Van Noord tot Zuid: schuldencrisissen
en aanpassingsprogramma's (1)


Eric Toussaint

 

De schuldencrisis, zowel deze van de Derde Wereldlanden en Oost-Europa als deze van de industrielanden, liet toe om vanaf de jaren '80 overal een soberheidspolitiek op te leggen. Dit gebeurde onder de noemer "aanpassing". Regeringen verweten hun voorgangers boven hun stand geleefd te hebben door te gemakkelijk hun toevlucht te zoeken tot leningen. De meerderheid van de regeringen die sinds die jaren '80 aan het bewind waren realiseerde dan ook een "aanpassing" van de overheidsuitgaven, vooral dan van de sociale uitgaven.
Vanaf het einde van de jaren '60 begon in de Derde Wereld en in Oost-Europa de staatschuld enorm te stijgen. Dit mondde uit in een terugbetalingscrisis vanaf 1982. De verantwoordelijken zijn bekend. Ze bevinden zich vooral in de meest geïndustrialiseerde landen: de privébanken, de Werelbank en de regeringen van het Noorden die allen kwistig miljarden eurodollars en petrodollars uitleenden.

Op zoek naar een manier om iets aan te vangen met hun overschotten aan kapitaal en goederen, leenden de verschillende actoren in het Noorden graag aan zeer lage rentevoeten. Op die manier werd de staatsschuld van de Derde Wereld en van Oost-Europa met twaalf vermenigvuldigd tussen 1968 en 1980. In de meest geïndustrialiseerde landen steeg de schuld even sterk gedurende de jaren '70. Op dit einde van de dertig naoorlogse gloriejaren reageerden de regeringen met keynesiaanse maatregelen, met de bedoeling de economische machine terug op gang te trekken.

Een historisch keerpunt waren de jaren 1979-1980-1981, toen Thatcher en Reagan aan de macht kwamen. Deze begonnen met het op grote schaal toepassen van een door de neoliberalen gedroomde politiek.

Direct trokken ze met name de rentevoeten sterk op, wat de staten met schulden ertoe verplichtte enorme bijdragen over te hevelen naar private financieringsinstellingen. Vanaf dan vormde de terugbetaling van de schuld een belangrijk mechanisme voor de overheveling van een deel van de rijkdom geproduceerd door loontrekkers en kleine producenten naar het financiële kapitaal op wereldschaal.

Met deze politiek, gedicteerd door de neoliberalen, begon een krachtig offensief van het kapitalisme tegen de arbeid.

Ondergedompeld in schulden worden overheden verplicht sociale uitgaven evenals investeringen te beperken. De rekeningen moeten in evenwicht gebracht worden. Vervolgens wordt toevlucht gezocht in nieuwe leningen, om het hoofd te kunnen bieden aan de stijgende rentevoeten. Hier treedt het fameuze sneeuwbaleffect in werking. Het doet zijn werk in alle uithoeken van de wereld gedurende de jaren '80. De schuld stijgt onomkeerbaar door het gecombineerde effect van de verhoogde rentevoeten en de noodzaak van nieuwe leningen om vroegere leningen terug te betalen.

Om de staatsschuld terug te betalen, voerden de regeringen volop nieuwe belastingen in. Bovendien wijzigde de structuur van de belastingensinkomsten zich gedurende de jaren '80-'90: het deel afkomstig van belastingen op inkomsten uit kapitaal verminderde, terwijl het deel voortkomend uit belastingen op loonarbeid en verbruik vergrootte. De stijging van de belastingen op verbruik is het gevolg van de veralgemening van de BTW en van de verhoging van de accijnzen.

Samengevat: de staat neemt van de arbeiders en de armen om te geven aan de rijken, aan het kapitaal, m.a.w., net het omgekeerde van een herverdelingspolitiek. Terwijl dat laatste de eerste zorg van regeringen zou moeten zijn. De schuldencrisis van de jaren '80 hangt nauw samen met het proces van deregulering dat kenmerkend is voor de neoliberale globalisering. In feite ging de enorme stijging van de staatsschuld vanaf het einde van de jaren '60 tot het begin van de jaren '80 hand in hand met de ontwikkeling van de markt van de eurodollars en met de eerste etappes in de dereglementering van het internationale monetaire systeem en de wisselmarkten.

Strategische inzet van de structurele aanpassingen in de landen van de periferie
Men stak van wal met de politiek van de structurele aanpassing direct na het uitbreken van de schuldencrisis in augustus 1982. Ze zette het offensief verder dat een vijftiental jaar eerder begonnen was, maar nu onder een nieuwe vorm.

Wat was de inzet van dit offensief?

Voor de regeringen van het Noorden en voor de multilaterale financieringsinstanties die tot hun dienst stonden, in de eerste plaats de Wereldbank, ging het om een antwoord op een uitdaging, met name het verlies aan controle op een groeiend deel van de periferie. Vanaf de jaren '40 tot de jaren '60 volgden de onafhankelijkheidsverklaringen van Aziatische en Afrikaanse landen elkaar immers op en breidde het Oostblok zich uit. De Chinese, Cubaanse en Algerijnse revoluties waren geslaagd, een populistisch en nationalistisch beleid brak door in kapitalistische regimes van de periferie - van het Argentijnse peronisme over de Indische congrespartij van Nehru tot het nationalisme van Nasser.

Samengevat: over heel de wereld hadden zich los van elkaar nieuwe bewegingen en organisaties ontwikkeld die evenveel bedreigingen betekenden voor de dominantie van de voornaamste kapitalistische machten.

De massale toekenning van leningen, vanaf van de tweede helft van de jaren '60, aan een stijgend aantal landen uit de periferie (eerst aan strategische bondgenoten als het Congo van Mobutu, het Indonesië van Suharto, het Brazilië van de militaire dictatuur, uiteindelijk tot en met landen als Joegoslavië en Mexico) vervullen de rol van katalysator voor een machtig mechanisme om zich de verloren controle opnieuw toe te eigenen. De leningen zijn gericht op de opheffing van de nationalistische politiek van deze landen en op de verdere aansluiting van de economieën op de door het centrum gedomineerde globale markt.

De structurele aanpassing heeft ook te maken met de voorziening van de economieën van het Centrum van primaire grondstoffen en van brandstof. Door de onderlinge concurrentie tussen de landen van de periferie te vergroten, door ze aan te zetten hun "exportgerichtheid te versterken", hoopt men op lagere prijzen voor exportproducten, zodat de productiekosten in het Noorden verlagen en de winstmarges vergroten. Het gaat erom de invloedsfeer van de voornaamste kapitalistische landen te vergroten in de context van de koude oorlog, een context ook waarin de emancipatiestrijd overal steeds sterker van zich laat horen.

Daaruit afleiden dat er een complot zou bestaan tussen de privébanken, de Wereldbank en de regeringen van het Noorden afleiden, gaat misschien iets te ver. Toch blijkt het bestaan van strategische bedoelingen wanneer een analyse gemaakt wordt van het door de Wereldbank en de belangrijkste regeringen van de industrielanden gevolgde beleid. (2)

De crisis van 1982 is het resultaat van een combinatie van de lage prijzen voor exportproducten en de explosie van de rentevoeten. Van de ene dag op de andere moet men dus meer terugbetalen met minder inkomsten. Deze situatie werd op den duur onhoudbaar. De landen met schulden kondigen aan dat ze kampen met betalingsproblemen. De privébanken van het Noorden weigeren direct om nog nieuwe leningen toe te kennen en eisen de terugbetaling van de oude schulden. Het IMF en de belangrijkste kapitalistische industrielanden kennen nieuwe leningen toe om de privébanken toe te laten hun verlies te recupereren en om hen te behoeden voor een reeks faillisementen.

Vanaf dat moment legde het IMF, ondersteund door de Wereldbank, aanpassingsprogramma's op. Een land met schulden dat zich verzet tegen de structurele aanpassing krijgt niet langer leningen van het IMF en de regeringen van het Noorden toegezegd. Het is nochtans duidelijk dat wie vanaf 1982 aan de landen van de periferie voorstelde om de betaling van hun schulden stop te zetten het gelijk aan zijn kant heeft. De landen met schulden zouden een front moeten vormen. De oprichting van zo'n front zou de landen van het Zuiden in staat stellen hun condities op te leggen aan de wanhopige schuldeisers.

Door de keuze voor terugbetaling, onder de vernederende voorwaarden van het IMF, hebben de landen met schulden het equivalent van meerdere Marshallplannen aan het Noorden bekostigd. De aanpassing impliceerde de systematische ondermijning van de nationale soevereiniteit in tal van sleutelgebieden. Dat mondde uit in een grotere afhankelijkheid van de betrokken landen ten opzichte van de meest geïndustrialiseerde landen en hun multinationale ondernemingen. Geen van deze landen heeft een sterke en duurzame economische groei kunnen realiseren. Overal vergrootte de sociale ongelijkheid. Uitzonderingen zijn er niet.

De nieuwe leningen door het IMF sinds 1982 hebben drie zaken op het oog: 1) het tot stand brengen van structurele hervormingen door aanpassing; 2) het verzekeren van de terugbetaling van de aangegane schulden; 3) het geleidelijk herstellen van de toegang tot privéleningen via de financiële markten.

Waaruit bestaat deze " aanpassing "?

Onder de noemer " structurele aanpassing " vallen twee belangrijke types van maatregelen. Het eerste type bestaat uit " schokmaatregelen ", in het algemeen de devaluatie van de munt en het optrekken van de binnenlandse rentevoet. Het tweede type bestaat uit structurele hervormingen : privatiseringen, fiscale hervormingen, enz. De door het IMF opgelegde devaluaties bedroegen vaak 40 à 50%. Ze beoogden de competiviteit van de export van de betrokken landen te verbeteren. Dit zou meer deviezen aantrekken, noodzakelijk voor de terugbetaling van de schuld. Verder zorgen de devaluaties voor lagere prijzen voor de exportproducten van de landen van het Zuiden, niet onbelangrijk gezien vanuit het perspectief van de belangen van het IMF en de meest geïndustrialiseerde landen.

Voor de landen van het Zuiden zijn de effecten minder positief: de prijzen voor importproducten exploderen en bedreigen tegelijkertijd de binnenlandse productie. Niet enkel de productiekosten stijgen, zowel in de landbouwsector als in de industrie als in de sector van de handnijverheid (te meer daar voortaan veel geïmporteerde grondstoffen gebruikt worden, men is immers afgestapt van een "autocentrisch" beleid). Ook de koopkracht van de grote meerderheid van de consummenten stagneert (terwijl het IMF elke indexering van de lonen verbiedt.) Bovendien vergroten deze devaluaties de inkomensongelijkheid. De rijken, die over contanten beschikken hebben er immers voor gezorgd buitenlands geld aan te kopen vóór de devaluatie. Bij een devaluatie van 50% verdubbeld de waarde van hun contanten.

Wat de hoge rentevoeten betreft : deze verergert enkel de binnenlandse recessie. De landbouwer of de handarbeider die moet lenen om productiemiddelen aan te kopen, aarzelt of vermindert zijn productie bij gebrek aan middelen.

Het kapitaal van de rentenier daarentegen gedijt goed. Het IMF verdedigt de hoge rentevoeten door te stellen dat ze het nodige buitenlands kapitaal aantrekken. In de praktijk is het kapitaal dat door zulke rentevoeten aangetrokken wordt erg vluchtig en zoekt het andere toevluchtsoorden bij het minste probleem of wanneer elders betere winstkansen ontdekt worden.

Andere aanpassingsmaatregelen, specifiek voor de landen van de periferie, zijn de afschaffing van subsidies voor bepaalde basisgoederen en -diensten en de hervorming van de landbouw. In de meeste Derde Wereldlanden wordt het basisvoedsel (brood, tortilla, rijst,…) gesubsidieerd om sterke prijsstijgingen te vermijden. Hetzelfde geldt vaak voor het openbaar vervoer, de elektriciteitsvoorziening en de waterdistributie. Het IMF en de Wereldbank eisen de stelselmatige afschaffing van zulke subsidies, wat een verdere verarming van de armsten met zich meebrengt en soms zelfs tot hongerrellen leidt.

Verder hebben IMF en Wereldbank een offensief van lange adem ingezet tegen elke vorm van collectief grondbezit. Zo zijn ze erin geslaagd het artikel in de Mexicaanse grondwet dat het collectieve bezit (" ejido ") beschermt te wijzigen. Een van de belangrijke actuele werktereinen van de twee instituten is de privatisering van de collectieve gronden en de staatsgronden in Sub-Sahara Afrika.

Dezelfde aanpassingsmaatregelen in het Noorden en het Zuiden
De verminderde rol van de publieke sector in de economie, de beperking van de sociale uitgaven, de privatiseringen, de belastingshervorming in het voordeel van het kapitaal, de deregulering van de arbeidsmarkt, de ondermijning van essentiële delen van de nationale soevereiniteit, de afschaffing van de controle op de wisselkoersen, de stimulering van het pensioensparen door kapitalisatie, de deregulering van de handel, de aanmoediging van beurstransacties,… Al deze maatregelen worden toegepast over de hele wereld, in een meer of minder ingrijpende vorm afhankelijk van de sociale krachtsverhoudingen. Treffend is dat dat van Mali tot Duitsland, van Canada tot Brazilië, van Frankrijk tot Thaïland, van de VS tot Rusland een vergaande overeenkomst en complementariteit vastgesteld kan worden. In de periferie spreekt men over " aanpassingsprogramma's " gesproken, in het Centrum heet het dan "soberheidspolitiek ".

Overal gebruikte men de schuldencrisis als voorwendsel voor de invoering van zulke politiek.
Overal heeft de terugbetaling van de schuld een duivels raderwerk in gang gezet met als gevolg een verdere transfert van de rijkdom in de richting van de kapitaalbezitters.

Francois Chesnais vat de situatie als volgt samen : "De markten van obligaties op de staatsschuld, ingesteld door de voornaamste landen die belang hebben bij de financiële globalisering en vervolgens opgelegd aan de andere landen (meestal zonder grote moeilijkheden), vormen, in de woorden van het IMF zelf, de hoeksteen van de financiële globalisering. In klare taal : het gaat hier precies om het meest zekere mechanisme voor de transfert van de rijkdommen van bepaalde sociale klassen en sociale lagen evenals van bepaalde landen naar andere sociale klassen, lagen en landen. De aanval op de fundamenten van de financiële machten verondersteld de ontmanteling van deze mechanismen en dus de opheffing van de staatsschuld. En niet enkel deze van de armste landen, maar evengoed deze van alle landen waar actieve sociale krachen niet langer aanvaarden dat hun regeringen budgetaire soberheid blijven opleggen aan hun burgers in naam van de betaling van de rente op de staatsschuld. " (3)

De structurele aanpassingsprogramma's en de andere soberheidsplannen verklaren de oorlog aan alle collectieve solidariteitsmechanismen (van collectieve goederen tot het repartitiestelsel op het vlak van de pensioenen) en onderwerpen alle sferen van het menselijke leven aan de logica van de markt.
De echte betekenis van de aanpassingspolitiek is de systematische onderdrukking van alle historische en sociale belemmeringen die de vrije ontwikkeling van het kapitaal in de weg stonden. De logica van de winst moet voortgezet kunnen worden, wat daarvan ook de menselijke en milieukost is.

Het wordt tijd om te breken met die logica, af te stappen van de aanpassingsprogramma's en een geheel aan mechanismen van kapitaalcontrole te herinstaleren om zo de mens weer centraal te plaatsen. Daarom is het belangrijk samen nieuwe netwerken van burgerverzet te creëren, dankzij de solidariteit Noord-Zuid en Oost-West. Het veelkleurige verzet kan uitmonden in een nieuw emancipatorisch project.

(1) Deze tekst is een vertaling uit het Frans van de inleiding van het boek "FMI: Les Peuples Entrent en Résistance.", een co-uitgave van CADTM, CETIM, uitgaven Syllepse, in samenwerking met ATTAC-France, uitgegeven in oktober 2000. (Beschikbaar in het Frans op bestelling. Prijs: 200 Bef., te storten op rekeningnummer van CADTM-CODEWES: 001-2318343-22, met als mededeling "FMI: Les Peuples."
(2) Voor een meer uitgewerkte analyse: Eric Toussaint, Je geld of je leven, hoofdstukken 9 en 10, Brussel 1998, 2de editie, VUBPRESS; Eric toussaint, Arnaud Zacharie, Le Bateau ivre de la mondialisation, Brussel/Parijs, 2000, ed. CADTM/ Syllepse.
(3) F. Chesnais, Tobin or not Tobin, Paris, 1998, L'Esprit frappeur.

 

TERUG