Geestelijk
vaderschap of moederschap in het monachisme
(Ermeton, 25
februari,2001)
Derde conferentie : Geestelijk vaderschap in de Regel van Sint Benediktus
Geestelijk
vaderschap is in de Regel van Sint Benediktus aanwezig van vooraan tot achteraan.
Om dit echter in het oog te krijgen moet
men naar geestelijk vaderschap zoeken zoals dat in het Nieuwe Testament en
in de primitieve cenobitische traditie werd opgevat en niet als iets dat overeenstemt
met het moderne begrip ‘geestelijke leiding’.
Benediktus onderstreept op de allereerste plaats het vaderschap van
God. Daarna toont hij hoe die zich uit in het gemeenschapsleven, in het bijzonder in de uitoefening van de abbatiale
dienst, maar ook doorheen alle medewerkers van de abt, zelfs in de wederzijdse
gehoorzaamheid waartoe de monniken geroepen zijn.
Heel de Proloog van de Regel spreekt over het vaderschap van God. Benediktus
vraagt de leerling graag de’raadgevingen van een liefdevolle vader’ (admonitionem
pii patris) te willen accepteren. En hij affirmeert dat zijn Regel zich richt
tot elkeen die door het labeur van de gehoorzaamheid wil terugkeren naar de
vader van wie hij zich afgekeerd had door de luiheid van de ongehoorzaamheid,
opdat de liefdevolle vader (pius pater) geen geïrriteerde vader (iratus pater)
zou worden en hem niet zou moeten onterven. De Heer wil ons inderdaad als
een liefdevolle vader de vrees voor de Heer
onderrichten ( Venite, filii, audite me; timorem Domini docebo vos
) en ons de weg ten leven uitstippelen.
Onmiddellijk na de Proloog volgt Hoofdstuk 1, over de soorten monniken,waarin
Benediktus op meesterlijke wijze de definitie geeft van een cenobiet.Hij is
iemand die in een gemeenschap leeft, onder een regel en een abt. Dat zijn
de drie essentiële elementen van het cenobitisch leven en ook de volgorde
waarin ze genoemd worden is van kapitaal belang. In de monastieke geschiedenis
stelt men een decadentie vast, of tenminste een afwijking van het charisma,
telkens als men in de praktijk afwijkt van die volgorde. Er
zijn periodes geweest waar een overmatige nadruk op de Regel en vooral op
de ‘reglementen’ geleid heeft tot legalisme. In andere periodes heeft men
nadruk gelegd op de autoriteit van
de abt, soms opgevat als een monarchale autoriteit, die tot autoritarisme
heeft geleid. Er zijn andere periodes geweest waarin democratiserende tendensen
hebben geleid tot individualisme. Die zelfde drie essentiële elementen vinden
we in dezelfde volgorde terug in de belofte die de novice doet nadat men hem
de Regel heeft voorgelezen. Hij moet a) stabilitas in communitate; b) conversatio
(leven volgens de Regel); c) obedientia beloven.
Slechts nadat Benediktus dit algemeen beeld heeft getekend, spreekt
hij over de uitoefening van het geestelijk vaderschap midden in de gemeenschap.
En hij heeft het natuurlijk op de
eerste plaats over de zending die de abt heeft het vaderschap van God te incarneren
en uit te oefenen bij zijn broeders. Daarom wordt hij trouwens ‘abbas’ genoemd.
“De abt, zo zegt hij, “moet zich altijd de titel indachtig zijn die men hem
geeft (die van abbas). Men geeft hem die titel omdat men in geloof in hem de plaatsvervanger van Christus erkent
(Christi enim agere vices). Zegt de apostel niet : “Gij hebt de geest van
kindschap ontvangen, die ons doet uitroepen : Abba, Vader”.
Welke gevolgen trekt Benediktus daaruit ? Ten eerste dat de abt moet
onderrichten ( wat volgens de traditie de functie bij uitstek is van de geestelijke
vader). Hij moet de geboden en voorschriften van de Heer onderrichten tegelijk
door zijn woord en door zijn voorbeeld en natuurlijk niets onderrichten dat
niet conform zou zijn aan het voorschrift van de Heer. Hij zal inderdaad verantwoordelijk
zijn zowel voor zijn doctrine als voor de gehoorzaamheid van de broeders op
de dag van het oordeel. Is de abt ‘herder’ van de schapen, God is de ‘pater
familias’.
Hij moet de liefde van de Vader en van Christus incarneren voor allen
door aan al zijn broeders eenzelfde affectie te tonen. Hij moet de Christus
in hen verwekken, dit wil zeggen hen stapsgewijs leiden naar een volmaakter
gelijkvormigheid aan het beeld van Christus. Dat houdt ook in dat hij hen
moet berispen, opwekken en, indien noodzakelijk, hun fouten moet verbeteren.
Benediktus zal die fundamentele gedachten hernemen in hoofdstuk 64
en er nog een belangrijke dimensie aan toevoegen. Als een gemeenschap zichzelf
een onwaardige abt zou kiezen, dan moeten de bisschoppen en de gelovigen van
de plaats die situatie corrigeren. Achter die aanbeveling schuilt een belangrijke
overtuiging. Dit houdt in dat het monastiek charisma de monniken niet toebehoort;
het behoort toe aan het Godsvolk in zijn geheel. Zij die dit leven op dit
ogenblik leiden zijn de bewakers van dit charisma; zij bezitten het niet.
Benediktus laat op dit hoofdstuk over de abt onmiddellijk dat volgen
over ‘het betrekken van de broeders in het beraad’. En wel omdat God zijn
vaderschap over de gemeenschap uitoefent door aan alle broeders, zelfs aan
de jongste te openbaren wat Hij van de gemeenschap verwacht.
In het klooster zal niemand zijn eigen wil doen, zelfs de abt niet,
maar de wil van de hemelse vader.
Daarna volgt heel natuurlijk, na het hoofdstuk over de werktuigen om
goed te handelen, hoofdstuk 5 over de gehoorzaamheid, waarin de monnik uitgenodigd
wordt Christus na te volgen die niet gekomen is om zijn eigen wil te doen,
maar die van de Vader die hem gezonden heeft (steeds weer die alomtegenwoordige
aandacht voor de Vader).
De abt deelt met velen de uitoefening
van zijn geestelijk vaderschap, hetzij doorheen een uitdrukkelijk geestelijke
verantwoordelijkheid of zelfs doorheen een materiële taak. Trouwens geen enkele
taak is puur materieel. Het is interessant vast te stellen dat Benediktus
van allen de geschiktheid vraagt de doctrine door te geven, of tenminste een
goed woord te geven. Vooreerst zijn er de dekens (h.21) die met zorg moeten
toezien op hun decanieën en die worden gekozen ‘volgens hun verdienstelijk
leven en de wijsheid van hun doctrine’,
en de ‘sympecten’ (h.27) voor de moeilijke situaties, die gekozen worden voor
hun wijsheid (‘seniores sapientes’).
Dat vaderschap strekt zich uit op het vlak van de materiële dingen
( zoals bij Pachomius). De abt deelt zijn verantwoordelijkheid met de cellerier,
die niet slechts een administrator is, maar iemand die deelneemt aan de uitoefening
van het vaderschap van de abt. Hij moet , zo zegt Benediktus, als een vader
zijn voor heel de gemeenschap ( omni congregationi sicut pater ) (h. 31).
Er is ook de ziekendienaar (h.36) die de broeders moet dienen zoals Christus.
Tenslotte is er diegene die men tegenwoordig de novicemeester noemt,
dit wil zeggen een oudere die in staat is zielen te winnen en die met vaderlijke
zorg toeziet op de novicen (h.58). Dan is er nog de prior; maar Benediktus
schijnt moeilijkheden gehad te hebben met zijn priors. En hij spreekt slechts
over hen om te waarschuwen voor het gevaar van spanningen tussen de abt en
de prior! (h. 65).
Het beeld van de uitoefening van het geestelijk vaderschap in de Regel
zou niet volledig zijn zonder de vermelding van de twee heel mooie hoofdstukken
over de onderlinge gehoorzaamheid en de goede ijver (h. 71 en 72), waardoor
de broeders elkaar niet alleen broederlijke gevoelens tonen, maar tegenover
elkaar het vaderschap van God uitoefenen.
Besluit
Het is duidelijk dat Benediktus geworteld is in de grote cenobitische
traditie.
Voor hem is God de vader van allen en Christus de ware abt van de gemeenschap.
Het geestelijk vaderschap, dit wil zeggen de weergave van het goddelijk vaderschap,
wordt in gemeenschap uitgeoefend, doorheen het gemeenschapsleven zelf, doorheen
de regel die de wil van de Vader actualiseert voor deze gemeenschap; eveneens
door middel van de abt en van allen die delen in zijn taak in alle diensten
aan de gemeenschap, van welke aard ook, geestelijke of materiële.
Ik heb in de loop van mijn opeenvolgende monastieke reïncarnaties gehoorzaamheid
en gezag beoefend vanuit alle gezichtshoeken en in verschillende omstandigheden;
bovendien heb ik contacten gehad binnen mijn Orde als Generaal Raadslid, evenals
in de Benedictijnse Confederatie als lid van het AIM,waardoor ik een aantal
persoonlijke bedenkingen heb verzameld aangaande de uitoefening van abbatiaal
gezag en dus ook aangaande de uitoefening van ‘geestelijk vaderschap’
Het lijkt me dat wij nogal constant leven met twee zeer verschillende
opvattingen over het abbatiaal vaderschap en met twee houdingen of reeksen houdingen die daaruit voortvloeien. Ik ben
me bewust een beetje te karikaturiseren, maar ik doe dit gewoonweg om kentrekken
, die er werkelijk zijn, beter te doen uitkomen .
De werkelijkheid is over het algemeen
toch een beetje genuanceerder.
Om een uitdrukking te gebruiken die niet nieuw is, want ik heb ze al
enkele keren elders gebruikt, kan men zeggen dat we in het eerste geval spreken
van een gemeenschap die een abt heeft, en in het ander geval van een abt die
een gemeenschap heeft.Dit is geen gewoon woordenspel want het verschil tussen
beide is belangrijk en zelfs zeer zichtbaar.
a)
De abt volgens de cenobitische traditie.
Het eerste geval is dat van een abt die zichzelf duidelijk plaatst
in de grote cenobitische traditie.
Al zijn inspanningen zijn voor alles
gericht op het weven van het communautair
weefsel!
-
Hij schept
een atmosfeer van :“ecce quam bonum et quam jucundum habitare fratres in unum”.
-
Hij doet een
plaatselijke ‘traditie’kennen en beminnen en ontwikkelt een plaatselijke ‘cultuur’
die een communautaire identiteit schept. ( Onder ‘plaatselijke monastieke
cultuur’ versta ik een zeer duidelijke monastieke visie die ‘vorm geeft’ –
in aristotelische zin – aan alle aspecten van het gemeenschapsleven : hoe
men in gemeenschap bidt, hoe men zijn kost verdient, hoe men communautaire
beslissingen treft, hoe men gasten ontvangt, enz.).
-
Hij geeft een
onderricht dat concreet en objectief is en de broeders verenigt in een gemeenschappelijk
zoeken en nadenken.
-
Hij is pastoraal
bezorgd over iedere monnik, maar altijd gepaard aan wat er leeft in de communauteit.
-
Hij zet zich
in om rijpe en volwassen personen te vormen.
-
Hij wakkert
de ontwikkeling aan van diverse vormen van leadership in de gemeenschap.
-
Hij is gevoelig
voor subsidiariteit (die erin bestaat verantwoordelijkheden te delen
en niet alleen de taken te verdelen …).
-
Hij vormt eventuele
opvolgers,zonder zichzelf daarbij ‘onveilig’ te voelen.
De overgang na zo een abbatiaat is
gemakkelijk
-
Of het abbatiaat
nu lang geduurd heeft of kort is geweest (want de
communauteit heeft haar eigen identiteit en
Christus is de ware abt ).
b)De andere opvatting over de abt is
meer beïnvloed door de uitoefening van het charismatisch vaderschap in de
woestijn.
- De rol van de abt wordt hier als het ware als ‘voorafgaand’ aan de
communauteit beschouwd, of in ieder geval onafhankelijk van de communauteit. De abt
beschouwt zich als vader zelfs voordat hij zonen heeft.
-Tekens van die mentaliteit zijn overgegaan in het spraakgebruik :”
De abt en de communauteit” ( In de RB ‘hebben’ de monniken een abt; de abt
‘heeft’ geen monniken).
-Hij probeert een persoonlijke ervaring door te geven – op de wijze
van een goeroe – en loopt zo onbewust het gevaar die persoonlijke ervaring
te vereenzelvigen met de Regel. Dan wordt het moeilijk voor de gemeenschappelijke
regel en de gemeenschap om nog te evolueren, in voeling met de uitdagingen
van de Kerk en de maatschappij.
- Iedere communautaire evolutie moet door hem gecontroleerd worden
want die raakt hem heel persoonlijk en stelt hem in vraag.
Die twee verschillende wijzen van uitoefenen van geestelijk abbatiaal
vaderschap zullen hun weerslag hebben op de wijze waarop de novicemeesters,
de cellerier en de andere officianten hun taak uitoefenen.
Is de abt duidelijk van het cenobistisch type, dan zal hij waarschijnlijk
een novicemeester kiezen van dezelfde oriëntatie, die zich zal inspannen de
novicen binnen te leiden in de realiteit van de gemeenschap, en hun persoonlijke
en communautaire identiteit laten ontwikkelen.In het andere geval zal ook
de novicemeester gemakkelijk een goeroetype worden en individuele leerlingen
vormen die weinig ingeschakeld zijn in het communautair weefsel. Hij kan ook
een cloning van de abt worden en zijn activiteit zal dan maken dat het systeem
overleeft , ofwel zal hij een blok vormen dat zich later kan opstellen tegen
de leerlingen van de abt.
De abt van het goeroetype kan heel goed zijn,gevoelig en zelfs liefdevol,
maar die gevoeligheid kan gemakkelijk gepaard gaan met een instinct tot domineren.
Hij regeert met affectie. Hij heeft dikwijls een ‘dauphin’, die hem trouwens
waarschijnlijk niet zal opvolgen en die verschillende andere ‘dauphins’ kan
uitschakelen.
Is hij een man van gebed en van grote deugd, dan zal zijn greep op
de gemeenschap des te groter zijn, zodanig zelfs dat deze gaat panikeren bij
de gedachte hem te verliezen.
**********
Men moet toegeven dat de context van de monastieke restauratie van
de laatste eeuwen een stijl van vaderschap van het monarchaal en gemakkelijk
paternalistisch type heeft bevorderd. De vernieuwing van de monastieke studies
van de laatste halve eeuw is sterk geconcentreerd op de geschriften van,enerzijds,het
semi-anachoretisch monachisme van Beneden-Egypte en,anderzijds,op de traditie
van de Russische startsi. Dit heeft het geestelijk vaderschap doen evolueren
in een minder cenobitische richting.
God zij dank hebben talrijke communauteiten de genade ontvangen, of
ontvangen die nog, een abt of een abdis te hebben die zijn/haar geestelijk
vader- of moederschap uitoefenen als vader of moeder over een ware gemeenschap
, dit wil zeggen als broeder of zuster die , voor een tijd , tegenover hun
broeders of zusters de dienst van het vaderschap van God uitoefenen.