De schuld opheffen om de ontwikkeling te bevrijden (*)


Arnaud Zacharie

 

Twee decennia van structurele aanpassingsprogramma's opgelegd door het IMF en de Wereldbank hebben de schuld van de Derde Wereld verviervoudigd, terwijl ze in feite zes maal terugbetaald werd gedurende deze periode. De bedragen van de terugbetalingen stegen van jaar tot jaar. De terugbetaling van de schuld door de ontwikkelingslanden bereikte in 1999 350 miljoen dollar, zeven maal meer dan de officiële ontwikkelingssamenwerking gedurende dezelfde periode! Het is zo erg dat de netto-transfert ruimschoots negatief is voor de ontwikkelingslanden: het gaat om een verschil van 144 miljard dollar in 1999!
Het is evident dat zulke terugbetalingslast de budgetten van de landen van het Zuiden drukt, terwijl de sociale behoeften van de lokale bevolkingen zonder ophouden groter worden: Afrika besteedt 40% van zijn budget aan zijn buitenlandse schuld. Dit mondt uit in onhoudbare situaties, zoals de opoffering van sociale budgetten van sociale budgetten in naam van de schuld. Kameroen bijvoorbeeld besteedt 36% van zijn budget aan de terugbetaling van haar schuld… tegenover slechts 4% aan sociale basisdiensten!

Het keurslijf van de internationale instellingen

De Derde Wereld wordt in een bijzonder smerig keurslijf gedwongen, met name dit van de internationale financiële instellingen. De aanpassingen gedicteerd door het IMF en de Wereldbank houden massale privatiseringen, onderdrukking van overheidssubsidies en een economie gebaseerd op enkele exportproducten in. Daardoor kan de Derde Wereld zich niet beschermen tegen zowel de onfaire regels van de wereldhandel van de WTO als de mondiale grondstoffenmarkt.

Op twee manieren is sprake van een perverse toestand:

1) Het protectionisme van het Noorden: krachtens het landbouwakkoord van de WTO moeten de ontwikkelingslanden hun douanetarieven verlagen en moeten ze eveneens de subsidies voor hun landbouwsector verminderen. De rijke landen van het Noorden daarentegen, kunnen hun toevlucht nemen tot tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen om de invoer van landbouwproducten uit het Zuiden te beperken. Bovendien staan de door de WTO toegestane uitzonderingen de rijke landen toe te voorzien in directe inkomensteun voor landbouwproducenten: deze steun bedraagt jaarlijks zo'n 350 miljard dollar! Deze oneerlijke concurrentie betekent een jaarlijks verlies van 700 miljard dollar aan exportinkomsten voor de ontwikkelingslanden (UNDP 2000)!
2) De degeneratie van de ruilvoet: terwijl ze moeilijk kunnen doordringen tot de protectionistische markten van het Noorden, ondergaan de Derde Wereldlanden bovendien een bijna voortdurende daling van de koersen van de grondstoffen die ze exporteren naar de wereldmarkt. Dit brengt een vermindering met zich mee van de exportinkomsten en dus van de deviezen noodzakelijk voor import. Als gevolg daarvan wordt de voedselzekerheid van het Zuiden bedreigd (gezien de aanpassingsprogramma's de overlevingseconomie vervangen hebben door een economie gericht op export) en moeten vele arme landen leningen aangaan om hun commerciële import van voedingsproducten te betalen. Daardoor verslechtert de betalingsbalans verder, neemt de buitenlandse schuld toe en worden ze meer afhankelijk van voedselhulp.

Gevangen binnen deze ongunstige regels waar men geen greep op heeft, kan de Derde Wereld onmogelijk ontsnappen aan de vicieuze cirkel die haar belet ervoor te zorgen dat haar bevolkingen toegang hebben tot onderwijs, tot gezondheid, tot elektriciteit en tot drinkbaar water.

Het PRSP-initiatief

Sinds de Jubilee 2000-coalitie de petitie tegen de schuld ondertekend door 17 miljoen mensen aan de G7 overhandigde in Keulen, waren de diverse aankondigingen van schuldverlichting voldoende om het geloof te verspreiden dat ook echt iets gebeurde. De media kondigden een kwijtschelding aan van 90% tot zelfs 100% van de schuld van de arme landen. De aankondigingen echoden het Enhanced HIPC (Highly Indebted Poor Countries) -initiatief dat ondertussen drie jaar bestaat (een periode gedurende welke slechts vier landen aanspraak konden maken op schuldverlichting, met name Oeganda, Ghana, Bolivië en Mozambique).
Hoewel het de verdienste heeft dat het de internationale financiële instellingen eindelijk richt op schuldverlichting, is het Enhanced HIPC-initiatief op verschillende manieren duidelijk ontoereikend. Erger nog, het initiatief is verantwoordelijk voor een verscherping van de reeds niet benijdenswaardige toestand.

Benkingen bij het Enhanced HIPC-initiatief

Politieke conditionaliteit: alleen landen die "politiek correct" geacht worden, hebben toegang tot schuldverlichting. Hoewel het IMF landen als Soedan en Kongo klassificeerde bij de kandidaten voor het initiatief voor 2001 (IMF 2000), moeten landen als Soedan en Kongo niks verwachten (hoewel hun schuld 15% van de schuld van de HIPC uitmaakt);

Een onrealistisch draaglijkheidsbegrip: niet alleen is het draaglijkheidsniveau erg hoog (150% van de exportinkomsten en 250% van de overheidsinkomsten; is schuld draaglijk ondanks het feit dat ze de lokale bevolking het recht op gezondheid en op onderwijs ontneemt?), bovendien zijn de vooropstellingen van de IMF-experten op middenlange termijn compleet onrealistisch.
Bijvoorbeeld: ondanks het feit dat de katoenprijs in Mali 46% van zijn waarde verloren is tussen begin '97 en eind '99, gaat het IMF uit van een jaarlijkse stijging van 9% tot en met 2019!

Homeopatische verlichtingen: de toegekende verlichtingen hebben geen ander doel dan het herfinancieren van dubieuze schuldeisers. Dit mondt uit in groteske situaties, waar de verlichtingen op hun best op minimale verminderingen neerkomen, indien het niet uitdraait op een stijging!
Bijvoorbeeld: Mali moet, volgens optimistische schattingen van het IMF, 16,1 miljoen dollar terugbetalen in 2010, waar dit vandaag 19,7 miljoen is. Zambië moet zelfs meer terugbetalen: een stijging van 136 tot 220 miljoen op het moment dat de beslissing eraan komt! Waarom? Omdat een moratorium van vijf jaar op de terugbetaling van een lening van het IMF haar vervaldag bereikt. Nog een voorbeeld: voor Tanzania verminderen de bedragen van de schuldaflossingen slechts met 7%.

De voorwaarde van aanpassing: wie aanspraak wil maken op schuldverlichting moet structurele aanpassingen toepassen gedurende een periode van drie tot zes jaar. Hoewel ze herdoopt werden tot "Poverty Reduction Strategy Papers", blijven de economische hervormingen dezelfde als deze die tot nu toe toegepast werden onder de vorm van structurele aanpassingsprogramma's: liberalisering en massale privatiseringen; budgettaire soberheid en verhoogde indirecte belastingen; een economische politiek onder het adagio "alles voor de export." Ook blijven de arme landen veroordeeld tot kapitaalvlucht (te wijten aan de liberalisering en aan de repatriëring van de winsten), tot de verarming van de lokale bevolkingen (welke door de gestegen BTW en de afwezigheid van publieke voorzieningen met volle kracht getroffen worden) en tot een afhankelijkheid van enkele exportproducten waarvan de waarde blijft dalen. De privatiseringen zijn ondertussen verheven tot een echt dogma, zonder de minste evaluatie van hun efficiëntie. Nochtans merkt UNCTAD op dat "volgens een recente studie van 53 landen, waarvan 10 uit sub-Sahara Afrika, zouden de overheidsinvesteringen in de jaren '80 veel productiever geweest zijn dan de privé-investeringen. Een opgegeven verklaring daarvoor is een heroriëntering van projecten met overheidsinvesteringen op een meer productieve aanwending, evenals een reductie van de productiviteit van de privé-investeringen door een gebrek aan bijkomende overheidsinvesteringen."

De onmogelijke democratie: hoewel de internationale financiële instellingen niet ophouden met het aanprijzen van "deugdelijk bestuur", beperken alle arme landen zich tot de toepassing van hun programma's. Hoe kan in zo'n situatie gehoopt worden op een democratisch pluralisme? Het voorbeeld van Senegal, waar Abdoulaye Wade verkozen werd met zijn slogan "Sopi!" ("Verandering" in het Wolof), is vandaag een ongelukkige ervaring: het programma van de nieuwe president beperkt zich tot massale privatiseringen en verhoogde indirecte belastingen, d.w.z. tot het programma dat tot dan toe toegepast werd door zijn voorganger Abdou Diouf.

Uiteindelijk zal het initiatief de onderwerping van de arme landen aan de internationale financiële instellingen nog vergroten, zonder dat daartegenover enige vermindering van de armoede staat. Het is niet in te zien hoe de toe te passen hervormingen tot meer voordelige ruilvoeten zouden kunnen leiden voor de landen van het Zuiden, noch hoe deze de repatriëring van de winsten zouden tegengehouden. Wat de schuldenlast betreft, ziet het ernaar uit dat deze even groot zal blijven.

UNCTAD schrijft: "De verwachtingen die men heeft van het Enhanced HIPC-initiatief zijn niet gerealiseerd. De beoogde schuldverlichting volstaat niet om deze draaglijk te maken op middenlange termijn (…); de omvang van de schuldverlichting en de manier waarop deze gebeurt zullen geen directe aanzienlijke gevolgen hebben voor de reductie van de armoede." (UNCTAD 2000).

Bij de UNDP lees je hetzelfde: "De schuld blijft een rem op de menselijke ontwikkeling en op het realiseren van de mensenrechten. (…) Het initiatief om de schuldaflossing op te heffen in het voordeel van de arme landen met hoge schulden (HIPC), heeft tot nog toe slechts een beperkte impact. (…) Nieuwe maatregelen, ingevoerd in 1999, willen voorzien in een snellere en belangrijkere verlichting met het oog op armoedevermindering. De schuldverlichting blijft nog steeds ver achter op de intenties en beloftes. Deze programma's moeten dringend versneld worden, in alle landen. Nieuwe initiatieven moeten genomen worden zodat de schuldvermindering een echte invloed heeft op de menselijke ontwikkeling." (UNDP 2000)

Obligaties op de schuld en de vernietigende terugstroom

Hoewel het fenomeen van de obligaties op de schuld (" Brady Bonds ") in het begin van de jaren '90 een hernieuwde interesse van het internationale kapitaal heeft mogelijk gemaakt voor de zogenaamde opkomende landen, is dit uiteindelijk uitgelopen op opeenvolgende financiële crisissen (de crisissen in Latijns-Amerika in 1994 en 1999, in Azië in 1997, in Rusland in 1998). Vandaag zijn landen als Argentinië, Zuid Korea, Indonesië, Thailand en zelfs Japan nog steeds verstrikt in een zeer zware crisis. De schuld en de armoede blijven uitdijen.

Verscheidene economen, zoals Joseph Stiglitz en Paul Krugman, hebben de verantwoordelijkheid van het IMFin deze (in werkelijkheid in grote mate "zelf-realiserende") crisissen aan het licht gebracht.

Overal hield het IMF vast aan haar dogma's : rentevoeten en belastingen moeten verhoogd worden, terwijl de staatsuitgaven verminderd moeten worden. Het resultaat was dramatisch op twee wijzen : niet alleen hebben deze maatregelen landen in een recessie gestort, bovendien heeft de interventie van het IMF de markten gewekt die, doordat ze hun vertrouwen verloren, het land of de regio ontvluchtten, waarbij het in een verwoestende financiële crisis achtergelaten werd.

Wanneer de speculatieve aanvallen van de jaren '90 alle de vorm van " zelfvervullende profetieën " hebben aangenomen, dan is dat omdat iemand, met name het IMF, het vuur aan de lont heeft gestoken. Dit is een van de duidelijkste banden die uiteenlopende economieën als Rusland, Korea, Hong Kong en Brazilië verbinden. De politie-agent verandert in brandweer en doet nog een schepje bovenop de misdaad van de pyromaan.

De crisis van de Internationale Financiële Instellingen (IFI)

De kritieken op het IMF en de Wereldbank stapelen zich op, ook van binnenuit. De in 1999 ontslagnemende vice-president van de Wereldbank, Joseph Stiglitz, bevestigde dat " het IMF ervan houdt zijn zaakjes af te handelen zonder dat teveel vragen worden gesteld. In theorie steunt het fonds de democratische instellingen in de landen die het steunt. In de praktijk, ondermijnt het het democratisch proces door haar politiek op te leggen. Officieel legt het IMF natuurlijk niks op. Ze onderhandelt de voorwaarden voor het toekennen van hulp. Maar tijdens zulke onderhandelingen bevindt alle macht zich aan de kant van het IMF en deze laatste voorziet slechts uitzonderlijk de tijd voor de totstandkoming van een consensus of zelfs voor brede consultaties met de parlementen of de civiele samenleving. Soms pronkt het IMF met volledige openheid, terwijl het geheime overeenkomsten onderhandelt. "

-De directeur van het Global Report on Development and Poverty 2000/2001 van de Wereldbank, Ravi Kanbur, heeft ontslag genomen omdat men hem niet toeliet te bevestigen dat groei niet volstaat en dat daarnaast herverdeling van de rijkdom noodzakelijk is wil men de armoede uitroeien.

-Het Report on Human Development 2000 van de UNDP vergelijkt de onderhandelingen van het IMF met de romans van John Le Carré.

-Een studie van de economist van de Wereldbank William Easterly toont dat de landen die geen aanpassingprogramma's toegepast hebben, betere resultaten behaald hebben op het vlak van strijd tegen de armoede dan deze die dat wel gedaan hebben. Hij vergelijkt bijvoorbeeld China en India met Zambia en de Filippijnen. Hij legt uit dat de economische aanpassingen niet in het voordeel zijn van de armen, terwijl deze laatste wel de voornaamste slachtoffers zijn van deze programma's.

De alternatieven

Terwijl de wereldwijde rijkdom met een factor 7,5 vermenigvuldigd is sinds 1960, worden de armoede en de ongelijkheden onophoudelijk groter : een op twee mensen overleeft met minder dan 2 dollar per dag, een op drie heeft geen toegang tot elektriciteit, een op vijf heeft geen toegang tot dringbaar water, een op zes is analfabeet.
In een wereld gebaseerd op het aantrekken van internationaal kapitaal, wordt de kloof tussen de industrielanden en de arme landen die kapitaal en budgetaire ruimte ontberen steeds dieper.

In die toestand wordt het hoog tijd om een ontwikkelingsfonds te creëren, evenals om een nieuw institutioneel en economisch landschap te creëren op planetaire schaal, om zo een " inclusief " en democratisch globaliseringsproces te realiseren.

Een ontwikkelingsfonds zou putten uit diverse financieringsbronnen :

-De opheffing van de staatsschuld van de Derde Wereld: dit zou de landen van het Zuiden bevrijden van hun budgettaire last en zou fondsen vrijmaken voor ontwikkeling. De juridische notie van de "schandelijke" schuld, die schulden aangegaan door niet-democratische regimes van nul en generlei waarde maakt, moet aangegrepen en behandeld worden in de context van een internationaal schuldentribunaal ;

-De teruggave van het onrechtmatig verworven goed : om ervoor te zorgen dat een opheffing niet ten goede komt aan corrupte en dictatoriale regimes, is de realisatie van internationale enquetes m.b.t. het onrechtmatig verworven goed en haar teruggave aan de lokale bevolkingen noodzakelijk. Opnieuw bestaat hiervoor een juridische mogelijkheid: sinds maart 1991 wordt de verduistering van publieke middelen beschouwd als een schending van de Mensenrechten. Aangezien de Conventie van Rome (1998) door 25 landen geratificeerd werd, kan bij het Internationaal Strafhof een zaak aangespannen worden met een van ondertekenende staten als aanklager ;

-Een belasting op financiële transacties : vertrekkend van het principe dat deze het aantal transacties met de helft zal verminderen, zou een Tobintaks van 0,1% 180 miljard dollar per jaar opbrengen (een taks van 0,25% zou 450 miljard opbrengen) ;

-Een verhoging van de officiële ontwikkelingshulp tot 0,7% van het BBP, een prestatie waartoe de industrielanden zich engageerden in 1992 in Rio (sinds dan is de officiële ontwikkelingshulp verminderd met een factor drie, om nu op 0,24% uit te komen) ;

-UNCTAD doet het voorstel van een eenmalige wereldwijde belasting ("one shot") op de grote fortuinen.

Een nieuw internationaal institutioneel en financieel panorama :
Voor de huidige globale architectuur, waarvan de logica erin bestaat dat de Periferie opgelegd wordt haar grondstoffen uit te voeren naar het Centrum dat zelf beschikt over kapitaal en technologie, moet men regionale economische hergroeperingen in de plaats stellen. Enkel dergelijke ontwikkeling met zichzelf in het centrum zal de totstandkoming van Zuid-Zuidrelaties toelaten, als conditio sine qua non voor de economische ontwikkeling van de Derde Wereld (en bij uitbreiding van de wereld). Deze geïntegreerde zones zouden regionale machten oprichten met een regulerende economische en sociale macht.

Het aanpassen van de regels van de wereldhandel die, in de huidige toestand, neerkomen op een combinatie van protectionisme van de landen van het Noorden t.o.v. de producten uit het Zuiden en een volledige opening van de markten van het Zuiden voor producten uit het Noorden. Niet alleen moet deze logica omgekeerd worden (een brede toegang voor producten uit het Zuiden op de markten van het Noorden, gecombineerd met een zekere dosis protectionisme van het Zuiden, in het bijzonder om voedselsoevereiniteit te realiseren), de regels van de wereldhandel moeten bovendien ondergeschikt gemaakt worden aan criteria m.b.t. het milieu, evenals aan strikte sociale en culturele criteria. De regel van de Meest Begunstigde Natie, die momenteel een steeds verdere liberalisering inhoudt, kan gebruikt worden voor de automatische veralgemening van sociale rechten en milieunormen.

De hervorming van de internationale financiële instellingen, tot datgene waarvoor ze ooit opgericht zijn (voor het IMF het garanderen van de stabiliteit van het internationale financiële systeem en voor de Wereldbank het financieren van de ontwikkeling door een herverdeling van de rijkdommen van de rijke landen naar de arme landen). Dit impliceert de opschorting van de aanpassingprogramma's en de andere programma's; het afstappen van het principe van "één dollar, één stem" met als gevolg dat 24 Afrikaanse landen zich tevreden moeten stellen met 1,17% van de stemmen, terwijl 39,69% van de beslissingsmacht in handen is van 5 landen (de VS, Japan, Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk); de stopzetting van het samengaan van de storting van fondsen en de beslissingen over hun bestemming.

Het controleren van de internationale speculatie, wat een traceerbaarheid van alle financiële transacties veronderstelt, evenals het reglementeren ervan. Een voorbeeld is het instellen van een verplichte tijdelijke inleg. Zo'n systeem verplicht elke speculant die in een land investeert ertoe 20 of 30% van het geld dat hij investeert gedurende een jaar in bewaring te geven. Dit zet aan tot lange termijn investeringen. Op deze inleg ontvangt de speculant geen interest. De overheid kan hem bijvoorbeeld gebruiken om overheidsinvesteringen te doen in geïntegreerde landbouwprojecten waarbij de lokale bevolking van begin tot einde betrokken wordt.

*Tussenkomst van Arnaud Zacharie op het Internationaal Colloquium over de Noord-Zuidverhoudingen (Luxemburg, 1 december 2000).

 

TERUG