Nacht van licht,
over je hele wezen
alsof de sterrige hemel willekeurig met je speelt
en onbevlekt je herboren wordt,
verblind door een felle kleurenstorm
met de wind en de zee in gevecht- op het weke mos lig je en tanden bijten in je vlees,
de dood in je geeft het leven door, je zondeoffer,
in dromen die bitter verzadigen -balling,
rust in hem
voor wie roos en doorn één zijn geworden
en
die om het uit te kunnen schreeuwen
de stilte inherent aan je wereld opzoekt.
Schraal,
- er bestaat geen rouw-
is de rede van de jou liefhebbende
die doelloos zoekt naar resten van je geweken leven ,
met in zijn kielzog je schaduw
die hem niet loslaten wil,
zwetend moet hij het in zijn sluimer aanzien
dat het poollicht je begeerde beeld ontsluiert ,
uitgeput is hij
die altijd je wasem meent te ruiken
en dor is
na je dood.
Je handpalmen kampen,
verdoold leeg voor je weten
zul je macht aanwenden,
overmeesteren
dat wat op puin woekert en bloeit
of zul je verhoren
hij die versmoord ijlt in een stralenzee
zijn wonden likt,
blindelings naar je mikt,
zijn vuisten balt,
verstrengeld in je denken,
wat hem verrukt,
zonder de waarheid van genot,
wederliefde mijdend,
met ogen die je bewenen kijkt hij naar leemte,
verkoelt, verdwijnt
en sleept je vergeten dood met zich mee
Weer zweeft nevel,
bruis maar dood woorden,
kwets aarzelend verlangens,
verover zee,
verschijn als nachtschaduw
van regenboog tot vloedlijn,
inspireer,
preek en sterf verveeld
met weerklank als enig spel
doch zonder waarheid of verdichtsel,
kies heimelijk een fris onderkomen
voor je ziel.
Slechts suist een hymne in zijn dove oor
en verjaagt schendende gedachten over jou,
ontredderd jammert hij
bevend voor je ingebeelde verschijning
- "ik heb het niet gemeend" -hij dwaalt
op zoek naar je graf
tot hij neervalt.
Zwijm,
en grijs dat met hem strijdt
ook ruis als marteling voor zijn ziel
die opschorting krijgt,
zijn je enige vervulde wensen,
roepen doen ze hem altijd,
verheeld door een verstomde dodenmars,
hij ziet in zijn droom lijdzaam toe,
je kaken worden er vermorzeld,
hij voelt het zonder pijn,
wil met je samensmelten
maar ontwaakt toch.
Als uit een bron ontsprongen
vloeit je bloed ongewroken verder
in het morgenrood,
mist en belaste tijd
geven je ritueel voldoening
als troostende koudegolven dampen
op je ontroerde gevoeligheid,
verbannen
en toch binnen stembereik
is je draagwijdte enkel inertie
en hij die rijk is aan je wonden
poogt zich alsnog te baden
in je voorbijenacht van licht.