Hellegat en Hellegat-Veer       Vic VAN DYCK

Als men te Niel of in de regio spreekt over Hellegat, dan denkt men in de eerste plaats aan de gelijknamige overzet daarna komt het “gehucht” Hellegat. Vroegere auteurs lieten maar al te graag Julius Caesar met zijn legioenen langs Hellegat passeren. Ook het toponiem op zich sprak voor velen tot de verbeelding en hierbij vergat men wel eens dat er meerdere, zoniet vele “Hellegatten” zijn. Dit laatste noopt tot een gemeenschappelijke aanpak voor de verklaring. Het Hellegat aan de Rupel is dan weer wat speciaal: het manifesteert zich aan beide zijden van de Rupel, op Niels en Ruisbroeks grondgebied en zelfs IN de Rupel.

Het spreekt voor zich dat ook andere auteurs het ‘probleem’ van Hellegat hebben bekeken. Zo onder meer J. Verbesselt in “Het Domein van de Abdij van Corenelimunster in Brabant, Het ontstaan en de Ontwikkeling van Puurs”, uitgegeven door drukkerij G. Veys te Pittem in 1968. Op pagina 104-105 staat: “Het Hellegat is de enige overgang over de Rupel tussen Duffel en de monding van de Schelde. Voor gans West-Brabant is hij vanaf de oudste tijden de hoofdovergang. Steeds wordt beweerd – wij menen niet ten onrechte – dat hij reeds ten tijde van de Romeinen de grote overgang tussen Zuid en Noord is geweest en de heerbaan van Bavai-Asse hier een overgang vond in de richting van Utrecht. Elkeen, die de Middeleeuwse geschiedenis van onze gewesten heeft bestudeerd kent de belangrijkheid van het Hellegat. Langs hier togen alle grote reizigers. Onze hertogen kwamen hier langs.

Het Hellegat was voor zover wij weten, steeds in het bezit van de Heren van Grimbergen, de Berthouts. Hun domeinen strekten zich uit langs de beide oevers van de Rupel van Duffel tot aan de monding in de Schelde te Natten Haasdonk (Hingene). Het Land van Rumst bewaakte enerzijds de overgang met Niel en Boom, jongere formaties; het Land van Grimbergen met Ruisbroek en Willebroek, eveneens jongere dorpen, bewaakte het Hellegat. Een welgekende weg, de Meerstraat, lopend langs  grenzen van onze dorpen, bekend vanaf Grimbergen tot het Hellegat en verderop dóór Kontich lopend, gaf verbinding. Eerst na het graven van het kanaal van Willebroek verloor het Hellegat zijn belangrijkheid.”

Tot zover Verbesselt in zijn boek van bijna veertig jaar geleden.

Mogelijk heeft hij zijn huiswerk niet grondig genoeg gemaakt. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de Romeinen Hellegat-Veer hebben gebruikt. De overgang is te moeilijk: langs de Nielse kant van de Rupel heeft men wel een comfortabele hoogte van 9 meter, maar aan de Ruisbroekse kant is de hoogte slechts twee meter (de 5-meter hoogtelijn is de veilige hoogte bij hoge tij). De kerk van Ruisbroek staat op een kunstmatige terp! Bovendien loopt er géén rechtstreekse weg uit die periode naar dit Veer. En Niel met zijn Keltisch toponiem een “jongere formatie” noemen, komt nogal zwak over. Als men de Romeinse heirbaan vanuit Asse mooi rechtlijnig doortrekt komt men op de Wintamse / Hingense kouter uit, een plaats waar grote hoeveelheden Romeinse munten zijn teruggevonden. En dan komt het Nielderveer vertrekkend van het hogere Niel en gaande naar het hogere Wintam als een betere en veiligere oversteek in aanmerking. En dat Nielderveer komt niet eens ter sprake in Verbesselt zijn overzicht. Ook Willy Boom bijvoorbeeld, in zijn Klein-Brabant, Land van de Boerenkrijg (1998) weet niets te zeggen over dit Nielderveer. Ook over het Lobbesveer bij het Tolhuis van Schelle zwijgt hij. Dat Hellegat zéér belangrijk werd in de Vroege Middeleeuwen, lijdt géén twijfel.

Ook andere auteurs zoals Geert Segers in Archeologie in Klein Brabant (Vereniging voor Heemkunde in Klein-Brabant vzw, 2001), en Frans Moeyersoms in Achthonderd jaar leven in Ruisbroek (2002) noemen het Hellegatveer zeker niet Romeins, omwille van de zelfde geografische redenen als wij aanhalen. Het is evident dat een veer steeds twee rivierkanten heeft en dat beide kanten zowel in de tijd als structureel moeten kunnen ingepast worden in het wegenpatroon. En hier laten veel auteurs het afweten in hun publicaties.

 De Hellegat- en Helle-toponiemen

Voor een beter begrip volgt nu een lijst van de rechtstreekse en afgeleide Hellegat-toponiemen in de onmiddellijke omgeving. Onder Ruisbroek vindt men: Hellegat (1231), de Hellegatstraat of Hellegatsche Straete, het Hellegatschoor, het Hellegatwiel of het Hellegatsche Wiel, de Hellegatschans of Fort van Hellegat en de Hellegatbrug over het kanaal. Bovendien stond er in de zwaaikom van de vaart Brussel-Rupel, ter hoogte van de herberg “Bij Clothilde” onder Ruisbroek, een bord met de tekst: “Niet ankeren in ‘t Hellegat”. In Kalfort vindt men de Grote Hel en de Kleine Hel (17de eeuw); een stuk grond genaamd de Helle en de zijrivier van de Vliet de Helle. Deze zijrivier vinden we ook terug op de militaire stafkaarten als Hellebeek. Te Niel treft men in de archieven dan weer de Hellegaetsche straete (nu de Potaardestraat), de Hellegatbaen (nu de Poortelei), het Hellegaterveldt (gelegen ten oosten van de Kilbeek), het Hellegatveer en natuurlijk Hellegat als ‘gehuchtnaam’ en straatnaam. De Hellegatbaan onder Schelle ligt dan weer in het verlengde van de Nielse Poortelei. Er bestond ooit een Hellegatstraat onder Kontich.

Te Bornem is er Hel (1866) en in Puurs het Hellebos (1668). In Niel, ter hoogte van het huidige gemeentehuis stond er een huis met de naam De Helle of Den Helhoff.

Ook in de Ardennen, bij Botrange, is er een riviertje de Hill of de Helle. In 1534 bestond er het huis De Helle te Rumst, in 1550 een beemd de Helle te Blaasveld en het Helleveld te Duffel.

Andere Hellegat-toponiemen zijn: Hellegat bij Brussel, Hellegat tussen Gelrode en Nieuwrode (Aarschot), Hellegat bij Hoeselt (Limburg), Hellegat te Turnhout (Visbeekstraat), Hellegat bij Rijkevorsel, Hellegat bij Sint-Pieters-Rode, Hellegat bij Rijsbergen (NL), Hellegatbeek en Hellegat op de Rodeberg (W. Vlaanderen), Hellegat te Wetteren, Hellegat (samen met Helhoek, Helhoekheide, Helheuvels, Klokkeven, Vagevuur en Venusberg uit de metaaltijden) te Rijkevorsel. Er bestaan een Hellegat en Hellegatbeek tussen Berlaar en Koningshooikt, Hellegat bij Kemmel, Hells' Gate in Engeland, Hellegat in New York (U.S.) een smalle doorgang op de East River, nu Hell Gate, Groot Hellegat te Roermond (NL), de oevers van de Hellegatsplaten bij Volkerakdam (NL), Hellegat bij Aalsmeer (NL), Hellegat in Zaamslag (NL), Hellegat in Etten-Leur (NL), Hellegat bij Axel-Ossenisse (NL).

 Belangrijk in de naam is het suffix “gat”. Een “gat” is een opening of toegang tot iets (veld, omheining, afsluiting, ..). Een “gat” betekent echter ook de monding van een kleinere rivier of beek in een grotere. Vanuit de grotere waterloop bekeken vaart men dan inderdaad een “gat” in. Een schoolvoorbeeld is het Zennegat: de monding van de Zenne in de Rupel. De monding van de Rupel in de Schelde noemde men het Wiel of het Mechels Gat. Samen met het Gat van Eikevliet (de monding van de Vliet in de Rupel), de Kortgaeten (mogelijk de monding van de Wullebeek) en het Oostgat (mogelijk de monding van het Langwiel in de Rupel) te Niel, het Watergat en Schaegaet te Ruisbroek, het Merlegate te Puurs, het Ekkersgat te Rumst, ontmoet men in de omgeving van de Rupel een sterke aanwezigheid van dergelijke “gaten”. Het is niet uitgesloten dat deze toponiemen een taalkundige echo zijn van de Vikingen die zeker op de Rupel hebben geopereerd. Vergelijk met het Engelse “gate” (poort, toegang) en het Scandinaafse “gate” (straat, weg).

Ter vervollediging volgt hierbij nog een reeks van “gat” toponiemen: in Zeeland het Lapscheurse Gat, het Coxyse Gat, het Haantjesgat, het Saeftinger Gat, het Brouwershavense Gat, het Veerse Gat: allemaal uitwateringen in de Westerschelde. Ook het Kattegat in Denemarken hoort bij deze reeks.

 

Zoals gezegd trekt het veer van Hellegat de meeste aandacht naar zich toe. En dat is terecht, want de naamgeving was initieel gekoppeld aan een geografische toestand en is nadien nadrukkelijk overgegaan op de installatie van het veer. Vandaar de volgende uitweiding over het Hellegat-veer, waarbij een overzicht van tweeduizend jaar wordt opgebouwd. 

De initiële geografische toestand

Toen de Romeinen onze gewesten inlijfden bij hun Imperium Romanum, vloeide hier uiteraard al de Rupel, zij het met minder getijdenwerking dan men nu kent. De rivier was niet ingedijkt en de oevers bestonden wellicht uit zich nog steeds opbouwende mosvegetatie met waterlievend struikgewas. De rivier meanderde zich toen ook meer dan nu het geval is (tussen Niel en Boom is er nu duidelijk een bocht verdwenen) en alle beken en vlieten hadden brede mondingen. Tussen Willebroek en Ruisbroek lag een inham van de Appeldonkbeek: de Kraaywijk. En het lager gedeelte van Ruisbroek spoelde tweemaal per dag onder water. Denk aan de overstromingsramp van 1976 toen het water tot ver voorbij de kerk tot op Sauvegarde spoelde.

De Keltische weg van Kontich naar Niel (via Matenstraat – Uitbreidingsstraat – Landbouwstraat - Rupelstraat) richtte zich over de Rupel heen naar wat we nu kennen als Bornem en Sint-Amands. Deze baan kruiste tussen Kontich en Niel nergens een waterloop. De” Rupel-barrière” moest genomen worden via het Nielderveer, waar men van de hoogten van Niel naar de hoogten van Wintam trok. Dit Nielderveer heeft minstens tweeduizend jaar bestaan. Het verhuisde een paar jaren geleden naar Schelle, ter hoogte van het Tolhuis.

 Structuur van een veer

Elk oud veer vertrok vroeger (vóór de indijkingen) steeds in de monding van een beek om aan de overzijde terug te eindigen in de monding van vliet of beek. Schoolvoorbeeld: het Kallebeekveer onder Hemiksem. Voor het Nielderveer waren dat de monding van het Langwiel, ten einde de Rupelstraat en een beekmonding op de grens Wintam-Eikevliet. Natuurlijk zijn na de indijkingen die beekmondingen soms verdoezeld. Denk aan het Nielderveer, dat zowel aan de Gemeentekade, de huidige steiger en nog verder op de dijk (negentiende eeuw) heeft gelegen.

Waarschijnlijk was de inrichting van een veer in een beekmonding, technisch en structureel gezien, de meest voor de hand liggende oplossing. Hier konden de schepen gewoon aan land geraken aan een beperkt staketsel en lagen ze ook veilig afgemeerd. Hoe dan ook, de sporen zijn van zulkdanige inrichting zijn nu nog duidelijk zichtbaar. 

Oudste Hellegatveer (7de eeuw – 10de eeuw)

Alle oude veren gingen dus steeds van de monding van de ene beek naar de monding van een andere beek. De oudste inrichting van het Hellegatveer lag in de monding van de Nielse Kilbeek (ter hoogte van de De Laetstraat) en de monding van de Vliet tussen Ruisbroek en Eikevliet. Het veer werd ingericht aan de westelijke kant van de Kilbeek (Ten Ouden Veere) naar de eveneens westelijke zijde van de Vlietmonding op het hoger gelegen Eikevliet. Door de verdere ontwikkelingen van de dorpen na de Romeinse tijd en na de Frankische invallen (5de – 6de eeuw) ontstond er een veer tussen Niel en de overzijde, denkelijk in de Merovingische of Karolingische periode. En vermits we nog in de periode zijn van vóór de indijkingen, ging dit veer vanuit de monding van de Kilbeek naar de ruime en niet ingedijkte monding van de Vliet, toen nog géén Eikevliet of “grensvliet” geheten. Waarschijnlijk stapte men te Eikevliet, op een veilige 5-meter hoogtelijn aan wal. Dit betekent evenwel dat er twee veren, namelijk het Nielderveer aan de Rupelstraat en het Hellegatveer op de Kilbeek naast mekaar bestonden en ook leefbaar waren.

Externe invloeden op de verdere ontwikkeling

Het spreekt voor zich dat uitwendige factoren het verdere leven van een veer kunnen beïnvloeden. Voor het Hellegat-veer kunnen er meerderen worden onderscheiden. Ten eerste zijn er de indijkingen die een rivier versmallen en soms de loop kunnen wijzigen. Indijkingen laten ook toe om gemakkelijker de oever te naderen. Anderzijds zullen dezelfde indijkingen de mondingen van de beken verleggen of soms afsluiten met een sluis. Dit laatste zoals bij de afsluiting van de Willebeek met de Nieldersluys (1298). Het gevolg is dat de toegang tot zulk veer met infrastructurele ingrepen moet aangepast worden (bijvoorbeeld, dammen of nieuwe toegangswegen). Wat betreft het Hellegatveer zijn er indijkingen aan de Ruisbroekse kant geweest.

Een andere ingreep was van politieke aard. In de tiende eeuw is de Graaf van Vlaanderen aan expansie gaan doen en heeft hij het Land van Bornem ingepalmd, over de rijksgrens Schelde heen, en zijn invloed uitgebreid tot en met Eikevliet. De Vliet werd een grensvliet, de Eikevliet, van “Eike” of “Eke” als grens. Dus een grensvliet. Het gevolg was dat Wintam en Eikevliet Vlaams werden, onder de Graaf Van Vlaanderen en Ruisbroek gewoon Brabants bleef onder het gezag van de Hertog van Brabant. Een ander gevolg was de invloed van de Graaf die op Rupel en Schelde tot op de rechteroever reikte. De rechterlijke invloed van de Hertog ging zover als hij een bijl van een bepaald gewicht in de rivier kon werpen. Juridisch gezien was het wel een heel kluwen want Hingene werd half Brabants en half Vlaams. Misschien refereert de term “Klein Brabant” naar die halfslachtelijke situatie waarbij een stuk Brabant “Klein” is geworden?

 Een derde factor is de gestadige ontwikkeling van de dorpen op de linkeroever van de Rupel, langsheen het wegennet dat deze verbond. Niet dat er dorpen bijkwamen, de “embryo’s” waren er al in de Keltische periode aanwezig en groeiden langzaam mee de toename van de bevolking. Belangrijk is ook de kerstening, want sedert de zevende eeuw organiseerde de kerk haar parochies en plaatste een kerk(je) bij elke leefbare gemeenschap. Hier rond kristalliseerde zich dan de bewoning in een versterkte mate. Die kerken of kapellen kwamen vlak bij de voornaamste wegen die de onderlinge kernen verbonden. Zo zien we op de rechter Rupeloever een Keltische verbindingsweg vanuit Rumst (met ook een Veer op de weg naar Mechelen), over Boom (Hoogstraat, Nielsestraat) naar het Keltische centrum van Niel bij de Hondtse Linde (via Boomsestraat, Morrekensstraat loodrecht op de as Uitbreidingsstraat – Landbouwstraat, eertijds de Kwade Wielstraat. Hier sloot de weg aan op de Keltische hoofdweg van Kontich – Niel –Nielderveer – grens Wintam met Eikevliet – Sint Amands. Nergens werden er beken gesneden, alleen de Rupel moest overgestoken worden via een veerdienst, het Nielderveer, naar de Wintamse Rupeloever.

Vanuit Mechelen ontwikkelde zich in deze tijd ook een verbinding naar de voortzetting van onze Kontich- Nielse weg via Battel, Heffen, Heindonk, Willebroek, Ruisbroek-Sauvergarde, de oversteek over de Eikervliet en zo verder loodrecht op het traject Nielderveer – Sint Amands. Deze verbindingsweg was de zuidelijke tegenhanger van de baan Rumst – Niel. Later, na de instelling van het allereerste Hellegatveer (in de Kilbeek – Vliet en wel op de Eikevlietse oever) geschiedde de Nielse toegang via de Vaeraertweg (weg vertrekkende aan de Nielse Hondtse Linde) en op Eikevliet vanaf de bestaande weg die loodrecht toekwam op de Vliet. Overal passeert men dus de dorpskerken met in Willebroek het veelzeggend patrocinium Sint Niklaas, de patroon der reizigers. Vergelijk met de voormalige dorpskerk (ook Sint Niklaas) van Hemiksem op het Kerkeneinde tegen de Vliet! De voormalige Ruisbroekse Hoogstraat (tegenwoordig Ooievaarsnest, Sint-Katharinastraat, Sauvegardestraat, Molenveld) met de aloude Sint-Katharinakapel (met veel Romeinse archeologica in de grond) , ligt in het verlengde van de Willebroekse Appeldonkstraat en gaat voorbij het Molenveld over in de grensstraat met Kalfort, richting Vliet op de Eikse Amer.

 Gevolg van de Vlaamse politiek voor het Hellegatveer (half 10de eeuw)

Waarschijnlijk heeft de politieke invloed van de Vlaamse Graaf sterk doorgewogen op het aloude Hellegatveer en ging men van Vlaamse zijde tol heffen op de schepen die vanuit Brabant (Mechelen, Antwerpen) de (Vlaamse) Eikervliet opvaarden. Ook voor het veer vanuit Niel in de Vlietmonding en eindigend op Eikevliet werd lastig want het ging van Brabantse oever naar Vlaams territorium (Eikevliet kwam onder Vlaanderen te liggen) met juridische en fiscale gevolgen voor de reizigers en hun goederen. Bovendien reikte de invloed van de Graaf van Vlaanderen tot op de rechteroever van de Vliet en de Rupel. De oplossing was het veer verplaatsen naar Ruisbroeks grondgebied, maar dat lag toen nog onder water zonder Rupeldijk aldaar. Dit werd uiteindelijk ingedijkt in de veertiende eeuw. Hierbij dient opgemerkt dat het huidige centrum en de kerk van Ruisbroek, op een kunstmatige terp gelegen, veraf ligt van deze oude verbindingsweg. Het is duidelijk dat het huidige centrum van Ruisbroek met het Onze-Lieve-Vrouwpatrocinium zich recenter heeft ontwikkeld op een latere locatie van het Hellegatveer.

Zo ging men het Hellegatveer herinstalleren van Brabant naar Brabant, volkomen veilig én onder controle van de Babantse Hertog. Op Niels grondgebied opteerde men voor een nieuw Hellegatveer in de monding van de Boomse Beek (vroeger de Schaverbeek of ook de Veerbeek genoemd) en op Ruisbroekse kant aan de nieuwe straat  naar de kerk die eindigde aan de nog niet ingedijkte Rupeloever. Pas na de definitieve indijking kon men het veer installeren op de nieuwe Ruisbroekse Rupeldijk, te bereiken via de Hellegatstaat. Daar kon ook de parochie en kerk van Ruisbroek verder evolueren. Mogelijk ten nadele van de Sint-Katharinakapel. De indijking bracht dan ook het Hellegatwiel onder Ruisbroek mee, een verdwenen bocht van de Rupel. Nog later heeft men tijdens de godsdienstoorlogen het Fort van Hellegat gebouwd tegen de Vlietmonding op Ruisbroeks grondgebied.

 Toponymische relicten

De gevolgen van deze politieke impact waren naamsveranderingen. De Eikevliet kreeg haar naam na de expansie van de Vlaamse Graaf want de toenmalige “Helle”-Vliet (hypothetische naam) veranderde in “Grensvliet” of beter gezegd de “Eikevliet”. Ook de dorpsnaam Eikevliet stamt uit die periode, daarvoor droeg dit dorp ongetwijfeld een andere naam. Er zijn nog andere herinneringen bewaard aan de vroegere toestand: de Hellebeek, Kalfort (Kallevoorde/Hellevoorde?) en de hoogte van Eikevliet Den Hul geheten. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat al deze relicten verwijzen naar de oude Hellevliet (hypothetische naam) die uitmondde in een groter Wiel (het Kwade Wiel) bij de Rupel. De monding van deze Vliet noemde men dan ook logischerwijze het “Hellegat”. Later het “Gat van Eikevliet” geheten. Het toponiem “Hellegat”dateert dan ook van vóór de naamsverandering in Eikevliet, vóór de tiende eeuw dus.

Op de kaart uit 1699 uit de Abdij van Grimbergen staat duidelijk “Het Oversethvaeren Hellegat genaemt”, met andere woorden: de naam van de veerdienst heet Hellegat.

Op Niels grondgebied ligt het Hellegatveld, niet op het huidige Hellegat, maar op de oostelijk oever van de Kilbeek. 

Besluit

Het oude Hellegatveer werd, wellicht in de Karolingische, mogelijk reeds in de Merovingische tijd, ingericht van Nielse Kilbeekmonding naar Eikevliet bij de monding van de Hellebeek (huidige Vliet) in de Rupel, het Hellegat genaamd. De politieke ambities van de Graaf Van Vlaanderen bracht Eikevliet onder Vlaanderen en verdreef het veer meer rivieropwaarts tussen het Brabantse Ruisbroek en het Brabantse Hellegat-Niel. De veerdienst heeft de bestaande naam Hellegat die oorspronkelijk sloeg op de monding van de “Hellebeek” (hypothetische naam) in de Rupel, gewoon overgenomen. Het oudste Hellegatveer op de Nielse Kilbeek veranderde na de buiten gebruikstelling logischerwijze in Ten Oude Veere en het daarbij horende Hellegatveld bleef achter, ergens tussen Niel en het huidige Hellegat. Dit huidige Hellegat is de eindfase van een méér dan duizendjarig evolueren van het Hellegatveer en de verhuis van het Hellegat-toponiem.

Uiteindelijk blijft er nog de naamsverklaring van “Helle”. Voorlopig blijft die bij Hel(la), de godin van de Onderwereld. Mogelijk is er een verwantschap met Kallebeek (Hemiksem), Calevoet (Brussel), Kalfort (Puurs), Gallifort (Deurne) enz. die ook allemaal naar een “watergodin” verwijzen.