De Zwartkapastrilde

 

Willen Jan                Leuterweg 52                3630 Maasmechelen   

 

 


D: Schwarzköpfchen, Kappenastrild

E: Black-headed Waxbill

F: Astrild à tête noire

Herkomst: West en centraal Afrika in Kameroen, Gabon, Kongo en Kenia.

Kenmerken: Lijkt erg op de Nonastrilde, heeft alleen een duidelijke asgrijze keel en onderzijde, in plaats van wit. Het rood van de lichaamszijden is uitgebreider en wordt niet geheel door de vleugels bedekt. De lengte bedraagt 10 cm.

Biotoop: Volgens A. Rutgers zouden deze vogels leven in het open woud, waar op de bodem gras groeit. Ook bij aanplantingen en langs bamboebossen. Ze leven in grote groepen bijeen. Nesten werden gevonden in bomen of hoog in struiken. De nesten zijn flesvormig en vaak van een aangebouwd slaapnest voorzien. Men heeft deze vogels ook in verlaten wevernesten slapend aangetroffen. Slechts zelden worden deze vogels ingevoerd.

Mijn ervaringen: Ik heb reeds enkele jaren ervaring met de kweek van Nonastrilden. Enkele Nederlandse kennissen aangesloten bij de Speciaalclub Afrikaanse Prachtvinken (ScAP) waren op de hoogte, dat ik op zoek was naar Zwartkapastrilden. Verleden zomer (2001) liet één van hen mij weten dat er bij een handelaar in Gelderland een zending van deze vogels was aangekomen. Ik er in zeven haasten naar toe en omdat de brave man mij niet kon overtuigen over het verschil tussen man en pop, nam ik gelijk zes vogels mee. Ze werden ondergebracht in een ruime kooi. De voeding bestond uit een Afrikaanse mengeling, aangevuld met trosgierst, dit laatste werd gretig opgenomen. De aangeboden diepvries pinky’s en buffalowormpjes werden niet aangeraakt, maar de acclimatisatie verliep rimpelloos.

                   

Na enkele weken werden ze overgeplaatst in een vluchtje van 0,70 x 1,50 x 2 meter hoog. Omdat ik nog steeds geen verschil kon waarnemen tussen de geslachten, werd deze ruimte begin oktober in gericht als kweekruimte door het aanbrengen van een viertal open nestkastjes en het ter beschikking stellen van nestmateriaal (hoofdzakelijk kokosvezels). De hoogst geplaatste kastjes werden na ’n paar weken in gebruik genomen en helemaal vol gestouwd met een bolvormig nest, voorzien van een kleine sluipingang. Op 26 oktober werd het eerste piepkleine witte eitje gelegd en s’anderendaags nog een, maar beiden werden na een week onbevrucht bevonden..

Op 7 november begon er een nieuw legsel, deze keer van vier eitjes, waarvan er drie bevrucht bleken te zijn en na 14-15 dagen ook uitkwamen. Helaas werden ze ondanks het mengen van miereneitjes en levend voedsel onder het eivoer, niet gevoederd. Het gevolg laat zich raden.

Het leek wel of de vogels er zelf door aangeslagen waren, want tot begin april gebeurde er niets meer. Dan kwam er een legsel van drie eitjes, die weer onbevrucht, maar wel bebroed bleken te zijn. Einde april volgden er vier eitjes die wel bevrucht waren en voor alle zekerheid in laatste instantie onder japanse meeuwtjes werden gelegd. Hiervan kipten er twee (de anderen waren afgestorven in het ei) en werden door hun pleegouders voorbeeldig grootgebracht. De kleintjes waren bij de geboorte nagenoeg naakt met heel weinig dons op hun geelachtige roze huid.

De eerste tien dagen werden miereneitjes verstrekt en daarna niet meer. De negende dag kregen ze een KBOF ring van 2 mm diameter aangeschoven en van vanaf  dan kregen ze ook trosgierst. De jongen waren drie weken oud als ze uitvlogen en zagen er kerngezond uit. Ze vertoefden nog regelmatig in het nest en bij zes weken waren ze volledig zelfstandig om in een afzonderlijke kooi te worden geplaatst.

De jonge vogels zijn veel donkerder grijs van kleur dan de oudervogels en missen het rood in de flanken en de lichte kleur aan de keel. Na drie maanden (bij het schrijven van dit artikel) begint zich de rode flank lichtjes af te tekenen en zijn ze voor de rest nog precies hetzelfde als bij het uitvliegen.

Na het eerste succes heb ik nog twee maal twee jongen kunnen groot krijgen op dezelfde wijze. Merkwaardig is wel dat er altijd maar één legsel tegelijk gevonden werd, wat mij doet vermoeden dat er tussen deze zes vogels maar één popje zou zijn.

Volgens de vogelomschrijving van de ScAP lijkt de pop veel op de man, maar is in het algemeen wat bleker of meer grijsbruin dan de man en het rood op de flanken is lichter van kleur. Bij de pop zijn de onderstaartdekveren mat zwart en NIET glimmend zoals bij de man. Bij de cloaca heeft zij een bruine waas.

Algemene indruk: De zwartkapastrilde is over het algemeen een rustige vogel en zit in goede conditie altijd strak in de veren. Wel opletten voor verenplukken!

Besluit: Voor de volgende kweek wil ik mij vooral toeleggen om het onderscheid van de geslachten te kunnen waarnemen en zal ik aan de hand hiervan trachten met meerdere koppels te kweken in kweekkooien. Mochten er liefhebbers zijn die met deze vogels ervaringen hebben en deze willen uitwisselen, dan mogen zij altijd contact nemen om meer liefhebbers deelachtig te kunnen maken voor het houden en kweken van deze (in mijn ogen) prachtige vogeltjes.