Stel jezelf de vraag: wat
wil ik bereiken met training?
Het is belangrijk om specifiek te trainen
d.w.z. datgene trainen dat de prestatie van je vraagt.
Als je je voorbereidt op bijvoorbeeld de Waalse Pijl dan
zul je niet alleen het aantal kilometers moeten opvoeren
maar ook steeds meer een heuvelachtig parkoers moeten
inpassen in je voorbereiding. Voor onze doelgroepen zijn
de belangrijkste facetten voor de trainingsarbeid: duurtraining,
intervaltraining en hersteltraining. Daarom deze achtergronden
van deze trainingsvormen.
1.
Duurtraining. De basis
voor iedere prestatie is de duurconditie, het vermogen om
een langdurige prestatie op een bepaald niveau te kunnen
leveren. Fietsen is een duurinspanning! Door duurtraining
wordt het uithoudings-vermogen van hart, longen en spieren
(vooral de voorste dijspier en de kuitspier) getraind en
is het hart in staat efficiënter zuurstof aan de spieren
af te staan. Kilometers maken is nog steeds de beste manier
om het lichaam aan deze inspanning te laten wennen. De wijze
waarop de kilometers gemaakt worden is echter van belang
voor het resultaat.
Er worden 3 niveaus van duurtraining onderscheiden:
Duurtraining
1 = intensiteit 60 à 70% van de HF
max.
Doel: trainen van de vetverbranding voor
het volhouden van lange afstanden.
Duurtraining
2 = intensiteit 70 à 75% van de HF
max.
Doel: trainen van het aërobe prestatievermogen.
Duurtraining
3 = intensiteit 60 à 70% van de HF
max. met tussendoor tempogedeelten op 75 à 80% van
de HF max. Doel: ontwikkelen van tempohardheid
voor langere afstanden.
Je zult altijd met duurtraining
1 moeten beginnen. Na verloop van tijd past het lichaam
zich aan een bepaalde inspanning en dan is er een zwaardere
prikkel nodig om nog vooruit te gaan. Ga dan over op de
duurtrainingen 2 en 3.
Door intensieve duurtrainingen (met een HF in de buurt van
je omslagpunt) kan het omslagpunt verhoogd worden en zal
je VO² max. (zuurstofopnamevermogen) verbeteren. Bedenk
dat door deze training de glycogeenvoorraad sterk wordt
aangesproken. Daarom mag deze training niet meer dan 2 à
3 keer per week gebeuren.
2.
Intervaltraining. Het kenmerkende van intervaltraining
is dat na elke herhaling tot herstel moet worden gekomen.
(de zogenoemde actieve rust). Daardoor kan de volgende herhaling
weer met dezelfde intensiteit worden uitgevoerd. Het voordeel
is dat je dan met een hoge intensiteit kunt trainen. De
actieve rust moet zolang duren dat je nog net niet helemaal
herstelt. Het is heel belangrijk dat de rustperiode actief
wordt doorgebracht, d.w.z. in een rustig tempo met een kleine
versnelling en een redelijk traptempo om de afvalstoffen
af te voeren.
Voor onze doelgroepen zijn
2 vormen van intervaltraining van belang:
Intervaltraining
1 = extensieve intervaltraining. Doel: verbetert
voornamelijk de max. zuurstofopname. Er is geen grote stijging
van het melkzuurgehalte in het bloed. Dit maakt het mogelijk
dat de inspanning, ondanks de hoge intensiteit, vrij lang
kan worden voortgezet. Extensieve intervaltraining in combinatie
met duurtraining leidt tot een optimaal rendement.
Intervaltraining
2 = intensieve intervaltraining. Doel: het
leren verdragen van hoge melkzuurwaarden, aanscherpen van
snelheid en weerstandsvermogen.
Deze training is erg zwaar,
levert hoge melkzuurwaarden op en is minder geschikt voor
oudere sporters.
N.b. Regelmatig hoge melkzuurwaarden kunnen
een sterk nadelig effect hebben op het aërobe uithoudingsvermogen.
Daarom mag deze trainingsvorm max. 1 keer per week worden
uitgevoerd en moet altijd daags nadien worden gevolgd door
een hersteltraining of een rustdag.
Met intervaltraining mag pas begonnen worden na een flinke
periode van duurtraining. Intervaltraining vraagt veel zelf-discipline,
maar bedenk dat je d.m.v. intervaltraining sneller in de
juiste conditie kunt komen dan via het ouderwetse kilometers
maken.
Herhalingstrainingen is een variant van de duurtraining,
waarbij het principe van de intervaltraining wordt toegepast
maar dan met veel langere periodes van relatief lage belasting
(b.v. diverse uren duurtraining met 4 à 40 sprints
per uur). Herhalingstraining blijkt in de praktijk een geschikte
vorm te zijn om een goede lichamelijke conditie over een
heel seizoen bij te behouden.
3. Hersteltraining.
De herstelfase is het meest belangrijke onderdeel van de
training. De trainingswinst zit niet in dag en nacht keihard
fietsen. Veel sportlui (zelfs topsporters) trainen veel
te intensief en nemen te weinig tijd om te herstellen. Het
is aan een te hoge trainingsintensiteit te wijten dat veel
renners in de loop van het seizoen een terugval vertonen.
Bij te veel en te zwaar trainen wordt de voorraad glycogeen
uitgeput. Velen zijn pas tevreden als ze na een training
volledig "kapot" zitten. Door de samenstelling
van de training te wijzigen kan het prestatieniveau aanzienlijk
toenemen.
Tijd voor herstel betekent wél trainen maar slechts
kort en met lage intensiteit en een kleine versnelling.
Vermoeidheid verdwijnt namelijk het snelst door het leveren
van kleine inspanningen.
Let op... veel fietsers hebben
de neiging om de herstel-trainingen te intensief te maken.
Doe deze trainingen met een intensiteit van ca. 50% van
de max. HF, dan is het effect vaak beter dan complete rust!
Het is uitermate belangrijk dat je naar je lichaam leert
luisteren en zelf aanvoelt wanneer er sprake is van onvoldoende
herstel. Naarmate de training zwaarder was zal het herstel
langer duren, ook bij een beginnende infectieziekte en door
het ouder worden (geef nu maar es toe papa..!).
Onvoldoende herstel blijkt uit "dikke benen",
sneller vermoeid zijn, gebrek aan macht, het niet kunnen
halen van je max. HF tijdens een training en een hogere
rustpols. Als de ochtendpols 10 of meer slagen hoger is
dan normaal is het herstel onvoldoende. Dan is het best
een rustdag of een dag met lichte training in te lassen.
Tips..