AL LANK AA - Vereniging ter bevordering van het origineel Zeels

home | situering | publicaties| dialekt | voorbeelden | Bargoens | parabel | woordenlijst

HET BARGOENS,

HET BRIEGGADE EN JAN PRAET

 

Het Bargoens, in de ´van Daele´ omschreven als : geheimtaal van dieven, landlopers, rondtrekkende handelaren, is een erg kleurrijk en mysterieus taalfenomeen. Het ontstaan ervan is onduidelijk maar toch kunnen er bepaalde invloeden opgespoord worden.

Een aantal elementen uit het Bargoens zijn door de zigeuners aangebracht . Dat geheimzinnig volk noemde zich Egyptenaren - vandaar het Engelse ´gipsy´ of het Spaanse ´gitanos´ - en was reeds in de 5de eeuw op trektocht. Nadat bijna overal het verband werd vastgesteld tussen de komst van de zigeuners en het verdwijnen van allerlei kostbaarheden, werd dat volk vanaf het midden van de 15de eeuw in gans Europa als heidenen vervolgd. Wat men hier als ´Gods straffen´ in huis had, viel hen ten deel : geselingen, brandmerken, radbraken, vierendelen en nog allerlei moois zorgden ervoor dat de zigeuners verdwenen. Ze kwamen echter steeds weer en drukten hun stempel op de taal van de rondtrekkende handelaren.

Ook de Joden waren in die tijd een echt ´sjacher´volkje dat vooral in belangrijke havensteden te vinden was en telkens opdook als er ergens handel werd gedreven. In het Bargoens zijn veel Jiddische invloeden terug te vinden. De vele volkeren die we in deze streken op visite kregen : Spanjaarden, Oostenrijkers, Fransen, Duitsers enz. bepaalden allen een stukje van onze cultuur en lieten sporen na in het Bargoens. Die naam trouwens stamt van het Bretonse bara gwin dat in het Frans evolueerde tot baragouin en dat ´onbegrijpelijke taal´ of ´brabbeltaal´ wil zeggen. Het waren dus vooral rondtrekkende personen en groepen zoals zigeuners, leurders, vertinners of bezembinders die vanaf de 17de eeuw een ´geheimtaal´ gebruikten. Hier en daar duikt dus een soort Bargoens, een wartaal, op. In de omgeving van Oudenaarde werd een en ander in kaart gebracht door Jan Frans Willems en het Sint-Niklase Bargoens werd o.a. bestudeerd door Van Marcellijn Dewulf, die erover publiceerde in de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas.

Door allerlei onduidelijke omstandigheden werd het Bargoens vooral ontwikkeld en gesproken door leurders en baanstropers die huisden in de Gratiebossen van Zele. Zelf noemen ze hun taal ´het Brieggade´ en dat is zeker afkomstig van het Franse Brigand dat inderdaad baanstroper betekent. In deze omgeving nam het Bargoens (het Brieggade) een enorme vlucht. De Bargoense vlek werd natuurlijk ingedijkt door het gangbare Nederlands maar tot rond de onafhankelijkheid (1830) werd het nog algemeen gesproken in twee belangrijke Zeelse wijken : de Kouter en de Zandberg. Tot rond de eeuwwisseling is Bargoens de gebruikelijke taal van veel rondtrekkende leurders en bezembinders.

Gedurende een lange periode werd veel aandacht aan het Bargoens besteed . Professor Jan Courtmans publiceerde de Bargoense versie van de 'parabel van de verloren zoon´ in 1842, in het tijdschrift Belgisch Museum en ook op officiële plechtigheden of feesten te Zele werd het Bargoens hier en daar gebruikt. Zo werd bij de inhaling van de nieuwe burgemeester Cesar Meeus (later werd een straat naar zijn naam genoemd), een uithangbord gemaakt met het volgend jaardicht :

(Kijk mensen, welk geluk, Cesar is burgemeester ! )
1872

SCHOFT OU KNULLEN,
´T KUGT KIEVEG, CESAR MOIST GRANDEGEN BOL

Wellicht nog vager of mysterieuzer dan de herkomst van het Bargoens, zijn de verhalen over de bende van Jan Praet. Wellicht waren het bezembinders die overdag van de ene boerderij naar de andere trokken om hun koopwaar aan te bieden - ze gaven dan hun ogen goed de kost - die ´s nachts allerlei overvallen pleegden. Er werd stilaan een bende gevormd die in de Gratiebossen huisde. Het waren donkere tijden en ondoordringbare wouden spraken tot de verbeelding van de bange mensen. De Gratiebossen waren erg uitgestrekt - tot het einde van de 18de eeuw : vanop de Kouter tot diep in Overmere - en inspireerden de mensen tot het vertellen van steeds gruwelijker verhalen.

De bende van de legendarische Jan Praet bestond wellicht uit een ´harde kern´ van echte criminelen maar dikwijls trokken ook gewone burgers mee op strooptocht, gedwongen door de zorg voor hun hongerende kinderen.

De knecht van de herberg St.-Antonius, aan de rand van de gemeente, verstond Bargoens en had afgeluisterd dat Jan Praet en zijn makkers, tijdens de nachtmis op kerstavond, langs het keldervenster zouden binnendringen om de herberg te beroven. Zijn strategische opstelling in de kelder en een zware bijl maakten een einde aan de beruchte Zeelse bendeleider. Hun zo beroemd geworden taal werd, via een woordenlijst, gepubliceerd in het boek Een Afel Zilse Woord´n, bewaard voor het nagesclacht.