Geestelijk vader- of moederschap in
het monachisme
(Ermeton, 25 februari 2001 )
Eerste Conferentie
Wanneer
we in het Christendom spreken over geestelijk vaderschap, moeten we steeds
terugkeren naar het woord van Jezus :”Noem niemand op aarde uw “Vader”, want
gij hebt slechts één Vader, de hemelse (Mt. 23,9). De hemelse Vader naar wie,
volgens de Brief aan de Efeziërs, alle vaderschap in de hemel en op aarde
genoemd wordt (Ef.3,15). Er is geen vader buiten de Vader. Bij gevolg al wie
in het Christendom “vader” genoemd wordt, kan dit slechts zijn omdat hij op
een bepaalde manier het unieke vaderschap van God de Vader tegenover allen
incarneert of openbaart.
Die waarheid
is zo fundamenteel dat men haar dikwijls vergeet in de hedendaagse literatuur
over geestelijk vaderschap. Die literatuur is zeer overvloedig want het thema
is populair en tevens misleidend geworden. Er wordt daarin dikwijls over iets
heel anders gesproken dan over het eigenlijke geestelijke vaderschap.
Opzoekingen
in de grote woordenboeken als Dictionnaire de Spiritualité, Dizionario degli
Instituti di Perfezione enz. leiden ons tot de verrassende constatatie dat
geen enkele een echt artikel bevat over dit onderwerp. Zij volstaan ermee
door te verwijzen naar ‘geestelijke
leiding’. En we denken daarbij natuurlijk direkt aan het mooie boek van Irénée
Hausherr : “Geestelijke leiding in het Oosten vroeger”, dat een onschatbare
goudmijn is aan spiritualiteit, maar waarvan de titel ook vol ambiguïteit
zit. Geestelijk vaderschap en geestelijke leiding zijn inderdaad twee duidelijk
te onderscheiden zaken. Die laatste noemt men vandaag liever ‘geestelijke
begeleiding’, zonder dat daarom de realiteit alsdusdanig anders zou zijn.
Er bestaat een overvloed aan literatuur over ‘geestelijke leiding’, in het
bijzonder zoals die toegepast werd door sommige Woestijnvaders. Maar over
geestelijk vaderschap alsdusdanig bestaat er bitter weinig.
**************
Keren we terug naar ons uitgangspunt
dat elk geestelijk vaderschap hier op aarde niets anders is dan een openbaring
en incarnatie van het unieke vaderschap van God. Als er iemand is die dit
vaderschap in zijn leven heeft kunnen incarneren, dan is het wel de Enige
Zoon van de Vader, die Mens geworden is. Wij zien in het Evangelie dat het
type relatie dat Hij tot stand brengt met hen die Hij geroepen heeft en die
Hem gevolgd zijn, over het algemeen beschreven wordt als een relatie van Meester
tot leerlingen. Dat is trouwens het type relatie dat men weervond in de ascetische
stromingen van die tijd, zoals die van Johannes de Doper, en die Jezus op
zich heeft genomen toen Hij zich door Johannes liet dopen.
Jezus
laat zich nooit vader noemen en eist die titel nooit voor zich op. In het
Nieuwe Testament wordt die titel nooit expliciet toegekend aan een menselijk
persoon op het niveau van geestelijke relaties. Er bestaan natuurlijk twee
teksten van Paulus waarin hij zich die titel zo goed als wél toekent. Het
loont echter de moeite die teksten van dichtbij te onderzoeken want ze openbaren
ons heel veel over de zin van het geestelijk vaderschap.
De eerste
tekst is die waar Paulus zich richt tot de Korintiërs en hen zijn ‘geliefde
kinderen’ noemt, en waar hij zijn
manier van spreken als volgt verklaart :”Al hadt gij in Christus duizenden
opvoeders, gij hebt maar één vader; ik ben het die u door het Evangelie in
Christus Jezus heb verwekt (l Kor.4,l5). Aan de Tessalonicenzen schrijft hij
dat hij hen “als een vader zijn kinderen heeft vermaand, aangemoedigd en bezworen
een leven te leiden God waardig (lTess. 2,ll).
Niemand
is geestelijke vader omdat men zichzelf geestelijke zonen verwekt, maar veeleer
omdat men zijn broeders verwekt in Christus;of om het met andere woorden te
zeggen : Men verwekt Christus in de anderen. (En we weten dat als iemand zichzelf
geestelijke zonen wil verwekken, wat ongelukkig genoeg te dikwijls gebeurt,
het resultaat eerder een cloning
is dan een waar vaderschap).
************
Gedurende de eerste Christen generaties
waren het de bisschoppen die als eersten de titel ‘vader’ kregen. Hun vaderschap
kwam voornamelijk tot uiting doorheen de prediking van Gods Woord.
Na de
generatie van de Apostelen gebeurde de vorming van de catechumenen en de Christelijke
vorming over het algemeen, in hoofdzaak in de ‘Scholen’, die we vooral terugvinden
in de Joods-christelijke Kerken. Het is precies in die Kerken dat zich het
primitieve Christelijke ascetisme ontwikkelde, daarna ook het premonachisme
en het monachisme. De beroemdste onder die Scholen was natuurlijk die van
Alexandrië, omwille van haar stichter Pantenos, daarna Clemens en tenslotte
vooral door Origenes.
In die
Scholen oefende de meester een authentiek vaderschap uit , door met zijn leerlingen
een gemeenschapsleven te leiden, geheel gericht op de studie en meditatie
van het Woord van God. Het was de bedoeling de volledige persoon te vormen
door die te zuiveren van passies en ondeugden. Was het mogelijk bij momenten
zijn hart te openen voor de meester, vooral op ogenblikken van grote bekoringen,
het geestelijk vaderschap van de meester kwam toch hoofdzakelijk tot uiting
tegenover de gemeenschap van leerlingen alsdusdanig, doorheen een gemeenschappelijk
onderricht.
Dat stemt
trouwens overeen met het voorbeeld dat Christus gegeven heeft. Hij roept ongetwijfeld
ieder van zijn leerlingen individueel om Hem te volgen, maar is men eenmaal
leerling, dan wordt men niet gevormd door een privé onderricht, in het kader
van geestelijke leiding, maar door het feit dat men Hem navolgt, in gemeenschap
en door het ontvangen van Zijn publiek onderricht.( We zien in het Evangelie
Jezus nooit leerlingen één na één apart roepen voor ‘geestelijke leiding’
of counseling ).
*************
Een nieuwe
situatie komt tot stand, meer bepaald in de woestijn van Egypte, vanaf de
3e eeuw door een nogal spectaculaire ontwikkeling van het woestijnmonachisme.
Sedert de allereerste Christelijke generatie, en in continuïteit met het onderricht
van Jezus, bestond er in het Christendom een ascetische traditie die zich
voortdurend had ontwikkeld en geëvolueerd was in verscheidene richtingen.
De asceten leefden meestal midden in de kerkgemeenschap, onder de leiding
van de bisschoppen. Later, vanaf de 2e eeuw, groepeerden zij zich
op verscheidene plaatsen tot gemeenschappen die men later de naam ‘premonachisme’
heeft gegeven. Op het einde van de 3e en vooral in de eerste helft
van de 4e eeuw, beleefde men een massale exodus van asceten naar
de woestijn van Egypte, die beschreven werd door Athanasius in zijn ‘Leven
van Antonius’.
Het leven
in de woestijn is gevaarlijk, niet alleen omwille van de materiële eenzaamheid
( die dikwijls al bij al relatief is), maar omdat het een eenzame spirituele
weg impliceert over alle steun van culturele en religieuze omkadering heen.
Op die eenzame tocht over alle kaders heen kan men zichzelf vinden, evenzeer
als men zichzelf kan verliezen. Daarom werd
het al heel vroeg de gewoonte dat elkeen die de woestijn introk, zich
in eerste instantie onder de leiding van een monnik pneumatophoor (geestdrager)
moest stellen, die de naam ‘abba’, vader kreeg.
Niemand
improviseerde zichzelf tot abba. Niemand dichtte zichzelf de titel toe van
‘geestelijke vader’. Was iemand echter zozeer omgevormd door zijn persoonlijke
ontmoeting met God in de grote eenzaamheid dat de aanwezigheid van de Geest
zich in hem zo openbaarde, dan noemde
men hem pneumatophoor. Leerlingen kwamen hem dus opzoeken om zich door hem
te laten leiden. Zij waren het die hem tot ‘abba’ aanstelden. Niemand stelt
zichzelf aan als abba. De leerlingen zijn het die een monnik tot vader omvormen.
Aan de
geestelijke vader vraagt men een woord :”Vader, hoe kan ik gered worden ?
“ Dat woord is een Schriftwoord of een door de Schrift geïnspireerd woord.
We zouden enigszins kunnen zeggen dat de School van Alexandrië zich naar de
woestijn verplaatst. Rondom bepaalde Ouderlingen vormt zich een groep van
leerlingen die met hem samenleven en aan wie hij het Woord overdraagt – zoals
Origenes dat gedaan had met zijn leerlingen in Alexandrië.
Dit model
komt overeen met het algemeen beeld dat de Apophtegmata ervan geven. Die relatie
tussen meester en leerling heeft veel gemeen met die van de goeroe met zijn
leerling in het hindoeïsme. De goeroe, zoals de abba in de woestijn, geeft
geen abstracte doctrine door, maar zijn eigen geestelijke ervaring.
Iets nieuws
ontstaat dan in de woestijn van Egypte, dat ongetwijfeld erg samenhangt met
de oude Egyptische cultuur en de traditionele vormings- en opvoedingsmethodes
in het oude Egypte. Tussen de geestelijke vader en diegene(n) die met hem
samen leven komt niet slechts een relatie tot stand van meester tot leerling,
maar van vader tot zoon. Men leeft samen met zijn vader, men neemt zijn levenswijze,
zijn ascese, zijn gebeden over en hoopt op die wijze dezelfde graad van zuiverheid
van hart te bereiken die hij heeft bereikt. Dit houdt in dat men afziet van
zijn eigen onderscheidingsvermogen, eigen wil en eigen oordeel. Men vertrouwt
zich volledig toe aan een meester die weet hoe iemand te vormen. Als hij iets
absurds opdraagt, zal men het doen omdat men weet dat het bijdraagt tot de
vorming van onze wil. Het gaat hier om een gehoorzaamheid van pedagogische
aard, ten diepste verschillend van de cenobitische gehoorzaamheid. Het is
trouwens een type relatie dat van nature voorlopig is. Want als zij efficiënt
werkt,dan leidt ze de leerling tot een rijpheid, die hem zal toelaten zijn
meester te verlaten om alleen zijn weg voort te zetten in de eenzaamheid.
Laten
we nu synthetiseren wat we gezien hebben:
a)
Het geestelijk
vaderschap zoals Jezus en de eerste Christenen het beleefden, bestond hoofdzakelijk
uit het doorgeven van een geestelijke leer, het leiden van de leerling in
het onderscheiden wie God en wie de Vader is. Zo hebben de Parabels ( die
wij te veel geneigd zijn te beschouwen als onderrichtingen voor ons moreel
gedrag ) tot doel ons te doen begrijpen wie de Vader is. Deze uitoefening
van geestelijk vaderschap bestond erin iemand naar de zuiverheid van hart
te leiden door hem te verplichten tot het nemen van radicale beslissingen.
Het meest frappante voorbeeld is dat van de rijke jongeling, aan wie Jezus
(in het publiek) vraagt alles te verkopen wat hij heeft en Hem te volgen.
Geestelijk vaderschap bestond ook uit het voorbeeld van een dienstbar
leven ( vb. voetwassing bij het Laatste Avondmaal )
b)
In de Scholen,
zoals die van Alexandrië, bestond het geestelijk vaderschap uit een gezamenlijke
diepgaande studie van het Woord Gods onder de leiding van een meester en in
een occasionele persoonlijke begeleiding om alles wat de genadewerking in
de weg stond te bestrijden.
c)
In het anachoretische
( en semi-anachoretische ) monachisme van Beneden-Egypte nu, doet zich een
nieuw element voor, dat erin bestaat als persoon volledig afhankelijk te zijn
van een ander persoon. Alsof het feit zijn ‘eigen’ wil niet te doen een waarde
op zich zou zijn, alsof de wil van de Oudvader die men gekozen heeft automatisch
de wil van God zou worden. Dit type van radicale afhankelijkheid met een pedagogisch
tintje is veel meer geworteld in de opvoedingsvormen van het oude Egypte dan
in het Evangelie. Het is nochtans in die traditie van de anachoretische milieus
van Egypte dat de vorm van ‘geestelijke begeleiding’ geworteld is zoals men
die de laatste eeuwen heeft begrepen.
*************
In de cenobietengemeenschap, zoals
die van Pachomius bijvoorbeeld vindt men een heel verschillende relatie weer
tussen de abba en de leerling. Het charisma van de stichter van de gemeenschap
is niet meer het doorgeven van persoonlijke ervaring aan de individuele leerlingen,
maar het objectiveren en incarneren van deze ervaring in een levensvorm en
een gemeenschappelijke Regel. De rol die de geestelijke Vader speelde in de
woestijn gaat hier nu over op de gemeenschap.
Hij is het die drager wordt van het woord en de geestelijke ervaring. En door
zich in die gemeenschap te integreren zal een monnik trapsgewijze omgevormd
worden naar het beeld van Christus. De abt behoudt een belangrijke rol in
het hart van de communauteit, maar voortaan is het de gemeenschap die Christus verwekt
in zijn leden en die hén verwekt in Christus.
Het vaderschap
van God,in de schoot van het cenobitisch leven, wordt op de eerste plaats
uitgeoefend en uitgedrukt doorheen de broederlijke liefde, doorheen de wederzijdse
verantwoordelijkheid die men voor elkaar opneemt. In die communauteit moeten
verscheidene personen dienst verlenen; en de belangrijkste dienst is die van
abba van de communauteit. De abt of abdis oefent, voor de tijd dat hij of
zij die taak vervult, het vaderschap of moederschap uit waarvan de communauteit
alsdusdanig de houdster is. Hoe oefent hij of zij dat vader- of moederschap
uit? Hoofdzakelijk door het Woord
Gods voortdurend te onderrichten door zijn/haar woorden en voorbeeld.Zijn/haar
voorbeeld is echter dat van trouw aan een gemeenschappelijke regel waaraan
hij of zij zelf onderworpen is;ook het voorbeeld van een zo authentiek mogelijk
realiseren van de geestelijke ervaring die in deze gemeenschappelijke regel
geobjectiveerd wordt. Zijn persoonlijke levenswijze is niet normerend. Zijn
voorbeeld heeft waarde in de mate dat hij/zij trouw is aan de gemeenschappelijke
norm.
De abt
bestaat niet voor de communauteit. De communauteit bestaat voor hem. Het vederschap dat hij uitoefent bestaat
vooraleer het hem wordt toevertrouwd. Het gaat niet om een charismatisch vaderschap
( hoe charismatisch hij zelf ook moge zijn ); het is een taak die hem wordt
toevertrouwd door de broeders. En vermits de broeders hem hebben
aangewezen als diegene die voor een periode in hun midden het vaderschap
van God zal incarneren, moet hij – en ook zij – geloven in de goddelijke genade
************
Laten we nogmaals samenvatten wat we gezegd hebben.
De relatie
tussen een Woestijnvader en zijn geestelijke zonen is een heel ander type
geestelijke relatie dan die welke een cenobitische abt bindt aan de gemeenschap
waarvoor hij verantwoordelijk is. In het eerste geval gaat het over één-één-relaties
tussen de Oudvader en zijn leerlingen, hoe talrijk die ook mogen zijn. In
het tweede geval gaat het vooreerst over een relatie onder broeders, verenigd
in gemeenschap, op basis van een gemeenschappelijke Regel, en over de relatie
van de abt met de gemeenschap alsdusdanig. Een monastieke gemeenschap is iets
heel anders dan een kolonie eremieten, verenigd rond een zelfde geestelijke
vader
De Woestijnvader
bestaat als ‘Oudvader’ alvorens de leerlingen komen, en zelfs als hij geen
leerlingen heeft. De cenobitische abt op zich bestaat niet meer als abt wanneer
hij zijn taak neerlegt – zelfs als hij doorgaat zijn abbatiale kentekens te
gebruiken.
In beide
gevallen wordt het geestelijk vader- of moederschap
hoofdzakelijk beleefd als een doorgeven van het Woord Gods en door het incarneren
van het ‘vaderschap’ of ‘moederschap’ van God ten overstaan van de leerling.
Aan deze
essentiële dimensie van het geestelijk vaderschap is een andere dimensie gekoppeld,
die men vandaag ‘geestelijke leiding’ noemt. ( Velen spreken nu liever van
geestelijke begeleiding, zonder dat de beleefde werkelijkheid daarom noodzakelijk
anders is). Op dat niveau vooral vertoont zich een groot verschil tussen de
woestijntraditie en de cenobitische. In de woestijn bestaat de leiding erin
de ervaring door te geven op een heel praktische, dikwijls originele en bijwijlen
afwijkende manier. De leerling krijgt soms absurde opdrachten om zijn eigen
wil te breken of om zijn gehoorzaamheid te testen. Men laat iemand een onwaarschijnlijk
aantal mondgebeden reciteren , of men belet het hem… Men eist dat hij zich
geheel overgeeft in de handen van diegene die hem ‘vormt’ en dat hij die overgave
toont door dagelijks al zijn gedachten, goede of kwade, te openbaren. Die
methode is zeker niet te versmaden. Zij heeft har vruchten gedragen, zoals
zij ook haar slachtoffers heeft gemaakt. Zij is gebaseerd op de vrije keuze
die een leerling maakt voor een oudere, die hij altijd kan verlaten. Die methode
is in essentie voorlopig.
In het
cenobitisme wordt de geestelijke leiding in hoofdzaak gegeven door de gemeenschappelijke
Regel, gecommentarieerd en toegepast door de communautaire onderrichting van
de abt of abdis.Wanneer de volwassen monnik of moniale een crisismoment doormaakt
of een belangrijke onderscheiding moet maken, is het normaal dat hij of zij
zich opent voor zijn/haar abt of abdis, of een ander lid van de gemeenschap raadpleegt
die pneumatophoor is. Het zou echter absurd zijn de ‘geestelijke leiding’
van de woestijn als regelmatige praktijk over te hevelen naar het cenobitisme.
Het komt
er dus in de grond op aan goed onderscheid te maken tussen ‘geestelijk vaderschap
en ‘geestelijke leiding’. Geestelijk vaderschap is een Christelijke waarde
van alle tijden. ‘Geestelijke leiding’ is een methode van onderlinge broederlijke
hulpverlening, die in iedere tijd sterk beïnvloed werd door de socioculturele
context. Het past zeker niet vandaag de dag de geestelijke leiding te beoefenen zoals die
enkele eeuwen geleden beoefend werd, toen een geestelijke leider, in naam
van de gehoorzaamheid, besliste welke kleding zijn geestelijke dochter mocht
dragen of niet. Het is evenmin nodig, zelfs niet opportuun op onze dagen aan geestelijke leiding te doen zoals
de Woestijnvaders dat deden in de semi-anachoretische milieus, waarvan de
methodes grotendeels afhingen van de opvoedingstechnieken die in het oude
Egypte in zwang waren
De herontdekking
van de bronnen van het primitieve monachisme, een halve eeuw geleden, is grotendeels
een herontdekking geweest van de semi-anachoretische traditie van Beneden-Egypte.
Zij heeft enigszins in het hedendaagse cenobitisme praktijken en oriëntaties
binnengebracht die meer eremitisch dan cenobitisch zijn. Een bepaalde opvatting
over ‘geestelijke leiding’, zelfs als ze ‘geestelijke begeleiding’ wordt genoemd,
kan gemakkelijk tot ‘gewetensverdrukking’ verworden, vooral als ze
wordt toegepast door een persoon met gezag. Het is zeker zorgwekkend
vast te stellen dat die tendens dikwijls benadrukt wordt in wat men tegenwoordig
dikwijls ‘de nieuwe gemeenschappen’ noemt. Een ware cenobitische abt helpt
ieder monnik in zijn gemeenschap om te groeien in Christus, door een gemeenschap
te vormen die rijp is en open , en die zelf elk van zijn leden begeleidt,
ondersteunt en ‘baart’ in Christus.