A Short Story in Dutch

Het vliegtuig is koud. Je draagt een rolkraag, een rode rolkraag. Rood als een tomaat. Rood als het bloed van de geiten die geslacht werden op het feest toen Eze zijn naam kreeg. Je houdt niet van Eze. Je houdt niet van rood maar je moeder heeft de rolkraag voor je gekozen. Je hebt een blauwe spijkerbroek aan, "om de koude te verjagen," zegt je moeder alsof de koude een irritant hondje is, dat je zomaar kan wegjagen. "Heb je het koud, schat?" vraagt jouw moeder bezorgd.
"Ja, ma" zeg je. Het is alsof je in een koelkast zit.
"Straks krijg je een dekentje. Probeer maar te slapen."
Je moeder zit naast je. Zij heeft een lichtgeel broekpak aan. Ze ziet er als een vanille ijsje uit, denk je. Je houdt van je moeder.

Je kan niet slapen. Je bent te bang om te slapen. Je denkt dat je als je inslaapt thuis in je eigen bed zult wakker worden.

Thuis.

Vroeger was je blij thuis. Je herinnert je daar niets van maar je hebt foto's van toen. Van jou. Van je moeder. Van je vader. Jij in de armen van je moeder die glimlacht en je vader met sterretjes in zijn ogen.
Jij op de schoot van een vader die van je houdt.
Jij, als je voor het eerst op je dikke baby benen stapt.

Jij

Je bent het enig kind van je moeder. Enig kind. Een meisje.
Toen je vier was en je moeder nog steeds geen ander kind had, is je vader met een tweede vrouw getrouwd.
Je herinnert je nog hoe hard je moeder weende.
Je herinnert je nog de smaak van haar tranen wanneer ze je in haar armen hield. Het smaakte naar water met te veel zout.

Je hebt geen foto's meer van jezelf met je vader vanaf je vierde. En je bent nu bijna negen.

Een vrouw komt langs met een blauw dekentje. Het ruikt naar schone was. Je moeder helpt je om het dekentje over je schouders te leggen. Je voelt nog altijd de kou maar je klaagt niet en wanneer je moeder je vraagt of je het nu een beetje warm hebt, zeg je, "Ja, ma."

"Je vader moet een jongen hebben. Een man zonder zoon is geen man," zei je moeder ooit toen je vroeg waarom je vader een andere vrouw had. Het klonk alsof zij ging huilen. Zij huilde veel in die tijd.

Je haatte je vader omdat hij je moeder ongelukkig maakte.
En toen zijn andere vrouw een zoontje kreeg, haatte je die ook.

Je was zeven toen je stiefbroer geboren werd, twee jaar na zijn zusje. Hij was zo bruin als de mahonie tafel in de woonkamer. Iedereen kwam je vader feliciteren met de geboorte van zijn zoon. "Eindelijk," zei je vader." Eindelijk heb ik een zoon gekregen." Je haatte je broertje. Wat was nu zo bijzonder aan een kale baby die altijd weende?
Toen hij zijn naam kreeg heeft je vader een groot feest gegeven. Hij heeft twee geiten geslacht. Zes kippen. Hij huurde mensen in om te koken. Zoveel eten had je nog nooit gezien: jollof rijst. Gebakken rijst. Gebakken banaan. Fufu en soep. Geit peppersoup. Chinchin. Moimoi. Akara.
Er was ook zo veel te drinken. Palmwijn, Guinness, Maltina, ogogoro en bier voor de volwassenen. Cola, Fanta, Tree Top en Ribena voor de kinderen. Mama Bomboy die tegenover jullie woonde zei dat je vader een heel dorp te eten kon geven. Zoveel eten was er. Mama Bomboy heeft twee flessen Maltina, drie flessen Fanta, drie flessen Guinness, vijf gebakken kippenvleugels en drie stukjes moimoi mee naar huis genomen. Je zag hoe ze alles in haar grote tas stak, maar je hebt niets gezegd. Je deed alsof je niets zag. Het kon je niet schelen.
Je broertje kreeg twee namen gekregen: Eze. Ngozi. Koning. Zegen. Namen die je vader gekozen had.
Je grootmoeder, de moeder van je vader had gedanst tot zij kloeg over pijn in haar heup. Ze was blij dat de naam van de familie niet zou verdwijnen. Ze gaf het nieuwe baby'tje de naam Afamefuna. Ze zei tegen je vader dat hij goed gekozen had. "Een vrouw die zoontjes kan baren is een schat. Voor haar moet je goed zorgen," zei ze wanneer ze ging zitten.
Je haatte toen ook je grootmoeder.
Jullie moesten een familiefoto laten nemen om de blijde gebeurtenis te gedenken. Op de foto weent Eze Ngozi. Zijn zus lacht. Je vader kijkt fier neer op het hoofdje van zijn zoon. Je stiefmoeder lacht haar tanden bloot. Je moeder ziet er triest uit. En jij bent boos.

Boos omdat je moeder niet meer gelukkig was.
Boos omdat je vader een andere vrouw had.
Boos omdat Eze Ngozi geboren was.
Boos omdat iedereen deed alsof dat kind zo bijzonder was.
Boos omdat je grootmoeder had gedanst voor de geboorte van Eze Ngozi.
Boos omdat je stiefmoeder de favoriete vrouw van je vader was.
Boos omdat je vader Eze Ngozi graag zag en jou niet.

Je was boos en je ogen waren zo hard als steen op die foto. De man die de foto nam had nog gezegd, "Amara, say cheese. Je moet lachen op foto's. Je ziet eruit alsof je op een citroen zuigt, alsof je op een begrafenis bent. Lach, meisje, lach." Je wilde niet lachen. Je had er geen zin in. Je wilde dat alles zoals vroeger werd. Je vader. Je moeder. En jezelf. Samen op een foto. Alle drie met een glimlach die straalt als de zon.

"Ik mag niet slapen."
"Ik mag niet slapen."
"Ik mag niet slapen."

Het is een mantra die je opzegt om wakker te blijven. Je ogen vallen dicht maar je moet wakker blijven. Je bent te bang om in te dommelen. Te bang om terug te keren naar het huis in Enugu waar je vader, je stiefmoeder en hun kinderen liggen te slapen.
Het enige kind van een vrouw die geen zonen kan hebben telt niet mee. Dat weet je nu. Je moet boeten voor de fouten van jouw moeder.

Je stiefmoeder had hulp nodig. Waarom moest zij alles alleen doen terwijl je ook thuis was? vroeg ze. Je was toch groot genoeg om te helpen. Je was net haar meid.

"Amara! Haal mijn portefeuille."
"Amara! Waarom huilt Eze? Ga hem halen."
"Amara! Breng water!"

Je mocht niet meer spelen. Je mocht geen kind meer zijn. Wanneer je moeder zich bij je vader bekloeg, zei hij dat ze kon vertrekken als ze het niet goed vond. "Vandaag nog. Je hoeft niet te blijven," zei hij. Je moeder heeft nooit meer geklaagd. Alleen maar geweend.
Als je vroeg of jullie weg konden gaan zei ze, "en waarheen, schat? Waarheen? Ik kan niet leven zonder je vader. Ik heb geen werk. Geen opleiding. Geen ervaring. Ik kan niet leven als een alleenstaande moeder. Ik ben geen prostituee."

Je moeder bleef, maar haar verdriet groeide. Ze liep rond alsof ze en grote zak cacao op haar rug had. Als ze sprak, sprak zij met een stem die je niet herkende. De stem klonk bitter als rauwe bitterleaf, onugbu.
Maar op en dag kwam ze jou vertellen dat jullie gingen verhuizen. Ze had een brief van haar nichtje in Londen gekregen. Die ging jullie helpen om naar Londen te komen. Om een nieuw leven te beginnen. Zonder je vader. Zonder je stiefmoeder en haar kinderen.
Het nichtje zou je adopteren. Je moeder kon dan voor haar werken, op de kinderen passen. Ze had vier jongens.
"Wij gaan opnieuw beginnen, meisje. Je vader zal ons toch niet missen."
Dat wist je ook.

"Kijk je niet graag naar een film, schat?" vraagt je moeder. "Hier. Hierop moet je duwen. Er zijn zoveel opties." Ze laat je zien hoe de tv-monitor werkt.
Er is een film over een weesmeisje, Annie.
Nee. Dat zal veel te droevig zijn denk je.
CNN-nieuws.
Nee. Je wil iets vrolijk zien. Mensen die lachen en dansen
. Aha! Een tekenfilm! Eindelijk iets naar je zin. Naar tekenfilms kijk je altijd graag. Het is Tom and Jerry. Joepie!
Het vliegtuig schokt. Je moeder vraagt of je bang bent.
"Nee." Je bent niet bang. "Nee hoor." Niets kan je bang maken. Je nieuw leven begint. Ver weg van Enugu. Ver weg van je vader die niet meer van je houdt. Ver weg van je stiefmoeder die je als meid gebruikt. Ver weg van Eze en zijn kale hoofd.

Je hebt kriebels in je buik. Warme, zachte kriebels waaruit armen groeien die je omhelzen. Je bent van niets bang. Je hebt je moeder en jullie gaan naar Londen om een nieuwe leven op te bouwen.
Londen. Je laat de naam over je tong rollen. Londen. Lon. Den. Stad van melk en honing.

Rose die in het appartement boven jullie woonde had gezegd dat Londen een paradijs is. "Het is altijd kerst in Londen. De mensen zijn er altijd mooi gekleed, de straten altijd proper. Er zitten geen putten in zoals hier bij ons. En er is altijd elektriciteit." Rose had toen gefluisterd alsof ze aan het bidden was. "En sneeuw. Dat moet je zien, meisje. Zacht. Mooi. Wit als de tandjes van Enuma."
Enuma's tandjes waren zo wit dat ze glansden.
"Het is alsof vlees van de soursap uit de hemel valt," zei Rose.
Rose was de enige die jij kende die ooit in Londen geweest was. Ze had met haar man enkele jaren in Londen gewoond. Het was heel lang geleden maar ze had er enkele rare gewoontes van de mensen van ginder aan overgehouden. Ze kuste haar man. Ook als er mensen in de buurt waren. En ze dronk altijd thee. 's Morgens. 's Middags. 's Avonds. Jullie noemden haar de theemadam. Mensen zeiden dat ze niet iedere dag een bad nam. Ze zeiden dat blanken alleen maar twee keer per week een bad nemen. Daar geloofde je niets van. Zo kunnen mensen toch niet leven? Iedereen weet dat je minstens tweemaal per dag een bad moet nemen. Als je dat niet doet begin je naar vis te ruiken. Rose ruikt lekker. Ze ruikt naar bloemen. Dat had je nog gezegd aan Enuma die zwoer dat Rose alleen maar twee keer per week een bad nam.
"Ja, maar Rose gebruikt parfum, ze koopt iedere maand een nieuwe fles. Als je heel dichtbij haar gaat staan, ruik je vis. En als jullie naar Londen gaan, zal je ook niet vaak in bad gaan. En dan ga je ook beginnen stinken!"
Toen je dat aan je moeder vertelde, zei die dat Enuma niets van de gewoontes van ginder afwist. Je was blij om dat te horen want je wilde niet naar vis ruiken.

"Mama, gaan we sneeuw zien?" vraag je. Je wilt heel graag sneeuw zien. Sneeuw die zacht, mooi en wit is.
"Ooit, schat," zegt ze. "Het is december, dus winter. Sneeuw komt in de winter, heeft Rose gezegd."
"Iedere dag?"
"Weet ik niet, schat. Ik denk van niet. In het regenseizoen regent het toch ook niet iedere dag. Of wel?"
"Ik hoop dat het sneeuwt vandaag," zeg je. "Alstublieft God, laat het sneeuwen, Amen."

Je oogjes beginnen dicht te vallen.
Je bent buiten op een plein. Er ligt een heuvel van sneeuw.
Je maakt een sneeuwbal en bijt er in.
Het is lekker. Het is honing. En banaan. En chocomilo. Alles wat je lekker vindt.

"We zijn er, schat."
Je moeder maakt jou wakker."Wij zijn in Heathrow."

Het vliegtuig is al geland. Je kijkt naar buiten. Naar Londen. Naar je dromen. En op de grond zie je een deken van wit. De kriebeltjes komen opnieuw in je buik. Het is alsof honderd vlinders rondvliegen in je buik. Flap, flap, flap, tegen je buik. Hetzelfde gevoel dat je krijgt als je, je favoriete chocolade, chocomilo, eet.

Je komt uit de luchthaven. Het is bijtend koud. Kouder dan je verwachtte. Je tanden klapperen. Het klinkt alsof iemand tam-tam speelt in je mond. Voor dat je moeder doorheeft wat je gaat doen, buig je en neemt een handvol sneeuw. Zachte, mooie, witte sneeuw. Je steekt het in je mond. Het is koud. Het smaakt nergens naar.

Je weent. Zilte bittere tranen.

This story was originally published in De Eerste Keer. Antwerp: Manteau Uitgeverij, 2004.