Groepsbegeleiding
DEEL 1 - Hoofddoelen van de groepsbegeleiding
Voor onze visie op de groepsbegeleiding baseren we ons in sterke mate op het denkwerk van Frans Gieles (Groepsleider... een vak apart, 2de druk, 1981). De citaten verwijzen naar dit boek. Het formele hoofddoel van de begeleiding van de groep dagcentrumkinderen in DC De Twijg (groepsbegeleiding) is een doel dat gericht naar een leefgroep (
discussiegroep of taakgroep). Dit formele hoofddoel, bedoeld voor de begeleiders van de dagcentrumgroep als leefgroep, kunnen we als volgt formuleren (blz. 111):
Werken met de leefgroep is het aanbieden van een aangepast klimaat dat een antwoord moet zijn op de vraag die de dagcentrumkinderen gemeenschappelijk stellen.
Op blz. 141: "Wat is eigenlijk de voornaamste taak van een leefgroep? We concludeerden dat de leefgroep primair een bepaald klimaat schept die voor een specifieke groep kinderen leefbaar is, zodat het klimaat als spontaan ervaren wordt en bovendien kansen biedt tot groei en ontwikkeling." Dit formele hoofddoel van de groepsbegeleiding splitst zich uit in vijf subdoelen:
1. bieden van veiligheid
Bescherming tegenover de groep, o.a. door voorspelbare structuur te bieden. Bescherming naar gezin en andere groepen: het dagcentrum mag fungeren als ankerplaats voor kinderen die het thuis/elders moeilijk hebben (geen pesten, geen discriminatie, geen racisme, geen uitsluiting, geen afpersen, geen afdreigen, geen vernederen, ...).
2. ‘het gezin’ aanwezig brengen
Algemeen en ieder gezin afzonderlijk waar het past ter sprake brengen. Dit kan gebeuren door: rekening houden met verjaardagen van ouders, broers of zussen (ze benoemen), aan tafel of in groepsgesprekken als het past de gezinscontext benoemen (bv. algemeen: door steeds te stellen dat uiteindelijk de ouders beslissen over....); belangstelling tonen voor gezins- en familierelaties.
3. aanbieden van ontmoeting en ontspanning
Groepsleden in ik-jij-relaties brengen (‘ik kom graag omdat jij er bent’). Leuke dingen doen - op gepaste momenten dolle pret maken - uitdagende, creatieve, prikkelende activiteiten aanbieden (georganiseerd of tijdens vrije momenten). Gezelligheid nastreven, goed onthaal, gepaste vrije momenten.
4. klimaat en mogelijkheden scheppen tot individuele ontwikkelingskansen binnen de groepsverbondenheid
Individuen confronteren met de verwachting van elkeen (kinderen zowel als volwassenen) tot erkenning en de eis om ‘rekening houden met de wensen en mogelijkheden van de ander’. De eigen mogelijkheden van elke minderjarige (laten) ontdekken - mogelijkheden scheppen om te groeien van externe afgrenzing (door anderen) naar interne controle (van controle naar zelfcontrole, van erkend en gezien worden in positieve aspecten naar zelfbeeld opbouwen en zelfbevestiging, van discipline naar zelfbeheersing en zelfdiscipline) (dit is ‘volwassen worden’).
5. prikkelen tot creativiteit - zelfexpressie
Het dagcentrum kan aanbod bieden tot expressie waartoe je individueel als kind niet komt. De eigen mogelijkheden op creatief vlak verkennen, zonder in een competitieve, economische sfeer bezig te moeten zijn. Opgaan in het op zichzelf bezig zijn: expressie die het verbale overstijgt.
Al deze doelen zijn zowel taakgericht als procesgericht (het eindresultaat van bepaalde taken toont hoe iets bereikt kan worden, d.i. het proces / tevens kan het leren hoe iets verloopt tot [individuele] taak gesteld worden). In het formele hoofddoel van de leefgroepbegeleiding staat: een aangepast klimaat aanbieden dat een antwoord is op de vraag die de kinderen gemeenschappelijk stellen. Deze vraag kunnen we hier niet concreet inhoudelijk uitschrijven. Het scheppen van een leefgroepklimaat, aangepast aan de concrete kinderen, is immers een dynamisch proces dat telkens weer bijgestuurd moet worden. Inhoudelijk is de gemeenschappelijk vraag afhankelijk van de concrete samenstelling van de groep. Deze gemeenschappelijke vraag dient maand na maand telkens afgestemd te worden op de concrete kinderen. In deze tekst moeten we ons beperken tot de opsomming van een aantal items die geregeld formeel overlopen dienen te worden als de groepsbegeleiding besproken wordt. Wat kunnen we algemeen voor het dagcentrum aangeven als gemeenschappelijke vraagstelling van de groep kinderen? Het is niet zo evident dat individuele vraagstellingen getaxeerd kunnen worden als gemeenschappelijk (elke mens heeft immers zijn eigen ontwikkelingsritme, zijn eigen behoeften, zijn eigen bemoeilijkte leefsituatie). Toch kunnen we deze individuele vraagstellingen in twee categorieën onderverdelen.
1. Algemeen menselijke vraagstellingen
Enerzijds zijn er de algemeen-menselijke vraagstellingen. Dit zijn vraagstellingen die redelijkerwijze bij elke mens voorkomen en blijvend voorkomen doorheen het hele leven en daardoor allicht gemeenschappelijk zijn voor elke groep.
Individuele vraagstellingen die bij alle mensen voorkomen, maar die door de afstemming op kinderen in een dagcentrum [die thuis in een bemoeilijkte leef- en opvoedingssituatie verkeren] een intensere, bewustere, aangepaste kwaliteit krijgen. Deze vraagstellingen die bij alle mensen voorkomen kunnen in de (leef)groep voldaan worden, maar zij kunnen in elke relatie (ook met één persoon) aan bod komen en voldaan worden. Bijgevolg zal de groepsbegeleider in zijn dagelijkse omgang met de afzonderlijke groepsleden elk van hen in persoonlijke aandachtsmomenten positief kunnen bejegenen ten aanzien van deze vraagstellingen.
| erkend, gewaardeerd en gerespecteerd worden; |
| gezien worden en gehoord worden; |
| in een betrouwbare omgeving mogen leven; |
| in een voorspelbare omgeving mogen leven; |
| in een minimaal veilige omgeving mogen leven (niet geschonden worden in de lichamelijke, psychische, emotionele, sociale integriteit); |
| de mogelijkheid tot autonomie (zelfbeschikking) hebben [en de mogelijkheid tot de feitelijke keuze om niet gedwongen te worden, zoals naar het dagcentrum te moeten komen > de thuisdagen komen hieraan tegemoet] |
... Naast deze algemeen-menselijke vraagstellingen die ook ‘zonder groep’ voldaan kunnen worden zijn er algemeen-menselijke vraagstellingen die specifiek voldaan moeten worden met en in een groep, dus ook in de leefgroep van het dagcentrum:
| erbij mogen horen; |
| samen zijn - samen dingen doen - samen spelletjes doen - samen praten - ...; |
| alleen kunnen/mogen zijn (gerust gelaten worden); |
| iets mogen te zeggen hebben - zijn zeg mogen doen - gehoord worden; |
| gerespecteerd worden in zijn identiteit en zijn handelen - sociaal gewaardeerd worden; |
| binnen de groep op een eigen terrein mogen opvallen, kunnen/mogen uitblinken, voortrekker mogen zijn; |
| door één of meerdere groepsleden ‘gevolgd’ worden; |
2. Individuele vraagstellingen
Anderzijds zijn er vraagstellingen die niet bij alle kinderen in de leefgroep voorkomen (zij hebben geen gemeenschappelijk kenmerk, zoals ‘blind zijn’). Ieders individuele context (thuis, buurt, school, feiten, relatiepatronen, verdiensten en delegaten, ...) is verschillend. We kunnen hier en daar misschien gelijklopende patronen herkennen, maar uiteindelijke is de noemer ‘bemoeilijkte leef- en opvoedingssituatie’ zeer diffuus en confuus. Toch zullen we ook in de groepsbegeleiding de individuele noden en behoeften van elk kind ter sprake moeten brengen (ook de individuele begeleiding grijpt hierop in). Het hanteren van het groepsklimaat moet ook ruimte en ontwikkelingskansen bieden voor strikt individuele vraagstellingen (die niet noodzakelijk evenveel gewicht krijgen bij de andere groepsleden, omdat de vervulling van deze noden en behoeften voor anderen reeds voldoende gebeurde in andere omgevingssituaties: thuis, buurt, school, ...). De strikt individuele behoeften en vraagstellingen kunnen zich op tal van vlakken opdringen:
| het cognitieve (intellectuele, schoolse, de verbeelding); |
| het affectieve-emotionele (bevestigd zijn, affectief bejegend zijn, geborgen mogen zijn, gevoelens kunnen tonen, kunnen omgaan met eigen gevoelens, beheersing van de psychomotoriek, ...); |
| het sociale (sociale vaardigheden, relatievaardigheden, voldoen aan maatschappelijke verplichtingen, aanspreekvormen, respectvol taalgebruik, kunnen omgaan met gezag en afgrenzing, ...); |
| het conatieve (het willen, de wilskracht, volharding, (zelf)discipline, niet opgeven, de eigen grenzen willen verleggen); |
| het seksuele (de eigen ontwikkeling en rijping, verwerking van seksuele ervaringen, taalgebruik, ...); |
| het lichamelijke (uiterlijke kenmerken, fysieke vaardigheden [kunnen fietsen, zwemmen], fysieke inspanningen kunnen doen, kunnen ‘genieten’ van het lichaam, van het fysieke [bv er deugd aan beleven zich ‘kapot’ gesport te hebben], ...); |
| het zelfredzame (kledij, hygiëne, weten hoe iets stapsgewijs moet gebeuren en het ook kunnen uitvoeren); |
| ... |
DEEL 2 - Het groepshandelingsplan
Het formele hoofddoel en de vijf subdoelen kom je in andere groepen (jeugdgroepen, bewegingen, klasgroepen, ...) ook tegen. Het dagcentrum dient onderscheidend met deze groepen een andere geladenheid, een andere betrokkenheid, een ander uitgangspunt en een andere kwaliteit van verhouding tussen kinderen en tussen kinderen en begeleiders te ontwikkelen. Immers wij krijgen in het dagcentrum minderjarigen toegewezen die het in groepsverband moeilijk ‘waar’ maken en vlug gedrag vertonen dat als ‘storend’ ervaren wordt, vooral in de basisgroep waaruit ieder vertrekt: het gezin. De bemoeilijkte ontwikkeling van het zelfbeeld, de eventuele trauma’s, de loyauteitsconflicten, het opgebouwde destructieve recht van kinderen, de delegaten van de ouders, ... maken het deze kinderen moeilijk om ‘sociaal aanvaard’ met mensen (en dus ook met elkaar) om te gaan. Wetend dat wij in het dagcentrum een aantal van deze minderjarigen samenbrengen maakt het dat wij als professionele begeleiders op een ‘bewuste’ wijze het klimaat moeten hanteren. Dit wil zeggen dat onze aandacht opgeslorpt wordt voor aspecten die men in ‘gewone’ groepen (bijna) als vanzelfsprekend aanwezig acht (wat omgangsvormen, sociale vaardigheden, externe en interne motivatie, (zelf-)beheersing, omgaan met eigen gevoelens, een psychische ontwikkeling aangepast aan de leeftijd, ...). Dit veronderstelt van de groepsbegeleiders ook een bewuste hantering van het leiderschap. ‘Leiderschap is niet de eigenschap van de leider, maar een verzameling
functies ten dienste van de groep, een verzameling activiteiten, die de groep helpen haar doel te bereiken’ (Gieles, blz. 134). Deze leiderschapsfuncties of groepsfuncties kunnen door alle groepsleden ingevuld worden. Daar waar de groepsbegeleiders bepaalde functies (al dan niet bewust) niet innemen, zullen minderjarigen deze ‘gaten’ opvullen [wat niet altijd nadelig hoeft te zijn, maar daar waar de groepsbegeleiders dit onbewust laten gebeuren, kan dit vlug uitgroeien tot groepsdysfuncties]. Welke zijn deze functies? Enerzijds: taakfuncties of productiefuncties, anderzijds: groepsbehoud-functies, zoals: de procesfuncties (met het oog op het proces van een probleemoplossing bv.), de consumptieve functie (bv. dat de groepsleden het prettig vinden in de groep, ze consumeren [in] de groep), de expressieve functie (bv. signaleren van spanningen). Concreter betekent dit: organiseren, beslissen, controleren, sanctioneren, communiceren, groepsbinding nastreven, erkennen, nieuwkomers inleiden, uitleggen van bepaalde regels en afspraken, ... Gieles verwoordt dit in de onderstaande tabel (blz. 126):
| Taakfuncties | Groepsfuncties | Dysfuncties |
| initiatief nemenvoorstellen doenvoorstellen uitwerkenmeningen/idee n/suggesties vragen of gevensamenvattenverduidelijkencoördineren en regulerenactiveren | aanmoedigen, prijzenaanvaarden en aanvaarding bevorderenzorgen dat ieder aan bod komt en zich uit kan sprekenuitdrukken van groepsgevoelenssolidariteit tonenprocedures voorstellenprocedure-, grens- en regelbewakingevalueren van het procesonderzoeken en onder woorden brengen van de situatiezich aan groepsafspraken / besluiten houden / ermee instemmenspanning en angst en conflict verminderencompromissen maken: harmoniserengoed luisteren | agressief gedragzelf-verdedigend gedragdominantieblokkerenwedijverensympathie / erkenning zoekenaandacht op zichzelf richtenaandacht op bijzaken richtenzich terugtrekken in zichzelf of in subgroepjesgroepsregels of besluiten overtredenhinderlijk de lolbroek uithangenstarheid van standpuntvooroordelen gebruiken |
Tevens merkt Gieles op (blz. 129): ‘In hechte groepen is vaak de leider van het democratische type, maar zijn ‘tweede man’ van het autocratische. Vooral in sterk wisselende situaties kan deze combinatie dikwijls beter functioneren dan in geval van eenhoofdige leiding.’ Het groepshandelingsplan is het plan, de strategie, de handelingswijzen... waarbij groepsbegeleiders bewust omgaan met het werken in de leefgroep. Hiertoe staan ons in het dagcentrum volgende werkwijzen ter beschikking: o.a. aandachtige aanwezigheid van de dagelijkse begeleider(s) in de groep:
| mee-samen-leven; |
| geregeld teamoverleg (maandelijks of tweemaandelijks); |
| groepsgesprekken (wekelijks); |
| informele informatieverzameling tijdens het groepsgebeuren; |
| checken van de congruentie tussen individuele doelen van kinderen en groepsdoelen (taakdoelen en groepsbehoud-doelen) tijdens individuele begeleidingsmomenten; |
| het bewust hanteren het leiderschap (gedeeld met groepsleden) |
| het organiseren van aangepaste activiteiten |
Op weg naar het leefgroepdoel... Hoe meten?
Het formele leefgroepdoel en de vijf subdoelen beogen we te bereiken via dit groepshandelingsplan. Dit groepshandelingsplan schetst enkel formele kaders (niet zozeer inhoudelijke acties en stapsgewijze uitvoeringen). Dat het leefklimaat beantwoordt aan het leefgroepdoel kan vastgesteld worden in het al dan niet aanwezig zijn van de gewenste dagcentrumnormen. Hoe meer de gewenste normen aanwezig zijn, hoe meer de groep de leidingsfuncties kan opnemen èn hoe meer de groepsdoelen bereikbaar zijn. Deze normen zijn uitnodigend opgesteld, positief geformuleerd: dit of dat ‘mag’ bij ons. Belangrijk is de onderstaande dagcentrumnormen concreet te maken in ‘hoe doe je dat’, ‘welk uiterlijk gedrag moet je vertonen om aan deze normen te beantwoorden’. Vooral naar de jongsten is het belangrijk om dit te verduidelijken (in groepsgesprekken, in individuele begeleiding). Gewenste normen in het dagcentrum:
- Je mag veranderen; je komt hier eigenlijk òm te veranderen.
- Respect voor individualiteit, recht op eigen, van de groep afwijkende mening: iedereen mag er zijn, zoals hij/zij zich wil tonen.
- Je mag fouten hebben en maken. Je fouten zeggen iets over jezelf.
- Help elkaar.
- Je hebt respect voor de natuur, voor het milieu, voor het gebouw, ...
- Er is er niet één de baas hier: samen maken we de afspraken.
- Vertrouwen in de begeleiders stellen mag en is goed.
- Ieder heeft recht op zijn eigen gevoelens.
- Maskers dragen is niet verplicht (bv. je moèt niet stoer doen.)
- Ieder draagt zijn deel bij aan de netheid en de huishoudelijke taken.
- Elk onderwerp kan hier in groep besproken worden - echter één voorwaarde: elkaar respecteren.
- Als anderen je lastig vallen, dan mag je je verweren. Je mag dan ook gerust beroep doen op een begeleider.
- Je verontschuldigen toont dat je jezelf kan besturen.
- ...
Onthaalbrochures
Bijkomende informatie vind je in onze onthaalbrochures:
Je kan hier de onthaalbrochure voor de jongeren inzien:
Onthaalbrochure voor jongeren [407 KB]
De onthaalbrochure voor de kinderen bestaat uit drie korte stripverhalen:
Onthaal kinderen: een schooldag [294 KB]
Onthaal kinderen: een woensdag [273 KB]
Onthaal kinderen: een vakantiedag [280 KB]