Home page

Historiek

Vooraf...

In de zomervakantie van 1983 ging het speelplein 't Leebeekje van start, een initiatief van enkele mensen die elkaar kenden vanuit een vakantiewerking voor gehandicapten. Eén van hen was toen directeur van de basisschool in de buurt en vond dat er voor de vakantiedagen voor de kinderen iets georganiseerd moest worden. Een aantal broeders (Broeders van Liefde) en enkele vrienden gingen op verkenning om een speelplein uit de grond te stampen waar kinderen 'echt vakantie' konden beleven: plezier hebben in het samen-zijn, samen leuke dingen doen.

De woonwijk Nieuw-Gent / Steenakker in het zuiden van Gent kende weinig sociale en culturele organisaties. Voor de kinderen was er weinig speelmogelijkheid. De initiatiefnemers van 't Leebeekje wilden daartoe een 'vrij-spel-speelplein' oprichten onder het motto: 'De kleinsten eerst'. De formule sloeg aan en al snel waren er dagelijks een 100-tal kinderen aanwezig. De volgende jaren steeg het aantal kinderen almaar - zelfs de top van 400 kinderen werd bereikt.

Ondertussen werd een nieuwe nood overduidelijk. Zowel tijdens de schooldagen als tijdens de vakantiedagen viel het op dat sommige kinderen 'aan hun lot overgelaten werden': moeilijk benaderbaar, moeilijk gedrag, weinig sociaal vaardig, ... Had het met hun leefsituatie thuis te maken?

Zo werd er rond 1986 over een nieuw initiatief gepraat. Ook nu werd een verkenningsronde gestart. De Dagcentra voor Schoolgaande Jeugd waren gekend: dit waren initiatieven die in het begin van de jaren 80 in Leuven en Antwerpen opgestart waren. Marc Bittremieux f.c. was ervoor geïnteresseerd geweest tijdens zijn studietijd. Uiteindelijk werd gekozen om in de Wijk Nieuw-Gent zo'n dagcentrum te starten. Hiertoe werd een nieuwe VZW [Dienstwerk voor Maatschappelijke Zorg (DMZ), Gent] opgericht. De Congregatie van de Broeders van Liefde was bereid ons te ondersteunen om een erkenning te krijgen bij de Vlaamse Gemeenschap en tevens logistieke en organisatorische steun te bieden. Een terrein met een containergebouw werd klaar gemaakt in de Gestichtstraat 2 te Gent. Het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg en de Jeugdrechtbank van Gent spraken hun steun uit. De jonge sector Bijzondere Jeugdbijstand was aan een eerste hervorming toe: minder plaatsing van kinderen in residentiële instellingen en overstappen naar een gezinsbegeleidende hulpverlening. De dagcentra waren een stap in die richting.

De VZW 'DMZ' werd door het Ministerie van Gezin en Welzijn erkend en gesubsidieerd om op 1 maart 1989 te starten met een Dagcentrum voor Schoolgaande Jeugd. Het dagcentrum was (en is nog steeds) een 'autonoom dagcentrum', d.w.z. niet ontstaan uit ombouw van residentiële Bijzondere Jeugdzorg-plaatsen en dus binnen de VZW niet verbonden met andere werkvormen. Het dagcentrum kreeg de naam 'De Twijg', verwijzend naar de groeikracht en het nieuwe leven van een jonge twijg aan een (gezins-)tak of een oude tronk.

De beginjaren van het dagcentrum

Marc Bittremieux stapte over van het onderwijs naar het dagcentrum als halftijdse verantwoordelijke. De andere initiatiefnemers bleven bij hun onderwijstaak. Medewerkers werden aangezocht (4,5 voltijdse begeleiders en een halftijdse schoonmaakster-kokkin).

Tijdens de eerste drie jaren werd echter de nodige 80%-bezetting niet gehaald, zodat de capaciteit van 12 te begeleiden minderjarigen teruggebracht werd naar 11. De personeelsbezetting kwam hierdoor niet in het gedrang. Intense bijscholing, overleg met consulenten en professionalisering in de hulpverlening deed het dagcentrum een gepaste plaats verwerven in de Bijzondere Jeugdbijstand.

In 1994 verkreeg het dagcentrum een nieuwe erkenning voor 5 jaar, op basis van een nieuw Vlaams Besluit. Ten gevolge van een 'nieuwe berekeningswijze van het subsidieerbare personeelskader, moesten we hierbij een halftijdse begeleidersfunctie inleveren. Maar de werkvorm 'dagcentrum' kreeg een duidelijke positionering binnen de Bijzondere Jeugdbijstand.

We wijzigden toen ook de naam van het dagcentrum. Voortaan zouden we heten: Dagcentrum voor Bijzondere Jeugdzorg 'De Twijg'. [Andere dagcentra verkozen de term: Dagcentrum Integrale Gezinsbegeleiding.] Tegelijk waren de Broeders van Liefde bereid het dagcentrumgebouw uit te breiden met een administratieve vleugel (4 burelen).

Het dagcentrum expliciteerde duidelijker haar functies. De integrale begeleiding van gezinnen willen we realiseren door het aanbieden van vier essentiële functies aan de gezinnen: de gezinsbegeleiding, de groepsbegeleiding (opvang in groep), de individuele begeleiding en de schoolsgerichte begeleiding.

Vooral de gezinsbegeleiding werd methodisch beter doordacht. Via jarenlange supervisie stapten we van een systeemtheoretische benadering van de gezinnen over op contextuele benadering, gebaseerd op de contextuele therapie, zoals ze ontworpen werd door Nagy.

Ook de andere functies werden binnen het team professioneler aangepakt en we schreven verschillende vernieuwende basisteksten.

In 1997 werd het Kwaliteitsdecreet afgekondigd. Het was een bevestiging van ons zoeken om intenser en bewuster in het werk te staan. Ons werk moet een kwaliteitsvolle begeleiding zijn van gezinnen in een bemoeilijkte leef- en opvoedingssituatie. Onze missie en algemene doelstellingen werden in het team bediscussieerd en vastgelegd.

Ook werd in 1997 het personeelskader uitgebreid via de middelen van het Sociale Maribelfonds (eerst een 1/3de-tijdse en later in 1999 nog een halftijdse begeleider).

In 1998 begonnen de plannen om te verhuizen gestalte te krijgen. De Broeders van Liefde waren bereid voor ons een afgebrand herenhuis te herstellen en in functie van een dagcentrum te renoveren. Gedurende 1999 werd intens verbouwd en gerenoveerd, zodat we op 1 april 2000 konden verhuizen.

Ook de VZW werd ‘gerenoveerd’. Omwille van beroepsbezigheden namen enkelen ontslag. Nieuwe leden werden aangezocht. De Raad van Bestuur werd in 2003-2004 nieuw samengesteld. Ook de statuten werden in 2004 herschreven, aangepast aan de herziening van de wet op de VZW’s. Vanaf nu spreken van we van een drieledige verantwoordelijkheidsverdeling: de Algemene Vergadering (alle leden), de Raad van Bestuur en het Dagelijks Bestuur (directeur van het dagcentrum). Ook het arbeidsreglement werd volledig herzien, aangepast aan de hedendaagse regelgevingen en communicatiemiddelen.

Nu, anno 2005, werken we in het dagcentrum met een kwaliteitshandboek. Dit werpt zijn vruchten af: de professionaliteit in het dagcentrum is nogmaals gestegen.

Op basis van een uitvoerige inspectie in juli 2004 (aantonen dat we volgens de regelgeving werken, dus vooral een kwaliteitsdoorlichting) en een gebruikelijke beoordeling door de verwijzende instanties (Comité Bijzondere Jeugdzorg Gent en Jeugdrechtbank Gent) zijn we door de Vlaamse Overheid opnieuw erkend voor vijf jaar.

Toch nog meer...

De initiatiefnemers van 't Leebeekje en van De Twijg hebben ondertussen niet stil gezeten. In 1994 was de nieuwbouw voor het speelplein 't Leebeekje af en kon van start gegaan worden met een nieuw initiatief: de kinder- en jongerenwerking 't Leebeekje. In deze nieuwe werking zou met (vooral) vrijwilligers ook een laagdrempelige jaarwerking uitgebouwd worden voor de opvang van kinderen en jongeren na de schooltijd.

Op het eerste gezicht enigszins een gelijklopend initiatief als De Twijg. Maar het dagcentrum was vanaf het begin geen eerste-lijnshulpverlening. Enkel via de drempel van het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg of de Jeugdrechtbank (de zogenaamde verwijzers of plaatsende instanties) konden gezinnen en minderjarigen in het dagcentrum begeleid worden. Daarom werd deze nieuwe laagdrempelige, vrij toegankelijke werking gestart. De speelpleinwerking en de kinder- en jongerenwerking zijn nauw met elkaar verbonden (zelfde vrijwilligers, zelfde gebouw).

Ook met het dagcentrum was er aanvankelijk enige samenwerking: gebruik van het gebouw en de terreinen, dagcentrumjongeren die zich als hulpmonitor op het speelplein engageren, … Deze samenwerking is thans zeer beperkt: op enkele zomerdagen nemen de dagcentrumkinderen deel aan de speelpleinwerking. Hierdoor kunnen een aantal van hen hun speelkameraden op het speelplein ontmoeten. Het inschakelen van onze jongeren als hulpmonitor werd als zeer moeilijk ervaren zodat deze vorm van samenwerking thans niet meer aangegaan wordt.