Biologie

ENGLISH ?

Snoek

Snoekbaars

Baars

Op deze pagina willen we even aantonen wat de gedragspatronen, eetgewoontes en de anatomie van de snoek, snoekbaars en baars zijn. Hoe meer men weet van deze vissoorten, hoe groter de kans deze te vangen EN hoe veiligen ze kunnen worden teruggezet.

De Snoek

Lat : Esox lucius  Ned : snoek  Fr : brochet  Eng : pike  D : hecht .

De snoek is een van de meest bekende zoetwatervissen. Hij behoort tot de orde salmoniformes familie "Esocidae". Snoek heeft een voorkeur voor helder stilstaand tot licht stromend water. Vooral gedurende de laatste twintig jaar zijn er in Belgie en Nederland heel wat wateren troebel geworden door een sterke algenontwikkeling, waardoor het milieu heel wat minder geschikt is geworden voor de snoek. De snoekstand liep hierdoor hard terug. De snoekbaars, die daarentegen wel de voorkeur geeft aan troebel water, nam de plaats in van de snoek. Goede snoekwateren zijn nog zeer moeilijk te vinden. Een ander reden voor de achteruitgang van de snoek is overbevissing. In de hengelpraktijk wordt vaak geen rekening gehouden met de bepaalde hoeveelheid snoek die een water kan produceren, waardoor de hengeldruk resulteert in een slechte snoekstand.

Voeding

Het menu van de snoek is zeer uitgebreid. Zijn voedselkeuze wordt vooral bepaald door beweging en afmeting van zijn prooi. In onze wateren waar witvis het talrijkst is, bestaat zijn voedsel voornamelijk uit voorn en brasem. De rest uit andere soorten vis met name karper, zeelt en baars. Bij gelegenheid vergrijpt de snoek zich ook aan andere prooien zoals ratten kikkers en jonge eenden. De laatste jaren wordt er ook gevist met vissen die helemaal niet voorkomen in zijn leefmilieu met name zeevissen zoals Haring, Makreel, Sardien, Spiering en Wijting. De vraatzucht van de snoek doen sterke verhalen de ronde. In werkelijkheid eet hij bijzonder weinig daar de snoek een heel passieve vis is en geduldig op zijn prooi wacht om op het laatste moment toe te slaan. Hij eet ongeveer vier kg vis om zelf een kg aan te komen. De groei van de snoek varieert heel sterk. Gemiddeld zal de snoek na 3 – 4 jaar de lengte bereikt hebben van 50 cm. Een studie heeft uitgewezen dat wijfjes sneller groeien dan mannetjes en bereiken dan ook een grotere lengte van ongeveer 1m40. De maximum leeftijd bedraagt 25 tot 30 jaar. Opvallend is dat echte kanjers vooral te vinden zijn op groot water. De leeftijd waarop snoeken geslachtsrijp zijn varieert bij mannetjes tussen 2 tot 5 jaar en bij wijfjes tussen 3 en 6 jaar.

De Paai

Snoek paait in de maanden maart tot april naargelang de watertemperatuur. Meestal bij een watertemp. van 6 tot 14 graden en in ondiep water langs de oeverzones. Het wijfje wordt meestal vergezeld van twee mannetjes. De eieren worden verspreid in een heel groot gebied. Een wijfje produceert, per kilo lichaamsgewicht, tussen de 25000 en de 35000 eieren die na de afzetting al na een week uitkomen. Ze zijn dan ongeveer 5 mm groot. Na hun dooierzak te hebben opgebruikt beginnen de jonge snoekjes te zwemmen en voeden zich voornamelijk met plankton en insectenlarven. Als ze een lengte van 5 tot 10 cm bereikt hebben, schakelen ze over tot vis als hoofdvoedsel

Anatomie

atomsnoek.jpg (53351 bytes)

Gebit : De bek bestaat uit een groot aantal tanden.  In de onderkaak bevinden zich de grote vangtanden.  De gehele bek is voorzien van kleinere, naar achter gebogen aas- en hoektanden waardoor de prooi niet uit hun bek kan ontsnappen.

Ogen : De snoek is een uitgesproken "ogendier", dat speciaal op sterke bewegingen reageert.  Vissers maken van deze eigenschap gebruik wanneer zij met kunstaas vissen.  De snoek heeft geen oogleden zodat ze met open ogen moeten slapen.

Hart : Het hart bevindt zich in het voorste gedeelte van de lichaamsholte en wordt beschermd door een extra vlies.

Galblaas : De in de lever geproduceerde gal wordt hier opgeslagen en dient voor de vetvertering.

Lever : De lever van de snoek is groot.  Deze dient als opslag voor vet en ? als ontgiftigingsorgaan.

Maag : De maag ziet eruit als een dikker stuk darm en is zeer elastisch, zodat ook grote prooien er een plaats kunnen vinden.  De snoek slikt de prooi in haar geheel door en verteert ze in 3 tot 5 dagen.

Darm : De darmen zijn zeer kort.

Milt : Dient voor de afbraak van rode bloedcellen.

Geslachtsorgaan : Deze nemen een zeer grote ruimte in.  Bij de vrouwtjes ontwikkelen zich hier de eitjes en bij de mannetjes de hoon.  De grootte van de geslachtsorganen is afhankelijk van de rijpheid van de vis.  Kort voor de paaitijd zijn ze natuurlijk het grootst, daarna het kleinst.

Zijlijnorgaan : Deze smalle lijnen kunnen drukverandering waarnemen.  Hiermee kunnen ze voelen uit welke richting hun prooi komt.  Ze komen ook voor op de kieuwdeksels, de onderkant van de onderkaak en rond de ogen.

Vinnen : Deze zijn gebouwd op snelheid.  De rug- en aarsvin zijn zover naar achteren geplaatst, dat ze een uitstekende aandrijving vormen.  De borstvinnen worden gebruikt om zich in evenwicht te houden.

Huidskleur : Deze kan variëren en is afhankelijk van zijn / haar omgeving.

Urineblaas : Hier komen de afscheidingsproducten in.

Zwemblaas : Deze strekt zich uit over de gehele lengte van de lichaamsholte tot aan de aasvis.  Doordat de zwemblaas in verbinding staat met de slokdarm kan hij op eenvoudige wijze zijn gewicht aanpassen aan de waterdiepte.  Deze mogelijkheid bezitten slechts weinig vissen.

Nieren : Liggen tegen de wervelkolom en zijn donkerrood van kleur.

Kieuwbogen : In de zeer fijne vertakking van de kieuwplaatjes geeft het bloed zuurstof af en neemt zuurstof uit het water.

Reukzintuig : Niet erg sterk ontwikkeld.

De Snoekbaars:

Lat : Stizostedion lucioperca  Ned : snoekbaars   Fr : Sandre   D : zander Eng : pike – perch

De snoekbaars behoort tot de familie Percidae ( baarsachtigen) en de orde Perciformes. Oorspronkelijk bewoonde de snoekbaars Oost en Centraal Europa. Van daaruit is het verspreidingsgebied, vooral onder invloed van de mens, aanzienlijk uitgebreid. In de twintigste eeuw is de snoekbaars in vele landen uitgezet als pootvis. Deze uitzettingen hadden in het algemeen een gunstig gevolg alhoewel er in sommige landen ernstig bezwaar was tegen de komst van deze grote rover en voedselconcurrent van waardevolle vissoorten. 

De eerste snoekbaarzen kwamen in Nederland, in navolging van de Batavieren bij Lobith, de Rijn afzakken en waren afkomstig van uitzettingen in Duitsland omstreeks 1885. De soort breidde zich snel uit en drong daarbij door tot het licht brak water aan de rand van de zuiderzee. Met het afsluiten van de zuiderzee ontstond het mooiste snoekbaarswater van heel Nederland .

De snoekbaars heeft een voorkeur voor troebel water maar komt ook in helder water voor dicht bij de bodem. Hier is het vrijwel altijd donker en de snoekbaars is dan ook aangepast door zijn speciale oogkonstruktie : licht dat het netvlies passeert, wordt door een reflekterende laag weer teruggekaatst waardoor de lichtgevoeligheid vergroot wordt. Snoekbaarsogen lijken daardoor troebel en welhaast lichtgevend hij kreeg daardoor ook nog een tweede naam : DE GLASOOG. Sinds de zestiger jaren wordt de snoekbaars talrijker vooral op grote wateren dit ten koste van de snoek. Snoekbaarzen zijn moeilijker te vangen dan snoek daar ze meestal solitair leven behalve tijdens de paaitijd waarin ze zich concentreren in de paaigebieden die vooral nabij de oevers liggen

De Paai

De snoekbaars paait in de maanden april en mei. De eieren worden afgezet in een kuiltje, het zogenaamde NEST, dat aggresief bewaakt wordt door het mannetje. Per kilo lichaamsgewicht produceert een wijfje ongeveer 200000 eitjes die na ongeveer een week uitkomen. Snoekbaarsbroed groeit snel, in de herfst kunnen de in de lente geboren snoekbaarsjes reeds een lengte bereikt hebben van vijf centimeter.

Voeding

Het allereerste voedsel van de jonge snoekbaarsjes bestaat voornamelijk uit plankton, na enkele weken gevolgd door wat groter aas zoals aasgarnalen. Daarna prijkt er alleen nog vis op het menu. Snoekbaars jaagt achter zijn prooi en is daarom aktiever dan snoek die meer in een hinderlaag ligt en wacht tot zijn prooi naar hem toekomt. Kleine prooi wordt ineens binnengeslikt. Met grotere prooien gaat het iets moeilijker en wordt zo in de bek gedraaid dat meestal het staarteinde eerst naar binnen geslikt wordt. Dit in tegenstelling van de snoek die de kop eerst naar binnen schuift. Snoekbaars kan in het algemeen een grote prooi verorberen maar meestal beperkt hij zich tot prooien die niet groter zijn dan zestien centimeter. Het voedselverbruik hangt sterk af van de watertemperatuur. Bij een watertemperatuur van ongeveer achtien graden celcius kan een snoekbaars een hoeveelheid prooi eten dat overeenkomt met vijf procent van zijn eigen lichaamsgewicht, bij lagere temperaturen is dat duidelijk minder.

Snoekbaars groeit snel en na drie jaar kunnen ze een lengte bereiken van veertig centimeter. De maximale lengte bedraagt 120 cm en de maximale leeftijd bedraagt ongeveer twintig jaar.Geslachtsrijp worden de wijfjes na drie jaar de mannetjes daarentegen al na twee jaar.

Anatomie

atomsnoekbaars.jpg (73706 bytes)

Gebit : De bek is voorzien van talrijke kleine tandjes, met daartussen enkele grote spitse vangtanden in de onder- en bovenkaak.

Hart : Het hart bevindt zich in een hartzakje vlak achter de kieuwen.

Lever : De donkerbruine lever kan vet opslaan.

Gal : De gal is zeer klein en in de lever ingebed.  De gal speelt een rol bij de vetvertering.

 

Maag : Deze is, in verhouding met die van de snoek, relatief klein.  De snoekbaars pakt dan ook kleinere visjes.  Onder warmere omstandigheden verteert de snoekbaars zijn voedsel sneller, waardoor hij in de zomer sneller op jacht gaat.

Pylorusaanhangsel : Achter de uitgang aan de maag bevinden zich 6 tot 7 zakken (blindzakken).  De functie hiervan is niet precies bekend.  Ze worden als vergroting van de darmwand beschouwd.

Milt : Dient voor de afbraak van rode bloedcellen.

Darm : Deze is zeer groot.

Geslachtsorgaan : Deze zijn zeer klein buiten de paaitijd en moeilijk te vinden.

Zijlijnorgaan : Deze smalle lijnen kunnen drukverandering waarnemen.  Hiermee kunnen ze voelen uit welke richting hun prooi komt.

Rijvinnen : Deze bevinden zich dicht bij elkaar.  De eerste heeft scherpe stekels.  Beiden hebben donkere stippen.

Zwemblaas : De goed ontwikkelde zwemblaas is langgerekt, ongedeeld en niet, zoals bij de meeste andere vissen, door een kanaal met de vaardarm verbonden.  Ter compensatie bezit de snoekbaars aan de bovenkant van de zwemblaas een dunne, gasdoorlatende plaats.  Dit orgaan vergemakkelijkt de drukregulatie van de vis als hij uit diep water naar boven komt.

Niet : De nieren zijn langwerpig en liggen vlak onder de wervelkolom.  De vloeibare uitwerpselen komen via de nieren in de urineblaas terecht.

Kieuwbogen : In de zeer fijne vertakking van de kieuwplaatjes geeft het bloed zuurstof af en neemt zuurstof uit het water.

Ogen : Deze zijn groot en bolvormig.  Ze geven daardoor een goed zicht in diepere, schemerige waterlopen.

Reukzintuig : Deze is niet sterk ontwikkeld, maar de vis maakt er toch gebruik van tijdens het jagen.  Dat blijkt al uit succesvol vissen met dood aas dat een sterke geur verspreidt en de snoekbaars aantrekt.

De Baars:

Lat : perca fluviatilis Ned : baars  Fr : perche  D : barsch  Eng : perch

De baars behoort tot de familie percidae (baarsachtingen) en tot de orde Perciformes. Baars is een vis die weinig eisen stelt aan het milieu en komt daarom bijna overal voor. Dank zij zijn grote aanpassingsvermogen is hij dan ook een van de meest verspreide zoetwatervissen. Deze grote verspreiding betekend overigens niet dat de baars overal snel groeit. Integendeel, in veel wateren zijn de levensomstandigheden verre van optimaal. De beste groei wordt in het algemeen gevonden in grote open wateren met een rijke prooivisstand zoals op het Haringvliet. Ook op de grote rivieren zoals de Waal, de Lek en het Hollands diep. Op bovengenoemde wateren bereiken de baarzen na vijf jaar ongeveer dertig centimeter en groeien uit tot een maximale lengte van vijfenvijftig centimeter. 

De Paai

De paaitijd van de baars valt in de maanden maart en april. Een wijfje van ongeveer twintig centimeter produceert  ongeveer 20000 eitjes. De eitjes worden afgezet op waterplanten en takken en is herkenbaar door zijn ietwat speciale vorm; namelijk lange slingers. De eieren komen uit na ongeveer een drie tal weken naargelang de watertemperatuur. In het eerste stadium voeden de jonge baarsjes zich met dierlijk plankton tot ze een lengte bereikt hebben van zes centimeter daarna schakelen ze over op insektenlarven en garnaaltjes. Pas als ze een lengte bereikt hebben van ongeveer tien centimeter wordt vis steeds belangrijker als hoofdvoedsel. Indien er niet voldoende prooivis aanwezig is komt dit ten nadele van de groei van de baars.

Voeding

 Zoals de meeste roofvissen heeft ook de baars geen bepaalde voorkeur wat betreft prooivis. Aangenomen wordt dat blankvoorn de hoofdschotel vormt. Baars eet zelden grote prooi. Een onderzoek heeft uitgewezen dat hij zelden grotere prooien eet dan vijftien centimeter .

Anatomie

biobaars.jpg (26615 bytes)

Gebit: heeft geen grote vangtanden om zijn prooi vast te houden. Hij is gedwongen om zijn prooi zo ver mogelijk in zijn bek te krijgen om ontsnapping te voorkomen.

Pylorus zakken: bevinden zich achter de maag om de spijsvertering te ondersteunen.

Milt: dient om de productie van nieuwe bloedcellen.

Geslachtsorgaan: deze is buiten de paaitijd zeer klein. Een baarsvrouwtje heeft maar één kuit in tegenstelling tot de snoek en snoekbaars.

Huidskleur: kleur en tekening verschillen, afhankelijk van leeftijd en omgeving. Goudgele baarzen komen ook voor.

Rugvinnen: deze bevinden zich dicht bij elkaar. De eerste heeft scherpe stekels en beiden hebben donker stippen.

Zwemblaas: omdat de baars niet snel verwisselt van diep naar ondiep water, heeft hij geen voorziening nodig die een snelle drukaanpassing in de zwemblaas mogelijk maakt. ........ boven op de zwemblaas, kan de baars betrekkelijk langzaam de druk in de zwemblaas aanpassen. Baarzen die op grote diepte omhoog gehaald worden, vertonen een opgezette zwemblaas.

Zintuigen: voor de jacht vertrouwt hij zich op zicht en zijlijnorganen. Deze smalle lijnen kunnen drukveranderingen waarnemen. Hiermee kunnen ze voelen uit welke richting hun prooi komt.