Opinie in de Morgen (24/04/01)

Wereldbank en IMF op de beklaagdenbank
De bedrieglijke verlichting van de schuld van de arme landen met hoge schulden

 

Eric Toussaint en Jan Versluys

 

Deze week vindt in Washington de voorjaarsvergadering van Wereldbank en IMF plaats. Een goed moment om de balans op te maken van de concrete realisaties op het vlak van schuldverlichting voor de armste landen. Lichtjaren scheiden realiteit en beloftes.
In 1996 hebben de Wereldbank, het IMF, de G7 en de Club van Parijs (de groep van openbare schuldeisers, waaronder België) een initiatief dat de Arme Landen met Hoge Schulden (HIPC in het Engels, om de terminologie van de Bretton Woods-instellingen over te nemen) in staat moet stellen om een ondraaglijke schuld effectief terug te betalen. Van generositeit was geen sprake, het ging om een koele berekening gericht op het onderhouden van de terugbetalingsstromen. Men beloofde een kwijtschelding van 80% van de schuld van de HIPC. Drie jaar later verhoogde men dit tot 90%.
Het initiatief van Wereldbank en IMF heeft betrekking op 41 landen (dit terwijl de OESO 187 ontwikkelingslanden telt - OESO, Statistieken van de buitenlandse schuld, 2000).

In 2001, vijf jaar na het trompetgeschal bij het begin van het HIPC-initiatief, hebben slechts enkele landen een effectieve vermindering van de schuldaflossingen verkregen. Sinds december 2000 komen 22 van de 41 HIPC in aanmerking voor een verlichting van de schuldaflossingen in de loop van de komende jaren (IMF Bulletin, 15 januari 2001; persconferentie van het IMF op 23 april 2001, www.imf.org). Ondanks het feit dat de herhaalde aankondigingen hun effect op de publieke opinie niet hebben gemist, zijn de resultaten zo mager dat Wereldbank, IMF en de industrielanden de toedracht van hun bedrog moeilijk kunnen blijven toedekken.
Sinds het begin van het initiatief in 1996 steeg de totale schuld van de HIPC met 10 miljard dollar om in 2001 215 miljard dollar te bedragen (IMF, World Economic Outlook, www.imf.org). Tussen 1996 en 1999 zijn de schuldaflossingen globaal met 25% gestegen, tot 11,44 miljard dollar in 1999 (WB, GDF, 1999 en 2000).
Erger nog, in 1999 hebben de HIPC 1,68 miljard dollar meer terugbetaald dan wat ze ontvangen hebben in termen van nieuwe leningen (Werelbank, Global Development Finance, 2000). Wie is dan genereus?

En wat heeft de toekomst te bieden? Wereldbank en IMF bazuinen rond dat de aangekondigde kwijtscheldingen voor de 22 landen een verlichting met 34 miljard dollar, verdeeld over meerdere jaren, zullen vertegenwoordigen. In werkelijkheid komen Wereldbank en IMF niet terug op leningen. De machthebbers in deze instellingen liegen op beschamende wijze wanneer ze laten uitschijnen dat het gaat om een kwijtschelding van hun kant. De multilaterale schuld zal wel degelijk terugbetaald worden aan IMF en Wereldbank, middels de zogenaamde "fiduciaire fondsen".

De door het IMF uitbetaalde som tussen 1996 en 2000 is van de orde van 400 miljoen dollar (jaarrapport 2000 van het IMF; het document opgesteld door Frans kamerlid Yves Tavernier, 13 december 2000). De door de Wereldbank uitbetaalde som is lager dan haar jaarlijkse winst, die van de orde van 1.500 miljoen dollar is. Men moet er rekening mee houden dat IMF en Wereldbank terugkrijgen wat ze uitbetalen in de vorm van schuldaflossingen. Wat ze uitbetalen gaat naar de verschillende "fiduciaire fondsen" die bestemd zijn voor het terugbetalen van de schuld van de HIPC t.o.v. deze zelfde instellingen, welke nooit terugkomen op een lening.

In werkelijkheid bestaat het initiatief erin het gewicht op de financiën van de armste landen een beetje te verminderen zodat het systeem kan voortbestaan. De HIPC blijven eraan vastgeketend. Dit laat de schuldeisers toe verder een politiek op te leggen aan de regeringen van de HIPC die beantwoordt aan de belangen van de industrielanden en hun multinationale ondernemingen. Dit gebeurt nu in het kader van de Poverty Reduction and Growth Facilities (PRGF) en de Poverty Reduction Strategy Papers (PRSP), welke nieuwe namen zijn voor de politiek van structurele aanpassing.

Wanneer men de situatie van de 400 miljoen inwoners van de HIPC wil verbeteren, is het noodzakelijk de buitenlandse staatsschuld van deze landen volledig op te heffen, de aanpassingspolitiek af te schaffen en de bevolkingen van deze landen terug te geven wat hen ontnomen is (het onrechtmatig verworven goed).

De opheffing van de schuld van de armste landen is echter slechts een eerste stap.

Sinds het uitbreken van de schuldencrisis in 1982 gingen de geldstromen van de ontwikkelingslanden naar de rijke landen. Sinds 1982 hebben de bevolkingen van de ontwikkelingslanden het equivalent van meerdere tientallen Marshallplannen naar de schuldeisers van het Noorden gestuurd.

De buitenlandse staatsschuld van de hele Derde Wereld moet dringend kwijtgescholden worden.
De derdewereldschuld is van weinig betekenis in vergelijking met de historische, ecologische en sociale schuld van de rijke landen t.o.v. deze Derde Wereld. De totale derdewereldschuld (het Oostblok niet inbegrepen) bedraagt ongeveer 2.100 miljard dollar in 2001 (waarvan ongeveer 75% staatsschuld betreft), wat overeenkomt met een fractie van de mondiale schuld die meer dan 45.000 dollar bedraagt.
Indien de buitenlandse staatsschuld van de Derde Wereld volledig kwijtgescholden werd zonder schadeloosstelling van de schuldeisers, kwam dit voor deze laatste neer op een miniem verlies van 5%. Voor de bevolkingen die eindelijk verlost zijn van de last van de schuld, zouden de vrijgekomen sommen veel betekenen. Ze kunnen gebruikt worden voor het verbeteren van de gezondheidszorg, voor onderwijs, voor het creëren van werkgelegenheid, enz.
De terugbetaling van de staatsschuld van de Derde Wereld komt gemiddeld neer op een uitgave van 200 à 250 miljard dollar per jaar. Dit is 2 à 3 keer zoveel als de som noodzakelijk voor de bevrediging van de fundamentele menselijke behoeften zoals deze gedefinieerd worden door de Verenigde Naties. Het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en UNICEF schatten dat een bijkomende jaarlijkse uitgave van 80 miljard dollar gedurende tien jaar volstaat om iedereen toegang te verschaffen tot basisonderwijs, basisgezondheidszorg, gepast voedsel, drinkbaar water, sanitaire voorzieningen en gynaecologische en verloskundige zorgen.

TERUG