HOME  |  INFORMATIE  |  FIGUREN  |  CONTACT  |  EVENEMENTEN  |  GENEALOGIE  |  LINKS  

"Den groenen ghinst"

GESCHIEDENIS

OORSPRONG VAN DE NAAM "Van de Ghinste"

De naam is een 'van-naam', d.w.z. dat de naam naar iets verwijst. In ons geval verwijst de naam naar een leen (een stuk land) dat "de Ghenste" werd genoemd.

Dit leen, gelegen te Bellegem, was het 14de achterleen van het 'Hof van Belleghem' dat op zijn beurt een leen was van het grafelijk kasteel van Kortrijk. Het wordt bij ons weten voor het eerst vermeld in een akte van Margareta van Constantinopel, Gravin van Vlaanderen en Henegouwen, in 1263. Het leen blijkt een vergoeding te zijn voor het ambt van 'bankeman' ofte deurwaarder aan het hof. De leenman die in dat jaar het goed 'De Ghenste' verliet om plaats te maken voor zijn opvolger Wouter van Kortrijk was een zekere Eustaes, en daar hij toen geen andere familienaam had noemde hij zich 'van de Ghenste'. Wij beschouwen hem als onze stamvader want er is weinig kans dat we meer over hem en zijn afkomst te weten komen.

Het goed 'De Ghenst' ook genoemd 'ten Gheinste' en later 'de Ghinste' vinden we nog terug in 1382 bij de verbeurdverklaringen van de goederen van hen die het met Philips van Artevelde opnamen tegen Graaf Lodewijk van Male en de Franse koning. Het was toen bewoond door Jacob de Deurwaerder en in 1502 door Joanna Rombouts, de weduwe van Nicolas (of Thomas) Cocqueril. Het is gelegen te Bellegem aan de Leuzestraat. Het ligt tegenover de kapel bij de ingang van de dreef die naar het Hof van Bellegem leidt.

Volgens DE BO betekent 'Ghenste' alhier 'brem', de altijd groene heester die in de meimaand ons een prachtige gele bloei aanbiedt. Het woord komt van het Oudfranse 'geneste' (Fr.genêt) uit het Latijn 'genesta'. Wellicht kwam de struik veelvuldig voor op het leengoed dat vroeger deel uit maakte van Bellegembos.

Deze herkomst heeft voor gevolg dat de Vandeghinstes in die vroege jaren bijna allen te vinden zijn in het zuiden van de Kasselrij Kortrijk en het Oudenaardse. In 1275 vinden we een Chrestienne de le Ghenst in Oudenaarde en op de rol der miliciens van Kortrijk in 1302 wordt een Jean Vande Ginste vermeld. Die heeft waarschijnlijk de slag van Groeninge meegemaakt.

Vanaf het midden van de 14de eeuw vinden we de naam hoofdzakelijk bij de buitenpoorters van Kortrijk te Aalbeke, Bellegem, Dentergem, Heestert, Helkijn, Kooigem, Outryve, Rollegem, Sint-Denijs en Zwevegem. Ook te Kortrijk(Stad) zelf en in Brugge (begin 15de eeuw) en de streek van Geerardsbergen en Oudenaarde, meer bepaald in Pamele en Nukerke, zien we al heel vroeg Vandeghinstes.

De godsdienstoorlog (einde 16de eeuw) en de honderdjarige oorlog (1618-1713) waren aanleiding tot verdere spreiding van de familie tot buiten de kasselrij Kortrijk. Sommigen sloegen op de vlucht, anderen werden verjaagd. Halfweg de 19de eeuw zorgen honger en werkloosheid opnieuw voor uitwijkingen. Een tak gaat zijn geluk te Brussel beproeven en vindt zijn weg in het leger. Anderen wijken uit naar de U.S.A. en Canada. De Belgische kolonie wordt voor enkelen een nieuwe thuis, en na de onafhankelijkheid trekken ze naar Zuid-Afrika, Spanje of keren gewoon naar Belgie terug. De jeugd van nu zwermt in het kader van hun opleiding uit over heel Europa en blijft soms hangen in de steden waar ze studeerden en eventueel hun levenspartner vonden. De spreiding en de vreemde bezetting zijn ook oorzaak van de verschillende schrijfwijzen of grafieën van onze naam. Er zijn er 43.

SOCIALE STATUS

Waren de families Van de Ghinste van adel? We vonden geen diploma's van adel. Wel situeren de Vandeghinstes zich op het platte land tussen de grote Zuid-Vlaamse landbouwfamilies zoals de families Dumortier, Everaert, Foulon, Glorieux, Parent, Planckaert, Rohaert, Van Biest e.a., als eigenaar of pachter van landbouwgronden. In de steden als handelaars, geneesheren en bestuurders of verantwoordelijken zoals te Kortrijk, Brugge en Ieper. Eén heeft het zelfs gebracht tot raadsman van Keizer Karel V, en was lid van de Raad van Vlaanderen en de Rekenkamer te Rijsel. Ook als ambachtsmannen laten velen hun sporen na in de stadsrekeningen van Kortrijk en de kerkrekeningen van de kasselrij, o.a. als smeden, wapenmakers en een zilversmid. We zien ook molenaars en later bij de algemene verarming van ons volk, wevers, kleermakers, schoenmakers, stoelendraaiers, landarbeiders en vlasbewerkers.
We vinden echter ook kunstenaars zoals de jong gestorven schilder en glazenier Frankyn Van der Gheenste (1506-1531), de kunstschilder Lodewijk Van der Ghinste (1692) en de befaamde musicus Pieter Vanderghinste (1789-1860). Ook op heden zijn in de familie nog heel wat kunstenaars bedrijvig zowel in de beeldende kunsten als in de muziek.

Alhoewel niet van adel hadden schepenen heel dikwijls een schild en een familiespreuk. Zo vinden we in Kortrijk in 1674 een schepen Jan van de Ghinste, vermeld als hoofd van de Wezenkamer, met een schild "op zilver een keper van keel(rood) vergezeld van drie takjes ghinst van sinopel(groen)". Zijn wapenspreuk was:"In elck saysoene, den ghinst bluyft groene". Dit schild vinden we terug op de voorpagina van het wezenregister dat hij bijhield en dat de naam kreeg "Den Groenen Ghinst". Meteen weet U waar wij de naam van onze familievereniging haalden. Het schild bovenaan de website is het schild van Raf Vandeghinste (1908-1992) en zijn nakomers, de grondlegger van deze familiegeschiedenis. Daar er geen rechtstreekse afstamming is van hogergenoemde Jan uit Kortrijk, kon zijn schild niet worden overgenomen en het werd dus in twee gedeeld. De spreuk luidt nu: "Den Ghinst bluyft groen in elck saysoen".


JOANNA VAN DER GHEENST, HET LIEFJE VAN DE KEIZER ?

We mogen niet nalaten te vermelden dat Margaretha van Habsburg , beter gekend als Margaretha van Parma, geboren te Pamele (Oudenaarde) op 15.07.1522 en overleden op haar landgoed te Ortona in het toenmalige koninkrijk Napels op 18.01.1586, een natuurlijke dochter was van Keizer Karel V met Joanna Van der Gheenst (Ook Vander Gheynst).

Joanna had door haar uitzonderlijke schoonheid de aandacht van de 21-jarige Keizer naar zich getrokken tijdens de pompeuze feesten in het huis van haar pleegvader Karel de Lalaing in Oudenaarde gedurende het twee maanden durende beleg van Doornik (1521) en verbleef dan ook een poosje in de omgeving van de Keizer, met alle gevolgen van dien. Of ze met of tegen haar zin in de buurt van Karel gebracht werd konden we niet achterhalen.

Joanna was de dochter van Gilles Van der Gheenst, alias Van Willebeke uit Nukerke bij Oudenaarde (nu Maarkedal) en van Joanna van (der) Coye. Haar ouders, tapijtverkopers voor de manufactuur van de familie de Lalaing, stierven bijna gelijktijdig aan de pest toen zij vijf jaar oud was. Ze had nog broers en zusters waarvan er twee (Bouwdewijn en Agnes) de zaak van de ouders verderzetten. Van een andere broer, Adriaen, wordt beweerd dat hij diende in het leger van de graaf van Reux, gestationeerd in Arras. Haar zus Marie Van der Gheenst huwde Jehan Schot, klerk van de stad Brussel. Tijdens haar zwangerschap en het eerste jaar na de geboorte van haar dochter woonde ze in bij haar oom, leerlooier en zadelmaker te Pamele, waar ook die dochter Margaretha geboren werd.

Ruim vier jaar na de geboorte van Margaretha werd Joanna door bemiddeling van de familie de Lalaing, die nog steeds goede banden had met de keizer, uitgehuwd met een voortreffelijke jaarrente (1527) aan Johan van (den) Dijck(e), Heer van Santvliet en Berendrecht, ridder van Jerusalem, raadsheer en rekenmeester van de rekenkamer van Brabant. De zorg over haar dochtertje werd eerst toevertouwd aan het gezin van Andries van Douvrin, heer van Drogenbos en St.-Martens-Bodegem. Joanna overleed te Brussel in 1542 en had nog zes ons bekende kinderen, drie andere zijn jong gestorven :

- Guilliaume van den Dijcke, huwde Marie de Meghem, dochter van Jean en Cathérine Crabbe.

- François van den Dijcke (geen verdere gegevens)

- Adrienne van den Dijcke, was een eerste maal gehuwd met Jan van Grevenbroeck, ridder, heer van Mierle, en een tweede maal met François de Noyelles, schildknaap, heer van Kortenberg, gouverneur en grootbaljuw van de stad Lens (1578).

- Marie van den Dijcke in 1e huwelijk met Louis van der Tommen, schildknaap, heer van Oplinter, Wintzele, Linden, etc. en in 2e huwelijk met Claude Masson, schildknaap, heer van Kapellen. Uit het eerste huwelijk kennen we een dochter Anna van Tommen (†Brussel 17.09.1632) die huwde met ridder Jean de Fourneau, heer van Wambeek, Lombeek en Ternat, in leven burgemeester van Brussel.

- Gauda van den Dijcke, religieuse in Hertoginnedal voor wie Margareta van Parma een rente vestigde van 300 florijnen. Haar portret tesamen met haar vader, was afgebeeld in de kerk van Ouderghem.

- Agnes van den Dijcke, religieuze in de abdij van Roosendaal.

Alhoewel de kunstschilder Theodore Canneel (1817-1892) op een schilderij in het museum voor Schone Kunsten te Gent, in 1844 Karel V heeft afgebeeld met zijn 'minnares' Joanna bij de wieg van zijn bastaarddochter Margaretha, zal Karel die dochter pas jaren later te zien krijgen, want bij haar geboorte was hij via Engeland op weg naar Spanje. Na een periode van opvang in het kasteel van Hoogstraten waar ze door de Graaf Antoon de Lalaing, een jongere broer van de hoger vermelde Karel de Lalaing, en zijn echtgenote Elisabeth van Culemborg werd opgevoed als een eigen kind, verhuisde Margaretha op aandringen van Karel, die haar bij akte getekend te Barcelona op 09.07.1529 als zijn wettige dochter erkend had, naar Mechelen aan het Hof van de regentessen Margaretha van Oostenrijk (1480-1530), tante van Karel, en Maria van Hongarije (1505-1558), zuster van de Keizer. Vooral de jonge Maria, weduwe geworden op haar eenentwintigste van Lodewijk II van Hongarije (1506-1526), zorgde voor haar als een echte moeder . Ze verhuisde in 1531 dan ook mee naar Brussel als Maria door haar broer, de Keizer, als landvoogdes der Nederlanden werd aangesteld.

Keizer Karel huwde op 29 februari 1536 zijn 14-jarige dochter uit te Florence aan de 25-jarige Alexander de Medici (1511-1537), hertog van Firenze, neef van Paus Clemens VII (1478-1534). Alexander werd vermoord door de Florentijnse oppositie onder de leiding van zijn broer.

In 1538 huwde Margaretha de 13-jarige Ottavio Farnese, (°09.10.1524 en †21.09.1586), zoon van Pier Luigi (zoon van Paus Paulus III). Hij werd hertog van Parma in 1534. Ze hadden een tweeling, geboren te Rome op 27.08.1545: Karel, reeds gestorven in 1549, en Alessandro, overleden te Arras in Frankrijk op 03.12.1592. Deze Alessandro Farnese kennen we waarschijnlijk nog uit onze "Vaderlandsche Geschiedenis" als veldheer en diplomaat van Filips II van Spanje, die op het einde van de XVI-de eeuw Vlaanderen terug onder de vleugels van de katholieke kerk en de koning van Spanje bracht.

Margaretha werd landvoogdes over de Nederlanden van 1559 tot 1567. Ze sprak verschillende talen en is er in geslaagd de bloedraad van Alva te milderen. Haar zoon Alexander werd landvoogd van 1578 tot 1592.

_____________________________________________________________________

DE VANDEGHINSTES UIT ROLLEGEM

 

Deze tak van de familie heeft in haar omgeving steeds een belangrijke rol gespeeld. Als landbouwers zijn ze terug te vinden op de grote hofsteden van hun tijd. De mannen huwden rijke boerendochters en de dochters waren graag geziene huwelijkskandidates voor de rijke boerenzoons of welgekomen religieuzen in de grote kloosters uit hun tijd

Zo vinden we als partners de landbouwfamilies Rohart, Samain, Parent, Foulon, Glorieux, Dumortier en wat later de families Vanneste, De Brabandere, Salembier, Facon, Delberghe, Demeulemeester e.a.

 

Die grote families leverden ook enkele priesters en zo vinden we er drie in deze familietak: Achiel Vandeghinste, pastoor te Ressaix in Henegouwen, Julius Vandeghinste, pastoor te Kooigem en Edouard Vandeghinste, pastoor te Gits.

 

Naast hun beroep van landbouwer of herbergier en brouwer beoefenen ze ook ambten als dischmeester en schepenen. Vooral in Rollegem schijnen ze een belangrijke maatschappelijke betekenis te hebben gehad, zelfs tot op de dag van vandaag.

 

Het begon op het einde van de 18de  eeuw bij Laureins Vandeghinste, bekend als “eerbaar herbergier en brouwer” in de herberg ‘Het Wethuis’ op de ‘platse’, een bij uitstek sociale functie. Hij brouwde samen met zijn zoon Frans Jozef. Deze laatste starte met zijn zoon Charles August Vandeghinste in 1892 een nieuwe brouwerij met de naam ‘De Halve Maan’ of typisch voor die tijd: ‘Brasserie de la Demi-Lune’.

 Reeds in 1895 nam Charles de brouwerij over tot hij in 1903 kwam te overlijden. Zijn echtgenote, Eulalie Dutoit, nam de leiding tot hun zoon Gaston in 1914 oud genoeg was om in de zaak te komen. Charles was tevens gemeentesecretaris van Rollegem van 1867 tot aan zijn dood. Ook Gaston was een tijdlang gemeentesecretaris en werd geëerd met het Burgerlijk Kruis 2de Klasse en de Burgerlijke Medaille 1ste Klasse.

 

Na het overlijden van Gaston Vandeghinste werd het bedrijf geleid door zijn weduwe Laure Seynaeve en zijn broer Gomer Vandeghinste tot Georges, de zoon van Gaston en Laure afgestudeerd was en het bedrijf kon overnemen.

Toen Georges Vandeghinste huwde met de brouwersdochter Louise Delahaye kreeg de brouwerij een nieuwe naam. Voortaan zou het luiden: “Brouwerij-Mouterij G. Vandeghinste-Delahaye”.

Zijn kinderen hebben de zaak niet voortgezet en in 1972 werd voor het laatst gebrouwen.

Georges Vandeghinste was in Rollegem een graag gezien figuur. Hij was voorzitter van het OCMW, van de Feestcommissie en vooral van de Koninklijke Harmonie Sinte  Cecilia als opvolger van Albert Vandeghinste.

 

Een andere zoon van Frans Jozef Vandeghinste, uit zijn tweede huwelijk met Nathalie Brabant, Theophiel Désiré, was eveneens door de brouwersmicrobe gebeten zette ook het werk van zijn vader en grootvader verder en breidde de oude brouwerij nog uit. Hij huwde met Marie Leonie Salembier, de dochter van de burgemeester van Rollegem en brouwer, Désiré August Salembier. Theophiel Vandeghinste was ook schepen van Rollegem en werd later gedecoreerd met het ‘Burgerlijk Kruis 1ste Klasse’.

Toen hij stierf in 1917 ging de brouwerij over in de handen van  twee van zijn zoons, n.l. Jerome Vandeghinste gehuwd met Marguerite Delberghe en Albert Vandeghinste, gehuwd met Anna Debrabandere.

Albert had geen kinderen, en de enige mannelijke opvolger van Jerome, Frans Vandeghinste verongelukte tijdens zijn legerdienst in 1926.

In 1962 werd het brouwen stilgelegd.

Paula Vandeghinste, de oudste dochter van Jerome huwde met haar neef Albert Debrabandere van de brouwerij BAVIK en zo bleef de familie toch nog in de brouwersstiel.

 

In 1905 wordt Albert Vandeghinste de derde voorzitter van de Koninklijke Harmonie Sinte Cecilia en dit tot 1967 als hij de fakkel doorgeeft aan Georges Vandeghinste, die na zijn plotselinge dood in 1977 opgevolg wordt door Luciën Vandeghinste, kleinzoon van Theophiel Vandeghinste. Na de oorlog wordt Albert eerste schepen van Rollegem.

Luciën Vandeghinste rolt als het ware in de politiek en wordt eerst schepen van Rollegem en na de fusie schepen van Kortrijk. Hij was ruim 20 jaar NCMV-secretaris (nu UNIZO) en ook een tijdlang voorzitter van de commissarissen van Leiedal.

 

De Vandeghinste’s konden blijkbaar goed met geld overweg want we vinden ze in Rollegem als penningmeesters van de kerkfabriek: Joseph Vandeghinste van 1945 tot 1947; Albert Vandeghinste van 1947 tot 1967 en Luciën Vandeghinste van 1967 tot 1998.