|
HET GESLACHT DIKSNAVELPARKIETEN, BOLBORHYNCHUS.
Het geslacht Bolborhynchus bestaat uit de volgende soorten:
1 1. B.I.lineola (Cassin). Catharinaparkiet.
2. B.I.tigrinus (Souancé). Peru-Catharinaparkiet.
3. B.I.domestica. De gedomesticeerde vorm van de Catharina parkiet.
2 1. B.f.ferrugineifrons (Lawrence). Roodvoorhoofdparkiet. 3 1. B.o.orbygnesius
(Souancé). Andesparkiet.
4. 1. B.a.aurifrons (Lesson). Citroenparkiet.
2. B.a.robertsi (Carriker). Roberts citroenparkiet. 3. B.a.margaritae
(Berlioz&Dorst). Margarita parkiet.
4. B.a.rubirostris (Burmeister). Roodsnavelparkiet. 5 1. B.a.aymara
(d'Orbigny). Aymaraparkiet.
Van de roodvoorhoofd- en de Andesparkiet is weinig bekend in gevangenschap.
De andere soorten worden regelmatig tot veel gehouden en gekweekt. De
Catharinaparkiet is de meest gekweekte van dit geslacht en daarvan zijn
diverse mutaties bekend. Daarom wordt in het vervolg van deze standaard
alleen de Catharinaparkiet en wel de geselecteerde vorm, de Bolborhynchus
lineola domestica, beschreven.
ALGEMEEN.
DE CATHARINAPARKIET.
De herkomst van deze parkiet is vanaf het zuiden van Mexico tot West
Panama en vervolgens van het
Noord-Westen van Venezuela tot in Centraal Peru. Zij leven afhankelijk
van hun leefgebied en het jaargetijde tussen de 400 en 3000 meter boven
de zeespiegel. Hun leefgebied varieert van boomrijke savannen tot dichte
berg(nevel)wouden. Het zijn echte klimmers, die langs de takken omhoog
en omlaag klauteren. Dit gedrag ziet men ook terug aan hun houding in
de tentoonstellingskooi. Rustig en niet opvliegerig, waarbij ze vaak
langzaam, iets in elkaar gedoken, over de stok klauteren en lopen. Gesteld
mag worden, dat deze soort volledig is gedomesticeerd en dat er veelvuldig
broedresultaten voorkomen in de volieres, terwijl een vrij groot aantal
mutanten is ontstaan. Naast de wildvorm, Bolborhynchus I. lineola, waarvan
de kleur als groen is omschreven, kennen we als ondersoort de Bolborhynchus
I. tigrinus, de Peru-Catharinaparkiet. Deze laatste wordt in de literatuur
omschreven als donkerder van kleur, met wat bredere zwarte zomen aan
de veren.en een meer uitgebreide schoudervlek. Sommigen noemen hem ook
iets kleiner als de nominaatvorm. Vast staat dat de verschillen tussen
beide soorten minimaal zijn en voor de gewone liefhebber/keurmeester
nauwelijks uit elkaar te houden zijn. Het is niet exact bekend of de
ondersoort tigrinus als aparte soort is ingevoerd en als zodanig is
herkend. Aangenomen mag worden dat, indien ze ingevoerd zijn, ze gewoon
met de nominaatvorm zijn gepaard. Derhalve zijn de verschillen tussen
de soorten nog verder vervaagd. Door deze kweekselectie is een echte
cultuurvogel ontstaan, de in deze standaard beschreven Catharinaparkiet
is dan ook te beschouwen als de Bolborhynhus I. domestica.
De standaard van de Catharinaparkiet
kent de volgende paragrafen.
1. Veerstructuur .
In deze paragraaf wordt de veerstructuur van de Catharinaparkiet beschreven.
2. Mutaties.
Beschrijving van de reeds opgetreden en de nog te verwachten mutaties
en hun gevolgen op de wildvorm.
3. Kleurvererving.
Genetische symbolen en de erfelijkheid
4. Fysieke standaard van de Catharinaparkiet
Algemene omschrijving van de fysieke eigenschappen van de Catharinaparkiet
5. Beschrijving van de kleurslagen.
Per kleurslag is kleur en tekening beschreven. Hier wordt onderscheid
gemaakt tussen de reeds langer bestaande kleurslagen en de recente mutaties
en de nog te verwachten mutaties, die voor een deel reeds in de oude
standaard van 19,95 stonden vermeld, maar die in feite nog niet zijn
opgetreden.
DE CATHARINAPARKIET.
Wetenschappelijke naam: Bolborhynchus I. domestica. Duits: Katharinasittich.
Engels: Barred of lineolated parrakeet. Frans: Perruche Cathérine.
VEERSTRUCTUUR VAN DE CATHARINAPARKIET.
a.Uit vederonderzoek is gebleken, dat zich in de bevedering de volgende
kleurstoffen bevinden: a. zwart eumelanine.
b. geel carotenoïde, een vorm welke bij parkietachtigen wordt aangeduid
als psittacine.
Dit komt overeen met het kleurstoffenbezit van een groot aantal andere
kromsnavels, zowel binnen de familie Bolborhynchus (bijvoorbeeld de
Aymara- en de citroenparkiet) als daarbuiten. Denk hierbij aan grasparkieten,
halsbandparkieten, forpussen etc. De opgetreden erfelijke wijzigingen
(mutaties) in het bezit aan kleurstoffen zijn veelal reeds eerder bij
genoemde soorten voorgekomen. Sommige soorten zijn wat verder in het
domesticatieproces. De opgedane kennis bij genoemde soorten kan worden
gebruikt om de opgetreden mutaties bij de Catharinaparkiet te verklaren.
De baard van de veer is van het structurele type, dus bezit de zgn.
blauwstructuur. Deze gecombineerd met het gele carotenoïde in de
cortex geeft de baard haar groene kleur.
De minder grote concentratie zwart eumelanine in de minder intens zwart
gekleurde tekeningsvelden van de Catharinaparkiet, zoals ondulatie en
flanktekening, tonen een maskering van het gele carotenoïde. Dit
wil zeggen, dat wanneer een mutatie het zwarte melanine reduceert, het
geel zichtbaar wordt. Dit verklaart ook het feit, dat zich bij de lutino
Catharinaparkiet geen witte tekening op die plaatsen bevindt maar door
carotenoïde geel gekleurde veren. De intens zwart gekleurde tekening
aan de vleugelbochten maar ook de vleugelpennen maskeert het gele carotenoïde
niet en dien overeenkomstig is bij de lutino Catharinaparkiet dit als
wit waar te nemen.
DE MUTATIES BIJ DE CATHARINAPARKIET.
Lichtgroen.
Dit is geen mutatie, maar een kleurselectie, verkregen uit vermenging
van de Bolborhynchus I. lineola en de Bolborhynchus I. tigrinus. De
helder lichtgroene kleur is daarna selectief ontstaan.
De donkerfactor .
Door een mutatie van de baardstructuur, welke we ook bij de agaporniden
kennen, spreken we van donkerfactoren. De donkernuances worden veroorzaakt
door een kleinere baarddiameter en een minder diep bewolkte zone. Door
de gewijzigde diepte van de bewolkte zone wordt meer licht door het
melanine geabsorbeerd, zodat de totaalkleur donkerder wordt. Bovendien
hebben dunnere baarden een kleiner kleurvormend oppervlak, wat eveneens
verdonkerend werkt. Waarschijnlijk worden door de iets gewijzigde diameter
van de vacuoles in de bewolkte zone ook de blauwe lichtgolven, die verstrooid
worden, ook een nuance in kleur veranderd, hetgeen eveneens van invloed
is op de totaalkleur.
De donkerfactor is een dominant autosomaal verervende factor. Hierdoor
kan een Catharinaparkiet in het bezit zijn van één of
twee donkerfactoren. Bij het bezit van één donkerfactor
wordt de uiterlijke kleur, en daarmee ook de kleurslag, donkergroen
genoemd. Indien een Catharinaparkiet twee donkerfactoren bezit, noemt
men de kleurslag, welke ontstaat, olijfgroen. Vogels, welke niet in
het bezit zijn van de donkerfactor en dus de wildvorm van de gedomesticeerde
Catharinaparkiet vertegenwoordigen noemt men lichtgroen.
De zeegroen mutatie.
Dit is een mutatie, die de vorming van het carotenoïde, dat verantwoordelijk
is voor de gele bijkleur, gedeeltelijk belet. Het aantal gevormde carotenoïdekristallen
is voor ongeveer de helft gereduceerd. Het eumelanine is volledig aanwezig
en geeft met de zachtgele ondergrondkleur de zeegroene totaalkleur.
(Ook de zeegroen mutatie is natuurlijk te combineren met de donkerfactor
en ontstaan vervolgens de kleurslagen licht- donker- en olijfzeegroen.)
De ino mutatie.
De ino mutatie verhindert de aanmaak van eumelanine totaal. Hier is
alleen het gele carotenoïde zichtbaar. De kleurslag, welke ontstaat,
wordt lutino genoemd, omdat het totaalbeeld, dat onstaat een geelogende
vogel is.
(Indien de ino mutatie gecombineerd wordt met de zeegroen mutatie, noemen
we de kleurslag, welke ontstaat zeegroen-ino).
De cinnamon mutatie.
Deze vogel is voor het eerst bekend geworden door de inzending op de
GOM show te Zutphen. Er zijn er daarna nog meer gekweekt bij diverse
liefhebbers. De vererving staat nog niet helemaal vast. De vogel toont
de kenmerken van een cinnamon, dwz. hij is in het geheel bruinachtig
overgoten. Er zijn verschillende kleurnuances van bekend. Duidelijk
nog een kleurslag die ontwikkeld moet worden. Van deze mutant is nog
dermate weinig bekend, dat het prematuur is hier een duidelijke kleurbeschrijving
van te geven.
De violet mutatie.
Recent (1999) is deze mutatie ontstaan bij de Gatharinaparkieten. Door
kleinere vacuoles in de bewolkte zone worden, in plaats van de blauwe
lichtstralen, de violette lichtstralen met een kortere golflengte teruggekaatst.
De vogels in de zeegroen serie tonen duidelijk de violette gloed en
zijn duidelijk donkerder dan vogels zonder deze factor. Te verwachten
is dat deze kleurslag het beste tot zijn recht komt in combinatie met
één donkerfactor. Dit is geheel analoog aan hetgeen bij
andere kromsnavel soorten tot uiting komt. Van deze mutant is nog dermate
weinig bekend, dat het prematuur is hier een duidelijke kleurbeschrijving
van te geven. De vogels met de violetfactor dienen gekeurd te worden
als violetfactorig, zolang de blauwmutatie er niet is. Ook hier streven
we naar egaliteit in de kleur. Bij de keuring, indien nodig, aangeven
dat de violetfactor het best tot uiting komt in combinatie met één
donkerfactor.
Olijfzeegroen met de violetfactor is iets donkerder dan de normaalolijfgroene.
De bont mutatie.
Er zijn enkele bonte vogels bekend. Vaak vogels met maar enkele gele
veren. Het is niet bekend of het om een dominante of een recessieve
vererving gaat. Er is ook een vogel bekend, die bij het ouder worden
steeds meer geel ging vertonen. Er zijn hiervan nog geen resultaten
met de nakweek te melden. De bont mutatie heeft een plaatselijk beletten
van eumelanine vorming tot gevolg. Van deze mutant is nog dermate weinig
bekend, dat het prematuur is hier een duidelijke kleurbeschrijving van
te geven.
Treft men tijdens een keuring een dergelijke mutant aan, dan dient het
bestuur van de Keurmeesters- vereniging Tropische vogels en Parkieten
hiervan in kennis gesteld te worden.
De gezoomd mutatie.
Nog niet geheel bekend is hoe deze mutant is ontstaan. Deze vogel is
in de eerste versie van de standaard genoemd. Niet bekend is of deze
vogel op dit moment nog bestaat. Het is prematuur om van deze mutatie
een kleurbeschrijving op te stellen. Treft men tijdens een keuring een
dergelijke mutant aan, dan dient het bestuur van de Keurmeestersvereniging
Tropische vogels en Parkieten hiervan in kennis gesteld te worden.
De blauw mutatie.
De blauw mutatie is bij de Gatharinaparkiet nog niet bekend. Daar in
de vorige versie van de standaard reeds een theoretische kleurbeschrijving
van blauwserie heeft plaats gevonden hebben wij gemeend deze kleurslagen
in de standaard te handhaven. Qua uiterlijk zullen deze kleurslagen
naar verwachting niet afwijken van hetgeen is beschreven. Deze mutant
ontstaat door een volledige reductie van het carotenoïde in de
bevedering. De blauw mutatie is net als bij andere parkieten soorten
zeer waarschijnlijk prima te combineren met de donkerfactor. Indien
een blauwe Gatharinaparkiet in het bezit is van geen, 1 of 2 donker
factoren noemt men hem respectievelijk hemels-, kobaltblauwen mauve.
Een combinatie van de blauwen ino mutatie geeft de kleurslag albino.
DE KLEURVERERVING VAN DE CATHARINAPARKIET
MUTATIES.
Voor een uitgebreide behandeling van de regels van de erfelijkheidsleer
wordt verwezen naar het werkje "Algemene erfelijkheidsleer"
verkrijgbaar bij het bondsbureau van de NBvV.
Opmerking t.a.v. de factoren welke de carotenoïde
vorming beïnvloeden.
De factoren, die de carotenoïde vorming beïnvloeden, liggen
bij de tot nu toe opgetreden mutaties in één paar autosome
chromosomen en vererven recessief t.o.v. hun wildallele.De totale verhindering
van de carotenoïdevorming verandert de groene kleur in blauw. Als
symbool van deze totale verhindering nemen we de letter b. van blauw.
Niet gemuteerd, dus het wildaliele het symbool b+ (de normale groene
kleur) en gemuteerd krijgt het symbool b, dus de blauw kleur. De wildvorm
krijgt de formule b+I/b+. De blauwe Catharinaparkiet krijgt de formule
bIb. Deze blauwfactor is voor zover bekend bij de herziening van deze
standaard nog niet opgetreden, maar is zeker te verwachten. Het bewijs
van het bestaan van de blauwfactor kan pas geleverd worden als er in
combinatie met de ino factor echte albino's optreden, zuiver witte vogels
dus. Tot heden zijn alleen de zeegroen-ino's bekend, vogels met een
zachtgele kleur.
Wel is er bij de Catharinaparkiet een factor opgetreden, die de vorming
van het carotenoïde maar gedeeltelijk belet. De distributie van
het aantal gevormde carotenoïde kristallen is voor ong. de helft
gereduceerd, waardoor de zeegroene is ontstaan. Zeegroen vererft autosomaal
recessief. Als symbool voor de zeegroen factor is gekozen voor bzg.
Autosomaal recessief vererven de mutaties.
Zeegroen: bzg.
Een kwantitatieve carotenoïde reductie.
Autosomaal dominant verervende mutaties.
Donkerfactor: D.
Veranderde baardstructuur en een minder diepe bewolkte zone.
Geslachtgebonden recessief vererven de mutaties.
Ino: ino
Totaal beletten van het vormen van melanine
Mutaties met (nog niet) bekende vererving.
Cinnamon: Kwalitatieve eumelanine reductie (Dit is echter nog niet met
zekerheid vastgesteld.)
Violet: Veranderde vacuoles in de bewolkte zone.
Bont: Partieel totaal beletten van melanine vorming.
Gezoomd: Melanine reductie in de delen rond de schacht van de veer.
(Dit is
echter nog niet met zekerheid vastgesteld.)
De volgende is de formule voor een wildvorm Catharinaparkiet met daarin
alle tot nu toe bekende factoren ziet er als volgt uit:
Voor de man: X ino+ // X ino+, Bzg+ //
Bzg+, D+ // D+
Voor de pop: Xino+ // Y, Bzg+ // Bzg+,
D+ // D+
DE STANDAARD VAN DE CATHARINAPARKIET.
FYSIEKE EIGENSCHAPPEN:
Conditie: Om voor een hoge puntenwaardering
in aanmerking te komen is de conditie een eerste vereiste. De ogen moeten
goed (mooi) rond en helder zijn.
Formaat: De Catharinaparkiet moet een forse
indruk geven. Het formaat moet aangepast zijn aan het type. (Lichaamsverhoudingen).
Lengte ongeveer 17 cm.
Model: De Catharinaparkiet maakt een gedrongen
indruk. De staart is wigvormig. De vleugels liggen strak langs het lichaam,
zelfs een beetje in de borstbevedering getrokken. De vleugels mogen
elkaar aan het einde niet kruisen. De kop is gelijkmatig gewelfd en
mag geen smalle indruk maken. De borst is goed gerond.
Houding: De Catharinaparkiet heeft een
wat gedrukte, bijna horizontale houding en zit daarbij vaak wat voorover.
Snavel: De snavel maakt geen al te forse
indruk en is ten opzichte van het lichaam niet al te groot. De snavel
dient mooi rond gebogen te zijn. De ondersnavel is bijna niet te zien
en wordt bedekt door de bovensnavel.
Bevedering: De bevedering dient rein en geheel compleet te zijn en goed
aaneengesloten te worden gedragen.
Poten: De poten zijn vrij zacht en mogen
niet ruw of vuil zijn. Twee tenen naar voren en twee tenen naar achteren
gericht, met aan elke teen een nagel, welke niet te lang en goed natuurlijk
gebogen dient te zijn. De tenen moeten de zitstok volledig kunnen omklemmen.
DE TEKENING VAN DE (CATHARINAPARKIET).
KLEUR, TEKENING: Kop/Lichaam: Vanaf een
ongepigmenteerd voorhoofdsbandje van ongeveer 5 mm breed bevindt zich
op de bovenschedel, overgaand in nek, rug en stuit een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt zich de eerste ondulatietekening
en ongeveer 1 cm daaronder bevindt zich de tweede ondulatie- tekening.
Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt zich de derde ondulatietekening.
Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig aanwezig moeten zijn, mogen
niet onderbroken zijn.
Staart: De primaire staartveren en onderstaartdekveren
hebben langs de schacht een zwarte tekening. De twee middelste, iets
verlengde staartpennen, zijn bij de man nagenoeg geheel zwart. Bij de
pop is slechts het uiteinde zwart. Op de bovenstaartdekveren loopt de
stiptekening vanuit de flanken door. Deze hebben aan de punt van elke
veer een zwarte tekening.
Verschil tussen man en pop. Mannen en poppen zijn in het algemeen goed
van elkaar te onderscheiden. Het duidelijkst is dit te zien aan de primaire
staartveren. Bij de man is de punt daarvan over een lengte van ongeveer
1 Y2 cm diepzwart, terwijl bij de pop slechts het uiterste puntje zwart
is. Verder heeft de man soms een wat grovere schoudervlek en vleugeltekening.
Bij sommige poppen is de afstand tussen de rijen met zwarte vleugeltekening
wat minder. Omdat eigenlijk alleen de staarttekening een geslachtskenmerk
is, wordt in de kleurstandaard geen aparte beschrijving gegeven van
man en pop. De verschillen zijn te gering.
BESCHRIJVING VAN DE KLEURSLAGEN.
LICHTGROEN
KLEUR:
Kop: Helder groen. Voorhoofd en schedel
helder diepgroen. De kleur van de wangen en de keel is een nuance lichter.
Dit gaat over in de kleur van de borst.
lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en stuit helder groen.
Vanaf de onderkant snavel zijn borst, buik en flanken helder groen.
Vleugels: Helder groen. De randen van de slagpennen zijn helder diepgroen
van kleur. De duimveertjes zijn lichtgroen van kleur.
Staart: De primaire staartveren en de onderstaartdekveren
zijn helder groen, dezelfde nuance als het vleugeldek. De primaire staartveren
hebben dezelfde groene kleur als de flanken.
Snavel: Hoornkleurig, iets grijs overgoten met aan het uiteinde een
donkergrijze punt. Ogen: Donkerbruin.
Poten: Vleeskleurig, nagels zwartgrijs éénkleurig.
Tekening: Kop/lichaam: Vanaf de achterschedel,
overgaand in nek, rug en stuit bevindt zich een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
De zwaarte van de tekening moet passen bij de vogel, dus grove tekening
op een kleine vogel is fout. Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt
zich de eerste ondulatietekening en ongeveer 1 cm daaronder bevindt
zich de tweede ondulatietekening. Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt
zich de derde ondulatietekening. Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig
aanwezig moeten zijn, mogen niet onderbroken zijn.
Staart: De heldergroene primaire staartveren
en onderstaartdekveren hebben langs de schacht een zwarte tekening.
De twee middelste, iets verlengde staartpennen, zijn bij de man nagenoeg
geheel zwart. Bij de pop is slechts het uiteinde zwart. Op de primaire
staartveren loopt de stiptekening vanuit de flanken door. Deze hebben
aan de punt van elke veer een zwarte tekening.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
De lichtgroene is een heldergroene vogel, die zo egaal mogelijk van
kleur dient te zijn. De groene kleur moet zonder enige aanslag van een
gelige of bruine waas zijn. Ook een te zware blauwe waas is fout en
deze dient bestraft te worden, al naar gelang de ernst van de fout.
Deze blauwe waas komt vaak voor bij vogels die split zijn voor zeegroen.
Dit verschijnsel toont zich vooral in de wangen. We dienen er rekening
mee te houden dat poppen van nature een wat blauwachtige kop hebben,
vooral op de schedel.
De tekening is zwart en moet regelmatig zijn. Alle tekeningspatronen
(behalve de schoudervlek) worden gevormd door een lichtere of zwaardere
zwarte omzoming van de bevedering. De vorm, waarin de tekening zich
toont, is afhankelijk van de plaats op de vogel en de vorm van de veertjes
die zich daar bevinden. Korte afgeronde veertjes, die vrij breed zijn,
hebben alleen een zwart randje, dat zorgt voor de omzoming in bijvoorbeeld
kop en nek. De stippen in de flanken zijn de zwartgekleurde uiteinden
van vrij puntige smallere veertjes. De grootte van de stippen is variabel,
maar dient een regelmatig verloop te hebben. De zwaarte van de omzoming
en de flanktekening moet bij de vogel passen, dus in verhouding met
het formaat.
Het voorgaande houdt in, dat een Catharinaparkiet die geen strakke volle
bevedering heeft, ook geen regelmatige complete tekening kan hebben.
Anders gezegd zonder prima conditie kan een Catharinaparkiet voor tekening
geen maximale waardering krijgen. Ook de kleur is pas optimaal bij een
vogel in goede tot zeer goede conditie. Veel voorkomende fouten:
Kleur:
.het tonen van een blauwe waas, vooral op voorhoofd en schedel.
.vlekkerig op de borst, vaak als gevolg van niet complete bevedering.
Tekening:
.niet-scherpe of onregelmatige vleugel- en flanktekening. .een uitvloeiende
schoudervlek-
.zwakke onderstaart- of rugtekening.
DONKERGROEN
KLEUR:
Kop: Diep donkergroen. Voorhoofd en schedel
een nuance donkerder. De kleur van de wangen en de keel is iets lichter.
Dit gaat over in de kleur van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit helder donkergroen.
Vanaf de onderkant snavel zijn borst, buik en flanken helder donkergroen.
Vleugels: Helder donkergroen. De randen
van de slagpennen zijn helder diepgroen van kleur. De duimveertjes zijn
lichtgroen van kleur.
Staart: De primaire staartveren en de onderstaartdekveren
zijn helder donkergroen, dezelfde nuance als het vleugeldek. De primaire
staarveren hebben dezelfde donkergroene kleur als de flanken
Snavel: Hoornkleurig, iets grijs overgoten
met aan het uiteinde een donkergrijze punt. Ogen: Donkerbruin.
Poten: Vleeskleurig, nagels zwartgrijs
éénkleurig.
Tekening: Kop en Lichaam: Vanaf de achterschedel,
overgaand in nek, rug en stuit bevindt zich een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
VleugeIs: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt zich de eerste ondulatietekening
en ongeveer 1 cm daaronder bevindt zich de tweede ondulatietekening.
Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt zich de derde ondulatietekening.
Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig aanwezig moeten zijn, mogen
niet onderbroken zijn.
Staart: De helder donkergroene primaire
staartveren en onderstaartdekveren hebben langs de schacht een zwarte
tekening. De twee middelste, iets verlengde staartpennen, zijn bij de
man nagenoeg geheel zwart. Bij de pop is slechts het uiteinde zwart.
Op de primaire staartveren loopt de stiptekening vanuit de flanken door.
Deze hebben aan de punt van elke veer een zwarte tekening.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
Zie hiervoor de aanwijzingen bij de Catharinaparkiet lichtgroen.
Vooral dient gelet te worden op de scherpte en de regelmatigheid van
de vleugel- en de flanktekening- Veel voorkomende fouten zijn een vlekkerige
of tweekleurige borst en buik. Deze dienen zo egaal mogelijk donkergroen
te zijn. De vogels, die split zijn voor zeegroen, zullen vaak een blauwachtige
waas tonen, met name aan de kop.
Let ook op het formaat en het model. Donkergroenen behoeven beslist
geen smalle, iele vogels te zijn.
OLIJFGROEN
KLEUR:
Kop: Diep olijfgroen. Voorhoofd en schedel
helder olijfgroen. De kleur van de wangen en de keel is een nuance lichter.
Dit gaat over in de kleur van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit helder olijfgroen.
Vanaf de onderkant snavel zijn borst, buik en flanken helder olijfgroen.
Vleugels: Helder olijfgroen. De randen
van de slagpennen zijn helder olijfgroen van kleur. De duimveertjes
zijn iets lichter van kleur.
Staart: De primaire staartveren en de onderstaartdekveren
zijn helder olijfgroen, dezelfde nuance als het vleugeldek. De primaire
staartveren hebben dezelfde kleur als de flanken.
Snavel: Hoornkleurig, iets grijs overgoten
met aan het uiteinde een donkergrijze punt. Ogen: Donkerbruin.
Poten: Vleeskleurig, nagels zwartgrijs éénkleurig. Donkergrijze
nagels genieten de voorkeur.
TEKENING: Kop en Lichaam: Vanaf de achterschedel,
overgaand in nek, rug en stuit bevindt zich een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt zich de eerste ondulatietekening
en ongeveer 1 cm daaronder bevindt zich de tweede ondulatietekening.
Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt zich de derde ondulatietekening.
Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig aanwezig moeten zijn, mogen
niet onderbroken zijn.
Staart: De helder olijfgroene primaire
staartveren en onderstaartdekveren hebben langs de schacht een zwarte
tekening. De twee middelste, iets verlengde staartpennen, zijn bij de
man nagenoeg geheel zwart. Bij de pop is slechts het uiteinde zwart.
Op de primaire staartveren loopt de stiptekening vanuit de flanken door.
Deze hebben aan de punt van elke veer een zwarte tekening.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
Zie hiervoor de aanwijzingen bij de Catharinaparkiet lichtgroen.
Vooral dient gelet te worden op de scherpte en de regelmatigheid van
de vleugel- en de flanktekening.
Ook bij de olijfgroene kunnen splitfactoren zichtbaar zijn. Hier dus
zeker letten op egaliteit en zuiverheid van de kleur.
LICHTZEEGROEN
KLEUR:
Kop: Helder zeegroen. Voorhoofd en schedel
diepzeegroen. De kleur van de wangen en de keel is een nuance lichter.
Dit gaat over in de kleur van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit helder zeegroen. Vanaf de onderkant snavel zijn borst, flanken
en buik helder zeegroen.
Vleugels: Helder zeegroen. De randen van
de slagpennen zijn helder diepzeegroen van kleur. De duimveertjes zijn
iets lichter van kleur.
Staart: De primaire staartveren en de onderstaartdekveren
zijn helder zeegroen, dezelfde nuance als het vleugeldek. De primaire
staartveren hebben dezelfde kleurnuance als de flanken
Snavel: Hoornkleurig, iets grijs overgoten
met aan het uiteinde een donkergrijze punt. Ogen: Donkerbruin.
Poten: Vleeskleurig, nagels zwartgrijs
éénkleurig.
TEKENING: Kop en Lichaam: Vanaf de achterschedel,
overgaand in nek, rug en stuit bevindt zich een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt zich de eerste ondulatietekening
en ongeveer 1 cm daaronder bevindt zich de tweede ondulatietekening.
Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt zich de derde ondulatietekening.
Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig aanwezig moeten zijn, mogen
niet onderbroken zijn.
Staart: De helder zeegroene primaire staartveren
en onderstaartdekveren hebben langs de schacht een zwarte tekening.
De twee middelste, iets verlengde staartpennen, zijn bij de man nagenoeg
geheel zwart. Bij de pop is slechts het uiteinde zwart. Op de primaire
staartveren loopt de stiptekening vanuit de flanken door. Deze hebben
aan de punt van elke veer een zwarte tekening.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
Voor algemene opmerkingen zie bij lichtgroen. Specifiek bij deze kleurslag
moet gelet worden op de zuivere zeegroene kleur, wat zich bij de Catharinaparkiet
uit in hemelsblauw met een gele waas. Zeegroen is een 50% reductie van
het gele carotenoïde. Wanneer deze reductie groter wordt, zal de
vogel te veel blauw gaan vertonen voor een zeegroene. Sommige kwekers
hebben uit hun zeegroenen steeds de meest blauwe vogels geselecteerd
en daarmee bijna zuiver hemelsblauwe vogels gekweekt. Het is van belang
om bij de keuring te benadrukken dat het gaat om zeegroen. We moeten
dus letten op het aanwezig zijn van de gele ondergrond. Het totaalbeeld
moet ook hier zo egaal mogelijk zijn. De kleurfout dient als zodanig
bestraft te worden, al naar gelang de ernst van de fout.
DONKERZEEGROEN
KLEUR:
Kop: Kobaltblauw met een gele waas. Voorhoofd
iets lichter en schedel kobaltblauw met een gele waas. De kleur van
de wangen en de keel is een nuance lichter. Dit gaat over in de kleur
van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit kobaltblauw met een gele waas. Vanaf de onderkant snavel zijn
borst, flanken en buik een nuance lichter.
Vleugels: Kobaltblauw met een gele waas.
De randen van de slagpennen zijn diep kobaltblauw van kleur. De duimveertjes
zijn aanmerkelijk lichter van kleur.
Staart: De primaire staartveren zijn kobaltblauw
met een gele waas, dezelfde nuance als het vleugeldek. De onderstaartdekveren
hebben dezelfde kleurnuance als de flanken.
Snavel: Hoornkleurig, iets grijs overgoten
met aan het uiteinde een donkergrijze punt. Ogen: Donkerbruin.
Poten: Vleeskleurig, nagels zwartgrijs
éénkleurig.
TEKENING: Kop en Lichaam: Vanaf de achterschedel,
overgaand in nek, rug en stuit bevindt zich een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt zich de eerste ondulatietekening
en ongeveer 1 cm daaronder bevindt zich de tweede ondulatietekening.
Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt zich de derde ondulatietekening.
Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig aanwezig moeten zijn, mogen
niet onderbroken zijn.
Staart: De donkerzeegroene primaire staal1veren
en onderstaartdekveren hebben langs de schacht een zwarte tekening.
De twee middelste, iets verlengde staartpennen, zijn bij de man nagenoeg
geheel zwart. Bij de pop is slechts het uiteinde zwart. Op de onderstaartdekveren
loopt de stiptekening vanuit de flanken door. Deze hebben aan de punt
van elke veer een zwarte tekening.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
Voor algemene opmerkingen zie bij lichtgroen. Specifiek bij deze kleurslag
moet gelet worden op de zuivere donkerzeegroene kleur, wat zich bij
de Catharinaparkiet uit in kobaltblauw met een gele waas. Zeegroen is
een 50% reductie van het gele carotenoïde. Wanneer deze reductie
groter wordt, zal de vogel te veel blauw gaan vertonen voor een donkerzeegroene.
Sommige kwekers hebben uit hun donkerzeegroenen steeds de meest blauwe
vogels geselecteerd en daarmee bijna zuiver kobaltblauwe vogels gekweekt.
Het is van belang om bij de keuring te benadrukken dat het gaat om zeegroen.
We moeten dus letten op het aanwezig zijn van de gele ondergrond. Het
totaalbeeld moet ook hier zo egaal mogelijk zijn.
De kleurfout dient als zodanig bestraft te worden, al naar gelang de
ernst van de fout.
OLIJFZEEGROEN
KLEUR:
Kop: Donkergrijs met een gele waas. Voorhoofd
iets lichter schedel donkergrijs met gele waas. De kleur van de wangen
en de keel is een nuance lichter. Dit gaat over in de kleur van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit loodgrijs met gele waas. Vanaf de onderkant snavel.borst, flanken
en buik een nuance lichter.
Vleugels: Loodgrijs met gele waas. De randen
van de slagpennen zijn loodgrijs met een iets blauwe waas. De duimveertjes
zijn aanmerkelijk lichter van kleur.
Staart: De primaire staal1veren zijn loodgrijs,
dezelfde nuance als het vleugeldek. De onderstaartdekveren hebben dezelfde
kleurnuance als de flanken.
Snavel: Hoornkleurig, iets grijs overgoten
met aan het uiteinde een donkergrijze punt.
Ogen: Donkerbruin.
Poten: Vleeskleurig, de nagels zwartgrijs
éénkleurig.
TEKENING: Kop en Lichaam: Vanaf de achterschedel,
overgaand in nek, rug en stuit bevindt zich een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt zich de eerste ondulatietekening
en ongeveer 1 cm daaronder bevindt zich de tweede ondulatietekening.
Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt zich de derde ondulatietekening.
Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig aanwezig moeten zijn, mogen
niet onderbroken zijn.
Staart: De olijfzeegroene primaire staal1veren
en onderstaartdekveren hebben langs de schacht een zwarte tekening.
De twee middelste, iets verlengde staartpennen, zijn bij de man nagenoeg
geheel zwart. Bij de pop is slechts het uiteinde zwart. Op de onderstaartdekveren
loopt de stiptekening vanuit de flanken door. Deze hebben aan de punt
van elke veer een zwarte tekening.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
Voor algemene opmerkingen zie bij lichtgroen. Specifiek bij deze kleurslag
moet gelet worden op de zuivere olijfzeegroene kleur. Wat zich bij de
Catharina parkiet uit in grijs met een gele waas. Olijfzeegroen is een
50% reductie van het gele carotenoide. Wanneer deze reductie groter
wordt, zal de vogel te veel grijs gaan vertonen voor een olijfzeegroene.
Sommige kwekers hebben uit hun olijfzeegroenen steeds de meest grijze
vogels geselecteerd en daarmee bijna zuiver grijze vogels gekweekt.
Het is van belang om bij de keuring te benadrukken dat het gaat om olijfzeegroen.
We moeten dus letten op het aanwezig zijn van de gele ondergrond. Het
totaalbeeld moet ook hier zo egaal mogelijk zijn.
De kleurfout dient als zodanig bestraft te worden, al naar gelang de
ernst van de fout.
LUTINO
KLEUR:
Kop: Helder geel. Voorhoofd en schedel
helder diepgeel. De kleur van de wangen en de keel zijn een nuance lichter.
Dit gaat over in de kleur van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit helder geel. Vanaf de onderkant snavelzijn borst en buik helder
geel.
Vleugels: Helder geel. De randen van de
slagpennen zijn helder diepgeel van kleur. De duimveertjes zijn een
nuance lichter van kleur.
Staart: De staartpennen de primaire en
onderstaartdekveren zijn helder geel, dezelfde nuance als het vleugeldek.
Snavel: Hoornkleurig.
Ogen: Rood
Poten: Vleeskleurig, nagels hoornkleurig.
TEKENING:Kop en Lichaam: De tekening ontbreekt
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een witte vlek. De overige witte vleugeltekening is nauwelijks zichtbaar,
doch wel aanwezig.
Staart: De ekening is nauwelijks zichtbaar
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
De lutino mutatie wordt veroorzaakt door een volledige reductie van
het melaninebezit.
Er moet dan ook gelet worden op de juiste gele kleur. Deze moet zo diep
en egaal mogelijk geel zijn. Soms is de gele kleur te warm. Dit kan
duiden op nog een geringe resthoeveelheid phaeomelanine.
De witte tekening (witte vlek op de vleugelbocht) moet duidelijk zichtbaar
en scherp afgetekend zijn en zo helder wit mogelijk. De overige vleugeltekening
is nauwelijks zichtbaar maar wel aanwezig. Volledig egaal gele vleugels
kunnen op dit moment niet worden verlangd, maar genieten bij verder
gelijkwaardige vogels de voorkeur.
Groene aanslag (door onvolledige werking van de inofactor) is duidelijk
fout.
Nuanceverschillen in het geel treden ook op door het al of niet aanwezig
zijn van donkeliactoren. Vogels die zo'n factor bezitten zijn wat dieper
geel van kleur.
ZEEGROEN-INO
KLEUR:
Kop: Zacht geel. Voorhoofd en schedel iets
dieper geel. De kleur van de wangen en de keel zijn een nuance lichter.
Dit gaat over in de kleur van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit zacht geel. Vanaf de onderkant snavel zijn borst en buik zachtgeel.
Vleugels: Zacht geel. De randen van de
slagpennen zijn wat helderder geel van kleur. De duimveertjes zijn een
nuance lichter van kleur.
Staart: De staartpennen de primaire en
onderstaartdekveren zijn zacht geel, dezelfde nuance als het vleugeldek.
Snavel: Hoornkleurig. Ogen: Rood
Poten: Vleeskleurig, nagels hoornkleurig.
Tekening:Kop en Lichaam: De tekening ontbreekt
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een witte vlek. De overige witte vleugeltekening is nauwelijks zichtbaar,
doch wel aanwezig.
Staart: De tekening is nauwelijks zichtbaar
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
Zie hiervoor de aanwijzingen bij de lutino. De kleur is een duidelijke
nuance lichter(zachtgeel) en de tekening (witte vlek op de vleugelbocht)
dient zuiver wit te zijn.
NOG TE VERWACHTEN MUTATIES BIJ DE CATHARINAPARKIETEN:
HEMELSBLAUW
KLEUR
Kop: Helder blauw. Voorhoofd en schedel
helder diepblauw. De kleur van de wangen en de keel is een nuance lichter.
Dit gaat over in de kleur van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit helder blauw.
Vanaf de onderkant snavel zijn borst, buik en flanken helder blauw.
VleugeIs: Helder blauw. De randen van de
slagpennen zijn helder diepblauw van kleur. De duimveertjes zijn lichtblauw
van kleur.
Staart: De primaire staartveren en de onderstaartdekveren
zijn helder blauw, dezelfde nuance als het vleugeldek. De primaire staartveren
hebben dezelfde blauwe kleur als de flanken.
Snavel: Hoornkleurig, iets grijs overgoten
met aan het uiteinde een donkergrijze punt. Ogen: Donkerbruin.
Poten: Vleeskleurig, nagels éénkleurig.
Donkergrijze nagels genieten de voorkeur.
Tekening: Kopl Lichaam: Vanaf de achterschedel,
overgaand in nek, rug en stuit bevindt zich een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt zich de eerste ondulatietekening
en ongeveer 1 cm daaronder bevindt zich de tweede ondulatietekening.
Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt zich de derde ondulatietekening.
Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig aanwezig moeten zijn, mogen
niet onderbroken zijn.
Staart: De helderblauwe primaire staartveren
en onderstaartdekveren hebben langs de schacht een zwarte tekening.
De twee middelste, iets verlengde staartpennen, zijn bij de man nagenoeg
geheel zwart. Bij de pop is slechts het uiteinde zwart. Op de primaire
staartveren loopt de stiptekening vanuit de flanken door. Deze hebben
aan de punt van elke veer een zwarte tekening.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
Zie hiervoor de aanwijzingen bij de lichtgroen.
Vooral dient gelet te worden op de scherpte en de regelmatigheid van
de vleugel- en de flanktekening.
KOBALTBLAUW
KLEUR:
Kop: Helder kobaltblauw. Voorhoofd en schedel
helder diep kobaltblauw. De kleur van de wangen en de keel is een nuance
lichter. Dit gaat over in de kleur van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit helder kobaltblauw.
Vanaf de onderkant snavel zijn borst, buik en flanken helder kobaltblauw.
Vleugels: Helder kobaltblauw. De randen
van de slagpennen zijn helder diep kobaltblauw van kleur. De duimveertjes
zijn licht kobaltblauw van kleur.
Staart: De primaire staartveren en de onderstaartdekveren
zijn helder kobaltblauw, dezelfde nuance als het vleugeldek. De primaire
staartveren hebben dezelfde kobaltblauwe kleur als de flanken
Snavel: Hoornkleurig, iets grijs overgoten
met aan het uiteinde een donkergrijze punt.
Ogen: Donkerbruin.
Poten: Vleeskleurig, nagels éénkleurig.
Donkergrijze nagels genieten de voorkeur.
Tekening: Kopt Lichaam: Vanaf de achterschedel,
overgaand in nek, rug en stuit bevindt zich een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
Vleugels: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt zich de eerste ondulatietekening
en ongeveer 1 cm daaronder bevindt zich de tweede ondulatietekening.
Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt zich de derde ondulatietekening.
Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig aanwezig moeten zijn,
mogen niet onderbroken zijn. Staart: De helder kobaltblauwe primaire
staartveren en onderstaartdekveren hebben langs de schacht een zwarte
tekening. De twee middelste, iets verlengde staartpennen, zijn bij de
man nagenoeg geheel zwart. Bij de pop is slechts het uiteinde zwart.
Op de primaire staartveren loopt de stiptekening vanuit de flanken door.
Deze hebben aan de punt van elke veer een zwarte tekening.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
Zie hiervoor de aanwijzingen bij de lichtgroen.
Vooral dient gelet te worden op de scherpte en de regelmatigheid van
de vleugel- en de flanktekening.
MAUVE
KLEUR:
Kop: Helder mauve. Voorhoofd en schedel
helder diep mauve. De kleur van de wangen en de keel is een nuance lichter.
Dit gaat over in de kleur van de borst.
Lichaam: Mantel, bovenzijde dek (rug) en
stuit helder mauve.
Vanaf de onderkant snavel zijn borst, buik en flanken helder mauve.
Vleugels; Helder mauve. De randen van de
slagpennen zijn helder diepmauve van kleur. De duimveertjes zijn lichtmauve
van kleur.
Staart: De primaire staartveren en de onderstaartdekveren
zijn helder mauve, dezelfde nuance als het vleugeldek. De primaire staartveren
hebben dezelfde mauve kleur als de flanken.
Snavel: Hoornkleurig, iets grijs overgoten
met aan het uiteinde een donkergrijze punt.
Ogen: Donkerbruin.
Poten: Vleeskleurig, nagels éénkleurig.
Donkergrijze nagels genieten de voorkeur.
Tekening: Kop en Lichaam: Vanaf de achterschedel,
overgaand in nek, rug en stuit bevindt zich een fijne, regelmatige,
zwarte tekening (omzoming). Ook de flanktekening, die al vlak onder
en achter de wangen begint, is zwart en moet duidelijk aanwezig zijn,
zonder onderbreking. Deze zwarte omzoming loopt door tot op de dijen.
Deze tekening gaat achter de poten en op het achterlijf over in zwarte
stippen. Deze stippen moeten een regelmatig verloop hebben.
VleugeIs: Aan de vleugelbocht bevindt zich
een zwarte vlek. Deze is egaal zwart en mag geen onderbrekingen vertonen.
Ongeveer 1 cm onder deze zwarte vlek bevindt zich de eerste ondulatietekening
en ongeveer 1 cm daaronder bevindt zich de tweede ondulatietekening.
Ongeveer 2 cm daar weer onder bevindt zich de derde ondulatietekening.
Deze ondulatietekeningen, welke regelmatig aanwezig moeten zijn,
mogen niet onderbroken zijn.
Staart: De helder mauve primaire staartveren
en onderstaartdekveren hebben langs de schacht een zwarte tekening.
De twee middelste, iets verlengde staartpennen, zijn bij de man nagenoeg
geheel zwart. Bij de pop is slechts het uiteinde zwart. Op de primaire
staartveren loopt de stiptekening vanuit de flanken door. Deze hebben
aan de punt van elke veer een zwarte tekening.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
Zie hiervoor de aanwijzingen bij de Catharinaparkiet lichtgroen.
Vooral dient gelet te worden op de scherpte en de regelmatigheid van
de vleugel- en de flanktekening. De mauve kleur is te omschrijven als
bijna loodkleurig.
ALBINO
Kleur: Zuiver wit, zonder enige aanslag.
Snavel: Hoornkleurig.
Ogen: Rood.
Poten: Vleeskleurig, nagels hoornkleurig.
KEURTECHNISCHE AANWIJZINGEN:
De albino dient zuiver wit en schoon te zijn, zonder een spoort je aanslag
en spoor van tekening. De bevedering dient glad en aaneengesloten te
zijn. De albino wordt gekeurd in schaal 2.
|