Algemene doelen
Algemene doelen van een dagcentrumbegeleiding
Het is belangrijk dat we de centrale doelstellingen aangeven van waaruit ons begeleidend handelen vertrekt. Hiertoe dienen we de verschillende functies (of pijlers) van het dagcentrum te onderscheiden.
De essentiële functies komen bij elke begeleiding voor.
De facultatieve functies worden ingeschakeld indien hier een bijkomende vraag naar gesteld wordt door de doorverwijzers, door het gezin of door de minderjarige.
We vertrekken hier van de omschrijving van de werkvorm dagcentrum zoals die in het Besluit van de Vlaamse Regering van 13/07/1994 (categorie 4) aangegeven is:
Dagcentra zijn centra die uitsluitend minderjarigen opnemen tijdens bepaalde uren van de dag en de gezinnen waartoe ze behoren ambulant begeleiden. Art. 7
In deze formulering uit het Besluit volgen de eerste twee essentiële functies van het dagcentrum De Twijg:
1. Opvang van de minderjarigen
2. Ambulante gezinsbegeleiding
Het dagcentrum De Twijg vult deze twee functies aan met twee bijkomende essentiële functies:
3. Individuele begeleiding
4. Schoolgerichte begeleiding
Deze vier functies samen (per gezin verschillend aangevuld met de facultatieve functies) vormen de ‘integrale begeleiding van gezinnen’ zoals het dagcentrum ‘De Twijg’ zichzelf wil definiëren.
Deze vier functies staan nooit los van elkaar, ook al hebben ze elk hun eigen kenmerken en mogelijkheden. De meest sturende functie binnen de integrale begeleiding van de gezinnen is de ambulante gezinsbegeleiding. Dit wil zeggen dat de drie andere essentiële functies (en ook de facultatieve functies) steeds gestuurd en geëvalueerd worden vanuit de gezinsbegeleiding.
1. De hoofddoelen van de dagcentrumbegeleiding
Voor elk van deze vier functies geeft het dagcentrum telkens twee hoofddoelen aan: enerzijds erkennen en bevestigen van wat goed verloopt en/of mensontwikkelend is, omdat hierin hulpbronnen tot groei en verandering te vinden zijn voor de gezinsleden en anderzijds, steeds in samenspraak met de gezinsleden en de verwijzers, stappen ondernemen die veranderingsbevorderend zijn waardoor uiteindelijk een groter welbevinden, een heling of een betere maatschappelijke integratie mogelijk wordt.
Bij de veranderingsgerichte doelstelling spreken we telkens van ‘brengen’ en ‘aanbrengen’ om een onderscheid van ‘groeien naar’ aan te geven. ‘Brengen’ betekent: het echt realiseren, met ‘aanbrengen’ geven we aan dat er stappen in die richting gezet worden: ze worden aangebracht, anderen voeren mee de verandering uit zonder dat er garanties van slagen kunnen gegeven worden.
Elk van deze vier essentiële functies wordt aangeboden aan elk gezin (de ouders) dat aan het dagcentrum doorverwezen wordt door het Comité of de Jeugdrechtbank. Indien deze functies geweigerd worden (door de ouders of de minderjarige vanaf 14 jaar), kan de zinvolheid van een dagcentrumbegeleiding in De Twijg in vraag gesteld worden. Toch willen we hier twee specifieke begrippen aanbrengen als de begeleidingsmogelijkheden in het gedrang komen. Immers, het gezin met zijn hulpvraag moet centraal staan.
De twee doelen van elke ambulante gezinsbegeleiding, kortweg ‘gezinsbegeleiding’ genoemd, worden hierin omschrijven als:
GB 1 - erkennen en bevestigen van de passende vormen van gezinsfunctioneren, binnen het gezin en naar de maatschappij toe;
GB 2 - veranderingen (aan)brengen in het gezinsfunctioneren opdat het gezin zelfstandiger, betrouwbaarder voor de kinderen en gepaster met problemen kan omgaan.
Deze doelstellingen worden gerealiseerd via gesprekken van de gezinsbegeleider met de ouder(s). De opvoeding van alle kinderen van het gezin kunnen sporadisch of uitgebreid ter sprake komen in de gezinsbegeleiding. De in het dagcentrum opgevangen minderjarige wordt in hoge mate betrokken in deze gesprekken.
De opvang van de minderjarige heeft als doel de druk binnen het gezin met een problematische leefsituatie te verlichten. In het dagcentrum wordt daartoe de minderjarige in groepsverband opgevangen. Bewuste omgang met de opgevangen minderjarigen als groep is de groepsbegeleiding.
De twee doelen van deze ‘groepsbegeleiding’ worden omschreven als:
GrB 1 - erkennen en bevestigen van de minderjarigen in hun wederzijdse betrokkenheid, in hun sociale vaardigheden en in hun rekening houden met groepsleden;
GrB 2 - veranderingen (aan)brengen in omgangsvormen van de minderjarigen, telkens wanneer een minderjarige grenzen aftast of overschrijdt t.a.v. de groepsnormen, de groepswaarden en de maatschappelijke normen en waarden.
Deze doelstellingen worden gerealiseerd tijdens groepsmomenten waarbij de groepsbegeleider de taak heeft om ‘in’ de groep en indien mogelijk ‘met’ de groep een passend pedagogisch klimaat te realiseren.
De twee doelen van de individuele begeleiding zijn:
IB 1 - erkennen en bevestigen van de minderjarige in zijn zorgend omgaan met anderen (vooral de gezinsgenoten), erkennen van de eigen levenssituatie van de minderjarige en zijn gevoelsmatige wijze van omgaan met de eigen levensgeschiedenis;
IB 2 - veranderingen (aan)brengen in de individuele vaardigheden van de minderjarige, in zijn betekenisgeving aan zijn leefsituatie en in zijn problematisch genoemd gedrag.
Deze individuele begeleiding gebeurt door een aangeduide begeleider die een individueel gerichte en leeftijdsadequate voorkeursaandacht besteedt aan ‘zijn’ minderjarige tijdens informele groepsmomenten of tijdens formele gesprekken of activiteiten buiten de dagcentrumgroep.
De twee doelen van de schoolgerichte begeleiding zijn:
SB 1 - erkennen en bevestigen van de gepaste inzet (inspanningen en motivatie) enerzijds van de minderjarige in zijn schoolleven en anderzijds van alle betrokken volwassenen (in het bijzonder van de ouders) m.b.t. het schoolleven en het schoolse presteren van de minderjarige;
SB 2 - veranderingen (aan)brengen het omgaan van volwassenen met de minderjarige; veranderingen (aan)brengen in het schools functioneren van de minderjarige.
Deze schoolgerichte begeleiding kan gaan van eenvoudig studietoezicht tijdens de dagcentrumstudie tot het specifiek begeleiden van de minderjarige of van betrokken volwassen omtrent het schoolleven van de minderjarige.
2. Een werkbare dagcentrumbegeleiding
Met een werkbare dagcentrumbegeleiding bedoelen we zulke begeleiding of begeleidingsmomenten waarin aan de vooropgestelde doelstelling van een dagcentrumbegeleiding beantwoord kan worden zoals aangegeven in het Erkenningsbesluit van 13/07/1994 (+ toelichting).
Dit wil zeggen dat we - als dagcentrum erkend binnen de Bijzondere Jeugdbijstand in Vlaanderen - niet op de hulpvraag van een gezin kunnen (blijven) ingaan als er geen akkoord bereikt kan worden over een zekere vorm van geregelde aanwezigheid van de minderjarige in het dagcentrum. Evenzo geldt dit als er geen redelijke afspraken met het gezin (de ouders) mogelijk zijn waardoor de frequentie van de gezinsgesprekken minder is dan twee per maand.
3. Een minimale dagcentrumbegeleiding
Sommige dagcentrumbegeleidingen (of momenten ervan) kunnen weinig beweging of verandering bewerkstelligen omwille van situationele onmogelijkheden (b.v. psychiatrische ziekte van ouder(s), lage begeleidingsbereidheid, ...). Expliciete veranderingen in het gezinsfunctioneren beogen, is dan een te hoog gegrepen doelstelling, wat niet wil zeggen dat er geen andere doelstellingen op het vlak van een individuele begeleiding van de minderjarige of bv. ter voorkomen van mishandeling, ... tijdelijk een dagcentrumbegeleiding verantwoorden.
Ingeval een dagcentrumbegeleiding dreigt lager dan een ‘minimaal werkbare begeleiding’ te worden, dan zal steeds in overleg met de doorverwijzer en het gezin gezocht worden naar een haalbare bijsturing of naar een andere vorm van begeleiding die beantwoordt aan de hulpvraag van het gezin, eventueel via een andere hulpverleningsorganisatie.
4. Rol van de begeleiders
Al moeten de begeleiders natuurlijk zelf voortdurend begeleidingsacties ondernemen, toch fungeren zij slechts als bemiddelaars die trachten zo efficiënt en effectief mogelijk te interveniëren in de gezinsprocessen. Deze interventies zijn erop gericht om zowel de minderjarige als de gezinsleden zelf op actie aan te spreken. De hulpverlening door het dagcentrum streeft ernaar gekenmerkt te zijn door emancipatorisch handelen.
Naast deze actieve rol van de begeleiders om de gezinsleden tot handelen, veranderen, samenspraak, luisteren, begrijpen, plannen, ... (hun ‘activiteit’) aan te zetten, is de rol van de begeleiders ook gekenmerkt door een specifieke vorm van ‘aanwezigheid’: een bevestigende houding, het tonen van erkenning, het laten aanvoelen van begrip, het delen van zorg, een houding van ontschuldigen, ... Deze ‘aanwezigheid’ bij de gezinsleden is een vorm van ‘geloven in hen’ en een hulpverleningsstijl van betrouwbaarheid.
