System Basic Computer

System Basic Computer

 

Animation line

De evolutie van het Geld

Animation line

Solidus Byzanthium Justius I (518-527)Volgens sommigen komt het woord munt van het Latijn moneta dat wil zeggen: die verwittigt, van monere, verwittigen, en zou het een bijnaam zijn van Juno in Rome : Juno Moneta. Het geld zou op die wijze zijn aangeduid, omdat men het vervaardigde in de tempel aan deze godin gewijd.
Maar misschien wilde men heel eenvoudig moneta in verband brengen met de vorm "bron", die men eveneens aantreft in monedula, de ekster die blinkende voorwerpen steelt. Daaraan moeten wij evenwel toevoegen dat de Romeinen hun munt zelf niet moneta noemden. Zij gebruikten de term nomisma of nummus, waarmee in het begin het zilverstuk werd aangeduid, dat gelijk was aan het antieke bronzen pond.
Wat er ook van zij, de voorbeelden om aan te tonen dat de herkomst van "munt" wazig is, ontbreken niet.
In het Engels bijvoorbeeld, klinkt in money nog iets na van moneta. Currency is echter haast onvertaalbaar en betekent alles wat in omloop is.
Hetzelfde is het geval in het Duits met Wšhrung, maar daar heeft het woord "geld" meer inslag. Het Spaanse dinero en het Italiaanse danaro brengt ons terug naar de Romeinse dinarius (zilverling) en naar de Servische of Bulgaarse Dinar.
De economische wetenschappen beschrijft de munt als een instrument dat, in de uitwisseling, dient als maat en, door zichzelf, een vergelijkingsmaatstaf is.
Na de ruilhandel, uitwisseling van goed voor goed, in het begin met vee of koopwaar, is er een ander middel tot uitwisseling waardoor de transacties niet meer beperkt waren in tijd of door de plaatselijke omstandigheden.  Het volume van de rechtstreekse handelsuitwisseling verkleinde, het was gemakkelijk te vervoeren en het bleef zijn waarde houden. Een goudstuk wordt beschouwd als eeuwigdurend, terwijl zulks geenszins kan gezegd worden van een koe... Daarom zijn goud en zilver, onder al de andere waarden, een gemeenschappelijke maatstaf, op universeel gebied. Als wissel instrumenten werden zij overal en door elkeen aanvaard.
Zo werd het geld, in de loop van de jaren, een stuk metaal van bepaalde vorm, titel, gewicht en afmetingen, met een officieel merkteken van de overheid, waardoor het een gegarandeerde waarde kreeg. Op die manier kon het dienen als uitwisselingsmogelijkheid voor alle andere voorwerpen of voor diensten, die zijn bezitter wenste.
Herodotus schreef: "De eersten onder de mensen, naar ons weten, die gouden en zilveren munten sloegen, waren de LydiŽrs", Xenofaan van Colofon bevestigd zulks. Het is waar dat de LydiŽrs beschikten over goud van de berg Timolos en dat zij, zoals hun buren van de Ionische eilanden, de Grieken, zij een echt handelaarsvolk waren. Het goud betekende voor hen het meest geschikte ruilmiddel.

Maar, als wij andere geschiedkundigen moeten geloven, werden goud en zilver reeds als ruilmiddel gebruikt 2.500 jaar voor onze tijdrekening, bij de BabyloniŽrs, die in die tijd reeds een gewichtenstelsel hadden uitgevonden.
Alleszins mag men aannemen dat het pas tegen de 7de eeuw V.C. was, dat de Ionische kooplieden, die de handen vol hadden met wegen en nakijken van de goud- en zilverklompen, eraan dachten er een merkteken op aan te brengen dat gemakkelijk herkenbaar was. Het is zo goed als zeker dat in het begin, iedereen het edele metaal in stukken van verschillende grootte sneed, afhankelijk van wat hij te betalen had voor de koopwaar. Het bleek later dat het veel gemakkelijker was vooraf gewogen stukken te gebruiken, en daar men er moest hebben van verschillende gewichten, merkte men al die met hetzelfde gewicht met een identiek cijfer. Er werd vervals in het gewicht en weldra moest de overheid ingrijpen. Zij regelde de merktekens op de munstukken. Vandaar de eerste stempelingen, waarna de naam van de munstslager verscheen, gevolgd door de merktekens van de prinsen, de jaren van de consulaten, de op- , om- en randschriften, de cijfers, en al de andere merktekens die men aanbracht om het de vervalsers moeilijk te maken.
Vast staat dat, kort na de "uitvinding" van de munt, de uitgiften elkaar snel opvolgden. Cresus, de fabelachtige koning van LydiŽ (561-546 V.C.) was miljardair. Deze potentaat die in zijn geldkoffers zijn "creseiden" bewaarde, goude munten van gerekte vorm, gemerkt met de oosterse maansikkel, de leeuw en de stier, blijft ook heden nog het symbool van de rijkdom.
Alles wijst erop dat, ondanks de sluier die over de oorsprong van het Griekse geld hangt, de oudste munten daar geslagen werden ten tijde van Amyntas (396-370 V.C.) Men is er inmiddels ook van op de hoogte geraakt dat de Atheense munt, uit de tijd van Theseus, de afbeelding van een os vertoonde.
De Grieken hadden gouden, zilveren en koperen munten. De eerste waren van een nogal ruw type. In 561 V.C. gaf Pisistratus, die de zilvermijnen van Laurion exploiteerde voor eigen rekening, de tetradrachme uit, waarop verscheidene profielen voorkwamen, van gehelmde krijgslieden, met op de keerzijde de silhouette van de uil, de rond het Parthenon meest voorkomende nachtvogel. In 525 V.C. werd de uilensilhouette naar de voorzijde gebracht, terwijl op de keerzijde het hoofd van de godin Athena verscheen. Opmerkelijk is het feit dat hier voor de eerste maal danig veel belang werd gehecht aan de menselijke gelaatstrekken, allenszins op een muntstuk. Het moet zijn dat de Atheners destijds zeer fier waren op deze nieuwigheid, want gedurende ruim 200 jaren werd aan hun munten niets meer gewijzigd.
De overwinnig bij Marathon, in 490 V.C. werd in de Atheense munt gevierd met de uitgifte van decadrachmen waarop de triomfale laurierkroon voorkwam boven het gehelmde hoofd van de plaatselijke godin. Het schijnt dat zij speciaal vervaardigd werden teneinde zilver aan de bewoners uit te delen. Elke Athener zou recht hebben gehad op 10 drachmen.
Vanuit LydiŽ en Aegis verspreidde het gebruik van munten blijkbaar zeer snel naar Athene, en vervolgens in de rest van Hellas. In 220 V.C. durft Filips V, koning van MacedoniŽ, een muntstuk uitgeven met zijn beeldenaar.
Volgens de monumenten die zijn overgebleven schijnt de muntslag bij de FeniciŽrs te beginnen rond de Medische oorlogen (5į eeuw V.C.)
De Grieken verspreidden het gebruik van munten in verscheidene streken. In GalliŽ debuteert de muntslag trouwens met kopies van Griekse munten. Zo is het ook in het oosten en in het zuiden van AziŽ, na de veldtochten van Alexander, in een deel van ArabiŽ en in het keizerrijk van de Parten.
De Hebreeuwers ondergaan de algemene invloed en passen de types aan hun geloof aan.
De laatste Heleense munten dragen kennelijk de gevolgen van een zekere aftakeling. De graveerders van Mithridatus de Grote werkten rond 100 V.C. in een pseudo oriŽntale stijl. Zij zouden nochtans, onder invloed van Rome, later een nieuwe uitdrukking krijgen.
De Romeinen verspreidden het gebruik van munten in de gebieden waar de Grieken nog niet waren doorgedrongen, en op die wijze bereidden zij de algehele invoering van het munstelsel voor.
Naarmate Rome zijn grijparmen uitspreidde en volkeren onderwierp, werd ook de Romeinse munt opgedrongen. Op die wijze verdween stilaan maar zeker het Grieksel geld, dat zeker het meest artistieke was in de oudheid.

Rome.

Tot het einde van de 4į eeuw V.C. bediende Rome, afhankelijk als het was aan een agrarische economie, zich van bronzen of koperen blokken, die gewogen werden op zeer rudimentaire wijze, bij alle binnenlandse handelsovereenkomsten. Het echte Romeinse geld dagtekent van 289 V.C. toen de "triumviri monetales" in het leven geroepen werden.
In het jaar 268 V.C. werd in de tempel van Juno Moneta in het kapitool, een werkplaats ingericht. Men neemt algemeen aan dat de zilverling (dinarius) uitgegeven werd in 187V.C. die de as en zijn onderverdelingen (semis, triens, quadrans, sextans, en ons) verving.
Het geld van de republiek werd geslagen onder het toezicht van dit college van magistraten dat de titel droeg van triumviri auro, argento, auro flando feriundo (triumviraten voor het slagen van goud, zilver en koper). Men nam de gewoonte aan deze munten van de republiek de naam van consulaire munt of munt van de Romeinse families te geven.
Het goud werd slechts zelden gebruikt voor de muntslag. Niettemin werd het op het einde van deze periode, tijdens de burgeroorlogen, meer en meer toegepast. Het gouden munststuk noemde men aureus.
Het aantal magistraten werd op vier gebracht door Julius Caesar, maar Augustus herleidde het aantal weer tot drie. Het betrof jongelui die in de politiek debuteerden langs verschillende mindere taken. Zij hadden de toelating gekregen op de munten, die onder hun beleid werden geslagen, een of andere van hun voorouders af te beelden, wanneer dat iets te betekenen had in de republiek. De consulaire munten zijn derhalve een pittoreske geschiedenis geworden van de grote Romeinse families.
Verboden was echter op de munten de naam aan te brengen van een magistraat die nog in leven was, behoudens de triumviraat van de munt. Caesar was de eerste die deze wet durfde te overtreden. Het volstond hem niet dat zijn naam erop voorkwam  maar hij liet er ook zijn beeldenaar op aanbrengen. Zijn voorbeeld werd later meermaals gevolgd. Op het einde van de republiek was de as teruggevallen tot een bescheiden volksmunt.
In 23 V.C. richtte Augstus het keizerrijk in. Hij behield zich het recht voor goud en zilver te slagen, en liet brons aan de senaat.
Van de tijd van Nero af, werden de aureus en de zilverling (dinarius) in gewicht afgenomen. Zilver werd met koper versmolten, en van dat ogenblik af, tot het einde van het keizerrijk, werd de munt steeds maar zwakker.
Zonder succes trachtte Diocletianus (284-305) het Romeinse geld in zijn oorspronkelijke waarde te herstellen.
Het Romeinse Rijk behield een betrekkelijke eenheid tot 476.
Het Byzantijnse geld, rechtstreeks afgeleid van de Romeinse munt, stond onder Anastasius I (491-518). De keizers behielden de "solidus" of halve stuiver, die bleef bestaan tot het einde van het keizerrijk. De Byzantijnse munen stelden de keizers voor en de leden van hun familie, of die van Christus en de Heilige Maagd.

De Barbaren.

Toen de barbaren het Romeinse rijk binnenvielen, in de 5į eeuw, had geen enkele van hun koningen ooit munt geslagen. Zij namen het Romeinse geld over. Zij kenden het reeds, want het was bij hen vroeger reeds in gebruik. Zij lieten zich echter niet lang pramen en weldra verschenen ook van hen de eerste munten, imitaties van het Romeinse munststelsel.
De Vandalen hebben geen goud gebruikt. Zij hadden zilveren en bronzen geld. De Ostregothen gebruikten zilver en koper, terwijl de Wisigothen een betrekkelijk interessante muntenreeks uitgaven.
Kort na de Frankische inval in GalliŽ, waar men reeds de munstlag kende twee eeuwen vůůr Julius Caesar, maakten de Romeinse munten na, zonder er maar ook iets aan te wijzigen. Geen enkele van hun eerste koningen, zelfs niet Clovis, durfde het aan munt op hun naam te slaan.
Twee van zijn zonen hebben het gewaagd kleine koperstukjes uit te geven met hun naam en hun monogram. De enorme reeksen Frankische munten in goud bestaan uit derden van halve stuivers in ruim 5.000 uitvoeringen, afkomstig van 800 werkplaatsen.
De Merovingische koningen, stelden helemaal geen belang in de munstslag. Hun onderdanen deden zulks in hun plaats. Toen in het midden van de 7į eeuw de Franken weer begonnen zilveren munten te vervaardigen, droeg een van de zilverlingen de naam van een koning Caribert II. Het blijkt dat, tegen het einde van die eeuw, er een waardeschaal werd vastgesteld, waarin een zilveren pond twintig halve stuivers goud - misschien wel de triens - en 240 nieuwe dinari (zilverlingen) waard was.
Deze waardeschaal was de oorsprong van het rekenstelsel van het oude regime en bleef over in Groot-BrittanniŽ met zijn ponden, shillings en pences. De laatste Merovingers werden inderdaad geÔmiteerd door de Angelsaksers en de Friezen.

De Middeleeuwen.

De Karolingers breken met de laatste banden met de oudheid en onder hun impuls ziet een vernieuwd monetair stelsel het levenslicht. De zilverling en de helft daarvan, de "halve penning" (obolus) blijven tot in het midden van de 13į eeuw toonaangevend. Pepijn de Korte schafte de goudslag af en verving hem door zilver. De zilverling werd een munteenheid.
Men weet dat Keizer Karel (724-768) de maten en gewichten hervormde. Hij voerde ook een Karolingische munt in, de voorloper van de munt in de Middeleeuwen.
De macht van de koningen van de Capet dynastie, inzake muntslag, was beperkt. De munten uitgegeven door Hughues Capet in Parijs en op zijn terreinen verschillen weinig van deze der nobelen, de abdijen of de kardinalen. De munten waren ontelbaar. Men moest wachten tot de heerschappij van Filip Augustus (1180-1223) om een echt koninklijke munt te zien veschijnen. In de feodale staat die de Kruistochten overzee stichtten, was hetzelfde muntstelsel als onder Hughues Capet in voege. In Duitsland moeten de monarchen van het Heilig Keizerrijk meer en meer hun muntrechen laten varen.
En zulks ten voordele van de kardinalen en prins bisschoppen. In ItaliŽ werd de muntcontrole uitgeoefend door de gemeenten. Hierdoor werd nieuw leven geblazen in de zaak. Zo ontstond een machtige economische eenheid.
De Engelse koningen hielden het bij een zware zilverling, met de beeldenaar van de koning. De onderwerping van het land door Willem de Veroveraar, in 1066, bracht hierin geen wijziging. In het noorden en het oosten van Europa verspreidde de munt zich samen met het Christendom. De Skandinaafse landen sloegen munt van het einde van de 10į eeuw af. Het waren nagemaakte zilverlingen van de Engelse pennies. De Poolse zilverlingen waren een vreemde mengeling van allerlei types, zoals trouwens de munten van Bohemen en Hongarije.
Wat Rusland en ServiŽ betreft moeten wij melden dat, onder de invloed van de Byzantijnse zone, de zilverling er niet gekend was.
In Spanje, in de 12į eeuw, voerde Alfons VIII van CastilliŽ weer de goudslag in onder invloed van de Arabische dinars. In Portugal, onder Alfons I, zien maravedis in goud het levenslicht. In het oosten ging de invloed van de munt, vertrokken aan de boorden van de Middellandse Zee, steeds verder. De verscheidenheid van de munten uit het Verre Oosten heeft echter niets gemeen met die van het westen. De ontelbare Chinese munten bijvoorbeeld hebben een heel ander uiterlijk. Een centraal gat laat toe ze op een stokje te stapelen, en aldus bepaalde sommen vast te stellen.
Toen de Heilige Lodewijk uit het Heilig Land terugkeerde, werd zijn heerschappij o.m. gekenmerkt door een ingrijpende monetaire hervorming. Zijn gouden daalder was in feite de zo lang verwachte motor voor de westerse handel. Hij werd in 1266 ingevoerd en werd uitgegeven voor een tegenwaarde van tien stuivers van Tours. De muntslag ervan was beperkt. Het zilveren geld dat erbij hoorde was de zilveren "gros tournois".
Deze werd nagemaakt door Alfons van Poitiers en, in dit verband, is het van gelang, de termen van een koninklijke oorkonde van 1262 te lezen: "Het is eenieder verboden geld te maken dat op dat van de koning gelijkt, zelfs niet een verregaande gelijkenis".
Rond deze periode is het dat een ander gouden munt (1252) ontstond, die wereldfaam zou genieten : de Florentijnse "florijn".
Daarvůůr had Frederik II, in 1233, van het huis van Hohenstaufen, in ItaliŽ gouden augustales laten slaan.
Eens de goudslag in ere hersteld, zagen verscheidene munten in talrijke landen het licht, tengevolge van de economische moeilijkheden na de troebelen bij het begin van de 14į eeuw.

Loden cylinder bewaring muntstukken

Loden Cylinder bestemd om een welbepaald aantal muntstukken te bevatten. (18į eeuw). Penningkabinet - Brussel.

De Renaissance.

Francesco Sforza, graaf van Milaan (1460-1466) was de beschermer  van de humanisten en zijn macht was niet gesteund op een dynastie, maar op geestelijke en lichamelijke kwaliteiten. Hij liet dukaten slaan, maar het was zijn opvolger, Gleazzo Maria die aan de oorsprong lag van de eerste zilveren lires die daarna de naam "testone" kregen. Dit had de creatie voor gevolg van gelijkaardigen stukken in gans Europa, met als resultaat een nieuwe monetaire revolutie.
De "testone" was een dik muntstuk. Hij deed zijn verschijning in Frankrijk onder Lodewijk XII (1498-1515). Inmiddels debuteerde ook de shilling van 12 pennies in Engeland. Het geld in de Nederlanden werd aangepast aan de nieuwe toetand en Karel V introduceerde in het courante Nederlandse geld een gouden kroon en de florijn "Carolus" in zilver. In Harz, Bohemen, volgden de graven van Schlick, eigenaars van de rijke zilvermijnen van Joachimsthal het voorbeeld van de buren, en begonnen zelf geld te slaan, genaamd Joachimsthaler, of kortweg "thaler" , met talloze neven- en ondermunten.
Onder Frans I (1515-1547) werd de teston de grote gangbare munt. In de Nederlanden verving Filips II de florijn Carolus van 20 patards door de Philippus daalder (halve zilveren reaal). In Engeland gaf Edward VI, in 1551, een kroon uit ter waarde van 5 shillings, om zijn geld op de hoogte van de Duitse Thalers te brengen.
Laten we even op onze stappen terugkeren.
Kort na de creatie in Frankrijk van de "Frank te paard" 1360, werd Jan de Goede gevangen gezet in Engeland. Er werd een losprijs bepaald. Toen ontstond voor het eerst in de geschiedenis de naam "franc" voor de munt (frank en frank te paard).  Op de "Frank te paard" kwam de koning voor aan het hoofd van de edellieden. Dat is meteen de oorsprong van de Belgische frank die, zowel in Frankrijk als in BelgiŽ heel wat heeft meegemaakt.
Het einde van de 15į eeuw werd gekenmerkt door de ontdekking van Amerika en de rijke goud- en zilvermijnen.  Inmiddels tot 1520, was de invoer van deze edele metalen veeleer beperkt in Europa. Van die datum af echter, was de invoer van goud en zilver uit de nieuwe wereld er de oorzaak van dat de bestaande munten aan het wankelen gingen. Het handelscentrum van het geld ging van VenetiŽ over Florence naar Antwerpen. De Antwerpse beurs regelde de koersen van de edele metalen, ingevoerd uit Amerika.
In de 17į eeuw kwam men eindelijk tot een zekere stabiliteit.
In de Nederlanden, van 1612 af, sloegen de markgraven gouden souvereigns van zes florijnen, en vervolgens dukaten die spoedig vervangen werden door zilveren kronen.
In Frankrijk, onder Lodewijk XIII, en van 1640 af, werd een zilveren daalder geslagen en een gouden Louis, ter waarde van tien pond, allebei met de beeldenaar van de koning. Jean Varin, die de stempels ervan vervaardigde, wordt beschouwd als de grootste kunstenaar die ooit in de muntwerkplaats van het Louvre werkzaam was.
In Engeland verving Jan I (1603-1625) de oude souvereign in goud door de goudeenheid van 20 shillings, die op zijn beurt onder Charles II (1662-1670) vervangen werd door de Guinje van 20 shillings.
De inspanningen van Karel V om het totaal uit de hand gelopen stelsel in Duitsland te reorganiseren, bleven zonder resultaat. Er waren massale hoeveelheden munt van verschillende uitgiften in omloop. Laten wij er enkele vernoemen: de florijnen, dukaten, thalers, marken, albus, shilling, pfenning, kreuzer, groschen en nog vele andere.
Ook in ItaliŽ ingevolge het groot aantal kleine staten, was de monetaire toestand uiterst ingewikkeld.
In Zweden dagtekent de echte "zware" zilveren munt van Gustaaf I Wasa (1540-1569) die ook thalers uitgaf.
In Hongarije liet Vladislaw VI (1490-1516) ducaten slaan die overal in Europa cirkuleerden, terwijl in Polen Sigismund I, in 1528, dukaten met zijn beeldenaar uitgaf.
Het Russische keizerrijk werd opgericht door Ivan IV, Vasilievitch, die in 1547 zichzelf Tzaar liet kronen. Hij gaf denguis en kopeken uit.
Van zijn kant bleef Zwitserland, met zijn 13 in de 15į eeuw samengebrachte kantons, monetair autonoom. De kantons sloegen florijnen, dukaten in goud, testones en thalers.
In Spanje werden reeksen o.m. uitgegeven in CastiliŽ, in Aragon, in CataloniŽ, te Valencia en op de Balearen.

De overgangsperiode.

Op monetair gebied, wordt de 17į en 18į eeuw, tot aan de Franse revolutie beschouwd als een overgangsperiode, tijdens dewelke het geld verschillende vormen aannam: Gedurende vele jaren waren de Roettiers, van Vlaamse afkomst, de officiŽle graveerders van de munten van Parijs en Londen. Teneinde uit zijn financiŽle moeilijkheden te geraken nam Lodewijk XIV zijn toevlucht tot enkele kunstgrepen, die vruchten afwierpen tussen 1689 en 1715.
In die periode kwam in Rusland echter een belangrijke hervorming tot stand. Peter de Grote liet een balans plaatsen in de munt te Moskou, en de roebel werd gedevalueerd en omgevormd tot een stuk dat geleek op de Duitse thaler. In Duitsland slaagde men erin, het grootste deel van de in omloop zijnde munten over te schakelen op het systeem van de gulden, o.m. in Rheinland en in het zuiden, terwijl de thaler in Saksen baas bleef, samen de de Mark in het noord-westen.

In het begin van de 18į eeuw geleken al de Europese munten op de Franse. Zij vertoonden over het algemeen aan de voorzijde de beeldenaar van de koning, meestal nogal vleiend, en aan de keerzijde een heraldisch motief.
De koninklijke muntafbeelding tijdens de tijd van Voltaire geven ons een overzicht van de zedenontwikkeling, en ook deze van het koninklijk huis. Op een stuk, geslagen in 1792, draagt Lodewijk XVI het burgerpak, dat hem in zekere zin van de troon heeft geholpen ... het is ook waar dat de Revolutie, in 1789, de assignaties in het leven riep. Zij bleven tot in 1797.
GeÔnspireerd door een idee van Necker, teneinde de publieke fondsen te spijzen, besloot de Wetgevende vergadering, die zetelde van 1789 tot 1790, 's lands goederen voor een bedrag van 400 miljoen in te zetten, en gaf hiervoor de "assignaties" uit. Weldra moest de assemblee de interestvoet van 5 naar 3 % terugbrengen, en men besloot dat de assignaties wettelijk verplicht werden.
Mirabeau liet een nieuwe uitgifte van 800 miljoen verspreiden, en weldra werd de interest afgeschaft. Van 1790 tot 1796 beliep het totaal van de uitgiftes 45 miljard 578 miljoen. De ontwaarding ging zover, dat zij tot 97 % verloren. Al de maatregelen om papieren geld een stabiele koers te geven, waren nutteloos. Na de opgelegde koers te laten varen, ging men over op een wettelijke koers, en dat betekende het einde van de "assignats". Deze "munt" had duizenden families geruÔneerd.

Het decimale metriek stelsel, uitgewerkt door de Franse Academie voor Wetenschappen, op vraag van de assemblee, werd ingevoerd in 1795 wat de munt betreft. Op deze basis steunde het toenmalige Franse muntstelsel, en later ook dat van de Latijnse Unie. Bepaald werd dat de munteenheid franc werd genoemd, verdeeld in tien decimen, en 100 centimen. Eerste consul Napoleon had reeds zijn beeldenaar op de munt laten aanbrengen. In 1807-1808 werd er de keizerlijke titel aan toegevoegd.
De stijl van de Napoleontische munten verspreidde zich en werd vooral in Europa overgenomen, ook onder invloed van de veldtochten. De "Napoleon", goudstuk van 20 francs, werd de Franse munt bij uitstek.
Na de val van Napoleon zorgden Lodewijk XVIII en diens opvolgers, ervoor dat de Koninklijke munt in ere hersteld werd.

Muntkoffertje

Koffertje van een Vlaams wisselagent (1750)
Het bevat enkele courante munten, en in het midden een kleine weegschaal.
Penningkabinet - Brussel.

Van 1830 tot heden.

In de loop van de 19į eeuw kwam de eenmaking van de munt tot stand, echter niet zonder moeilijkheden, in Duitsland. Zij ontstond in verscheidene etappes. In 1837 sloten Beieren, Hesse Darmstadt, Frankfurt/Main en Wurttemberg de eerste monetaire overeenkomst. In 1857 werd de Conventie van Wenen afgesloten waaraan al de Duitse staten deelnamen, samen met Oostenrijk - Hongarije. Hierdoor ontstond een nauwe maar soepele verstandhouding onder de drie betrokken muntstelsels. De zilverstandaard werd algemeen aangenomen. Na de Frans - Duitse oorlog in 1870, namen 25 Duitse deelstaten algemeen de goudstandaard aan. De Reichsmark werd de eenheidsmunt, verdeel in 100 pfenning.
Na de oorlog 1914-1918 verdween de muntslag van de verschillende staten. Dat had de gekende aftakeling voor gevolg...

De dollar die thans een wereldmunt is geworden, volgde de opkomst van de Verenigde Staten op de voet. De oorsprong ervan ligt in een woordspeling van de oude thaler de vroegere Duitse munt.
De dollar, geboren in Amerika in 1792, is niets anders dan de Spaanse piaster. Hij werd verdeeld in 100 cents, en het goud werd geslagen in stukken van 10, 15 en 2,25 dollar. Het stuk van 10 $ kreeg de naam "eagle" ingevolge zijn type. Andere types vertoonden het hoofd van de vrijheid met de Franse muts. Vervolgens was er ook de indiaan met pluimentooi. Een van de meest opmerkelijke stukken was zeker de symbolische vrijheid in de vorm van een jonge vrouw met de naam "Liberty".

In Engeland was het munstelsel al even gevariŽerd als moeilijk. Ook hier volgde het geld de economische opgang van het Gemenebest. Thans nog blijven de dominions gehecht aan het sterlingblok.
De scheiding van Zweden en Noorwegen, in 1905, had weinig ophefmakende gevolgen op monetair vlak.
Toen in 1852 het keizerrijk in Frankrijk hersteld was, verschenen talrijke nieuwe munten : het portret van Napoleon III kwam erop voor, met een legende : Napoleon III, Keizer van de Fransen. De reeks werd voortgezet tot aan de val van het Empire in 1870.
De volksfurie, na de Franse nederlaag, o.m. door het in omloop brengen door een graveerder van een munt die op 's keizers hoofd een Duitse pinhelm had geplaatst, en aan de keerzijde kon men lezen: "vampire franÁais".

Op 28 december 1865 sloten BelgiŽ, ItaliŽ, Zwitserland, Frankrijk en vervolgens ook Paus Pius IX in 1867, en Griekenland in 1868, de monetaire overeenkomst, genaamd de Latijnse Unie. Deze regelde, volgens het Franse systeem, de fabricatie van munten in de deelnemende landen, en zij had verscheidene uniforme muntslagen voor gevolg. De unie nam een einde in 1925.

In 1878 had Spanje een decimaal systeem in gebruik genomen, gelijkend op dat van de Latijnse Unie. De munteenheid werd de peseta van 100 centimos, en was gelijk aan de Franse frank. Er bestond een goudstuk van 100 pesetas. Datzelfde jaar nam ook Portugal een decimaal muntstelsel aan, gebaseerd op de eenheid.

Rusland liet in de 19į eeuw het muntstelsel van Paulus I haast ongewijzigd. De roebel bleef in gebruik tot het tragische afscheid van de Romanoffs. Sindsdien heeft de overheid van de U.S.S.R. talrijke munten geslagen met de emblemen van de volksrepubliek.

In Zwitserland overkoepelde de Helvetische confederatie de kantonmunten met goudstukken. Een van de mooiste, geslagen in 1935, stelt Helvetia voor.

In Nederland slaat men munten met de beeldenaar van de koningin.

Toen de verschillende Zuidamerikaanse republieken hun "reeks van revoluties" inluidden, werden hun munten de getuigen van hun onafhankelijkheidsdrang. Men denke maar aan de afbeelding van Bolivar op talrijke munten.
De "Bolivaro" is trouwens een gangbare munt in BoliviŽ.
Mexico behield de spaanse piaster. ColumbiŽ, Venezuela, Ecuador en ArgentiniŽ hebben de peso. ArgentiniŽ veranderde die ingevolge grote devaluaties in Austral. Chili heeft eveneens een decimale munt, afgeleid van de peso.

Tot besluit van dit overzicht kunnen wij zeggen dat de monetaire stijl van Europa met beschrijvend en ikonografisch karakter, alle werelmunten heeft beÔnvloed.

P. De Hasse

Blinking Line

Lamp

Blinking Please sign our Guestbook on the Home Page



 

Dog running Press here to return