
Brussel































































































































































































































































































VLAANDEREN FEEST


Zelfs bij windstilte wapperen
De wilde manen van de leeuw
En verstrengelen om de mast
Klauwen zal hij met kracht
Tot een frisse lentebries
Ze weer bevrijden mag

Vlaanderen is in feest
De oude barden worden
Van stal gehaald en brengen
Gezang vol nostalgie
Deftige notabelen nippen
Aan de parelende wijn
Het volk blijft echter
Nuchter voor woord en beeld

De worsten geuren vettig
Boven de felle gloed
Van grijzend houtskool
Het bier vloeit rijkelijk
De militant tiert uit volle borst
Maar wat mij vrolijk stemt
De mens in de straat
Vermaakt zich ouderwets Vlaams


Albert F Haelemeersch (1947)
Sint-Martens-Latem































































































































































































































































































het trauma van de waarheid


het toeft in de nacht
als een vriend die je
zijn/haar mantel leent
en fluistert

wat waar is
kan niet uitgesproken worden
een vallende ster
onttrokken aan je oog
een paan rond je middel
een doel niet
om voor te leven
als een huis dat in brand staat

wat uitgesproken wordt
zal niet waar zijn
het waait weg met stof in de wind
die je bent: as

smeulend


Eric Rosseel (1950)
Grimbergen































































































































































































































































































aars poetica
(neoromantiek revisited)

dichters zijn,
naar 't schijnt,
gevoelige naturen

sluiten zich daarom op
in de slaapkamer
liefde kwelend
kwijlend

traantjes van ajuin


plakken ramen dicht met prentjes
maantje bloempje
engeltjes en peperkoek

zeker kop niet buitensteken
nekje mag niet breken

het mondje gaat naar "o"
de lipjes gaan naar "e"
de beentjes gaan van "aa" wel open

en:

zou ik morgen
een bundeltje verkopen?


Marcel Raman (1941)
Gent































































































































































































































































































We zullen blauwe vermoedens
tekenen in de handen
van de kinderen die we bedenken
als bakens voor de winter.

In uren die voorbestemd zijn
tot verweerde dansen binnen
het roodbruine labyrint
van het onvoltooide vierkant.


Want we zijn oud geboren
op de rand van valavond
en dronken najaarsregen.


Tine Verschoot (1960)
Ieper































































































































































































































































































BONBONS
(uit: Steden, de stad, 1996)


De eenzaamheid, onverkort
breekt tergend traag haar eierschalen stuk.

Gezeten voor het kastje
waaruit de soap blijft stromen
eet zij avond na avond
dezelfde bonbons.

Hij komt niet meer,
son chéri.

Toon Brouwers (1943)
Antwerpen































































































































































































































































































Gedichtendag


De juffrouw aan de receptie
Kijkt de dichter fronsend aan:
"Plakband, zegt u. Waarvoor dan wel?"

De dichter legt haar uit
Dat hij een poster met gedichten
Hier in het stadhuis op wil hangen.

De juffrouw van de receptie baalt
Maar pakt de telefoon en belt
Naar niveau 1, naar niveau 2, naar niveau 3, naar niveau 4,
En nog veel hoger,
Misschien wel naar god zelf,
Tot iemand haar een antwoord geeft:

"Wat wil die man?
Wie is die man?
Een blad met wàt?
Hoezo Gedichtendàg?
Nu ja, het kan,
Met formulier B 12,
In viervoud
En één maand van te voren."

De nood is groot
Maar de redding is nabij,
Want zie:
Een glazen deur glijdt zoemend open
En daar verschijnt de burgemeester.

De juffrouw van de receptie
Schiet als de weerlicht naar hem toe.

"Plakband?" zegt de burgemeester,
"Wel, gééf die man toch plakband,"
Dan, met een minzaam knikje
Verdwijnend in de lift,
Op weg naar niveau 1, naar niveau 2, naar niveau 3, naar niveau 4,
En nog veel hoger,
Misschien wel naar god zelf.

En binnen één minuut is dan de poster opgehangen,
Een lot waaraan de dichter zelf
Gelukkig nog ontkomt.


Marc van Caelenberg (1936)
Laarne































































































































































































































































































Beethoven


de radio speelt de pastorale
van een voorbije zomer, zegt hij

en al het schuim dat in haar kolkt
op de bodem waar ze denkt
wil even omgekeerd bezien
wat voor haar neus gebeurt

ze houdt van grond langs
platgedrukte haren
handen die dapper ondersteunen

ziet haar eigen voeten ginder
reiken naar de lucht
oren overluid geopend

ingewanden als antennes
golven in en op de dirigent
rustig uitgestrekt tot straks

landbouw is zijn ding
zij blijft een vers geslepen
componist van beelden
woont aldoor hoger


Lisette Waterschoot (1941)
Hamme































































































































































































































































































Kop dicht


Kijk uit voor ijzig brandende ogen
Na zinloos dode monologen
Al meen je niet te menen
Wat je zegt

Taal is speelgoed
En gevaarlijk
Rond en rollend
Vierkant stavend
En gezegd.


Rhode Hagmeijer (1982)
Gent































































































































































































































































































Huwelijksgelofte


Ik wil je wel de hemel op aarde gaan beloven,
als jij dat wilt. Ik wil je wel gaan zweren plechtig eeuwig
trouw zal ik je blijven, en nooit zal het wat minder worden, en nooit
raak ik je moe,
en dan voor mij houden dat je wel mijn trouw verdient
en dat ik je wel eeuwig lief zal hebben in goede dagen maar in
mindere wat minder omdat ik dan de fles opzoek en mij bedrink en
wild om me heen slaand stormachtig naar de hoeren ga.

Als jij dat wilt.


Steven Pollet (1978)
Torhout































































































































































































































































































EEN EPOS


Vermoedens van passie herleven in mij
bij 't zien van je blik, vochtig en lustend.
Niet langer in zware versterving berustend,
vergrijp ik me gulzig aan jouw lekkernij.

Want plots word ik weer overspoeld door verlangen,
verlangen dat jarenlang stil en verdoken
in donkere kerkers zat weggekropen,
verkrampt en in angstige twijfels gevangen.

Dat bíjna verschrompeld, ja bíjna verteerd,
als een wonder toch aan de beul kon ontkomen,
gevoed door verdroogde restjes van dromen
en door jou nu volledig gereanimeerd.

Daarvoor wil ik je nu oneindig belonen,
je van mijn herboren kracht laten drinken,
laag voor laag in je weefsels zinken
en iedere cel met mijn liefde bekronen.

Dan neem ik je mee uit dit aardse gewelf
waar heimwee zo vaak het hart overwoekert,
waar weerloos licht door schaduw ploetert
en waar het ruikt naar langzaam bederf.

Dan leid ik je hogere sferen binnen
waar alchemisten nog doen wat ze deden
en onze lichamen zullen smeden
tot zielen van edele zinnen.

Daar zal ik je zeggen dat ik van je hou.
Daar zal ik mijn oude naam afgeven,
mijn oude tranen, mijn oude leven,
en transformeren in jou.


Christel Van den Broeck (1965)
Antwerpen































































































































































































































































































Repetitieruimte


Het dichten laat me koud
mijn politieke ideeën zijn fout
mijn lichaam is een wrak
er zijn lekken in het dak

de thermostaat is ontploft
de keuken een illegaal stort
het toilet bevindt zich onder de komposthoop
er spoken klopgeesten op de overloop

de hut is een ravage
er repeteert een punkgroep in de garage
hoor de sirene razen
einde van de ontkenningsfase


Jef Louisa Versmissen (1971)
Herentals































































































































































































































































































WITLOOF


Zoals witloof,
niet de wortel die men breekt
en keert in de ast, maar de koele
kwetsbaarheid van het tere blad

zoals het donkerte wil om wit te zijn
en kilte zoekt om bitter te worden
en breekbaar blijft en bleek —
een bundel ongebroken verlangen

zoals het roerloos groeit,
een
leger van stilte,
en opflakkert bij het licht van een lamp
een korte groet uit hun grot van roest

zoals volmaakte vlammen
van een ondergronds branden


David Van Reybrouck (1971)
Brussel































































































































































































































































































De kleine dichter


Het pakje morst geluiden,
in bochten krawielend
verkent het haar warmte.

Wispelturige Nijntjes huppen
op en neer, trekkebekken
sproeten zijn voor later.


Mummie, af en toe grijphanden
rond een volle borst. Ontspannen
kreukloos ligt de dichter.


Yerna (1949)
Bottelare































































































































































































































































































Mensenlot


Samen nog wat laat opgezeten
Samen naar bed gegaan
Samen ingeslapen
Hij, voorgoed

Alléén zit zij nu vóór zijn zetel
Alleen foto erop
Alléén weent zij nu veel
Zij,... alleen

Zijn lang leven is beëindigd
Haar immense verdriet is begonnen
't Alleen dragen is zo moeilijk
En samen gaat niet meer.
Dàt is 's mensenlot


Jan Coessens (1932)
Kortrijk































































































































































































































































































&
(uit: 11 manieren om Heraclitus te lezen)


Ismaël, die de tweespalt
in het glas benoemde dat brak,
& Dido met een knal verrezen
verzweeg het verraad niet
& het bloeden in het vuur
van de Mohikaan op het braakland

& wat er je nog gebeuren kon,
kan onder het oranje zeil,
de tent in de tuin onder
een met rode huid & klauwteen
afgedwongen zomerzon,

de lezing & de feiten,
het wachten op het klamme blauw
onder het zich afpulkende, nog
steeds van chloor doordrenkte
jongemeisjesbikinislipje,

het geurende geknetter
in de lucht van ronderenners
& het graaien in aarde
van de bespotte buren
naar jonge asperges,

de kippen in het stof,
de varkens in de modder
& Thales, die, naar het schijnt,
als eerste de sterrekunde
beoefende : het naderen

U toegedicht.

Dirk Vekemans (1962)
Kessel-lo































































































































































































































































































familiefeest


herinneringen oude koeien tante Berta geld
geld oude koeien tante Berta geld
geld geld tante Berta geld
geld geld geld geld


Wim Geysen (1970)
Brasschaat































































































































































































































































































Geneugten


Wachtend op de schoolbus
knikkerden wij wilde kastanjes
in de sporen van de straat.
Wiens exemplaar eerst werd platgereden
was gewonnen.
Sommige auto's toeterden boos.
Maar wij juichten met dof geluid
in onze handschoenen.
En de bus kwam maar niet.
En wij hadden zo'n pret.
Tenminste tot die ene kastanje
die kantje boordje
door een razende autoband terug werd gepitst,
Lodewijk ei zo na onthoofdde
en een ruit van een herenhuis aan diggelen sloeg.
Dra kwam gelukkig de bus, de winter en het beroepsleven.


Bernard de Coen (1965)
Herent































































































































































































































































































trek een lijn over je verhemelte
er valt een ster in je mond
en je hoeft niet meer te praten
vlammend langs de horizon
zoekt je stem zich een eigen weg

het universum musiceert weer
niet meer met sferen maar met snaren
de cirkel op je buik
heeft een naam voor zijn eigen klank

scheur het eelt van onder je voeten
de aarde rolt voort zonder je te raken
waar de horizon zijn adem inhoudt
zal je stem je vertellen wat
hij voor je heeft gevonden


Han Van der Vegt (1961)
Antwerpen































































































































































































































































































Ik heb
een hand
vol vrouwen
op mijn kamer
vastgepind.
Ze maken
geen lawaai
maar bidden er
als torenvalken,
zijn nooit jaloers,
worden niet hysterisch
en als ik langskom
kijken ze
altijd verliefd.
Ik hoor alleen
wat zacht
gekreun
van oude balken.


Theo H.A. Slachmuylders (1949)
Hombeek































































































































































































































































































en wanneer je dan geleegd
en opgelucht de harde dag -
en telt waarin je al je lust –
en andere verheven ding -
en – hebt zitten opspa-
ren merk je dat deze
snel voller schijnen
en mooier want
nu is er niks
meer



Benjamin Ball (1981)
Gent































































































































































































































































































OMGEKEERD

(uit: Omgekeerd - poëziebundel met cd-rom met bewegende gedichten Poëziecentrum, 2005)

Stel je voor dat je niet meer ziet wat voor ellendigs een ander alsmaar overkomt
dat je niet meer blij bent omdat het met die ander en niet met jou gebeurt.

Maar omgekeerd dat je blij bent met wat jou iedere keer te beurt valt
zo dat je zou willen dat het ook die ander toekomt.

Stel je voor dat je dan gaat zien dat er dubbel zoveel vaders en moeders
van mensen met misse daden zijn als er mensen met misse daden zijn.

Stel je voor dat als een helikopter overvliegt je niet meer naar de helikopter
maar naar de mensen om je heen met open mond naar boven.

Dat als je een museum bezoekt met Schiele en Klimt je niet meer naar
de naaktschilderijen maar naar hoe de zaalwachter zich daartussen beweegt.

Stel je voor dat roofdieren wel kleuren kunnen onderscheiden
en wij niet meer jij zwart en ik wit en omgekeerd.

Dimitri Casteleyn (1966)
Sint-Martens-Latem































































































































































































































































































derderangsdichters


rijmen en alleen maar rijmen moeten
wij, want wij zijn derderangsdichters die niet
kunnen dichten tot ons eigen groot verdriet.
het is zielig hoe wij zielloos wroeten

van woord naar woord, hoe wij daarvoor boeten.
in die zin dat wat voor ons in het verschiet
ligt, de heks is, nooit de godvergeten griet.
alleen ondubbelzinnig begroeten


wij haar, nooit in de schemerzone tussen
de regels. wij houden niet van de mist
in mystiek, van de nevel in poëzie.


als wij haar al durven te kussen, kussen
wij haar vol op de lippen. net dat wist
het wonder, de mirakelmelancholie.


David Troch (1977)
Bonheiden































































































































































































































































































Kwajongen


Zijn kuif staat er weer.

Ze past zo goed bij die guitige ogen,
de wind speelt er diep in en ze is zo weids
als zee en wind tezamen.

Die pol gras waait met de wind mee
en vliegt precies tot waar zijn humeur het wil,
doorwoelt hem wat plagend als een bries in de duinen.

Dit gebeurt eventjes op zijn weg naar de toekomst,
zomaar langs zijn neus heen zweeft hij steeds hoger
de wolken in, speels zijn kuif achterna.


Katelijn Vijncke (1959)
Gent































































































































































































































































































HINKSTAPSPRONGEN


Er was eens een knaapje dat node gedwongen
Door ‘t leven moest gaan als geen andere jongen
Zijn wandel was anders, een beetje verwrongen
Niet stapje voor stapje, maar met hinkstapsprongen

Wie weet hoe het kwam dat dit joch was doordrongen
Van zo’n mankement - dat zijn spieren vals zongen
Hij had goede voeten en stevige longen
Kortom: een groot raadsel, dus, die hinkstapsprongen

Toen hogeschoolvorsers een antwoord bedongen
En zich voor een oplossing bochten inwrongen
Vond één van hen dat het symptoom was ontsprongen
Uit iets diep-traumatisch dat ooit werd verdrongen

De vijftiger - grijs met een bril en gedrongen -
Gebruikte hypnose en werd dan bezongen
Omdat het echt werkte, al vonden kwatongen
Heupgewieg kwalijker dan hinkstapsprongen


Thomas Logghe (1974)
Gent































































































































































































































































































Origami


Je zijden draadje knapte
en ik sloot je bevroren blik
-zachtjes-
zodat ik niets zou breken


warmte gleed uit je handen
en ik verwelkomde de kilte
toen ik je tot vaarwel plooide

Woorden tolden
en raakten verstrikt in een web
terwijl uitroeptekens scandeerden

het heeft geen zin


Marlis (1972)
Ninove































































































































































































































































































SNEEUWEN IS
LICHTDANSEN

VLOK OVER VLOK
LAAG NA LAAG
AARDE DICHTEN


Christine Alexander (1957)
Mortsel































































































































































































































































































SLOGANGEDICHT


Bedrijf een kerstmisdaad !
Berouwen die goede voornemens !
Verbrand alle teddyberen !
Schop het schoolkonijn !
Berokken bambi een oorlog !
Opschonen dat koetjeswaals !
Bak oma een assepoets !
Ban uit de letterenkunde alle uitroeptekens !!
Klaag verkleinwoordjes aan die langer zijn dan hun grondwoord !
Struikel niet langer over verkleinwoorden en onderdeuren !
Val niet in lilliputten bij het limbodansen !
Uitlepelen die linkerhersenhelft ! De volledige 23 % !


Joris Denoo (1953)
Torhout































































































































































































































































































(uit: Erlangen 7 Uitgeverij P, 2005)


Soms laat een dichter zich kennen,
weegt verlangen een steen, behelst
hem te gooien een booglijn van lucht
in een kamer met niets dan een gletsjer
van lakens en lijven en meer dan hem
lief is de spieren in ogen, ze beide
horen rollen, ondraaglijk glanzend
en groot, de antieke daad nog wat
nat van de doodverf.


Sven Cooremans (1970)
Mortsel































































































































































































































































































Een driehoek dreigt netjes in het midden
Haar ballen mooi in het gelid
Het is werkelijk een vorm van bidden
Tot God die in een hoekje zit

Er zijn krachten en regels voor nodig
Om te kunnen spelen
Ook materie is niet overbodig
Als men de tijd gaat verdelen

Voorzichtig wordt er aangelegd
Men helt boven het laken
De ballen gaan kort in gevecht
Om bij hun gat te geraken

Soms streelt men zacht
En kust ivoor ivoor
Of uit het niets stoot onverwacht
Een knikker verder door

Bohr was een bewonderaar
En zag een wereld in
Het groene laken zoals het daar
Voor strijdtoneel doorging

Het spel van elementaire deeltjes
Is vrolijk en bont gekleurd
Mensen zijn net zulke speeltjes
En daarom diep betreurd

Ze worden naar mekaar gejaagd
Zonder ernstig overleg
En nog voor hen ook maar iets daagt
Rollen ze al weer weg

We worden nooit één grote bal
Te midden het frisse groen
We zitten onrustig in de val
En kunnen er niets aan doen

Laat ons dus maar wedstrijdjes houden
Onze keu richten op een gat
Doorstoten en de adem inhouden
Dat hebben we dan toch maar mooi gehad

Zelf ben ik niet erg bedreven
En wel tot mijn grote smart
In dat spel zo verheven
In dat goddelijke Biljart


Peter Kluppels (1977)
Mechelen































































































































































































































































































rechte lijn


recht, zegt hij

maar ze loopt krom
en trekt aan de lijn

knallend knapt het touw
ze zigzagt over het gladde
van haar onbeschreven leven
draait pirouettes om obstakels

recht, roept hij

ze splitst, krult, danst
voor zijn ogen
de blauwe ijsvogel

ze schreeuwt naar de lijnen
die neerwaarts lopen
ze krabt over de strakheid
want ze wil dat het leven kronkelt

recht, fluistert hij

maar ze loopt krom om
de richting die hij gekozen had


Annemie Buyck (1958)
Waarschoot































































































































































































































































































Silentieuse


De tederheid omvat mijn lijf en
leden, maar niet mijn woorden.
Ik ben stil en jij bent stil,
zo zijn we samen een zwijgende
zee van bomen als dromen als
bloeiende bloemen in een met
zon overladen tuin.

Zo mag het voor altijd zijn.
De kamer duizelend van wolkenvol
sterren die sprakeloos toezien
hoe mijn ogen de jouwe worden,
hoe mijn taal jouw zwijgen
tracht te vatten in een
handvol geknuffel en gestoei.

Hoe het allemaal warmer wordt.
De kamer ruist, je hart druist,
mijn bloed spat door je aders,
tussen mijn lippen huist je lach.
Misschien is liefde bestemd om
nooit meer alleen te slapen en
vinden wij ons in dit smachten
naar een nacht die ons omhult,
een stel rijpe armen om ons heen.


An Vandesompele (1985)
Waregem































































































































































































































































































(uit: de Weg – el Camino, POINT Editions, 1999)


Wat hebben de oude profeten gezien
maar niet beschreven
in de eenzaamheid
die de geest verscherpt
- of doet dwalen?

Hebben ze een stem gehoord
ons onbekend, een droom ervaren
die ontwaken en zekerheid verleent
standvastig als waarheid en woord?


Germain Droogenbroodt (1944)
Altea, Spanje































































































































































































































































































Zomer

(uit: De geschiedenis van een steenbok, Parnassusreeks, Uitgeverij P, 2002)

Krekels spreken als gras
veelsoortig gras dat broos was
voor de jongen die loom neerlag
in het kastanjebos.
Hij opende zijn polsen
als de avond voorbij de bossen
en bloedde langzaam leeg
als de zon in de aarde
gelukkig - ongelukkig
terwijl de krekels zongen
rondom zijn groot rood hoofd
een heel blij requiem
voor een jongen die als gras was
dat wuifde in de wind
die de zaadjes losblies
en ze langzaam vol liefde
liet verwaaien.


Willy Spillebeen (1932)
Menen































































































































































































































































































en in zwakte


soms gebeurt het dat het regent in de nacht,
of dat het begint te donderen
of dat zwaluwen niet meer naar huis terugkeren
of dat we hier op het strand wandelen, zo lang en
zo ver dat het zout ons van de benen schudt.
we zouden er het hoofd bij verliezen, we zouden
spasmen krijgen en geen ziekenhuis die weet hoe.
op zo’n moment dat de nevel sloopt en de maan
niet uithangt, laat ons dichters als vuurtorens.


Sylvie Marie (1984)
Tielt































































































































































































































































































Er is geen geluid voor eenzaamheid. Geen
trilling, hoe onbeduidend en toevallig ook,
die ons samenzijn herroept.

Je afdruk staat te lezen in de
sporen op mijn huid.

Bijna zijn wij zwart en wit. Bijna
liggen wij als tonen tegen elkaar
te wachten op vingers die

zich zacht over ons heen bewegen.
Toetsen.

Wat valt het zwaar te leven
zonder klank. Wat had ik mij graag
klinkend in dit dakraam gezet.

Sterk, luid en sonoor.


Lies Van Gasse (1983)
Sint-Niklaas































































































































































































































































































De boottocht


Alsof al het water zich verzameld had om die
ene boot naar zijn bestemming te brengen
zo vol leken de grachten. Er was geen geluid te
horen dat aan beukende golven denken deed.

Zeven bogen zou hij passeren. Zeven bruggen
met elk een boog. Daarna gleed hij onder vele
bruggen waarbij één heel bijzonder terwijl haar
begeleider het over een oude gevangenis had.

Af en toe scheerde een meeuw zich weg om
later opnieuw op te duiken alsof ze wist wat er
omging in de peinzende hoofden. De boot,
het water, de meeuw als geheel. Het hoorde zo.

Later zaten twee mensen samen en aten. Zij wou
niets liever dan de stilte omarmen. Hij ze horen.

Tenslotte zwegen ze allebei. En het was goed zo.

Een spreeuw kwam zitten precies op de plek waar
haar blikken vertoefden. Een mannetjesduif zocht
naar voedsel. Eén na één liet ze de kruimels vallen.
Hij pikte ze op. Aangemeerd lag de boot.

Een trein vertrok in een vreemd station. Eén van
beiden die hem nam. Eén van hen bleef achter.
Toen pas liet de avondzon haar betovering glijden
langs hoge museumramen waarin glas-in-lood.


Iris Van de Casteele
Brussel































































































































































































































































































HANNAH


De misthoorn loeit
over
de knotomwolkte velden

Een teken van thuiskomst,
van gemoedelijke (h)erkenning

Bolbereden velden
Bemest, bewerkt, bezaaid
wachtend op
wakker worden.

Sluisjes bewaken
laagliggende landen
haasjes spelen
water stroomt
gemoedelijk naar haar monding

Durmse rieten randen
reiken rank ruisend
schaapjeskijkend
naar jouw kleine handjes.

Verwondering,
zittend
op een elfenbankje,
lacht je toe.

Het grazende paardje
ademt jouw naam
zachtjes in
om fluisterblazend "Hannah"
in de wind te knikken.


Philip Meersman (1971)
Sint-Joost-ten-Noode































































































































































































































































































het heeft een hele nacht geregend
de dag kwam nat voorbij
en smeken om een zegen
de dag kwam nat voorbij
het heeft de hele nacht geregend
de zon wordt niet meer blij


Nicole Ledegen (1957)
Gent































































































































































































































































































Nachtraaf

9 januari 2006 – voor www.villanella.be


dood o was uw woord maar een lamp voor die koude voetjes

schaduwen die vluchten uit het Dorp van Schommelstoel en
allochtonen zwervend door de stad als uitzichtloze
meeuwen hoor ze KAAS KAAS Elsschot in een Zimmer Frei maar
zonder zelfbeklag de dichters klaar op maat voor gevels

stad van zandbankwrakken samenloop van puin en bloed bij
je mond Muzaffarabad o dodenstad verkrachte
nachten weer die aan ons knagen you can now hear them cry

kijk dit zijn de eerste namen – Elvis en Paris en
ook Rimbaud Attila Bob en Teddy Saskia Beats
Inktaap Kunstbende Hallo Apocalyps B-B-B-
Bach en K-K-King Kong Robot Ad H-H Dark Peter
ballen krachten samen tot De Nachten bella bimba
in verwachting zingt la villanella – e si mette
a ballar in de Petrol geen kasjmier trui maar blauw als
kinderen in Muzaffarabad in zak en as
zij aan zij als twee rivieren ˜ in de nacht der nachten
zingt de dichter wie de dichter schrijft de dichter ’s nachts

deze stad
is niet
niet uw stad

kauwen komen met de avond
naar de Dodenstad
je voelt het aan je knoken
Kwinten tekende een kermkof
voor zijn Nokkel Kaarel
akte van verwaarlozing
voor Jos die zonder zerk zit

en een wekker bij Johanna
Alphonsina’s graf vol schelpen
en Ninette die naar je lacht

               het zijn De Nachten


Peter Holvoet-Hanssen (1960)
Berchem































































































































































































































































































Qu'ouvrent les tombes


Start als een gekantelde
vrachtwagen met verlies van varkens
die verspert en spreidt,

wees dan welkom in de wrakken welkom in
het vingernagelgelakte meisje welkom in de ontschietgaten

van een kreukbaar en beschoten onderkomen
zijn de toegangstickets in druk.
Nog even geduld. Ondertussen:

groet de zondagsrijder de zelfmoordenaar en de bijna-nobelprijswinnaar
van mij. geef de koningin van de katrol twee kussen.


X Roelens (1976)
Gent































































































































































































































































































Verloren


Ik had al eens hard geweend
toen mijn eerste teddybeer
-het was een aap-
op de autostrade door het raam vloog.

Papa wou niet terugrijden.
Het was te gevaarlijk beweerde hij.

Toen jij vertrok was het anders.
Ik weet om wie je lacht, van wie je houdt,
met wie je vrijt. Ik zwaai als je voorbijkomt
en we praten af en toe in een café of een GB.

Ze zeggen dat je weg bent en nooit terugkomt
maar je bent nog steeds in zicht.

Ik ben je niet verloren.
Ik weet wel waar je ligt.


Floris Schillebeeckx (1982)
Antwerpen































































































































































































































































































Vader

(uit: Blindganger, Uitgeverij P, Leuven, 2003)


Zachte locomotief
ontspoord in zoveel zinnen.

Herinneringen als
slechte wissels op de tijd.

Stilstaan. Niet bewegen.
Onschadelijk zijn.

Zwijgen aangeplant
in weigerige woorden.

Niet storen. Niet verstoren.
Handen op de rug.

Een verwilderde tuin
van gebaren. Overgroeide taal.

De stilte al te luid.
Wiedt hij met open mond.

Graaft hij sprakeloos
mijn wortels uit.


Gerda De Preter (1958)
Haacht































































































































































































































































































Dichters


Warhoofden
overal kan je ze zien.
Niet nodig zich kenbaar te maken
kauwen op kaken,
ze rapen zich woorden bijeen; misschien
zijn het spaarhoofden?

Raarhoofden,
overal kom je ze tegen
en achter elkaar gaan ze aan;
zo ook in de plassende regen
en soms - niet vergeten -
onder moeders paraplu
staan ze te zingen. Naïevelingen?

Warhoofden!
Waarhoofden?
Daar, hoofden!
Overal kom je ze tegen.


Eric Vandenwyngaerden (1955)
Diest































































































































































































































































































Kleine schrijvers


ik steel kleine schrijvers,
stop ze in mijn binnenzak
speciaal gevoerd voor blijvers
me stellend op gemak.

Ze voeden mijn geest
en ik geef ze onderdak
Ze vertellen me wereldse dingen
als ik ze 's avonds toestop
doe ik inspiratie op.

Ze fluisteren me dingen toe,
horen mijn gesprekken.
Zit ik zelf met de peren, gebakken,
dan zie ik ze, bleek,
wegtrekken.


Jee Kast (1977)
Hasselt































































































































































































































































































Prometheus

(uit: Versneden, Poëziecentrum, 2005)


en scheur leuk
verhalen op je buik
ja en lik holbol speeksel
op de lekke snippers
en blaas ze glazig
je ketent er alle ogen mee
maar niet de mijne

je lichaam in rots
je ogen en oren voor ik ze doof
je huid voor ik ze verkil
je neus en mond voor ik ze roof
je stem voor ik ze verstil

over losse taal gaat steevast de zweep
siste de zee plots pissig tussen de tenen
van broer hemelreus

je uur zonder schaduw ooit
vervolgde onverstoorbaar de zwaar gehavende
je uur in rots verstomd
vuurogige dagjesvliegen
horzeldomme vliezenvleesjes
schichtig scheurbuikgespuis


Herlinda Vekemans (1961)
Leuven































































































































































































































































































DE MAZEN VAN VERLANGEN


Waar we naar verlangden
wisten we niet,
maar we deden alsof,
want zonder definitie
van een verlangen
leek het leven maar niets.

Soms liep het voor de voeten,
of we keken er naar, blind.
We raakten het aan of praatten er mee,
dachten domweg ‘leuke babbel’,
en vervolgden onze weg.

Soms schoot het ons gewoon voorbij.
We herkenden het, te laat, te traag.
Meestal haalden we het nooit in.


François Vermeulen(1952)
Antwerpen































































































































































































































































































ONTMOETING


Ontmoeting verdraagt
geen licht, is zoveel
makkelijker in het donker
waar alles wordt gezegd
met koude voeten
trillende vingers naakte
rug verwarmen
en voor de eerste kou
is weggestreden
zwijgende lippen
liefde spreken.


Luc C. Martens (1956)
Deinze































































































































































































































































































face-lift


ze trok zich op
aan goede moed
zoals men haar gezicht
had opgetrokken
ze beende bij
wat ze had gemist
zoals men haar neus
had bijgebeend
ze plande vooruit
waarop ze had gewacht
zoals men haar kapsel
had ingeplant
ze blikte terug
op het verleden
niet beseffend dat
ze zelf was ingeblikt


Iris Michiels (1946)
Gent































































































































































































































































































DE MAN EN DE ZEE


Bijna tachtig was de man die voor het eerst
naar de zee werd gebracht. De zee niet ver
van zijn huis aan de grens van twee landen.

Toch was hij niet dom, zei hij, al wat hij wist
kwam uit boeken en verhalen van reizigers
en wetenschappers, van de radio en de tv.

Ook zijn broers die bij hem woonden
hadden nooit de zee gezien.
Nu zijn ze dood en hij alleen.

In zondags kostuum en op pas geblonken schoenen
liep hij met hoge wenkbrauwbogen te kijken, ruiken en
genieten van al het water dat zee wordt genoemd.

Je zag hem schrikken van zoveel strand vóór het water,
zand dat wegschuift als je erin stapt.
Je zag hem zwijgend kijken naar de horizon
die grijs afgelijnd toch een grens heeft.

Bijna tachtig en de zee zien
en weten dat zij er is in kleuren
wisselend van het humeur van de lucht.

Weten dat zij daarom zo vaak wordt bezocht
omdat in haar elke mens
een stukje van zichzelf herkent.


Ina Stabergh (1945)
Bekkevoort































































































































































































































































































ZELFPORTET


Nu hij zijn wilde haren afgeschoren heeft en
zich niet meer ophoudt in marginale cafés,
alleen nog maar als bezeten fitnesst en
uitsluitend bezorgd is om zijn buikspieren

Kan hij dan wel een dichter zijn?


Roger Nupie (1957)
Antwerpen































































































































































































































































































Meteen mee 1


Zij promoten
olievlekken
op Antartica
vrolijke foto’s
van zwarte sneeuw
hun camera’s
kraaien kreetjes
tergen tempels
badend in bloed
verjagen olifanten
uit safariparken
schieten Atahualpa
nog eens neer
"met geld, roepen zij,
"met geld
ben je overal
meteen mee!"


Thomas Rubico (1945)
Ertvelde































































































































































































































































































Trucage


Het is wat: een tijd waarin nog geloofd wordt,
een tijd waarin matrassen streepjes hebben,
uit kussens veertjes steken. Messen met
paarlemoeren heft trillen in geurig wildgebraad,
en van gezuiverde zinnen slaan vlammetjes.

Wij werden wie we zijn. Vermoed: achter
doorkijkspiegels worden kushandjes geblazen.


Bert Bevers (1954)
Antwerpen































































































































































































































































































HAPPY CHRISTMAS, HAPPY NEW YORK


‘Happy Christmas!’
Liefde bracht zijn lippen aan het trillen,
Als de volle maan het water --
Een glimlach gleed in de achteruitkijkspiegel
Tussen vier rode verkeerslichten van 42nd Street.
Ik simplifieerde zijn verleiding
Tot self-realising expectations
(Het was nu eenmaal Kerstmis --
ook voor de liefde)

Hoe de achterbank van een yellow cab,
Nu je niet meer zoekt, veranderen kan
In de duistere diepte van een bioskoop
Waar je het omgekeerde uitprobeert
Van een film in a world
That knows no danger.

Geen drama meer in de maak
Ik zal hem comprimeren in woorden,
Tot ik hem altijd op zak heb:

Alles gesampeld, gerelativeerd,
Gedecontextualiseerd, alles geknipt
En geplakt, zoals in een sms-bericht

(Batterij bijna leeg,
Lichaam belaagd door verkoudheid
Honger)

En wat Hem betreft:
Is hij eigenlijk wel bereid
Mijn lijden op te heffen
Of is hij gewoon niet in staat?
Dan is hij niet almachtig
Is hij in staat, maar niet bereid?
Dan is hij van kwade wil
Is hij én in staat én bereid?
Waar komt dan mijn lijden vandaan?
Is hij niet in staat en ook niet bereid?
Waarom moet ik hem dan liefde noemen?

Laat ik het epicuristisch bekijken
In ‘Happy New York!’


Bart Stouten (1656)
Wilrijk































































































































































































































































































Vrouwen


Vrouwen zijn lenig en licht als
de lente en weids als weiden
en in hun ogen ligt mededogen

Ze stralen als de zon en lachen met
hun haren en met hun handen
van goud vullen ze schalen.

Vrouwen zijn van vroeger en zuiver
als zeep en van zijde zijn hun zinnen

Vrouwen zijn om te beminnen.

Vrouwen zijn bomen met diepzinnige wortels
en onder hun warme oksel rijpt de herfst

Vrouwen zijn wit als de winter zacht
als sneeuw en kunstzinnig als ijs
Vrouwen zijn trouw en vloeiend als water.

Vrouwen zijn van altijd
van nu, van vroeger en later.


Rita Van Hauwermeiren (1957)
Wichelen































































































































































































































































































Broeder


toen de tijdloosheid verstreek konden wij enkel nog toekijken
zo stonden wij daar hand in hand
gelijk een mens met een mens
gelijk een man en een vrouw
maar dan enkel gelijk mezelf en u
gelijk twee broeders komend uit de zelfde charme
twee broeders
weerspiegel mijn leven en bedank mij dan
zeg bedankt en ik zal knikken
want ja broeder het is graag gedaan
dus veeg die tranen weg en hef die kin op
laat onze trots weerklinken
mijd geen liefde
hou van mij zoals ik van u
want wij moeten van elkaar houden
een verplichting
niet van mogen maar van moeten
een verlangen
een verlangen geboren uit de eenzaamheid
tot ziens broer
tot in de tweezaamheid


Simon Van Buyten































































































































































































































































































JOHANNES DE DOPER


Hij was de ongekroonde koning
van de woestijn - profetenwoning,
maar met zijn eten niet tevreden
at hij sprinkhaan, en wilde honing.


Anton Chardon (1936)
Driebergen































































































































































































































































































dichters


Men droomde van een witte kerst,
maar moest wachten op de dichters.

Drie keer op rij kreeg men
een gedichtendag
wit als de producten
in de winkelrekken.

Het was wachten op de dichters
die gewoon zijn zwarte sneeuw te zien.


Didi de Paris (1957)
Kessaloniki































































































































































































































































































Middelburg


wat als die brug nu niet meer past
dacht ik toen dat ding bleef draaien
en jij en ik - hoe moet dat nu als zelfs
een zee met jou me niets meer doet -

niet ons maar ik duwde deze traan
in vochtig zand - beteuterd hielp jij
me overeind en nam me mee naar
middelburg - daar was het dat ik zag

dat wij niet wachtten bij die brug
ik schoof langzaam op haar zij
draaide - schoof mij naar ons terug


Tine Moniek! (1979)
Waregem































































































































































































































































































Vrij lopend vuur
(bij Ornette Coleman & Fela Kuti) [voor David]

(uit: Verzeker u, Meulenhoff-Manteau, 2005)



Schoonheid is een raar ding
het is een klipding en een
ringding is het als gegoten
en als een klaploper in galop
is het als een moegetergde zwaan
Kopieerdrift, nieuwigheidsverlangen
de elegantie van een passerstel
de wensvorm genaamd berging - alles weg
Hier opent zich een kraan
een raar ding
schoonheid die zich schuilhoudt
op een straf paar plaatsen
oorgesuis, voelgekramp
ooglidvernauwingsgareel
en nooit eens een normaal woord
een klassiekgevormde zin
een adempauze die aan insijpeling doet
Wat hebben wij te maken met uw leven
wat hebben wij te maken
vol te storten
met ons gemoed
Het is een vorm die komt
als een roep
Het is wat komt
als een groep
serieuze eenzaten
die almaar gaat en gaat
Toewijdingsverbond
Trouwzweerdersmacht
Zeg het me, spreek als een tang
zoek met de kracht
van een lintworm
op elk continent
vrij als de loop die vuurt


Geert Buelens (1971)
Borgerhout - Amsterdam































































































































































































































































































IK WILDE IETS MAKEN MET MIJN HANDEN
(uit: Het ei in mezelf, Uitgeverij 521, Amsterdam 2005)


Ik wilde iets maken met mijn handen,
vond knippen te kleuters, boetseren te boers,
metselen te macho en timmeren, laat maar zitten.
Schilderen dan maar? Schitterend idee heeft u daar!
Artistiek kladden, kleuren creëren, smossen en spatten,
de wereldbol tot vierhoek transformeren.

Ik kocht een ezel en noemde hem eerst Ezel, dan Schijter,
want hij scheet twee keer tegen de wandtegels vooraleer
ik het doek tegen zijn flank kon spijkeren. Eindelijk klaar
was ik vast van plan het helemaal te maken. Adressen musea
noteerde ik in mijn agenda. Met drie uitroeptekens.

Zoals ik al zei, ik was helemaal klaar, maar iets te voorbarig,
want had ik niet nog nodig: borstel, vod, verf en palet? Ach ach,
wat een omslachtig, elitair en commercieel gedoe, dat geschilder.
Reeds was ik moe en er stond nog niets op het doek, tot opeens boven
mijn hoofd zo'n lichtje brandde dat je wel eens in stripverhalen ziet.

Ik doopte mijn wijsvinger in Schijters drek en wreef me daar een
lang niet onaardig bruin motief. Vervolgens legde ik mij te rusten
met een smile van oor tot oor, o wat vond ik mezelf een hele pief.
Voortaan zou ik heten: Philip Hoorne, De Eerste Vlaamse Neo-Primitief.


Philip Hoorne (1964)
Wevelgem































































































































































































































































































Het Hoofd


Het Hoofd riep: we maken een auto. Wie tegen was
kreeg de zak. Zo komen alleen koningen met wierook
en mirre de bevalling van een nieuw idee lof brengen.
Het Hoofd is gezonden, een heiland hoog in de kamer

met twee deuren en een voorhof. In dit kopstation van
carrières, kerkhof van kennis en kunde, kruipen ego’s
angstig weg als kakkerlakken. Hier worden arbeid getallen,
gezichten organigrammen, materie in grafieken omgezet.

Gehakt opnieuw varken, dan veevoeder, vismeel, aandelen.
De ligamenten van de organisatie liggen in schrijfkramp op
tafel. Uit met de ijzers geboren boordtabellen blijkt hoezeer
het Hoofd te benijden is. In het ketelhuis lekken alle kranen.


Marc Naessens (1943)
Leuven































































































































































































































































































zo. eerst gooit men emmers water
dan vriest het plots en men trekt
zijn vingers in, ik ben niet de schuldige.
jij evenmin. men weet dat wel.

maar of het tot iets heeft geleid.
er is touw genoeg om twee te dragen.
men hangt al over de reling, er staan
lege emmers voor het raam en spijkers

om in onze mond te leggen later
als de thuisloze hier komt slapen.
hij vraagt om niets en men krijgt
onszelf niet verder. zo niet.

ons vergif kleeft nog aan de stad


Maarten Crappé (1983)
Brussel































































































































































































































































































Het einde van de dadelijkheid X: "Knars poëtica"


een schrijfplek zoeken in een kamer die leeg is
en er geen vinden want
er is geen schrijfplek

toch beginnen tegen beter weten in een begin
kun je het nauwelijks noemen

noemen.

da’s wel het laatste dat aan jou is besteed

woorden zijn niet voor, ach nee, je hebt ze gegarandeerd
tegen. met enig misplaatst gevoel voor beeldspraak
- het woord alleen al -

beeld jij je in
dat ze als zwart bloed opwellen aan de oppervlakte van je blad
even nadat je die als een huidt hebt opengesneden.

drukwerk, schilderijen, schrijfsels, noem maar op
de illusies van een onderliggend per incipit ontdekt lichaam
toe maar

begin

nu

alsjeblieft niet over spiegels
laat ze even buiten dit gedicht
doe voor een keer eens niet iets
met jezelf

maak er desnoods een tekeningetje bij, snijd het hele blad weg
en bedenk hardop hoe je dat

wil aanvatten


Arne Schoenvuur (1981)
Gent































































































































































































































































































Mijn schaar heeft honger

(uit: PoŽzie in het circus, PoŽziecentrum, 2003)


Haar ijzeren mond ligt wachtend op mijn tafel.
Haar lippen zijn geopend op een kier.
Als een roofvis loert zij naar papier.

Daar op de hoek ligt een zachte stapel
van brieven, documenten, dossiers.
De witte randen van haar ogen vragen om mijn hand.
Ik gebruik mijn verstand, ik geef haar twee vingers.
En knipogend snijdt zij in het roze vlees van mijn linkerpink.


Frederik Lucien De Laere (1971)
Brugge































































































































































































































































































MEISJE VAN VIJF


Een tederheid van madeliefjes
vermengd met geur van gras, van zomerdag:
vingers als vlinders vlechten het zoemen
van de wei in het zachte kinderhaar
zonlicht danst over haar dichte oogjes,
wil naar binnen
wil daar korenbloemen zoenen
maar zij speelt met kleurenvlekken,
het zingen in haar hoofd, als toveren
en oefent blindelings de geuren, geluiden
van zwaluwen, rietvogels, stemmen,
geritsel van jurken, van vlas
ze wil dat het blijft duren
dit gefladder aan de binnenkant
hoort dan dichtbij haar naam

Een vuistje van niks kruipt naar het plotse
gemis van een handvol onderkomen
en leert hoe fel, hoe zacht soms
warmte kantelt binnenin
ze kijkt haar grote ogen
vol vader


Diana Freys (1945)
Diksmuide































































































































































































































































































Geef me ware taal of geef me niets
Geen waarde, niets van aan, behalve jij of helemaal
Vertrek al 's ochtends vroeg, op weg naar mij
Het kraakbeen uit mijn ribben, van gisteren nog
Op de aanzet van je tanden, onderweg naar mij

Niet hier, maar daarvandaan

Hoe, weet ik niet, ik vraag, vertraag
Alle tijd die ik van je mis, in een waaier lang
Hang een eeuwigheid, blijf,
Verlang mij hiervandaan

Wees goddeloos dichtbij
Mijn glimmende tong
Lik dag en nacht in mij
Kom aan, kom warm, kom zacht

Slaap met mij
Slaap en wees niet boos
Om de brandende as in mijn oog
Het is de wind
En ik ertegenin


Hans Hanssens (1958)
Asper































































































































































































































































































Minst


Ramen, liefste, zullen op een nacht zichzelf vervangen door
enkel het verlangen naar het openen ervan. Alles in zijn minst

eigen verschijning, als tussenstap naar niet meer. Sneeuw
zal zich ontleden tot zijn trappen van
vergelijking van het woord

wit waar bovenaan ijswitst een kat op ligt als offer aan de dooi,
het slijk grijs als je stem die ik tot klanken pel, nietszeggend,

vrij van verlettergrijp. Zwijg of schend waarheid: schreeuw dat
het laken rond is. Vergis je roekeloos voorbij dit ogenblik dat
hooguit wij maar is


Ruth Lasters (1979)
Antwerpen































































































































































































































































































Boca Raton december 2005


in het oosten gaat de grote lamp aan
wanneer de dichter zijn luiken sluit
zijn verdoofde grenswachters
onder het hoge bed gaan schuilen

kennen zij de kromme tekens
begrijpen zij waarom hij woord
na woord zichzelf herhaalt
zijn gekantelde bestemming schildert

te ver je geschonden weg
de gebroken brug van nergens naar nergens
te scherp de scherven in je knieën
de nagel in je navel

meteen keert hij de haaiïge ogen van
de oceaan de rug toe
hij zwemt moeizaam terug


Astrid Dewancker (1949)
Oostende































































































































































































































































































Inslechte krachten


Omgeven tussen bekende personages.
Versleten oorden, afgedragen gezichten
Helder en vroegtijdig voor dagelijkse
Heen en weer geloop.
Nergens naartoe, nooit nergens heen geweest
Tranen vullen hun lege glazen
Geen expressie, onmogelijk expressie
Verschuil mijn hoofd, kan huilen verdrinken?
Ik zie morgen niet, ik zag morgen nooit.

"Het is eigenlijk wel humor, nooit bleek antwoorden zo droef
De dromen waarin ik stierf, zijn de beste ooit beleefd
Ik vind het hard om u te preken, hard om zelf te ondergaan
Wanneer mensen enkel hun voetsporen nalopen
Komt het over als een inslechte zelfverminking

Kinderen wachtend op de dag die hun goed staat
Gelukkige verjaardag jongen, gelukkige verjaardag meid
En ze voelen de weg die elk ander kind dicteert
Zit en zwijg, zit en zwijg voor eeuwig
Op school aangekomen werd ik plots nerveus
Niemand kende mij, ging mij nooit kennen
goedendag mevrouw de leraar, deel me de les mee
"kijk door me heen, doorzie iedereen tot op het bot"

Het is eigenlijk wel humor, nooit bleek antwoorden zo droef
De dromen waarin ik stierf, zijn de beste ooit beleefd
Ik vind het hard om u te preken, hard om zelf te ondergaan
Wanneer mensen enkel hun voetsporen nalopen
Komt het over als een inslechte zelfverminking

Vergroot jouw visie

Inslechte zelfmoord

Steven De Swerts (1987)
Zoersel































































































































































































































































































Je duisternis zit op mijn schouder,
schaduw van een licht verleden.
Hij wil je tekenen, je schrijven
voor alle invalshoeken zijn verdwenen.

"Vergeef me", als dit gehaast lijkt,
maar ik wil je niet verliezen.

Ik heb je nooit gehad,
maar toch ben je een deel van mij.
Waar ik mezelf verlies,
daar begint hij.


DirkH (1972)
Gent































































































































































































































































































Ik heb God gezien,
Hij maakte vrouwen
uit cypressen donker en
legde het graan van de zee uit
Zijn hand als
water, en
blauw geworden
zag ik Hem
teken geven van wind en
vogels verspreiden
tegen de boomgaarden der
wolken, en om Hem
aan te spreken keek ik
mijn woorden uit.


Jan van der Hoeven (1929)
Brugge































































































































































































































































































Ik heb een zee tussen mijn armen.
En ben als aarde. En ben als haven.
Als het stormt leg ik mijn handen
als een eiland om je heen.

Ik ben een huis om in te stranden.
Heb een tafel. Een bed teveel.
Eb en vloed gaan hier voorbij.
Er is een raam. En zicht op mij.


Floor Deroo (1986)
Ieper































































































































































































































































































DE HORT

(bij Bike, een installatie van Christine Clinckx)


Putten zijn doorgaand verkeer,
meldt hij vrouw en kind in kou en regen,
in hitte en in mist. In de tocht
naar de verte. Want
Er zijn aan de hand: regen
en koude en mist
hij niet zijn vaders aarde in de hitte
van de strijd. Want
Er zijn aan de hand: heen
zonder weer, dag zonder licht,
zonder eten. Enkel de hoop
zand als asiel. Tevergeefs. Want
Putten zijn doorgaans verkeerd.


Frank Pollet (1959)
Sint-Niklaas































































































































































































































































































Brief


Ik studeer nog
als jullie worden geboren.
En bijna niemand
die meent
dat te moeten begrijpen.
We kwamen terug
van een Zuiden
dat als kwik
in ons stijfde.
Laten we hier
nooit, nooit blijven.


Sacha Blé (1971)
Gent































































































































































































































































































Huwelijksaanzoek 4


Geef me je kruis
en nagel me vast
in jouw illusie van wat ik ben
nagel me diep in jou te pletter
tot ik voorgoed aan je hang
als een verroeste held
stervend
levenslang.
Ik weet het is niet alles
maar het niets
draagt zo zwaar alleen.


Stijn Vranken (1974)
Antwerpen































































































































































































































































































neusBRUG


Oude man bij Vermeers meisje met de parel

Hij proeft lippenrood en gloss
tekent met zijn borstelbrauw
haar wimperloze blik en fronst.
Wrijft de weerbarst, craquelure
in zijn rimpels. Duikt doek.
Aan zijn neus parelt het zilver
van haar oorbel. Hij snuift
haar vleugels neuzen in zijn richting.
Hoort hij in het trilhaar een total loss
een lage streek van grondverf, dekwit?
Hij gist hoe blikken kunnen doden
draait stokoud de wervel van haar weg.


Norbert de Beule (1957)
Sint-Niklaas































































































































































































































































































HARD VS. HARD

16.01.05

ze slaat een brug tussen male en female

ik maak je hard zegt ze
ik maak jou hard antwoord ik
ik kom zonder handen klaar zegt ze
doe maar zeg ik
ik kijk wel hoe je komt
ik kom niet bij repliceert ze
je bent een god in bed
je maakt me gek zegt ze
na drie keer
je maakt me gek met je liefde gek
hard zeg ik

ik maak je gek zeg ik
ik maak jou hard antwoordt ze


Peter Wullen (1964)
Kortrijk































































































































































































































































































Ik ga langzaam zijn
en haar gedachten laten zakken zacht
om zo een aardschok te vermijden -
en als de aarde toch moet breken
ga ik hard zijn
handen
in het haar -
en laat maar neerkomen die gravers
en begin maar te trekken aan de wortels
haar heb ik toch altijd nog over
haar gedachten
haar hart.

Om zo een aardschok te vermijden,
ga ik zingend zijn
en haar stem laten deinen
als een golf die sluikend loslaat
ga ik zingend zijn
en ook mijn stem gaat wellen op voor haar
doorbevende klankkast anarchie.

en toch ga ik bang zijn.
woorden laten vallen
op haar oor te luister -
en duister mijn lied
ruist in radiostilte want

onder mijn gedachten
zijn gedachten
altijd tastbaar.


Wouter Dierckx (1985)
Vosselaar































































































































































































































































































Ze kotste haar waarheid uit op een witgekalkte muur
in de schaduw van losse woorden als ijle lucht
van de middaghitte die danste in grillige figuren
verdamping van woede na de breuk in haar schoot

die liefde was maar zo haastig gevierendeeld werd
door de escapes van een dorpsstier - zoals ze riep-
die gewoonweg vertrok uit het spel dat niet meer boeide
op weg naar de volgende verovering onder een rok


Ingrid Lenaerts (1947)
Bilzen































































































































































































































































































Writers block


Gobelijn in alle staten tolt
zijn enkels in een knoop gedraaid
de haren wild, de witte snor verwaait
de klanken die hij poogde
saam te rapen
tot een woord.

Verdraaid!

Wie heeft er in mijn trukendoos
gegraaid wie heeft er mij bestolen?

Moet ik nu net als alle deftige meneren
een kopje krant gaan drinken
bij de boterham
een platte stomweg natte
traan verpinken, zeggen
kijk er werd een hond gevonden
in een put. Hij ademde

zo dood
gewoon.


Ellen Joris (1935)
Gent































































































































































































































































































Liefdesbrugje


Wankel balanceer ik
op de liefdesbrug
water onder mij maakt me duizelig
diep in mij triomfeert blijheid

straks als de wind figuren maakt
op het water
kom ik naar je toe

dan luister ik
naar je bloedrode stem
die mij zeggen zal
dat wij als jonge geliefden
het struikgewas bezoeken.

nu echter balanceer ik
tussen wachten en trachten.


Edith Oeyen (1945)































































































































































































































































































Werkgelegenheidsplan


Kies zes kleuren.
Nummer ze van 1 tot en met 6.
Zoek uit op welke minuut
lente, zomer, herfst en winter aanvangen.
Doe bij het begin van de lente
4 096 teerlingworpen
en noteer zorgvuldig de cijfers.
Doe hetzelfde bij het begin
van de zomer, herfst en winter.
Verdeel 1 groot vierkant
in 4 vierkanten
en die elk in 4 096 vierkantjes.
Schilder het vierkant bovenaan links,
bestaande uit 4 096 vierkantjes, in
met de kleuren die corresponderen
met de cijfers van de lente.
Het vierkant, bovenaan rechts,
met de kleuren die verwijzen
naar de cijfers van de zomer.
Het vierkant, onderaan links,
met de kleuren die dat doen
naar de cijfers van de herfst
en het vierkant, onderaan rechts,
met de kleuren van de cijfers van de winter.
Als Kees klaar is,
bent u in het bezit
van 16 384 ingekleurde vierkantjes.
Wijk enige stappen terug
en bewonder de Kleur van het Toeval.
Werk elk jaar deze opdracht uit.
Onderzoek en perfectioneer!

Stuur regelmatig uw resultaten
naar de ministeries
van Arbeid, Tewerkstelling en Cultuur.
Vraag subsidies aan
voor deze voor de kleurpotlodeneconomie
belangwekkende studie.


Coenraed de Waele (1952)
Gent































































































































































































































































































Haar is bij velen
wat naar voor of achter steekt
om te verhelen
wat teveel is of ontbreekt.


(naar Piet Hein)


Hugo Olaerts (1949)
Genk































































































































































































































































































Het potlood is een voor de hand liggend
Verlengstuk van de dichter.
Als deel van het stilleven
Ervaar ik het van dichtbij
In de verliefde hand van de dichter
Die dingen aanraakt
En opschrijft zomaar met potlood
Nog voor ze doodgaan,
Vlak voor een veraf
Verzonnen komma of punt.


Roger M.J. de Neef (1941)
Heist-op-den Berg.