Tweede conferentie : Geestelijk vaderschap bij Pachomius    (Ermeton, 25 februari,2001

 

Een zeer interessant document dat ons toelaat de diverse vormen van geestelijk vaderschap, die we in het primitieve monachisme ontmoet hebben ,te analyseren, is het Leven van Pachomius. De auteur van deze Vita stelt zich als voornaamste doel duidelijk aan te tonen dat Pachomius de stichter is van de Koinonia, de Egyptische vorm van monastiek cenobitisch leven. De zienswijze van  Pachomius op het cenobitisch leven, zijn rol als vader van de koinonia en de ascese wekten ook problemen op. En die spanningen  vinden we weer in de Vita, waardoor we een duidelijk beeld krijgen van de karakteristieken van beide vormen van monastiek leven.

Van kapitaal belang is het verhaal van de eerste roeping van Pachomius :  Antonius kwam uit een Christelijke familie uit de stad . Hij hoort tijdens de liturgische viering het Woord van God dat hem oproept om alles te verlaten en zelfs om zich fysiek te verwijderen van de lokale kerkgemeenschap om in de woestijn te gaan leven. Pachomius daarentegen is van heidense afkomst, uit de woestijngebieden van Opper-Egypte en ontvangt op het ogenblik van zijn bekering de roeping tot het gemeenschapsleven, die  beetje bij beetje duidelijker vorm zal krijgen.

            Tijdens zijn verblijf in de gevangenis van Thebe, als jonge rekruut en nog heiden,genieten hij en zijn gezellen de actieve caritas van de Christenen van die plaats. Hij belooft God dat, als hij uit deze situatie als gevangene bevrijd wordt, hij heel zijn leven de mensen zal dienen. Na zijn bevrijding trekt hij naar Sheneset, waar hij zich dan ook ten dienste stelt van de bevolking. De mensen beginnen terug te keren       naar het dorp, dat bijna verlaten was, omdat Pachomius goed is voor hen.
 
            Een andere belangrijke tekst is het verhaal van de periode die Pachomius doormaakte onder de leiding van de oudvader Palamon. Die Palamon is zo typisch onder de woestijnvaders, dat men terecht mag stellen dat de auteur deze episode in het begin van de Vita     geplaatst heeft om deze vorm van vaderschap goed te doen contrasteren met die welke Pachomius in zijn Koinonia zal ontwikkelen.
 
            We geven hier schematisch de elementen van deze ontmoeting weer :      
  
a)ten eerste weigert de ouderling die “postulant” te ontvangen. Hij vraagt hem bars : “Waarom klop je aan?”
b)Pachomius drukt zijn verlangen uit :”Ik verlang dat u me toestaat bij u monnik te worden, vader”. Ieder woord moet hier gewogen worden.
c)Palamon deelt met hem zijn ervaring – zijn eigen  vastenregime, gebed, waken en werk. (Sbo l0)
d)Palamon aanvaardt hem, stelt hem drie maanden op de proef en geeft hem dan het habijt.
e)”Zij leefden samen als één man in zware en uitputtende ascese. Van zodra Pachomius monnik was geworden, wilde Palamon hem beproeven door waken van de avond tot de morgen, door reciteren van gebeden en veel handenarbeid om zich een oordeel te vormen over de maat van zijn slaap… Pachomius deed in grote gehoorzaamheid wat zijn vader Apa Palamon hem opgedragen had…. Palamon was zeer gelukkig om zijn gehoorzaamheid en zijn vooruitgang. (SBo 10,passim).

 

            De Vita verhaalt ons de vooruitgang die Pachomius maakte door Palamon te imiteren Hij groeit in deugd; en op een bepaalde dag breekt voor hem de tijd aan waarop hij zijn geestelijke vader verlaat.

 

 

            Nadat  Pachomius Palamon heeft verlaten, gaat hij in een verlaten dorp wonen, dat echter gauw weer bewoond raakt omwille van hem. Eerst komt zijn broer Johannes hem opzoeken in naam van de familie die hem, sedert zijn vertrek uit Opper-Egypte opspoort.Dit korte verschijnen van Johannes in het Leven van Pachomius heeft natuurlijk een didactisch doel. Het is ongetwijfeld door de auteur van de Vita verzonnen bij wijze van onderrichting. (We kunnen ons trouwens moeilijk voorstellen hoe een broer van Pachomius, die nog heiden is, een Christelijke naam zou dragen ).

 

            Johannes is de eerste die zich bij Pachomius komt voegen (Sbo 19). Sedert Pachomius’ inlijving bij het leger hadden zij elkaar niet meer ontmoet. Hij kwam Pachomius opzoeken. En de Vita zegt dat “hij hem omhelsde toen hij hem ontmoette in Tabennèsi. Onmiddellijk richtte Pachomius tot  hem het Woord Gods en maakte hem tot monnik bij hem. Pachomius wordt dus de vader van zijn broer door tot hem het Woord Gods te richten (d.w.z. door hem tot het Evangelie te bekeren ) en daarna maakt hij hem tot monnik bij hem. Zij zullen samen leven en de Vita wijdt een uitgebreide beschrijving aan hun gemeenschappelijk leven : “Zij beoefenden samen grote ascese… Zij leefden in grote onthechting… Zij baden samen…”.Dan volgt een ogenblik waarop zij een meningsverschil hebben. De aard van het meningsverschil is zeer interessant. Zij zijn begonnen met de bouw van hun klooster. Johannes nu wil een verblijf alleen voor hen beiden bouwen, terwijl Pachomius wil bouwen voor de menigten die naar hem toe zullen komen. Op een gegeven ogenblik  maakt Pachomius zich kwaad op zijn broer . Die nacht echter vraagt hij in zijn gebed vergiffenis aan God en zegt :”Hoe zal ik diegenen onderrichten die Gij naar mij toe zult zenden, als ik zelf geen begin maak met de strijd tegen mijn vleselijke gedachten”. De volgende morgen vraagt hij vergiffenis aan Johannes. Daarna verdwijnt deze. De Vita zegt enkel dat hij grote ascese beoefende tot op de dag van zijn dood.

           

 

            De auteur van de Vita heeft klaarblijkelijk de broer van Pachomius slechts in verhaal gebracht om goed en duidelijk onderscheid te maken tussen de monastieke traditie van de geestelijke vader in de woestijn die alleen of met een leerling leeft  (  zelfs  als talrijke andere leerlingen in de buurt kunnen wonen) en de Koinonia die Pachomius zal oprichten en die erin zal bestaan dat verscheidene broeders samen leven.

 

            Dan komen de eerste leerlingen. Hier vertoont zich een verschil tussen de primitieve vorm van het Leven van Pachomius, waarvan we slechts fragmenten bezitten en de enigszins definitieve en standaardvorm van het Bohaïrische en het Griekse Leven. In de primitievere vorm zien we dat kort nadat Pachomius zich in het verlaten dorp Tabennèsi heeft gevestigd , de mensen beginnen terug te keren naar het dorp om met hem te leven. Hij stelt zich dan helemaal tot hun dienst, door allerlei werk te verrichten, maaltijden te bereiden, bezoekers te ontvangen enz. De dag waarop hij hen een meer gestructureerd gemeenschapsleven wil opleggen met gemeenschappelijk werk, maaltijden en gebed, komen zij in opstand en uiteindelijk, na veel geduld te hebben geoefend, verjaagt hij hen en begint met een andere groep. Hij  begrijpt dat het niet volstaat zich ten dienste te stellen van de anderen, zoals hij geprobeerd heeft sedert zijn bekering. Hij moet een levensvorm vastleggen waarin allen ten dienste staan van elkaar. Dat zal de essentie uitmaken van de eigenlijke Koinonia, van het gemeenschapsleven.

 

            Maar houden we ons aan de beschrijving van die beginperiode zoals we die lezen in het Bohaïrisch Leven (Sbo 23). Drie mannen komen naar Pachomius toe ( zij hebben Koptische namen : Psentaesi, Sourous en Psoï – zij komen dus uit het heidendom, zoals het geval zal zijn met de meeste leerlingen van Pachomius). Zij zeggen tegen Pachomius :” Wij willen monnik worden bij u en Christus dienen”. Hij praat met hen om te zien of ze “hun ouders kunnen verlaten om Christus te dienen”. Dan ontvangt hij hen bij zich in de vreugde en de liefde van God. “ Toen ze ingetreden waren in de heilige gemeenschap gaven ze zich over aan … talrijke ascetische oefeningen”.

 

            Aanvankelijk doet hij zelf alle werk voor hen, bij zichzelf denkend dat het nog neofieten zijn die nog niet de gesteldheid hebben bereikt om  anderen te kunnen dienen. Daarna “legt hij regels en een levensstijl vast zonder steen des aanstoots, evenals tradities aan de hand van de Schrift, die nuttig zijn voor hun zielen”.

 

            Het diepgaand verschil tussen de relatie van de geestelijke vader uit de anachoretische milieus van Beneden-Egypte en de cenobitische  pachomiaanse traditie is reeds duidelijk tot uiting gekomen : Het gaat niet meer om een relatie tussen geestelijke vader en zijn leerling (of leerlingen), met wie hij zijn persoonlijke ervaring deelt, en die hij persoonlijk leidt in hun geestelijke groei. Het gaat om het vastleggen van een levensregel van een gemeenschap waar men intreedt en waardoor men gevormd wordt. De rol die in de woestijn  de geestelijke vader speelde, gaat hier over op de gemeenschap.Voortaan is het de gemeenschap alsdusdanig die het vaderschap van Christus incarneert en uitoefent. De rol van de cenobitische abt bestaat erin die Koinonia vast te leggen en te handhaven onder de broeders.

 

            Heel de gang van zaken in het klooster ( zoals beschreven in Sbo 26 ) geeft uiting aan die diepe intuïtie. De monastieke gemeenschap is georganiseerd als een traditioneel Koptisch dorp, met verschillende ‘huizen’ waar diverse diensten worden verleend : het huis van de koks, dat van de portiers, dat van de ziekendienaars enz. Aan het hoofd van elke groep stelt Pachomius broeders aan ‘ die in staat zijn zorg te dragen voor het heil van de zielen’. Elk huis heeft een chef met zijn helper. Zowel de chef van het klooster als van ieder huis geeft regelmatig catechese aan de hand van de Heilige Schrift, waarin men de gronddimensie weervindt van de uitoefening van het geestelijk vaderschap zoals dat in de eerste eeuwen van de Kerk werd opgevat.

 

            Na de broer van Pachomius kwam ook de zus – want het is onmogelijk monastieke stichter te zijn zonder dat je een zus hebt ! … Pachomius nodigt haar uit dezelfde levensstijl aan te nemen en zegt haar : “Omwille van jou zal de Heer ongetwijfeld anderen naar ons toe roepen die zullen gered worden omwille van jou”.En inderdaad : verscheidene vrouwen hoorden over haar spreken en kwamen bij haar wonen. “Zij was hun moeder en waardige oudere”.

 

            Deze levensvorm verspreidt zich dan over heel Opper-Egypte in diverse types van stichtingen.Vooreerst, wanneer de monniken te talrijk worden in Tabennèsi, sticht Pachomius een tweede klooster in Phbow. Daarna vragen ouderlingen,met monniken die rondom hen wonen, aan Pachomius hun groepen te komen omvormen in gemeenschappen volgens de regel van de Koinonia; daarna vragen bisschoppen om dit leven te komen inplanten in hun bisdommen.

 

            Het verhaal van de laatste stichting, die van Phnoum in het Zuiden, wijst duidelijk op de zin van de gemeenschap en ook op die van het geestelijk vaderschap dat er wordt uitgeoefend : “Hij bracht er een goede vader heen, Sourous genaamd, en plaatste die man aan  hun hoofd omdat hij in staat was hen te bevestigen in de geboden van onze Heer Jezus . Onze vader Pachomius echter deed dikwijls de ronde van alle kloosters om de broeders te troosten door het Woord Gods, zoals een voedster   haar kinderen verwarmt met de liefde van haar hart”. 

 

            Er bestaat geen enkele spanning tussen de rol van Pachomius tegenover het geheel van zijn kloosters, dat van de overste die hij aan het hoofd van ieder klooster plaatst en dat van de chef van ieder van de huizen die een klooster vormen; evenmin met zijn assistent, want allen zijn dienaars van hetzelfde Woord van God; allen incarneren hetzelfde vaderschap van God  en oefenen het vooral uit door het delen van het woord Gods en vervolgens door wederzijdse broederlijke hulp op alle niveaus.

 

*****

            Pachomius had een uitverkoren leerling Theodorus. Pachomius had  veel vertrouwen in hem, maar geleidelijk aan groeide er een spanning tussen hen beiden en uiteindelijk verwierp Pachomius Theodorus, totdat hij hem weer in zijn functies herstelde, zonder hem nochtans als zijn opvolger aan te duiden.

 

            De spanning tussen Pachomius en Theodorus zoals de Vita die beschrijft, schijnt een spanning geweest te zijn tussen twee vormen van uitoefening van geestelijk vaderschap  : dat van de woestijn en dat van het coenobium. Laten we eerst eens kijken wat we uit de roepinggeschiedenis van Theodorus kunnen halen :

 

            Theodorus behoorde tot een (niet- pachomiaans) klooster in Beneden-Egypte. Een broeder uit zijn communauteit moest op een dag naar Opper-Egypte en werd er in het klooster van Pachomius in Tabennèsi ontvangen. ’s Avonds hoorde hij Pachomius het Woord Gods richten tot zijn monniken. Terug in zijn klooster aangekomen bracht hij zijn medebroeders verslag uit over de Schriftuitleg die hij uit de mond van Pachomius gehoord had. Er leefde in dat klooster een jonge monnik Theodorus genaamd, die door die woorden werd ontvlamd en God smeekte “hem die volmaakte man te doen zien”, zijn dienaar Pachomius. Wanneer uiteindelijk Theodorus na enkele peripetieën, bij Pachomius aankomt, omhelst hij hem en kust zijn handen en voeten en hij drukt ook met de grootste vurigheid een kus op de deur van het klooster. Hieruit kunnen we een eerste les trekken : Theodorus zocht een grote geestelijke meester en hij vindt ook een klooster, dat wil zeggen een gemeenschap. Het verhaal gaat trouwens verder : “Later leidde hij (Pachomius) hem het klooster binnen. Toen Theodorus in het klooster gekomen was zag hij dat de broeders een rechtgeaard leven leidden; hij volgde hun goede werken en deugden na….”. Het is dus door zijn integratie in een gemeenschap dat Theodorus tot monnik zal gevormd worden.

 

            Pachomius zal deze integratie met bijzondere zorg bespoedigen om Theodorus te vormen. Hij krijgt dan ook al vroeg de opdracht vaderschap uit te oefenen tegenover zijn broeders. De Vita noteert : “Onze vader Theodorus maakte veel vooruitgang op alle gebied door een leven te leiden dat getuigde van grote moed. Hij groeide dank zij de onderrichtingen die hij hoorde van de lippen van onze vader Pachomius, naar wiens beeld hij wilde leven in alles. Toen de broeders zagen dat hij opgroeide zoals Samuel en dat hij in de gunst stond van allen, begonnen zij zijn voorbeeld na te volgen. En onze vader Pachomius raadde allen aan Theodorus te gaan opzoeken om van hem troost te ontvangen in hun moeilijkheden en bekoringen. Ze gingen hem opzoeken,zodanig dat ze hem de trooster van de broeders gingen noemen. Door de zalving van zijn woorden gaf hij aan elkeen de vrede weer. Dikwijls bad hij met verschillende onder hen totdat de Heer een einde maakte aan hun bekoringen”.

 

            Er is dus in de schoot van de cenobitische gemeenschap, in bepaalde omstandigheden, wel plaats voor wat men vandaag ‘geestelijke begeleiding’ zou noemen,in het bijzonder op momenten dat er zich moeilijkheden of bekoringen voordoen.Die begeleiding, die ook een uitoefening is van het vaderschap van God, wordt echter niet noodzakelijk door de overste uitgeoefend. Gewoonlijk delegeert hij daarvoor iemand anders. Zijn specifieke rol bestaat erin  de vader te zijn van de gemeenschap als dusdanig; en al zijn energie moet erop gericht zijn deze op  te bouwen en te voeden door het Woord.

 

            Zelfs die dienst van het Woord deelt de Vader van de Koinonia met anderen. Op een avond, Theodorus is dan nog jong, vraagt Pachomius hem na het avondmaal de broeders te onderrichten in het Woord Gods. Pachomius, gezeten tussen de broeders, luistert naar hem zoals alle anderen.(Die snelle opgang bevalt trouwens niet allen en sommige ouderen gaan naar buiten zonder te luisteren).

 

            Pachomius vertrouwt Theodorus en stelt hem al gauw aan tot econoom in Tabennèsi en neemt hem daarna als assistent aan het hoofd van de hele Congregatie. Maar Theodorus,wellicht juist omwille van zijn talenten als trooster der bedroefden en zijn bekwaamheid tot het winnen van de harten door zijn goedheid, schijnt stapsgewijs terug te keren naar het type relatie van de charismatische woestijnvader; en hij treedt minder en minder binnen in de opvatting  van  Pachomius over gezag en geestelijk vaderschap. Die spanning treedt steeds duidelijker voor de dag.  Een eerste voorbeeld daarvan is de scène waarin Pachomius ziek is tijdens een werkperiode en de bijzondere zorgen weigert die Theodorus hem wil toedienen. Hij wil niet anders behandeld worden dan de andere broeders. Een tweede voorbeeld is dat waarbij Pachomius, weer ziek, de voeten van Theodorus wast, nadat deze hem de handen had gewassen.

 

            Dat alles bereidt de crisis voor die zal uitbreken in de schoot van de pachomiaanse Congregatie nog voor de dood van Pachomius, maar ook erna. Op een dag toen Pachomius ziek was en men verwachtte dat hij zou sterven, vroegen de oudere broeders aan Theodorus of hij hun vader wilde zijn na de dood van Pachomius. En hij aanvaardde dat. Ongelukkigerwijze voor Theodorus herstelde Pachomius van zijn ziekte. En toen hij hoorde wat er gebeurd was, ontsloeg hij Theodorus uit al zijn functies. Slechts zeven jaar later werd Theodorus in zijn functies hersteld, maar Pachomius stelde hem niet aan als zijn opvolger. Hij benoemde liever Horsiësius.

 

            Het zou te lang duren heel de zware crisis te verhalen die de Congregatie toen doormaakte. Zij doorstond die crisis echter omdat Pachomius er in geslaagd was een ware gemeenschap te vormen – een Koinonia – met een eigen identiteit , waarvan het bestaan niet gebonden was aan zijn  persoon, noch aan zijn persoonlijk charisma, maar  groter was dan allen die geroepen waren om die gemeenschap te dienen.

 

            Hier volgen toch twee woorden uitleg over deze crisis. De negen stichtingen van Pachomius kunnen in twee groepen ingedeeld worden. De eerste vier lagen dicht bij elkaar zowel in  tijd als in  ruimte en Pachomius schijnt over het geheel direct gezag bewaard te hebben. Een beetje later vond een tweede golf van stichtingen plaats die verder verwijderd lagen van Phbôou en die dicht bij elkaar lagen, uitgezonderd de laatste. Thbêou, de derde stichting van deze groep, was een reeds bestaande gemeenschap, waarvan de vader Petronios vroeg om geïntegreerd te worden in de Koinonia. Pachomius erkende onmiddellijk de geestelijke waarde van Petronios en zijn gaven van onderscheiding. Hij plaatste hem dan ook aan het hoofd van alle kloosters van deze streek, die zich natuurlijk qua mentaliteit onderscheidden van de omgeving van Tabennèsi, zonder de dialectische verschillen te noemen. Als nieuweling in de Congregatie, en behorend tot een afgelegen  streek, verkreeg  Petronios  een gezag en een verantwoordelijkheid over de kloosters van zijn sector die vergelijkbaar is met die van Pachomius over de kloosters van het zuiden. Hij werd als het ware in het aandachtsveld geplaatst als eventuele opvolger.

 

            Het is in die context, toen Pachomius weer eens ziek lag, dat de ‘ouderen’, dit wil zeggen zij die ingetreden waren voor de grote stichtingsgolf  en waarvan Theodorus een van de laatsten was, deze kwamen vragen of hij hun overste wilde worden na de dood van Pachomius.

 

            In ieder geval : Pachomius benoemde vanop zijn sterfbed Petronios tot zijn opvolger. Deze was nochtans ziek en zou slachtoffer worden van dezelfde epidemie. Die laatste stelde alvorens te sterven Horsiësius  aan , een eenvoudig man zonder het vuur noch van Pachomius, noch van Theodorus,  maar die buitengewoon doordrongen was van het Woord Gods. Terwijl hij overste was namen de spanningen in het hart van de Congregatie steeds toe. Horsiësius, die voelde dat de broeders Theodorus als overste verkozen nam zelf ontslag en stelde die laatste aan. Deze slaagde erin de eenheid te herstellen, doch na enkele jaren stelde hij vast dat hij zijn boodschap niet meer kon doorgeven. Hij ging dus Horsiësius halen, die weer als overste van de Koinonia werd aangesteld, een functie die hij vele jaren succesvol vervulde.

 

            De Congregatie overleefde deze crisis niet alleen omdat Theodorus en Horsiësius, elk met zijn grootheid en zijn beperkingen, twee oprechte en nederige personen waren, maar vooral omdat de gemeenschap die Pachomius gegrondvest en gevormd had zijn eigen identiteit en vitaliteit had en noch in zijn bestaan, noch in zijn ontwikkeling, afhing van die of die persoon die toevallig aan zijn hoofd stond.

 

            Het was werkelijk een gemeenschap waarvan God de Vader was. Theodorus had ongetwijfeld een groter persoonlijk charisma dan Pachomius en Horsiësius om monniken te sterken, te troosten en te leiden op momenten dat ze het persoonlijk moeilijk hadden. Daarom ook werd hij zeer bemind door de broeders. Hij zou een uitstekende charismatische geestelijke vader geweest zijn in de woestijn. En zijn aanwezigheid midden in de gemeenschap van Pachomius was kostbaar. Hij is er echter niet in geslaagd echt in te treden in het cenobitisch perspectief van Pachomius. Voor hem is het de gemeenschap alsdusdanig die door zijn levenswijze en de onderlinge aanmoediging de broeders leidt op hun geestelijke weg, vooral doorheen de bediening van het woord Gods. Daarom is hij geen succesvol overste geweest, nadat hij het uiteindelijk geworden was. Horsiësius schijnt overigens geen groot talent als ‘begeleider’ gehad te hebben, maar hij kende grondig de Schrift, kon haar onderrichten en toepassen op concrete situaties in de gemeenschap. Zijn eerste ervaring als overste van de Koinonia was onderbroken  omdat zij niet aanvaard werd door sommigen die eerder een leadership van het type van Theodorus verlangden.  Hij was niettemin in staat nederig ontslag te nemen en tevens heel gewoon zijn taak weer op te nemen wanneer de omstandigheden gewijzigd waren en dit tot groot profijt van allen  gedurende vele jaren.

 

            Deze pachomiaanse ervaring toont ons dat in de cenobitische traditie de communauteit alsdusdanig  het geestelijk vaderschap – of moederschap  - incarneert. De abt oefent dit vaderschap uit, waarvan de gemeenschap de houdster is, ongetwijfeld doorheen zijn vaderlijke aandacht voor iedere monnik, maar vooral doorheen zijn onderrichting – zowel door voorbeeld als door woord. Deze pachomiaanse ervaring toont ons ook dat  de abt zich moet inspannen om een gemeenschap te vormen en niet alleen individuen. Is de gemeenschap solied, dan is hij niet alleen in staat  elke overgang de doorleven,  maar ook  eventuele crisissen te  doorstaan.