Contextueel denken
Contextuele benadering van gezinnen
Doorheen de 16 voorbije begeleidingsjaren, de jarenlange supervisies van Christine De Muynck en de vele opleidingen Gezinsbegeleiding die de medewerkers volg(d)en is er geleidelijk een verschuiving ontstaan in ons denkkader met betrekking tot de gezinsbegeleiding. Aanvankelijk lagen de communicatietheorie en het systeemdenken aan de basis van onze kijk naar gezinnen en ons hulpverlenend denken over hun functioneren. Deze kijk werd waar nodig aangevuld met gedragspsychologisch interveniëren en het voldoende ruimte laten voor het intra- en interpsychisch functioneren van mensen (b.v. axenroos van Cuvelier).
Geleidelijk aan werd ons duidelijk dat deze diverse denkkaders geïntegreerd konden samengaan en verrijkt konden worden met de theorie van de contextuele hulpverlening.
Het begrip ‘contextueel interveniëren’ werd sinds enkele jaren meer en meer in de mond genomen. Deze visie, die teruggaat op de zgn. Contextuele Therapie van de Hongaarse-Amerikaanse psychiater en gezinstherapeut Ivan Boszormenyi-Nagy (Kort: Nagy, zeg: Nodg), wint de laatste jaren ook meer en meer veld binnen de Vlaamse hulpverlening. Maar deze visie is onderbouwd met een nogal moeilijk begrippenkader. In het dagcentrum beginnen stilaan een aantal van deze begrippen ons denken en handelen echt te leiden. Na de supervisies staan we geruime tijd stil bij deze contextuele inzichten en denken we in teamverband na over de consequenties m.b.t. onze profilering en het concrete begeleidend optreden. Geleidelijk aan merken we dat onze gezinsbesprekingen in het team steeds meer doordrongen geraken van een aangehouden contextuele aanpak. We wensen in de komende jaren op deze ingeslagen weg verder te gaan.
Op deze bladzijde willen we bondig aangeven wat deze contextuele hulpverlening nu precies inhoudt. Hiervoor maken we gebruik van een tekst in de bijscholingsfolder van de Leerschool voor contextuele hulpverlening.
De term ‘context’ is gekozen om de dynamische verbondenheid aan te geven van een persoon met zijn of haar betekenisvolle relaties doorheen de generaties, naar het verleden en de toekomst. Contextuele hulpverlening is dus hulpverlening die rekening houdt met en gebruik maakt van deze dynamische verbondenheid.
Ieder mens maakt deel uit van een familiaal netwerk van verhoudingen. De contextuele hulpverlener houdt - ook als hij werkt met een enkeling - dit intergenerationele netwerk voortdurend in het oog. Ook de belangen van de afwezigen en van de komende generaties worden in aanmerking genomen.
De relationele werkelijkheid in vier dimensies
De werkelijkheid van mensen, hun relaties en hun intentionele gerichtheid op de omgeving kan beschreven worden met vier dimensies:
De dimensie van de feiten:
Erfelijkheid, lichamelijke eigenschappen, gebeurtenissen in het leven van de persoon zoals echtscheiding, adoptie, invaliditeit, werkloosheid, armoede, oorlog, enz...
De dimensie van de psychologie:
Wat zich in het individu afspeelt aan behoeften, gevoelens, gedachten, fantasieën en motivaties. Het gaat dan over persoonlijkheidseigenschappen, afweermechanismen, ego-sterkte, enz...
De dimensie van de interecties:
De patronen van waarneembaar gedrag en communicatie tussen personen: gezinsstructuren, systeemregels, feedbackmechanismen, zondebokmechanismen, coalitievorming, enz...
De dimensie van de relationele ethiek:
Hierbij gaat het om de rechtvaardigheid, het relationele evenwicht tussen het geven en ontvangen van gepaste zorg. Begrippen als loyaliteit, vertrouwen en betrouwbaarheid, verdiensten en schuld vallen binnen dit gebied. Bij deze dimensie wordt een sterke verbinding gelegd tussen de invloed op het individu, die voortkomt uit verworvenheden van vorige generaties, en de wijze waarop ieder deze invloed gebruikt voor haar of zijn levensontwerp en de daaruit voorkomende invloed op komende generaties (legaat).
Voor de contextuele hulpverlener zal deze laatste dimensie de belangrijkste leidraad zijn. De andere dimensies mogen echter niet uit het oog worden verloren en in de taxatie en behandeling moeten de feiten, de psychologie en de transacties ook in de beschouwing worden meegenomen. Als hij leert de relationeel-ethische dimensie met de drie andere dimensies te verbinden, zal zijn begrip van verschijnselen binnen menselijke relaties toenemen, en ook zijn therapeutische en preventieve mogelijkheden.
Loyaliteit is een kernwoord
De band tussen ouders en kinderen is onverbreekbaar: nooit houdt men op de moeder of vader van dat kind te zijn, en nooit houdt men op de zoon of dochter van die ouders te zijn (verticale loyaliteit). Loyaliteit is dus geen gevoel, maar een zijnsgegeven. Loyaliteitsconflicten zijn eigen aan het leven zelf. In de levensloop snijden horizontale loyaliteitsbanden de verticale. Verbreken, vermijden of ontkennen van die verticale loyaliteit zal ernstig lijden veroorzaken in nieuwe relaties met de partner of de kinderen.
De praktijk van de contextuele hulpverlening
De grondhouding van de contextuele hulpverlener is de meerzijdige partijdigheid: hij is bekommerd om al diegenen die door zijn hulpverlening worden beïnvloed. Dat wil zeggen: ook de ouders en/of partner en/of kinderen van de cliënt. Hij streeft naar een zo eerlijk mogelijke relatie tussen de cliënt en zijn context en is gericht op het doorbreken van isolement en het herstellen van dialoog.
Methodisch hanteert hij een aantal specifieke contextuele interventies:
- het erkenning geven voor het onrecht dat de cliënt werd aangedaan (erkenning voor het slachtoffer) en voor datgene wat hij doet voor anderen (erkenning van de verdienste)
- het opzoeken en aanwenden van de resterende hulpbronnen: wie in de context kan wat doen, dat positief bijdraagt tot de betrouwbaarheid van de relatie?
- de verwachting van actie: de voortdurende, consequent volgehouden en expliciete verwachting van de hulpverlener dat de cliënt actie zal ondernemen, die deel uitmaakt van verantwoord ouderschap, kind zijn of partnerschap. Een zorgvuldige timing is daarbij uiteraard noodzakelijk
- het verbindend vragen: de hulpverlener hanteert consequent een verbindende verhoudingstaal
- het veelzijdig partijdig betrekken van de diverse gezinsleden: vermijden om met bepaalde gezinsleden in coalitie te gaan en de kring van belangrijke betrokkenen steeds weer open houden, ook als ze afwezig of onmondig zijn.
Toepassing in het dagelijks begeleiden
Deze theoretische achtergrond overzetten naar de dagelijkse dagcentrumbegeleidingen vraagt oefening en supervisie. We sommen enkele begrippen en begeleidingshoudingen op die we ons trachten in de praktijk eigen te maken: het daadwerkelijk erkenning geven (meer dan woorden alleen) in de gezinsbegeleidingen, het ontschuldigen van ouders (… verontschuldigen), het aangeven dat ouders zich inzetten om ‘meer passend’ gedrag te tonen dan hun eigen ouders (al is dat ‘meer passend’ niet noodzakelijk ‘maatschappelijk gewaardeerd’), de aanwezige parentificatie (= de (over)investering van een kind naar zijn ouders toe) op een gezonde wijze laten functioneren, het leunen van gezinsleden op destructief recht, het beroep doen op de krachten binnen het gezin en van individuele gezinsleden, het getimed aanzetten tot acties (b.v. een moeder aansporen om haar eigen moeder op te zoeken, ...), het benoemen van de roulerende rekening, van de gespleten loyaliteit, het recht van het kind om ook aan zijn ouders te kunnen ‘geven’, het loyaal blijven van kinderen aan de gescheiden partner, de afwezige partner aanwezig stellen, de posities van de gezinsleden benoemen, het appelleren van ouders op vertrouwen en betrouwbaarheid t.a.v. het kind, het gepast betrekken van het kind in de gezinsgesprekken (niet alleen ‘over’ het kind praten), het benoemen van het (on)evenwicht in de balans van geven en nemen tussen de gezinsleden en tussen de generaties in een familie, het zich oriënteren op relationele hulpbronnen in de familie, bewust stappen nemen en acties opgeven tot het herstellen en ombuigen van destructief recht naar het verdienen van recht, enz...
Een belangrijk aandachtspunt is tevens dat de verschillende pijlers van de dagcentrumwerking in dit contextueel denkkader geïntegreerd zijn. Dit wil niet zeggen dat de gezinsbegeleiding, de groepsbegeleiding en de individuele begeleiding enkel maar vanuit dit denkkader bedacht en gestructureerd worden. Ook andere psychologische (b.v. de rationeel-emotieve benadering, de affectieve en morele ontwikkeling van kinderen) en (ortho-)pedagogische denkkaders (b.v. competentiemodel) blijven we in de begeleidingen betrekken. Toch willen we aangeven dat de contextuele hulpverlening het fundament is die alles onderbouwt. Bijgevolg moeten we erover waken dat (vooral) de individuele begeleidingen gelijke tred houden met de begeleidingsevolutie van het gezin of toch minstens niet contra-productief zijn t.a.v. deze contextueel bedachte gezinsbegeleiding.
Wij ondervinden dat deze contextuele kijk op de gezinnen ons verhoedt om te hoge verwachtingen te stellen. Dit denkkader maakt ons zelfkritisch en tevens plaatst het onze ontgoochelingen, die er sowieso toch zijn, in een breder kader, waardoor we telkens weer elkaar (kunnen) steunen om planmatig verder te doen.
Wij hopen dat we in de komende jaren onze kwaliteit in de begeleiding kunnen blijven verhogen vanuit dit contextuele denkkader.
