Welkom op de website van duivenbond "Eerlijk duurt langst Moerbeke"

Duiven weetjes


Het opleren van jonge duiven (mei 2016):

Het is nu begin mei en de eerste wedstrijdvluchten voor jonge duiven gaan reeds van start. Waarom ook niet? Wanneer het goed weer is kunnen jongenspelers hier zeker mee beginnen. Ook ik ben al gestart met het opleren van mijn jongen. Maar, ik moet eerlijk toegeven dat het lang geleden is dat ik zo vroeg ben begonnen.
 
Hoe leer je best je jonge duiven op? En wat houdt opleren idealiter in? Wel, veel wegen leiden naar Rome, zeker hier. Iedereen heeft zijn manier. Dé ideale manier bestaat dus niet. Je moet zelf door middel van ‘trial and error’ trachten te achterhalen welke manier het best bij jou past. Ik wil alvast mijn manier met jou delen.
 
Ik ken goed spelende fondliefhebbers die hun jonge duiven niet lappen. Zij laten de jongen met andere woorden meteen van het hok naar Quievrain (54 km) of Noyon (155 km). Hun redenering is: wacht tot de jongen zeer goed “trekken”. Hiermee bedoel ik dat sommige jongen bij het uitlaten gemakkelijk een uur of twee wegblijven. Als zij zo lang vliegen moeten ze wel ver vliegen, dus dat lappen op 1,3,5,7,10 km is zinloos. Dat is de redenering van deze fondliefhebbers. Ik deel die mening niet. Ten eerste kunnen ze uren bij een troepje vliegen. Ten tweede weten we niet hoe ver ze vliegen. Misschien vliegen ze 5km, maar misschien blijven ze buiten het zicht van het hok rondvliegen.
 
Onze duiven bezitten een oriëntatievermogen. Hoe dit werkt heeft de wetenschap tot op heden nog niet achterhaald. Ik ben ervan overtuigd dat dit oriëntatievermogen eveneens moet getraind worden. Vandaar hecht ik een groot belang aan het regelmatig lappen van jonge duiven. Net zoals een duif moet trainen om de vliegconditie op te bouwen, moet bij jonge duiven de oriëntatie worden getraind. Dat is de reden waarom sterke jongenspelers het volledige seizoen voor jonge duiven, 2 à 3 maal per week hun jongen lappen op ongeveer 30 km. Dit heeft een positieve invloed op de resultaten, wat deze spelers heel goed weten.
 
De eerste opleervluchten:

 
Wanneer mag je jonge duiven opleren? Sommigen beweren op een leeftijd van 3 à 4 maanden. Ik kijk vooral naar de manier hoe ze vliegen als men ze los laat van het hok. Beginnen jongen te “trekken” zoals dat heet en zijn ze soms 1 uur of langer weg (zoals ik hierboven reeds omschreef) dan is dit voor mij een teken aan de wand. Dit toont aan dat je jongen gezond zitten. Ook moet het weer goed zijn, want bij koud weer zal dit weinig succes hebben. Indien dit een paar weken aanhoudt mag je zeker met opleren starten. Het eerste wat de duiven moeten leren kennen is de mand. Je kan daar trouwens vroeger mee beginnen. Als men jonge duiven de eerste malen in de mand zet creëert dit een enorme stress. Niet zelden breekt dan het adennovirus uit. Dit is het gevolg van de vermindering van de natuurlijke weerstand door de ontstane stress.
 
Gebeurt dit dan moet je stoppen en een dierenarts raadplegen en licht voederen. Na een week is dit met efficiënte medicatie te genezen. Meestal zijn ze na een week of meer hersteld. Wanneer hun vlieglust dan terugkomt, dan kun je opnieuw beginnen met opleren.
 
De eerste twee lapbeurten zijn bij mij vrij kort eenmaal 2 en 3 km. Ik doe dit enkel om de jongen te laten wennen aan de mand. Daarna kan en mag men gerust de afstand opdrijven over grotere afstanden 5 km, 7 km, 10 km,… Kan dat in grotere stappen? Ja, maar vergeet niet dat een duif de laatste kilometers van de vlucht, vliegt op herkenningspunten en het oriëntatievermogen ondergeschikt is.
 
Ik doe dit zo diervriendelijk mogelijk. Ik zorg ervoor dat ze niet worden vervoerd in een warme wagen. Op de lossingsplaats zal ik, indien mogelijk, de mand steeds in de schaduw plaatsen. Dan wacht ik ongeveer 10 minuten om te lossen. Waarom? Wel, als je de manden afzet zal je zien dat plots de duiven enkele ogenblikken of een tijdje stil zitten in de mand. Het lijkt er op alsof ze van iets geschrokken zijn. Maar dat is het niet. Op dit ogenblik maakt een duif een eerste oriëntatie in de mand. Dit is geen verzinsel, het wetenschappelijk bewezen. Daarna beginnen ze opnieuw te koeren, dit betekent dat de eerste oriëntatie is gemaakt. Dus wanneer ze ongeveer 10 minuten op de plaats staan, mag je ze lossen.
 
Zelfs de wagen kan men een schaduwrijke plaats creëren:

 
Dat moment, het vertrek, moet je zo goed mogelijk volgen. Blijven de duiven rondjes maken op de lossingplaats dan is dit een slecht teken. Bij goede weersomstandigheden, daar zullen we het later over hebben, moeten ze onmiddellijk vertrekken. Een korte draai kan wel, maar zeker niet meer. Als je vaststelt dat dit niet gebeurd m.a.w. dat ze blijven rondjes maken dan mag men de volgende keer niet verder lossen en zijn er mogelijks gezondheidsproblemen. De dierenarts kan hier uitsluitsel over geven.
 
Zijn de duiven gezond dan zal ik de volgende keer opnieuw op dezelfde plaatst lossen en je zal merken dat het vertrekken al veel beter gaat. Het kan nog allemaal best goed komen maar als die situatie zich voordoet heb ik mijn twijfels voor de eerste vluchten.
 
Het belangrijkste is natuurlijk het weer. Wat is het ideale weer om te lossen? Volgens mij houdt dit het volgende in: een temperatuur van 16 a 20 graden maximum, een blauwe hemel met her en der schapenwolkjes met een zeer lichtte wind zonder brandnevel, dus zeer goed zicht. Is de hemel staalblauw zonder wolken, dan is het al stukken moeilijker voor onze jonge garde.
 
De ideale hemel om jongen te leren:

 
Dat is natuurlijk het ideale en dat lukt niet altijd. Regen, mist, een totaal gesloten wolkendek zijn uit den boze. Dit is geen weer om duiven te leren. Een staalblauwe hemel, meer dan 22 graden en Noord-Oostenwind, ook dan laat je beter je jongen thuis. Belangrijk is dat in het wolkendek blauwe hemelvlekken doorbreken. Valt nu uit een klein wolkendek een buitje maar is het zicht, de temperatuur en de wind goed en de hemel blauw met wolkjes dan zullen de duiven normaal vlot naar huis komen.
 
Is de windrichting bepalend? Ja. Zeker bij Noord tot Oostenwind is opleren te mijden. Blijft de wind gedurende dagen in die richting doe het dan in kortere stappen. Ik zal trouwens nooit onervaren jongen opleren bij een krachtige wind. Dit is zeker te mijden.
 
Sommigen zijn de mening toegedaan dat één per één lossen nog voor ze met de maatschappij gelost worden, alleen maar de ervaring vergroot. Ik ben daar geen voorstander van. Voor mij is dit van het goede teveel. Ik doe het wel als ze enkele keren met de grote vlucht van de maatschappij gevlogen hebben. Dan doen ze dan de meeste ervaring op. Een duif is een kuddedier, zeker in de vlucht of de massa. Als men ze zelf gaat lappen hoeven ze gewoon het groepje te volgen. Totaal anders is het met de vlucht van de maatschappij. Ook hier valt iets over te zeggen.
 
De eerste vluchten hou je ze best op provinciale vluchten. In sommige streken kan dat enkel voor leervluchten tijdens de week. De weekendvluchten zijn interprovinciale vluchten. Het zijn op de eerste van dergelijke vluchten dat de meeste verliezen vallen. Volgens mij laat je hen best eerst provinciaal en daarna interprovinciaal vliegen, ook op de halve fond. Helaas is dat voor veel liefhebbers vooral in Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant niet mogelijk. Dergelijke jongen doen inderdaad veel ervaring op voor de komende nationale vluchten, dat klopt. Maar het kost verliezen en de eerste vluchten verlopen zelfs met goed weer slecht.
 
Een lossing met de maatschappij. Kijk naar de hemel niet staalblauw maar met witte wolken. Ideaal!!!

 
Zoals ik hierboven zei veroorzaakt het inmanden voor jonge duiven stress. Hierdoor zullen jonge duiven vlug dorst hebben, bij warm weer zelfs nog meer. Zelfs na een klein oefenvluchtje zie je dat jongen, eens terug op het hok, dorst hebben en onmiddellijk gaan drinken. Op wedstrijdvluchten krijgen duiven drinken aan de reismand. De eerste malen gaan ze gewoon niet drinken of vinden ze de drinkgoot aan de mand niet. Sommige liefhebbers hebben reismanden van de maatschappij met drinkgoten. Om dit aan te leren kan je ze enkele uren in de mand plaatsten om ze zo het drinken in de mand aan te leren. Het is best mogelijk dat ze de eerste malen niet drinken. Na enkele malen zal je merken dat ze toch drinken. Geloof me, hierdoor heb je ongetwijfeld een streepje voor.
 
Als mijn jongen de eerste malen meegaan met de vluchten van de maatschappij voeder ik ze voor het inkorven een lichte voeding. Pas 2 uur later zet ik ze in de mand. Dan mag je zeker zijn dat ze voor het vertrek gedronken hebben.
 
Eerste vluchten met de maatschappij. Is voor een duif stukken moeilijker om tijdig de massa te verlaten richting huiswaarts:

 
Ik weet dat ik vrij voorzichtig ben bij het opleren van jonge duiven. Maar zoals ik reeds zei “veel wegen leiden naar Rome”. Anderen besteden minder zorg. Sommigen beweren dat hierdoor de zwakkelingen er eerst uitgaan. Dat is best mogelijk. Ik doe het echter op deze manier. Ik hoop dat je hieruit iets hebt kunnen opsteken.
 
Bourges II 2008. De massavlucht van het jaar. Tijdig de groep verlaten richting huiswaarts is hier zeer belangrijk. Persoonlijk vind ik deze vlucht te kort voor een nationaal (430 km):

 
Veel succes!

Wim Van Caester - 05/08/2016


Reisduiven in Congo:

Leopold II is internationaal vooral bekend vanwege zijn privékolonie Congo-Vrijstaat. Vanaf 1876 ging hij zich steeds meer voor Centraal-Afrika interesseren, onder meer door in 1879 een verkenningstocht door Henry Morton Stanley te sponsoren. Op de conferentie van Berlijn in 1884-1885 werd zijn persoonlijke soevereiniteit over de Congo-Vrijstaat internationaal erkend. Dat bereikte Leopold door jarenlange voorbereiding en diplomatie.
nbsp;
Hoewel het een gebied was van meer dan 2 miljoen km2 dat zijn eigendom was, zette hij er nooit een voet. Belgische reisduiven liet hij wel aan wal brengen.
 

 
Reeds in 1904 had Congo-Vrijstaat een dienst van reisduiven opgericht tussen Boma en Banana. Volgens het bijgevoegd krantenartikel hadden de duiven weinig last van de warmte, als we de reporter mogen geloven. De vluchten verliepen even snel als in België. Je ziet in korte tijd na inname van de kolonie werd op kleine schaal de duivensport al beoefend, maar vooral als postdienst.
 
Duivensport zit de Belgen duidelijk in het bloed.
 

Wim Van Caester - 03/07/2016


Dr. Martin Ravelingien uit Tiegem behaalde met “Nestor” het hoogste aantal vluchten uit Barcelona ooit:

Elk jaar kijken veel duivenliefhebbers vol spanning uit naar deze vlucht. Ik zou hem zelfs ‘De Ronde van Frankrijk’ van de duivensport durven noemen. Iets wat helemaal terecht is natuurlijk. Ik heb het over de vlucht uit Barcelona, een vlucht die veel duivenliefhebbers blijft intrigeren.
 
Deze vlucht evolueerde sterk doorheen de jaren. Zo duurde de wedstrijd vroeger gemakkelijk enkele dagen tot een week. Vandaag kan men de wedstrijd, bij goede weersomstandigheden, al sluiten na de tweede of derde speeldag. Sommige liefhebbers specialiseren zicht zelfs in deze vlucht. Hun speelseizoen staat dan ook helemaal in het teken van deze wedstrijd.
 
Ongeveer 25 jaar geleden stelde ik mezelf de vraag: “Welke duif zou het hoogste aantal keer Barcelona gewonnen of gevlogen hebben?” Met de huidige computeruitslagen kan men makkelijk het beste en het hoogste aantal bepalen. Maar dan moet die duif nationaal wel winnen. Eén misser kan voor een totaal ander resultaat zorgen.
 
Jarenlang deed ik hier navraag naar en ging ik op onderzoek. Ik ontdekte dat er slechts één duif is in de geschiedenis van de duivensport, die tien maal Barcelona heeft gevlogen. De eerste negen vluchten klasseerde hij zich provinciaal. Helaas kwam hij tijdens zijn laatste vlucht, op dertienjarige leeftijd, één dag te laat thuis.
 

 
Deze duif met ringnummer 3011507/1987, genaamd Nestor, was van Dr. Martin Ravelingien uit Tiegem. Martin kweekt zijn jongen enkel in de maanden augustus – september. Zo worden ze het volgend jaar rustig opgeleerd en vliegen ze het jaar nadien enkele vluchten celibatair.
 
Nestor vloog zijn eerste Barcelona op vierjarige leeftijd in 1991. Hij vloog deze elk jaar opnieuw tot 2000. Bovendien vloog hij één maal Dax en drie maal Perpignan en klasseerde zich provinciaal. Zijn vroegste prijs op Barcelona was de 300 ste nationaal tegen meer dan 12000 duiven. Het was opmerkelijk dat deze duif na iedere zware fondvlucht geen gewicht had verloren. Op dertienjarige leeftijd was het spiervolume weliswaar door zijn leeftijd gedaald. Jammer genoeg waren de weersomstandigheden tijdens zijn laatste Barcelona, in 2000, niet optimaal. De vlucht werd bemoeilijkt door regen en koud weer. Waarschijnlijk deed dit Nestor de das om. Hij kwam namelijk één dag te laat thuis.
 
Hij bevruchtte tot zijn dertien jaar. Na zijn laatste Barcelona heeft Nestor, merkwaardig genoeg, niet meer bevrucht. Hierna werd hij naar het voedsterhok gebracht, waar hij op twintigjarige leeftijd stierf.
 
Ik ga niet beweren dat Nestor een superduif is. Toch is hij voor mij uniek. Want welke duif klasseerde zich meer dan negen maal op Barcelona en vloog hem meer dan tien keer? Geloof me, ik heb er naar gezocht en niet gevonden. Dit zorgt ervoor dat Dr. Martin Ravelingien de eigenaar is van de recordhouder met de duif met het hoogste aantal Barcelonavluchten.
 

Wim Van Caester - 12/06/2016


Kweken is een kunst (deel 3):

Lijnenteelt:
 
De lijnenteelt heeft vooral tot doel de vermenigvuldiging van een uitstekend vererver. In dit geval worden de genen van een uitstekend dier door de verwantschap gefixeerd, dit meer of mindere van geslotenheid. Dit betekend dat het kan dat er in min of meerdere mate.
 
De ontwikkeling van een lijn begint bij een gekochte of een in eigen bestand geboren superduif. In dit geval is de wens begrijpelijk, dat hun waardevolle eigenschappen in hun nakomelingen tot uiting komen. Voor dit doel moeten we een verwante kweek doorvoeren en deze uitstekende duiven met hun eigen nakomelingen en de uit deze verwante koppelingen geboren dieren moeten we met andere exemplaren uit ons eigen bestand verder koppelen. Op deze manier is het mogelijk jonge duiven te kweken met de stamduiven geërfde eigenschappen. De waarde van het bestand zal ongetwijfeld binnen enkele generaties stijgen, omdat door de vermeerdering van de nieuwe eerste generatie, de dieren van het oude bestand verdwijnen. Het nieuwe bestand wordt daardoor veel homogener, een nieuw karakter ontwikkeld zich en ook het prestatievermogen stijgt. Deze situatie duurt niet lang, omdat zich op een gegeven moment een verzadiging voordoet en alle tekenen in de richting wijzen van een inteeltdepressie. Dat merk je aan een daling van de vitaliteit.
 
In dit geval zal de liefhebber zich afvragen, hoe moet het nu verder? Nu komt de boven vermelde tweede fase aan de beurt, hoe de lijn verder wordt gebruikt.
 
Het verder benutten van de lijn kan op twee manieren verder: of door planmatig bloedverversingen, waarbij gelet wordt op de eerder vermelde methodes waarbij het prestatievermogen van de lijn verbeterd wordt, of de lijn wordt gebruikt als een goede uitgangsbasis voor verdere kruisingen. De lijnen hebben dus veel meer een kweekwaarde.
 
Ik moet opmerken dat dit een manier is van lijnenteelt. In de praktijk zijn er steeds meer en meer uitgedokterd en toegepast. Belangrijk punt in het hanse inteelt en lijnenverhaal is dat men de geven die belangrijk zijn voor het goed presteren probeert zo zuiver (homozygoot) te houden.
 

 
In de praktijk:
 
Ik heb gepoogd om dit stukje erfelijkheidsleer zo eenvoudig mogelijk te houden. Ik hoop dat het u aanzet tot enkele bedenkingen, uitdagingen,…
 
Samengevat wens ik u dit nog mee te delen:
 
-als je duiven bijhaalt probeer vooral goeie te bemachtigen uit een ingeteelde stam. De kans dat de kruising met jou duiven lukt is groter.
 
- heb je een uitstekend vererver of vliegduif probeer door inteelt de genen van die duiven te behouden
 
-niet alle duiven doorstaan inteelt als je ziet dat de vitaliteit sterk achteruit gaat stop er mee. Sommige rassen reageren totaal niet op inteelt. Denk maar aan het ras Aarden, Janssen,…
 
-er zijn inteelt duiven die uitstekend vliegen. Ik hou ze liever voor de kweek.
 
-als je wil intelen doe dit enkel met uitstekende duiven. Het is vlug werk van een paar jaar.
 
-niet zelden is de nestzuster van een topvlieger een uitstekende kweekduivin.
 

Wim Van Caester - 31/05/2016


Kweken is een kunst (deel 2):

In deel 1 heb ik gepoogd om je wat bij te brengen over “het vrij paren” en “het kruisen”. In dit deel heb ik het over inteelt in de duivenkweek.
 
Inteelt:
 
Inteelt is een wetenschappelijk begrip waarmee het kruisen binnen een soort, of ras van nauw aan elkaar verwante duiven wordt bedoeld. De verwantschap tussen beide ouders is hierbij groter dan de gemiddeld vastgestelde inteeltcoëfficiënt van de totale populatie (vb. vader/dochter, halfbroer/halfzus,...) Inteelt leidt tot homozygositie hetgeen niet alleen de goede eigenschappen versterkt, maar ook de negatieve. Inteelt leidt over het algemeen tot een verminderde genetische variatie van populaties (inteeltdepressie). Concreet betekent dit een verlies aan vitaliteit en vruchtbaarheid, maar niet bij alle duiven. Wanneer je met inteelt wil starten dan moet het kweekmartiaal van zeer hoge kwaliteit zijn. Eigenlijk is het beste nooit goed genoeg. Door inteelt ga je nooit betere duiven kweken dan de ouders. Toch loont het de moeite om de methode toe te passen maar dan enkel met zeer goede duiven.
 
De originele koppeling D x A
1e generatie DA x A
2e generatie DAA x A
3e generatie DAAA x A
4e generatie DAAAA x A

 
Een gewaagd voorbeeld: je hebt een zeer goede kweekduiver A en je wilt door inteelt je kweekhok voor een langere tijd veilig stellen. Je koppelt hem met de duivin D met wie hij de beste jongen geeft. Daarna koppel je de kweker met het beste jong uit die koppeling en zo kan je verder gaan en hem koppelen met zijn kleindochter. Ga je zo verder dan is achterkleindochter DAAAA genetisch bijna identiek aan de kweekdoffer A (althans in theorie en als er geen terugval is van de vitaliteit). Door inteelt concentreer je immers zowel de goede, de minder en als de slechte genen. De jongen hieruit moeten een zeer strenge selectie doorstaan. Ook selectie op de vitaliteit is belangrijk. Op die manier kan je steeds verder kweken en alle jongen met fouten of gebreken verwijderen. Men noemt dit ook duiven uitmendelen (de wetten van Mendel uit de genetica).

  George Mendel:

 
Na verloop van tijd zullen de jongen steeds beter en beter worden. Een organisme is homozygoot voor een bepaalde eigenschap als het twee identieke kopieën van een gen heeft in een chromosomenpaar. Naarmate het bestand voor diverse eigenschappen meer homozygoot wordt zullen de duiven met hun gaven en gebreken meer en meer gelijkenis vertonen in uiterlijk, karaktertrekken enz. Op die wijze kweekt men een stam die vrij is van fouten, maar die na enige tijd verval kan vertonen. Wat moet men dan doen? Duiven bijhalen “met nieuw bloed” om de vitaliteit in de stam opnieuw te verhogen. Een gemakkelijke opdracht? Nee, maar een ingeteelde stam laat zich gemakkelijker kruisen met andere duiven. Kruis je jouw ingeteelde duiven met duiven van een andere ingeteelde stam dan heb je nog meer kans dat de kruising slaagt. Lukt deze koppeling dat kan je profiteren van het heterosis-effect, met een toename van de vitaliteit tot gevolg. Om verval te vermijden redeneren sommige liefhebbers als volgt: een duif heeft 4 grootouders. Drie ervan mogen van hun ingeteelde stam zijn. De vierde niet, en zo brengen zij “nieuw bloed” in hun vliegduiven om een inteeltdepressie te vermijden.
Samengevat: inteelt concentreert de goede , maar ook de slechte eigenschappen. Duiven die de slechte eigenschappen bezitten of niet vitaal zijn, worden verwijderd. Hierdoor wordt je stam zuiverder met steeds minder gebreken. Door inteelt kan een verlies van vitaliteit ontstaan, dat kan vermeden worden met het inbrengen van (in beperkte mate) “nieuw bloed”. Maar het verlies aan vitaliteit is soortgebonden. Corteel Willy uit Oostduinkerke won in 2014 de 1° Nationaal uit Jarnac en was de snelste van 7391 duiven. Die duif is gekweekt uit een broer x zuster koppeling. Hier was duidelijk van verval geen sprake. Het is ook rasgebonden. Het ras Aarden, Janssen reageert niet op inteelt, andere goede rassen dan weer wel.

 
Pedigree van de ingeteelde nationale winnaar uit Jarnac

 
In het volgende en laatste deel ga ik het hebben over lijnenteelt.

Wim Van Caester - 21/05/2016


Kweken is een kunst (deel 1):

Ik ben ervan overtuigd dat er niet alleen in de duivensport meerdere boeken geschreven zijn met deze titel, maar ook in de vogelliefhebberij, paardensport,... Het kweken van goede dieren, voor ons duiven, is een kunst maar je moet ook altijd in min of meerder mate geluk hebben. Bepaalde liefhebbers hebben er echt feeling voor. Sommigen beweren dat al die theorie flauwekul is, “laat de natuur zijn werk doen en hoop dat je een superkoppel vindt”. Anderen gaan het zoeken in gericht kruisen, eenvoudig: de beste tegen de beste en goed tegen goed.
Tot slot zijn er ook duivenliefhebbers die aan inteelt en lijnenteelt doen. De kweekmethodes zijn niet strikt gescheiden. Op sommige hokken vloeien ze door elkaar.

 
Wat je ook doet of denkt, dé perfecte methode bestaat niet. Je moet inderdaad geluk hebben. Dat is altijd zo, maar in sommige gevallen kan je het geluk een beetje sturen. Anderzijds een professor in de genetica heeft geen garantie dat hij de beste duivenkweker wordt. Prof. Alfons Anker en Steven van Breemen hebben in hun boek “De kunst van het kweken” toch een breder beeld gegeven over de genetica bij duiven.

 
Professor in de Genetica Alfons Anker. Een gepassioneerd duivenliefhebber:

 
Ik zal een beschrijving van iedere kweekmethode geven en alsook de voor- of nadelen ervan.
 
Het vrij paren, “laat de natuur zijn werk doen”:
 
Dat is eenvoudig, breng 10 koppels kwekers samen op een hok en laat elke duif vrij de partner kiezen. Soms worden ze op verschillende hokken gezet zodat bepaalde koppelingen uitgesloten zijn (vb. broer/zus, moeder/zoon,…). De liefhebbers van deze methode zijn er van overtuigd dat de affiniteit bij een koppel zeer belangrijk is. Ik ken een sterk spelend liefhebber op nationaal niveau die deze methode toepast. Wat is zijn geheim? Vrij eenvoudig, enkel de goed gebouwde supervliegers gaan naar het kweekhok en anders niks. Hierdoor creëert men een kweekhok met enkel topduiven. De kans dat je daar goede jongen uit kweekt is inderdaad groter. Of de affiniteit hierin een rol speelt is moeilijk te bewijzen en de factor “geluk” speelt ook hier een
 
 
Het kruisen:
 
Deze kweekmethode wordt veruit het meest toegepast. Men haalt de kwekers uit de eigen sterke vliegers, koopt topduiven aan of ruilt eigen duiven voor andere, en men koppelt deze. Hoe? . Meestal wordt de beste aan de beste gekoppeld. Ook kan aan compensatiekweek gedaan worden, bijvoorbeeld een grote duiver aan een kleinere duivin. Bepaalde liefhebbers laten zich ook sterk leiden door de ogentheorie. De ogentheorie zegt dat men de kweekwaarde van een duif kan bepalen in het oog. Hoe meer de iris gecorreleerd is hoe hoger de kweekwaarde.
 
De ideale kweekoog, althans volgens de ogentheorie

Nog anderen houden rekening met linkse en rechtse duiven. Hiermee wordt de richting van de bovenste staartpen bedoeld. Volgens deze theorie mag je nooit twee rechtse aan elkaar koppelen.
 
De kleur van de ogen, nooit twee wit of geelogen met elkaar en zo kan ik nog een tijdje doorgaan…
 
Het voordeel van kruisen is dat de jongen een grote vitaliteit hebben en zelden gezondheids- of vruchtbaarheidsproblemen kennen. Theoretisch komen de beste duiven uit kruisingen. Maar vitaliteit is geen erfelijke eigenschap en wordt bijgevolg niet van ouders op jongen doorgegeven. De tweede kweekjongen uit dit koppel zullen ook vitaal zijn, maar er kan een totaal andere genencombinatie van de ouders worden doorgegeven. Dan bestaat de kans dat je vitale jongen hebt, maar waarvan de vliegwaarde geen cent waard is. Een vriend en sterk speler zei eens tegen mij: “Puur kruisen is zoals een lottoformulier invullen, je kan er veel mee winnen maar de kans is klein”. Een koppel die meerder malen goede vliegers geeft, is een superkoppel. Als die afstammelingen op hun beurt ook goede jongen geven, is er sprake van een stamkoppel. Maar om zo een super- of stamkoppel te ontdekken moet je zeer veel geluk hebben. De realiteit wijst uit dat je soms uit het goed koppel, slechte jongen krijgt. Om dit te begrijpen, moet ik toch iets schrijven over de genetica en erfelijkheidsleer van duiven.
 
Veel eigenschappen zoals het oriëntatievermogen, de mordant, pluimenkwaliteit, de anatomie van een duif, de kleur,… zijn genetisch bepaald. Die eigenschappen ontstaan uit de genen die de ouders aan hun jongen hebben doorgegeven. Ieder jong is in die zin uniek, want nooit zal je een duif kweken met identiek dezelfde genen en genencombinaties. Hierdoor kunnen jongen uit een zuivere kruising sterk verschillen omdat bij kruisen veel minder homozygote (fokzuivere) eigenschappen ontstaan. Heb je geluk dan kan dit best meevallen. Maar het blijft steeds onzeker.
 
In het volgende deel ga ik het over inteelt hebben.

Wim Van Caester - 14/05/2016


De tweede marathonvlucht uit Alicante in 1981 en 1982:

De geschiedenis van de Belgische reisduif kan niet onttrokken worden van de eerste naoorlogse experimentele wedstrijd uit Alicante. Van deze wedstrijd werd veel verwacht. Het aantal deelnemende duiven was minder groot dan algemeen werd verwacht. Veel fondliefhebbers vonden de afstand te groot. De afstand was min. 1275 km en max. 1450 km.
Uiteindelijk werden 1476 duiven ingetekend, waarvan 1060 Belgische.
De duiven werden gelost op 26 juni 1981 om 07:00 uur, bij zeer mooi weer. Maar eens de duiven ongeveer 300 km hadden afgelegd, kwamen ze in zeer slechte weersomstandigheden terecht. Het gevolg was dat de eerste duif, een duivin van Oscar Deroanne te Libramont, na 6 dagen vliegen, de eerste prijs internationaal won.
Pas de 10 de dag kwamen er nog 4 dagen naar huis. Zo behaalde onze streekgenoot Lucien De Norre uit Deftinge de 2°Internationaal.
De elfde dag kwamen er opnieuw 8 naar huis. Op dag negen 4 duiven.
Omdat deze experimentele wedstrijd als basis kan dienen om met dergelijke wedstrijden door de te gaan of er een volledig punt achter te zetten, geven we hier het wedstrijdverloop. Op 26 juli (1 maand na de lossing) werd de wedstrijd gesloten met 92 teruggekeerde duiven op de 1060 ingetekende Belgische duiven. Dezelfde dag werd internationaal gesloten met 126 aankomsten op 1476. De prijzen raakten dus niet af per 10 tal, een maand na de lossing!
 
De tweede editie in 1982 van de Waalse Fondclub te Fleurus was niet veel beter dan de uitgave van 1981. Na een volle maand waren 108 duiven thuis, maar het duurde ook 3 dagen vooraleer de eerste prijs verdiend was. Voor deze vlucht waren 885 duiven ingetekend.
Mevr. Van der Haegen-Decaluwé uit Ninove werd overwinnaar en haar duif had amper een dag voorsprong op de tweede duif. Mevr. Van der Haegen-Decaluwé wint in 1982 Alicante internationaal.
De uitslag internationaal 885 duiven: 108 duiven hadden prijs, na een maand.
 
Samengevat de wedstrijden in 1981 en 1982 werden beiden een ramp. Een goede 10 % raakte thuis en de andere duiven gingen verloren.
In 1983 werd de wedstrijd uit Alicante niet meer opgenomen in het programma. Dergelijke wedstrijden zijn naar mijn mening niet voor herhaling vatbaar. Het aantal verliezen is gewoon veel te groot en dergelijke wedstrijden kan men moeilijk diervriendelijk noemen. Volledigheidshalve wens ik te vermelden dat men die 2 vluchten (Algiers en Alicante) in geen geval kan vergelijken met de jaarlijkse vlucht uit Barcelona. Door specialisatie en selectie zijn er reeds hokken die bijna 100 % van hun ingetekende duiven terug thuis hebben.

Wim Van Caester - 03/09/2015


De twee verste vluchten in de twintigste eeuw: Algiers en Alicante:

Na Sintra in 1895 ging er in 1930 een vlucht door van meer dan 1400 km. Het was de onwaarschijnlijke vlucht uit Algerije vanuit de hoofdstad Algiers.
Afstand tot Brussel 1422 km. Op maandag 14 juli werden 5132 duiven gelost. Er namen 4050 Franse en 1072 Belgische duiven deel aan de wedstrijd. Een vlucht buiten Europa. Dat was de eerste maar ook de laatste maal dat deze vlucht georganiseerd werd. De aankomsten zeggen waarom.
De eerste Belgische duif bereikte haar hok op woensdag 16 juli om 20u32 bij Firmin Willeputte te Vorst-Brussel.
Twee andere duiven bereikten de dag nadien hun hok, een te Nice (Frankrijk) en een te Marseille (Frankrijk). Meer dan 5000 duiven zijn nooit teruggekeerd.
De duif van Firmin Willeputte leverde toen een buitengewone prestatie. Het jaar voordien had dezelfde duif de 1e prijs nationaal gewonnen vanuit Pau.
De wedstrijd werd gesloten op 15 september, 2 maand na de lossing. Van de 1072 Belgische duiven hebben er slechts 32 hun hok bereikt.

De tweede verste vlucht ging pas jaren later door. De vlucht vanuit Alicante. Deze vlucht werd twee maal ingericht. Volgende keer wat meer info hierover…

Wim Van Caester - 27/08/2015


De langste duivenvlucht ooit

Vlucht vanuit Sintra (Portugal)
In 1895 organiseerde Brussel een vlucht vanuit Sintra (Portugal), afstand: 1739 km van Brussel. In 45 dagen waren er 252 duiven thuis. Helaas zijn geen verder gegevens gekend over deze vlucht. Jammer eigenlijk…
Maar in de twintigste eeuw waren er nog twee vluchten met een afstand van 1400 km. Enige idee?

Wim Van Caester - 20/08/2015


Wie was/is de beste Belgische duivenliefhebber ooit?

België is en blijft het mekka van de duivensport. Geen enkele duif is zo beheerd als de Belgische. De bedragen die voor goede Belgische duiven worden neergeteld, slaan je met verstomming. Niettegenstaande blijft het aantal duivenliefhebbers steeds dalen. In de periode 1949/50 waren er in België ongeveer 200.000 liefhebbers, in 1973 was dit cijfer gedaald tot 125.000. Vandaag zijn er nog 23.000. Een terugval die moeilijk te stuiten valt. Dit is volgens mij voornamelijk te wijten aan sociale en familiale factoren. Enerzijds wordt duivensport als duur bestempeld. Toch geloof ik niet dat dit de echte oorzaak is. Anderzijds dient de liefhebbers veel tijd en inzet te investeren in deze sport indien hij tot de beste en de middenklasse wil behoren.
 
Ook al daalt het aantal liefhebbers, toch blijft het duivenaantal ongeveer gelijk. Steeds meer liefhebbers gaan de sport beoefenen op een semi of totaal professionele wijze. Dit fenomeen zie ik alleen maar toenemen. Het aantal duiven bij die liefhebbers eveneens. Voor alle duidelijkheid dit is geen verwijt maar een pure vaststelling. Ondanks de terugval in liefhebbers blijft België het duivenland op hoog niveau.
 
Wie heeft hier een grote rol in gespeeld? Volgens mij zijn dat alle Belgische kampioenen. Ten gevolge van de strenge selectie verhoogden zij de kwaliteit en de waarde van onze duiven. Medische begeleiding, perfecte verzorging hebben hier naar mijn mening eveneens toe bijgedragen.
 
Hoe kan je nu kampioenen of topspelers beoordelen naar hun waarde? Hierbij zijn twee eigenschappen van groot belang. Namelijk de kweek- en speltechnische eigenschappen. Dat zijn twee fundamentele verschillen die sommige liefhebbers allebei beheersen of één van beide of totaal niet...
 
Het kweektechnische vraagt kennis maar ook feeling om goede duiven te bemachtigen en die dan ook te kruisen met andere rassen. Je hebt ook liefhebbers die inspelen op inteelt en tijdig nieuw bloed in hun ras brengen, anderen zoeken het puur bij kruising, nog anderen lijenteelt. In theorie geeft kweken in kruising de beste resultaten. Uit kruisingen kweek je duiven met een grote vitaliteit. Dit is echter geen genetische eigenschap die wordt overgedragen. Toch merken we in praktijk dat dit net de moeilijkste manier om te kweken is. Eenvoudig omdat een kruising moet “pakken” zoals dat heet.
 
Soms lukt dit meteen,maar meestal is het een werk van lange adem om zo’n superkoppel te vinden. Een lichte vorm van inteelt, waar minimum 25 % “nieuw bloed” wordt ingebracht geeft meer kansen. Een goede vriend en sterk speler zei eens tegen mij: “puur kruisen is net zoals een Lottoformulier invullen. Je kan er heel veel mee winnen, maar de kans is klein”.
 
Speltechnische eigenschappen zijn te vinden in de manier waarop liefhebbers met hun duiven deelnemen aan wedstrijden. Bijvoorbeeld het weduwschap met duivers of duivinnen, het nestspel, met de jongen spelen met de schuifdeur,…Meestal zijn dit de liefhebbers die het snel opmerken wanneer iets verkeerd loopt. Denk maar aan gezondheidsproblemen of forme problemen. Zij weten ook goed hoe en wanneer zij moet ingrijpen. Deze liefhebbers hebben als het ware een gave om hun duiven te motiveren.
 
Wie was/is de beste duivenliefhebber ooit?
 
Wel een liefhebber die beide eigenschappen in hoge mate bezit. Sommige kampioenen van nu en uit het verleden waren in beide takken van de duivensport echte specialisten. Beide eigenschappen kan je leren, maar op hoger niveau moet je er echt feeling voor hebben.
 
Wie was in zijn discipline de beste liefhebber ooit? Ik ga eerlijk zijn op de vitesse en halve fond is het uiterst moeilijk om dit objectief te beoordelen. Er zijn te veel verschillen, zelfs in een klein landje als het onze. Zo kunnen we uitslagen moeilijk met elkaar vergelijken. Ook zijn er te veel subjectieve elementen om deze titel aan één persoon toe te kennen; Ik schrijf dit niet om minachtend te doen over deze discipline. Integendeel, sommige vitesse spelers zijn echte specialisten in hun vak.
 
Voor fond en zware fond is dit totaal anders. Door de jaren heen beschikken we over nationale uitslagen, waar de windrichting de grote spelbreker kan zijn. Maar als men ze over een vrij lange periode bestudeerd merk je duidelijk op wie op het voorplan domineert.
 
De kwalificatie waarop ik mij op baseer is van Piet de Weerd. De Weerd baseert zich op drie waarden, en past hij toe op duiven die minimum 600 km kunnen vliegen. De eerste is de klasse /waarde van het ras. Hieronder valt in welke mate het ras zich makkelijk kruisen, de prestaties, het karakter van het ras schuw of vrij tam, de mordant,…
 
Waarde twee is de bloeitijd in jaren van het ras en drie hoeveel klasseduiven zijn er geweest bij de liefhebber zelf. Eén liefhebber behaalde op de 3 waarden de hoogste score en is tot op heden nog niet geëvenaard.
 
Deze liefhebber is Dr. Arthur Bricoux(°1874-+1944) uit Jolimont, een gehucht in de provincie Henegouwen, die entiteiten omvat Haine-Saint-Pierre , Haine-Saint-Paul , Bois-d'Haine , Fayt-lez-Manage en La Hestre .Dr. Dricoux was huisarts en al zijn vrije tijd ging naar zijn grote liefde de duivensport.
 
Deze liefhebber won in de periode 1905-1914 meer dan 2000 prijzen. En zo ging dit verder tot 1940. Hij was een kweker die gedurende 35 jaar 20-25 generaties lang zijn stam op wereldniveau kon handhaven. Dit deed tot heden niemand hem na.Kweektechnisch was hij uiterst sterk. Veel duiven werden ingeteeld, maar Bricoux wist exact wanneer er duiven met “nieuw bloed” moesten bijgehaald worden. Hij wisselde veel duiven met zijn vrienden zoals met de Franse kampioen P. Sion. Bricoux had zoals de meesten weten veel vale en rode duiven. Hoe kwam dat? Bricoux heeft in het begin de zuivere Grooters gefokt. Deze duiven kreeg hij toen hij nog een jong medicus was. Door middel van inteelt heeft hij twee lijnen gevormd. Hij kreeg deze duiven toen hij nog een jong medicus was. Later heeft hij twee doffers met een zekere Bacléne geruild en die waren rood.
 
De koppelingen uit die duiven resulteerde in een hele serie wereldberoemde duiven. Omdat hij voor zijn inteelt steeds de rode doffers van Bacléne gebruikte (in de genetica van duiven is de kleur rood dominant) werden bijna al zijn duiven rood.
 
De tweede grootste verdienste van Dr. Bricoux is het speltechnische. Het weduwschap met doffers zoals dit nu is gekend en die de meeste liefhebbers gebruiken als spelmethode is te danken aan Bricoux. Het weduwschap werd bij toeval ontdenkt door een Waalse liefhebber. Het is tot vandaag nog steeds onbekend of deze liefhebber Bricoux was of iemand anders. Wat vast staat is dat Bricoux er vlug kennis van nam en dat hij de eerste was die de speelwijze uitdokterde en toepaste zoals die vandaag nog steeds wordt toegepast. Terwijl in Vlaanderen iedereen nog het nestspel beoefende speelde Bricoux al lang op het weduwschap. Bricoux beschouwde dit niet als een geheim. Tussen pot en pint gaf hij deze kennis door aan vrienden, waardoor het zich verspreidde over Wallonië en korte tijd later over Vlaanderen.
 
Het einde van zijn liefhebberscarrière is een minder aangenaam verhaal. Toen in 1940 de Tweede Wereldoorlog Europa teisterde vluchtte Bricoux met zijn gezin. Na een paar weken keerde hij terug en stelde vast dat zijn duivenbestand volledig was vernietigd. Het Franse leger had al zijn duiven vernietigd omdat ze schrik hadden dat deze in handen zouden vallen van de Duitse bezetter. Dit heeft Bricoux nooit kunnen verwerken. Veel vrienden boden hulp door duiven aan te bieden die uit zijn ras gekweekt werden. Op deze wijze probeerde hij opnieuw een stam op te bouwen. Het uittesten van deze duiven heeft hij helaas niet kunnen doen want hij overleed in 1944.Het was zijn wens dat zijn zoon zijn werk zou verder zetten. Helaas beschikte deze niet over dezelfde feeling als van zijn vader. Uiteindelijk werden alle duiven verkocht.
 
Misschien denk je nu “en wat met de gebroeders Janssen uit Arendonk?”. Waarschijnlijk het meest commerciële tophok ooit. Kweektechnisch zijn zij van grote waarde geweest voor de Belgische duivensport. Zonder het te beseffen hebben zij constant aan inteelt gedaan. Slechts één Fabry duivin werd bijgehaald. Op dit vlak waren zij minstens even sterk als Bricoux. Speltechnisch echter niet, ondanks de prachtuitslagen die zij ooit behaald hebben.
 
Bestaat het ras Bricoux nog en hoe sterk wordt ermee gespeeld?
 
Enkele Duitse liefhebbers en een Waalse beweren dat hun duiven rasechte Bricoux’s zijn. Ze doen niet mee aan wedstrijden. Wat is hun waarde nog? Zeer klein, het kunnen zuivere Bricoux zijn. Maar vermist er niet mee gespeeld wordt kan men ze op prestatie niet beoordelen. Het zijn mooie duiven in de hand, maar “de hand kan nooit de mand vervangen”.
 
Voor mij is Dr. Bricoux een groot man in de geschiedenis mijn hobby en heeft hij met vele andere kampioenen de fundamenten van de Belgsche duivensport. gelegd.

Wim Van Caester - 08/08/2015


De Vale Bricoux

Slechts een duif is er ooit in geslaagd twee keer internationaal Barcelona te winnen. Dit wonder op wieken “De Vale Bricoux” met ringnummer 2106367/58 was van Adelon Demaret, een bierbrouwer uit het Belgische Ottignies. Zijn vale doffer van het ras Bricoux kwam tot een historische prestatie door zowel in 1962 als 1963 twee keer in successie internationaal Barcelona te winnen tegen respectievelijk 3.300 en 3.599 duiven. Toen was Dr. Bricoux bijna 20 jaar overleden.

Wim Van Caester - 01/08/2015