CITEAUX EN HET CULTUREEL MIDDELAARSCHAP VAN HET
Dom Armand VEILLEUX
______________________
Talrijke monastieke hervormingen, alle draagsters van dezelfde geestelijke
ademtocht, verschijnen in de laatste jaren van de XIe eeuw. Cîteaux is er
één van, die na een nederig en langzaam begin, plots een buitengewone ontwikkeling
kent gedurende ongeveer een eeuw. Na die korte ongewone groeiperiode echter
is zij buiten adem, alhoewel de orde toch doorgaat met groeien en zich over
de hele christenheid te verspreiden. Hoe is dit buitengewoon succes te verklaren
tegelijk met de relatief korte duur van haar werkelijke gouden eeuw ?
Vele studies,ondernomen in de loop van de laatste
halve eeuw, en heel wat bijdragen die geleverd werden in dit jaar van het
negende eeuwfeest hebben het verband onderstreept tussen Cîteaux en de andere geestelijke bewegingen van de elfde
en twaalfde eeuw. Dit congres, dat de rol van de monniken in de opbouw van
Europa wil bestuderen, nodigt ons uit om verder te gaan.
Het zou natuurlijk gemakkelijk zijn al de prachtige
bijdragen op te sommen die de Cisterciënzers hebben geleverd in de opbouw
van Europa, hetzij op puur geestelijk, hetzij op cultureel niveau, gaande
van architectuur, landbouwontwikkeling tot zelfs sociale en politieke instellingen.
Men loopt dan echter het risico de geschiedenis van het monachisme te schrijven
gezien door de monniken en vanuit monastieke bronnen. Daardoor zou men gemakkelijk
in de val trappen van zelfvoldaanheid en zelfbehagen. Het is niet mijn bedoeling
mijn eigen wierookkorreltje toe te voegen aan deze liturgie.
Ik zou een lichtjes andere benaderingswijze willen
volgen, en gewoonweg proberen zien hoe Cîteaux zich situeert in de maatschappij
van zijn tijd, op alle niveaus : economisch en politiek evenals religieus
en theologisch. Ik zou willen pogen te begrijpen hoe deze hervorming beïnvloed
werd door diverse tijdsstromingen – positief of negatief – en hoe zij hen op haar beurt heeft beïnvloed,
misschien niet zonder zich door sommige ervan te laten recupereren.
Jarenlange studie van de relaties tussen monachisme
en cultuur heeft me ervan overtuigd dat iedere geboorte van een nieuwe vorm
van monastiek leven en van iedere belangrijke hervorming van het monachisme
zich historisch situeert op een moment van diepe culturele en sociale mutatie.
Zij doet zich voor wanneer bepaalde individuen bijzondere aandacht hebben
voor de aspiraties van vrouwen en mannen van hun tijd en op die aspiraties
een antwoord geven dat begrijpelijk en toegankelijk is voor hun tijdgenoten.
Het valt niet zelden voor dat een gebeurtenis die geen enkel uitstaans schijnt
te hebben met het monachisme een diepgaande invloed heeft op het verder verloop
ervan. Bovendien vindt men constanten weer in alle monastieke stichtingen
en hervormingen doorheen de tijden. Om die reden volstaat het niet de stichting
van Cîteaux in zijn historische context te plaatsen.
Zij moet gesitueerd worden in de meer
algemene context van alle voorafgaande monastieke hervormingen – die elkaar
trouwens verwekt hebben, zij het soms met enkele eeuwen afstand.
Om het bijzonder geval Cîteaux te verstaan zal u me toestaan een omweg te
maken – een omweg die ik niet te lang wil uitspinnen, maar die ik u niet mag
onthouden. Die omweg bestaat erin een blik te werpen op de dynamiek van de
voorafgaande monastieke hervormingen. Het zal natuurlijk gaan om een vlug
overlopen, waarbij we moeten pogen juist een dynamiek te ontwaren en niet
naar nuances te zoeken. Cîteaux is niet te begrijpen zonder Cluny; Cluny is
niet te begrijpen zonder Benediktus van Aniane, en het benediktijns monachisme
is niet te begrijpen zonder verwijzing naar het oosters monachisme.
Wij hebben natuurlijk niet de tijd om veel te spreken over het oosters monachisme
dat nochtans zulke invloed gehad heeft op dat van het Westen. Sta me nochtans
toe een ogenblik stil te staan bij het monachisme van Egypte. Waarom? Omdat,
op socio-politiek en economisch gebied in Egypte, ten tijde van Antonius,
zich iets opmerkelijk gelijkaardigs zal voordoen als wat er in Europa zal
gebeuren in de tijd van Cîteaux. Laten we dat even vlug bekijken, als u het
geduld hebt mij te volgen.
Toen Egypte tijdens de Ptolemeïsche periode direct vanuit Alexandrië door
de Keizer, via een prefect bestuurd
werd, vestigde een eerste hervorming, die van Septimus Severus, in het begin
van de derde eeuw, een locale administratie in een dertigtal metropolen, die
later de zetels zullen worden van de kerkelijke diocesen na de Vrede van Constantijn.
Nationaal gevoel en gevoel voor eenheid van het land, die doorheen deze hervorming
werden hervonden, zullen het Athanasius , de bisschop van Alexandrië, mogelijk
maken gezag uit te oefenen over geheel Egypte. Onophoudelijk geplaagd door
de Arianen heeft Athanasius supporters nodig. Hij ontdekt in de menigte monniken
een vurige geestelijke kracht voor de Kerk, maar ook een politieke kracht
ten dienste van de aartsbisschop. Hij schrijft het Leven van Antonius, tegelijkertijd
om een geestelijke onderrichting te geven aan de monniken, maar ook om hen
krediet te geven bij de andere bisschoppen.
Op hetzelfde ogenblik maakt een zeer verstandige agrarische hervorming door
Diocletianus het voor de eerste keer mogelijk dat Egyptische boeren de lapjes
grond waarop ze wonen in eigendom krijgen; zij verkopen die echter dikwijls
om te migreren naar de nieuwe metropolen. Dat begunstigt het creëren van grote
eigendommen en schept ook de mogelijkheid grote Pachomiaanse gemeenschappen
te vestigen, waarvan het bestaan onmogelijk zou zijn geweest zonder die agrarische
hervorming. Overigens leiden de ontwikkeling van de landbouw van de Pachomiaanse
gemeenschappen en hun handel met de steden in opbloei, tot een steeds rijker
worden van de kloosters, wat vlug zal uitlopen in een periode van verslapping
na een bliksemsnelle groei in aantal. Een ervaring die zich meer dan eens
zal herhalen in de geschiedenis…
Laten we meteen overschakelen op het Westen
want we moeten bij Cîteaux geraken.De historische beweging, die tot Europa
leidde, vangt aan om zo te zeggen
met het begin van de ontmanteling van het Westromeinse rijk, en dus met de
eerste invallen van de barbaren.
In 395 verdeelt Theodosius
zijn keizerrijk onder zijn zonen : Arcadius krijgt het Oosten en Honorius
het Westen. Kort daarna, tussen 405 en 419, beginnen de invallen van de barbaren
de geografische en sociologische scheuren in het westers keizerrijk ui te
graven. De Romeinen verlaten onmiddellijk Britannia. De barbaren steken de
Rijn over en veroveren Rome in 429. Net voor hij sterft ziet Augustinus de
Vandalen voor de muren van Hippo. Valentinianus III (425-455)
geeft uiteindelijk het Westen over aan de barbaren. En in 476 eindigt
de reeks van Westromeinse keizers. Het kerkelijke en dus ook het monastieke
leven dat, zowel in het Westen als in het Oosten, sedert de eerste christelijke
generaties bestond, werden door die herhaalde invasies diep getekend.
Twintig jaar later ontvangt
Clovis het doopsel en wanneer hij in 511 sterft wordt hij geloofd als de stichter
van verschillende kloosters. Het monastiek leven heeft dus overleefd, maar
er heeft zich een grote verandering in de kloosters voorgedaan. Op het einde
van de vierde en in het begin van de vijfde eeuw werden de kloosters in het
Westen bevolkt door mannen die werden gevormd volgens de oude Romeinse cultuur.
Geleidelijk aan worden ze bevolkt door leden die tot nieuwe naties behoren.
Dat zijn ruwe mannen, met weinig menselijke cultuur, weinig of niet geletterd
en dikwijls slechts van een dun laagje evangelisch vernis voorzien. Het doopsel
van Clovis had namelijk een nieuwe vorm van evangelisatie ingeleid : de massadoopsels.
Een Oostgotische koning zal
, een beetje zoals keizer Diocletianus
in Egypte,
zonder het te willen of te weten, een invloed uitoefenen op het westerse monnikendom
dat gaat volgen. Hoe?
Theodorik, koning van de
Oostgoten, neemt de macht in Rome in 493. Hij had in zijn jeugd tien jaar
in Constantinopel als gijzelaar gewoond. Ambitieus en intelligent tegelijk,
vestigt hij zijn rijk op een integratie van barbaarse en Romeinse elementen.
Hij vertrouwt de verdediging van zijn territorium toe aan het Gothische en
de administratie ervan aan het Romeinse element. Hij weet zich te omringen
met medewerkers van hoge kwaliteit zoals Boëtius en Cassiodorus. Theodorik
zorgt ervoor dat zijn koninkrijk precieze en heldere wetten krijgt. Parallel
daarmee, maken we in de schoot van de Kerk de Gelasiaanse renaissance mee
die zich de uitwerking van een canonieke wetgeving tot doel stelt, met een
universeel, authentiek en Romeins karakter. Zo is Rome, tijdens een barbaarse
periode, nog voor een tijd een centrum waar men naartoe
komt vanuit heel Italië, Afrika en Gallië om er te studeren.
Het is
in die context van kerkelijke en sociale vernieuwing ,zeer kort geschetst,
door dit venstertje dat openstaat naar de beschaving, dat een onbekende auteur
de Regula Magistri schrijft. En onder de studenten, die door hun ouders
voor hun vorming nog naar Rome gezonden worden,
bevindt zich een jonge man van Nursia Benedictus genaamd. Wanneer hij
de eenzaamheid invlucht heeft de Gelasiaanse renaissance hem de Latijnse vertalingen
van de Regels van Pachomius, Basilius en Augustinus ter beschikking gesteld,evenals
de Provencaalse monastieke ervaring.
De komst van Benediktus en
van zijn Regel is dus te danken aan een kleine lichtvlek die doorbreekt in
een periode van barbarij, vrucht van het gezond verstand van een gecultiveerde
barbaar, Theodorik. Onnodig te zeggen dat Benediktus op zijn beurt een enorme
invloed zal hebben niet alleen op het westerse monachisme, maar op de hele
westerse samenleving, zodanig dat hij tot Patroon van Europa is aangesteld.
Na Benediktus herbeginnen de invasies en alle kloosters, die door hem werden
gesticht, verdwijnen. Monte Cassino wordt vernield door de Lombarden rond
577 en Benediktus heeft geen opvolger.
In werkelijkheid gaat wat
men benediktijns monachisme noemt terug op Gregorius de Grote, een eeuw later,
die Benediktus vereeuwigde in zijn Dialogen. Daar bleef het echter niet bij.
Gregorius stelde een daad die van kapitaal belang is voor de toekomst van
het benediktijns monachisme door monniken uit te zenden om Engeland te evangeliseren.
Maar ging het echt om evangeliseren
of eerder om romaniseren?
Het is inderdaad waar dat de oude Latijnse christenheid
ten Noorden van het Grote Britse Eiland praktisch verdwenen was sinds de Romeinen
Britannia hadden verlaten bij het begin van de eerste invallen van de barbaren.
In het Zuiden echter was er een zeer levende Kerk van Keltische oorsprong,
met haar eigen hiërarchisch systeem, zijn inheems monachisme dat banden had
met het oudere oosterse monachisme, met haar eigen liturgie – alles samen
een heel andere Kerk dan die op het
vasteland. Die situatie beviel Gregorius niet, die Romein was tot in de vingertoppen
en heel het Westen zocht te romaniseren.Hij zond dus Augustinus daarheen.
En paradoxaal genoeg maakte Augustinus, toen hij in 596 het klooster van Celio
te Rome verliet, in omgekeerde richting de reis die Columbanus in 590 had
gemaakt toen hij naar het vasteland kwam.
Zo begon een heel lange periode van samenwerking
tussen het benedictijns monachisme en de Pausen in Rome. In ieder geval werd
het benedictijns monachisme betrokken in de zowel politieke als geestelijke
hervormingsprojecten van de Pausen of de Keizers.
Het werd avond en het werd ochtend : een nieuw tijdperk
van invallen en barbarij brak aan; toen kwam de Karolingische hervorming,
zeker een van de grootste hervormingen van de maatschappij en van de Kerk
in het Westen. Het is in ieder geval die hervorming waarin de Kerk en de staat
het meest intiem verbonden waren, zodanig zelfs dat zij soms totaal met elkaar
versmolten.
De hervorming van de Kerk en het monachisme die Karel
de Grote met ijver
ondernam, nadat hij door de paus in 800 tot keizer werd gekroond, maakte deel
uit van een militair en politiek expansieproject dat zijn geest reeds sedert
771 aan het uitwerken was. Zijn droom bestond erin het keizerrijk van Konstantijn
te herstellen.
Dat deze hervorming een diepgaand geestelijk karakter
droeg, ondanks het feit dat zij van bovenaf kwam en niet uit een ervaren nood
aan de basis, ligt in het feit dat ze in handen werd genomen door een grote
geestelijke, Benediktus van Aniane. Een zekere band onder die kloosters was
er het resultaat van , en kondigde reeds de grote Orden van de toekomst aan.
Praktisch alle kloosters waren voortaan van hetzelfde type : groot, machtig,
rijk, met een uitgebreide liturgie, weinig werk, levend van aalmoezen en giften;
de meeste monniken hadden een laagje intellectueel vernis gekregen, alhoewel
enkelen intellectueel beter gevormd waren.
Die kloosterhervorming was niet zonder grandeur.
Maar ze was te zeer gebonden aan de macht die haar had opgelegd. De ijver
verminderde erg na de dood van Benediktus van Aniane die er de ziel van was
geweest en ze overleefde het Karolingische keizerrijk niet, dat al gauw zou uiteenvallen. Nieuwe golven van
barbaren overspoelden toen Europa, Vikings namelijk die uit het Noorden kwamen,
Sarrazenen uit het Zuiden en Hongaren uit het Oosten. Een nieuwe duistere
periode voor het Westen brak aan.
Het werd avond en het werd ochtend. Toen kwam gelukkig
de hervorming van Cluny. Het werk door Benediktus van Aniane begonnen, waarvan
de vlam in enkele kloosters nog levend was gebleven, werd hernomen ,
geleid en tot voltooiing gebracht.
Op de ruïnes van het Karolingisch keizerrijk had
zich in de loop van de negende en tiende eeuw geleidelijk de eerste generatie
van de feodale maatschappij gevormd, waar Kerk en Staat verder verschrikkelijk
met elkaar versmolten waren. De kloosters leden daar misschien het meest onder.
Zij werden namelijk constant van hun goederen onteigend door heren die hen
ook hun abten opdrongen.
Cluny is geboren uit de ontmoeting van twee mannen:
Willem de Vrome, hertog van Aquitanië en graaf van Mâcon, die een klooster
wilde oprichten op zijn gronden, en de edelman Berno, die zelf op zijn eigen
grond het klooster van Gigny had gesticht, alvorens zelf monnik te worden
in Saint Martin d’Autun en de ‘cel van Baume’ te herstellen met de hulp van
Rodolf van Boergondië. Allebei, Willem en Berno, waren ervan overtuigd dat
een van de voornaamste redenen van de droevige toestand waarin zich de Kerk
en het monachisme bevonden hun onmacht was zich te verdedigen tegen de inmenging
van de macht van leken. Daarom had de abdij van bij het begin haar libertas
Zij was een vrije abdij met de volle vrijheid haar eigen abten te kiezen (
zelfs al hebben in feite de eerste drie abten elk hun opvolger aangeduid alvorens
te sterven).
Cluny beschouwde zichzelf vanaf het begin als een
klooster dat aan gebed en arbeid was gewijd, gekenmerkt door de observantie
van het gemeenschappelijk leven en een gematigde ascese. Deze stichting werd
echter van bij het begin opgevat binnenin een project van de Kerk en de maatschappij
– als een belangrijke schakel van een maatschappij waarin geleidelijk aan de versmelting van het tijdelijke en het geestelijke
zouden geëlimineerd worden.
Omwille van haar gevoeligheid voor de aspiraties
van de tijd, ontwikkelde Cluny een
spiritualiteit die rijkelijk bijdroeg tot de ontwikkeling van de spiritualiteit
eigen aan de elfde eeuw : de affectieve spiritualiteit, de zin voor het God
zoeken, sterk kerkbewustzijn en dynamische opvatting van de heilsgeschiedenis,
evenals een sterk eschatologische dimensie.
De Ordo cluniacensis zelf echter werd
een raderwerk van de feodale maatschappij. Daar Cluny een vurige abdij was,
ontving zij ook veel schenkingen, die afkomstig waren van grootgrondbezitters.
Die schenkingen bestonden over het algemeen uit jurisdictie over visserijen,
molens, ovens, kudden en lijfeigen handwerkslieden.
Zo werd Cluny een van de grote verwezenlijkingen
van de patrimoniale economie… Maar andere krachten waren reeds aan het werk,
die geleidelijk die patrimoniale economie gingen vervangen door een monetaire
, wat voor Cluny een economische crisis teweeg bracht. Dat voert ons echter
reeds binnen in een ander tijdperk, dat van Cîteaux.
NAAR CITEAUX…
Na een korte renovatio
imperii onder de bescherming van
de Ottoonse keizers, volgde een andere kerkhervorming, gekend onder de naam
van gregoriaanse hervorming, ook al begon ze lang voor Gregorius VII (1073-1085)
en ging ze na zijn dood verder. Ze werd verwekt door een onderliggende golf
van bewegingen in het christelijke leven die het hele Godsvolk in beroering
brachten. Het christen volk, leken
zowel als clerici, werd toen bevangen door een geestelijke dorst. Die beweging
bereikte ook alle vormen van religieus leven: monniken, kanunniken en eremieten.
Men vindt er mannen en vrouwen, vrijgezellen en gehuwden, clerici en leken
verenigd. De vernieuwing van het christelijk leven is geen privilege meer
van enkele verlichte aristocraten, maar zij ontspringt uit de massa.
In de eerste helft van de
elfde eeuw hadden hervormers als Romuald in Camaldoli of Johannes Gualbertus
in Vallombroso, van de boete en de armoede het motief van hun handelen en
het hart van hun hervorming gemaakt. Dat ideaal van armoede en boete bereikte
nu heel het Godsvolk. De eerste kruistocht, die bezig is op het moment dat
Cîteaux wordt gesticht, stelt zichzelf trouwens voor als de peregrinatio
pauperum naar de Heilige Stad, als een beweging van individuele en collectieve
zuivering, aangemoedigd door Paus Urbanus II en door Petrus de Eremiet. De
weg naar Compostella is eveneens bevolkt met boetelingen, bekeerd door de
eremieten; en menigten boetelingen lopen de wegen af, alle soorten van reizende
predikanten achterna .
Die vaak nogal wilde bewegingen
halen natuurlijk het traditioneel monastiek schema met zijn vaste ordines
overhoop dat werd vastgelegd in het begin van de elfde eeuw door Abbo van
Fleury (+1004) of door Adalberon van Laon (+1030). De clerici , kanunniken
en monniken kunnen wel discussiëren over welke van hun orden het hoogst op
de ladder staat, de leken beginnen reeds te affirmeren : non ordo, sed
modus vivendi. In de menigten die de reizende predikanten volgen vindt
men van alles : gewezen prostituees naast heilige eremieten, armsten uit het
volk, naast edelen.
Op datzelfde ogenblik ontstaat er zowel in de kloosters als erbuiten
een nieuwe
belangstelling voor de Kerkvaders. Men leest Augustinus, Hiëronymus, Ambrosius,
Hilarius,
Boëtius, Cassiodorus. In de kloosters leest men ook Beda, Rabanus Maurus,
Alcuïnus en meer recente auteurs als
Petrus Damiani, Yves van Chartres en Anselmus van Canterbury. Maar bovenal
leest men Cassianus; en zijn Gesprekken hebben zeker een grote invloed gehad
op de wedergeboorte van het eremitisme van de elfde eeuw. We mogen ook Origenes
niet vergeten, die sedert de negende eeuw steeds meer werd gelezen, zij het
dan onder een andere naam.
We zijn beland in een eeuw
van grote intellectuele creativiteit. Men stelt zich niet tevreden met het
lezen en kopiëren van de Vaders. Op het gebied van de spiritualiteit groeit
de nood aan een persoonlijke relatie met Christus. Men wil Christus navolgen,
een menselijke Christus, onderworpen aan de Vader, nederig en medelevend met
zijn broeders, in die mate dat Hij het lijden en de kruisdood aanvaardt. De
vroomheid is van dan af meer affectief dan speculatief. Parallel daarmee ontwikkelt
zich de Mariale vroomheid.
Men stelt in het volk ook
een dorst naar contemplatie vast. De middeleeuwse auteurs gebruiken dikwijls
het Griekse woord theoria dat zo eigen is aan Cassianus. Vergeleken
bij die beschouwing van de goddelijke dingen lijken de dingen van de uiterlijke
wereld slechts verstrooiing.
Die spirituele beweging was
ook een sociaal fenomeen. Het meest nieuwe aspect was namelijk dat de ongeletterden
en armen, die tot dan toe niet veel ruimte hadden gekregen in de feodale Kerk
en maatschappij, nu hun stem gingen laten horen. Het was echter ook de tijd
van de grote geesten als Petrus Damiani, Langfranc, Anselmus en Bruno, Bernardus
en Gratianus en vele anderen. En het wondere was dat kleinen en groten, nederigen
en beroemden dezelfde boodschap herhaalden, zij het dan in een andere stijl.
Dezelfde aspiraties leefden in de harten van allen.
Het resultaat van die bijna
universele honger naar en dat zoeken van God in West-Europa, die gevoed werd
door de prediking van de reizende predikanten, pauperes Christi, was
een geleidelijke groei naar een gemeenschappelijke opvatting aangaande de
situatie in de Kerk. Over het algemeen groeide een impliciete consensus onder
de volkeren over wat men verwachtte van de ordo monasticus. Het succes
van de grote hervormingen van het einde van de elfde eeuw valt op de eerste
plaats te verklaren uit het feit dat zij beantwoordden aan een aspiratie van
het hele christen volk (in tegenstelling bijvoorbeeld met de Karolingische
hervorming die van boven af werd opgelegd).
Het eerste Cîteaux, zoals
het ons wordt voorgesteld in de geschriften die men conventioneel de ‘Primitieve
Documenten’ van Cîteaux noemt , wortelt in heel die grote geestelijke beweging
en is er een heel mooie uitdrukking van, samen met Molesmes waaruit het is
ontstaan.
De eremieten die zich verzameld hadden in Colan en waar Robertus zich kwam bij voegen,
waren geen eremieten in de strikte zin. Zij streefden gewoon naar een eenzamere
levensstijl, naar iets eenvoudiger dan dat wat het cenobitisme van die tijd
hen bood. Zij hadden zich verzameld in Colan en waren verenigd in dezelfde
aspiraties en hetzelfde ideaal; en toen zij zich een abt kozen in de persoon van Robertus, werden zij een cenobitische
gemeenschap en was Molesme gesticht.
Er gebeurden toen twee dingen. Het eerste was dat
Molesme, omwille van zijn nieuwe geest, snel tot ontwikkeling kwam, maar slechts
in de context van het bestaande monastieke systeem, zodat het al gauw door
het systeem zelf werd gerecupereerd. Daar het een vurige abdij was, werd zij erg gewaardeerd en ontving zij dus
veel kandidaten, evenals talrijke weldoeners en talrijke schenkingen. Zij
werd vlug een grote en welvarende abdij, min of meer in dezelfde stijl als
om het even welke abdij van de cluniacenzertraditie. Dat was niet wat Robertus
en zijn gezellen hadden gewild. Dat beantwoordde ook niet aan de geestelijke
stroming waaruit zij waren ontstaan.
Een tweede groot verschil was dat Robertus een eersteklas
cenobitische abt was. Dat betekent dat hij een ideaal wist over te dragen
op zijn leerlingen, dat hij op een onthechte manier heel de gemeenschap, of
een deel ervan, de oorspronkelijke aspiraties kon laten bewaren en op verschillende
manieren laten realiseren, met of zonder hem.
Nadat verscheidene
groepen, voor diverse projecten, de stichting van Aulps in 1097 inbegrepen,
Molesme verlaten hadden, bevond er zich nog een kleine groep monniken die
een zelfde visie en een zelfde verlangen deelden – een visie en een ideaal
die zij gemeen hadden met hun abt. En de dag kwam dat zij vertrokken, en zoals
de tekst van het Exordium Parvum het zegt: “zij vertrokken met hun abt”.
Die kleine uitdrukking is zwaar aan betekenis. De
stichting van Cîteaux geeft inderdaad goed de nieuwe mentaliteit weer die
in de oergemeente van Jeruzalem haar model zag. Het gaat hier niet
om het project van een stichter die leerlingen rond zich schaart, zoals dat
het geval was geweest met alle voorgaande en zelfs contemporaine stichtingen.
Het gaat om een gemeenschap (ecclesia) die beslist, in overleg met
haar abt, iets anders te gaan doen.
Het is betekenisvol dat het Exordium Parvum begint
met “Wij” (Nos cistercienses, primi huius ecclesiae fundatores). Zij
zijn zich bewust ecclesia te zijn; et het Klein Exordium schijnt
een bijzondere zorg te besteden aan de beschrijving hoe zij al hun beslissingen
gezamenlijk en unaniem hebben genomen. Zo kiezen zij hun eigen abt na het
vertrek van Robertus en zij zullen ook in het vervolg hun abten kiezen, terwijl
in Cluny de drie eerste abten hun opvolger benoemd hadden alvorens te sterven,
zoals we hoger reeds vermeldden.
Het vertrek uit Molesme naar Cîteaux staat dus vers
ingeschreven in het geheel van deze
zeer frisse geestelijke beweging, vol vrijheid tegenover traditionele schema’s
en een beetje iconoclastisch, zoals we die beschreven hebben. Het was een
daad van rijpe mannen, die reeds heel lang het monastiek leven leidden. Robertus
was toen 70. Zij kwamen uit een monastieke traditie waar men over het algemeen
heel jong intrad en zij waren niet buitensporig gevoelig voor de ordines
van de Kerk en de maatschappij.
Deze grote geestelijke beweging, - deze vernieuwing van het eremitisme,
deze aspiratie voor de armoede, deze droom om weer te leven als de oergemeente
van Jeruzalem, en die vrije vermenging van alle maatschappelijke klassen op
dezelfde wegen of in dezelfde eenzame plaatsen – hadden het begin van de Gregoriaanse
hervorming gekenmerkt en haar een zekere frisheid geschonken. Toch ging deze
beweging in tegen een ander aspect van dezelfde hervorming, die bijna geobsedeerd
werd door het begrip ‘orde’.
De burgerlijke maatschappij is op dat ogenblik volop
in hervorming. Het is de overgang van de eerste naar de tweede generatie van
de feodaliteit.Een nieuwe burgerij dient zich aan. De ridderstand wordt steeds
belangrijker. Iedereen is heel gevoelig voor de maatschappelijke orde waarin
hij geboren werd. Men wordt ofwel geboren als orator, of bellator
ofwel als laborator. Dat is voorzien in Gods plannen en voor het laatste
oordeel van klasse willen veranderen gaat in tegen de wil van God.
Ook in de Kerk, die zich zojuist heeft bevrijd van
de macht van de keizer en opnieuw haar opperste gezag over de hele maatschappij
reaffirmeert, zijn de ordines even belangrijk . Er kan slechts één
enkel gezag bestaan aan het hoofd van het volk; gisteren was het de keizer,
vandaag is het de paus. Alles in de Kerk,evenals in de burgermaatschappij,
staat onder het gezag van de Opperherder, die alles kan gebruiken in een hervormingsproject,
dat natuurlijk niet anders kan zijn dan politiek ook al is het tezelfdertijd
geestelijk.
Cîteaux en het Gregoriaans systeem
Het tweede Cîteaux, dat van
de rekruten die na 1111 zijn gekomen, en dat niet meer het Cîteaux van de
oude asceten is die van Molesme gekomen zijn, maar dat van de jonge ridders,
laat zich gemakkelijk in het systeem gieten. Die nieuwe rekruten komen bijna
allen uit de adelstand, en in tegenstelling tot het clunyacenzersysteem, waar
men dikwijls bleef intreden als oblaatje, komen dezen als volwassen mannen.
Zij kennen de rang die zij hebben
in de maatschappij, en zij stellen zichzelf geenszins de vraag of die rang
iets is dat gedurende dit leven kan veranderd worden. Bernardus zegt het tot
de kanunniken van Keulen wanneer hij hen uitlegt dat bij de verrijzenis de
mensen zullen verrijzen, elk volgens hun eigen rang… eerst de ridders, dan
de boeren, dan de handelaars.. En wat de Kerk betreft,nemen de cisterciënzers,
in navolging van Bernardus, de ‘driedeling’ over die Augustinus had gebruikt
om de taken en bedieningen te klasseren, die van de drie ordes : prelaten;
die in onthouding leven; echtparen.
De periode van ongeveer een eeuw waar middenin Cîteaux
geboren wordt, dit wil zeggen de periode van 1050 tot 1150, is een periode
van grote maatschappelijke
hervormingen. Vooreerst is het een moment van grote demografische groei. Zelfs
al is het moeilijk de oorzaken en de gevolgen ervan te bepalen, deze demografische
groei gaat gepaard
met een verandering in de landbouw,
met de ontbossing van belangrijke delen van Europa, met de verhoging van de
oppervlakte aan bebouwbare gronden, met nieuwe meer doeltreffende vormen van
grondbewerking, met volksverhuizing en groeiende verstedelijking. Wat van
de weeromstuit veranderingen teweeg brengt in de verhoudingen tussen de klassen
in de maatschappij. Een groeiende handel komt tot stand tussen het platteland
en de steden en er wordt meer en meer gebruik gemaakt van geld.
De tweede feodale generatie
kondigt zich dan aan, met de belangrijke plaats die de ridderstand daarbij
inneemt. Daarenboven zoeken de heren
grondbezitters, uitgezonderd de grootste, nu minder hun inkomsten te putten
uit de grondrenten dan uit de directe uitbating van hun gronden. Het grootste
deel van hun inkomen halen ze uit hun ‘domein’, dit wil zeggen uit de grond
die zij laten bewerken door hun eigen knechten, en niet meer uit rechten die
zij heffen op gronden die bewerkt worden door pachters.
De economie van de traditionele
kloosters was gebaseerd op schenkingen van grondeigendommen met al de rechten
die eraan verbonden waren. De Cisterciënzers echter stellen zich buiten de
productiewijze van de heren. Zij weigeren te leven van grondrenten, van het werk van anderen. Zij zullen gronden
bezitten – maar geen ondergeschikten, geen pachters, noch molens, noch cijnzen
– en zij zullen die gronden zelf exploiteren. Radicaler dan alle voorgaande
hervormingen, baseren zij dus de economie van hun huis op de directe exploitatie,
wat trouwens ook de tendens is bij de heren grondbezitters van die tijd.
Gelukkig, zoals we reeds
zagen, hebben zij de lekenbroeders,
die zij niet als monniken erkennen – want zijn behoren tot een andere ordo
van de maatschappij – zij beschouwen hen toch als broeders, zodanig dat ze
eerlijk kunnen zeggen dat ze zelf hun eigendom uitbaten. Onder die lekenbroeders
zullen zich niet slechts grove en ongeletterde mannen bevinden, maar ook mensen
die zeer onderlegd zijn in uitbating van gronden en in het knoeien met de
wet. Al die competentie zal vereist zijn wil men talrijke stukken grond aankopen
om grote landbouwexploitaties te vormen.
Er zat een
valstrik in die optie van de Cisterciënzers om huneigen domein te beheren.
Hun armoede zou in de loop van twee generaties grote rijkdom voortbrengen.
Om de talrijke monastieke rekruten die blijven toestromen en de talrijke
lekenbroeders
die er zich bij voegen, te kunnen voeden, zijn er grote terreinen nodig. Die
grote oppervlakten zijn vereist omwille van de driejaarlijkse vruchtwisseling
van de teelten en voor het fokken van kudden waarop de Cisterciënzers zich al snel hebben georiënteerd.Die
terreinen breiden
zich uit door ontbossing om nieuwe gronden te verwerven,evenals door aankoop
van reeds
bebouwde gronden, wat dikwijls het verplaatsen van de bevolking vereist om
de woestijn rondom de monastieke gemeenschap te verzekeren.
De verhoudingen op een dergelijke
manier gelegd tussen de grond en de
productieve krachten, het gebruik van enthousiaste handwerkers, alle van eigen
huize, wier onderhoud weinig kostte, daar de gemeenschap ascetisch leefde
en slechts sporadisch geholpen werd door enkele loonarbeiders, die sinds 1134
door het Generaal Kapittel werden toegestaan, dat alles was de voorbereiding
op een merkwaardig economisch succes.
De cisterciënzerabdijen waren
inderdaad gevestigd op nieuwe, dus op vruchtbare gronden. Zij oogsten al gauw
meer graan en wijn dan ze nodig hadden om
van te leven. Het niet ontgonnen deel van hun eigendom werd ruimschoots besteed
aan veefokkerij, hout- en ijzernijverheid. De gemeenschap
at geen vlees, maakte geen gebruik van verwarming, en in geringe mate
van leder of wol. Maar de steden die zich snel ontwikkelden vormden een steeds
groter wordende markt. Men had dus veel producten te verkopen en altijd koopgrage
klanten. Nog voor het einde van de eeuw hadden
de monniken op sommige plaatsen de controle over bepaalde markten.
De controle op de wolmarkt in Engeland is daar een goed gedocumenteerd voorbeeld
van.
Een voorbeeld slechts : De
monniken van Longpont waren begonnen met wijngaarden aanleggen in 1145, dertien
jaar na de stichting van hun abdij; twee jaar later begonnen zij exemptie
van tol te eisen op de wegen die leidden naar
landen die wijn importeerden; zij legden een wijnkelder aan in de stad
Noyon; zij richtten alles in wat de verkoop van hun wijnoogst kon vergemakkelijken.
De documenten die opduiken
uit de archieven brengen twee voorname economische opties aan het licht. Op
de eerste plaats de diepe worteling van de huiseconomie in de directe
uitbating van het grondpatrimonium. Anderzijds, en dit schijnt wel kenmerkend
te zijn voor de twaalfde eeuw, de gewoonte te kopen, te verkopen, te lenen, schulden te maken soms, de min
of meer snelle en min of meer gepousseerde invoeging van een economie waarvan
het
bezitten van grond de voornaamste steun is, in de geldbeweging. Die beweging
wordt heftig en zal de traditionele circuits van uitwisselen van goederen
en diensten danig verstoren.
Eerder dan geschandaliseerd
te zijn moeten we onderzoeken wat hier aan de hand is. Er bestaat een complexe
interactie tussen de maatschappij en de cisterciënzerorde. Enerzijds was er
een landbouwhervorming bezig en een reorganisatie van het grondbezit kwam
reeds op gang. Daarzonder zouden de grote zelfbedruipende cisterciënzergemeenschappen
zich niet hebben kunnen ontwikkelen. Let hier op de parallelle ontwikkeling
van de Pachomiaanse gemeenschappen ). Cîteaux heeft geprofiteerd van de ontwikkeling
van de landbouwtechnieken; de landbouwmethodes waren reeds aan het veranderen.
De driejaarlijkse vruchtwisseling was ingevoerd, de ijzeren ploegen vervingen de houten
en de uitvinding van het hoefbeslag en van het gareel hadden de rentabiliteit
van het paard verhoogd.
Cîteaux profiteerde van dit
alles. Maar omwille van de levenskwaliteit van haar werklieden, omwille van
gedweeë en gemotiveerde handwerkers ontwikkelde Cîteaux op zijn beurt zijn
eigen technieken op een bewonderenswaardige manier. De cisterciënzerexploitaties,
met hun systemen van grangias stonden vlug aan de top van de landbouwontwikkeling.
Denken we bijzonder aan de hydraulische hulpbronnen.
Cîteaux droeg dus bij tot
de snelle omvorming van de rurale wereld, en had daardoor een aanzienlijk
impact op de evolutie van de maatschappij en van de relaties tussen de klassen.
Naarmate de landbouw gerationaliseerd werd en de gronden door monniken werden
opgekocht, migreerde de bevolking van de dorpen en gemeenten naar de steden die aan hetzelfde ritme groeiden.
De steden vormden niet alleen een steeds groeiende markt voor het platteland,
daar inbegrepen de landbouwuitbatingen van de monniken, maar de menselijke
relaties veranderden eveneens. De klasse van de handelaars ontwikkelde zich
en het werd steeds gemakkelijker, tenminste in praktijk, van de ene maatschappelijke
“orde” naar de andere over te gaan. De zo goed geconstrueerde en als van goddelijk
recht beschouwde wereld van de ordines viel uit elkaar. Zo werd het
voor boerenkinkels voordeliger naar de stad te trekken dan lekenbroeder te
worden. De rekrutering van lekenbroeders droogde dan ook op een nogal bruuske
manier uit, en hield zelfs op toen er geen gronden meer te kopen waren.
Cîteaux had, zoals zovele monastieke hervormingen
die eraan voorafgingen, geprofiteerd van een uitzonderlijke samenloop van
sociale omstandigheden, had zich daar prachtig ingevoegd en had grotelijks
meegewerkt met zijn ontwikkeling, maar was dan ook door het systeem gerecupereerd.
Cluny had het monastieke leven bevrijd uit de greep
van de heren, leken en clerici, maar ten koste van de autonomie van de individuele
kloosters, en was uiteindelijk zelf een belangrijk raderwerk in de feodale
wereld geworden. Tezelfdertijd hield de nieuwe economische orde waar Cîteaux
zich bij had aangesloten, een economische catastrofe voor Cluny in. Evenzo
had Cîteaux geweigerd de landbouwersklasse uit te buiten. Het had ervoor gekozen
niet te leven van het werk van anderen maar van de exploitatie van hun eigen
gronden. Die keuze had geleid tot een collectieve rijkdom die, mogelijk gemaakt
door de reeds opgang zijnde maatschappelijke evolutie, deze nog versnelde,
zodanig dat zij de
maatschappelijke orde omverwierp. Die verrijking,
zo vreemd aan de primitieve geest, kon niet anders dan op korte of langere
termijn een probleem van monastieke ijver, en daarop volgend decadentie meebrengen.
Laten we reeds enkele conclusies
trekken. In de kloosters van de tweede en derde generaties ontbreken zeker
de grote geestelijken niet, die bewonderenswaardige werken hebben geschreven.
Die werken hebben generaties monniken gevoed en werden ongetwijfeld zelfs
buiten de kloosters gelezen. Verscheidene ervan zijn tot ons gekomen.
De gemeenschappen
incarneerden voldoende, door de morele kwaliteit van het leven van de monniken
en abten, de grote lijnen van de Gregoriaanse hervorming. Daarom werden
verscheidene abten geroepen om bisschop te worden, niet op grond van
hun familiale afkomst, maar omwille van de spirituele kwaliteit van
hun leven. Een onder hen zal paus worden, na abt te zijn geweest van Tre Fontane.
Bernardus zelf aanvaardt de tweede kruistocht te prediken, die niet meer puur
op boete is gericht zoals de eerste, maar die zich invoegt in een hervormingsproject
van de maatschappij die reeds de geboorte van het regime van de Christenheid
aankondigt.
De relaties van de Orde met
de grote geestelijke en populaire beweging waarin zij geboren werd, worden
trouwens steeds dunner. Het is nochtans die beweging die de geestelijke en
mystieke ziel zou worden van het Christendom gedurende de lange periode van
de Christenheid waarin de Kerk de scheidsrechter zou zijn tussen het maatschappelijk,
politiek en economisch leven. Die beweging zal in feite overgenomen worden
door de Bedelorden, maar ook hernomen, op een andere manier door de grote
cisterciënzermystieken van de volgende eeuwen, die zich ongetwijfeld meer
in de lijn van het Cîteaux van de Oude Asceten zullen situeren dan in die
van de Jonge Ridders, al laafden zij zich overvloedig aan
de lyriek van de Doctor Mellifluus.
EPILOOG / NAAR EEN NIEUWE THEOLOGIE
Als er een domein is waarin de Cisterciënzers
geweigerd hebben zich te laten dragen door een nieuwe stroming, dan is het
die geweest van het theologisch denken, of liever die van de theologische
methode.
De grote beroemdste cisterciënzerleraren
hebben allen hun vorming gekregen, of in ieder geval een groot deel ervan,
in de scholen van hun tijd, vooraleer in het klooster te treden, op het ogenblik
dat die scholen zich begonnen te hervormen. Denkers doen een beroep
op nieuwe methoden om hun begrip van het openbaringsgegeven te verdiepen;
een nieuwe opvatting van de wetenschap begint zich af te tekenen; een nieuw
verband tussen rede en geloof meldt zich aan. Dan gebeurt er iets vrij merkwaardigs
in de monastieke wereld.
Tot dan toe hadden de monniken in de Kerk een primordiale
rol gespeeld in de evolutie van verschillende benaderingen van de Schrift.
Natuurlijk, een bisschop preekte niet op dezelfde manier voor zijn volk als
een abt voor zijn monniken; maar de manier van Schrift interpreteren was fundamenteel dezelfde voor het gehele
Godsvolk. Het was daarom trouwens dat de monniken op dat gebied een zo belangrijke
rol hadden kunnen spelen als gidsen en inspirators. Zo ook voor het theologisch
denken. In de loop van de eeuwen had de studie van de Schrift en de reflectie
over de Heilsmysteries, door monniken zowel als door de rest van het Godsvolk,
allerlei soorten filosofische en culturele bijdragen één na één kunnen integreren
en transformeren, sedert het neoplatonisme van zovele Vaders tot de stoïcijnse
invloeden toe die in heel de ascetische literatuur aanwezig zijn.
Toen echter in de twaalfde
eeuw de theologische werkwijze een aanvang nam, waaruit de later genoemde
scholastiek zou voortkomen, bekritiseerden en bestreden de monniken die evolutie,
en niet de minst illustere onder hen. Het- volgens mij tragische - resultaat
was dat wat eens de gemeenschappelijke manier van theologie bedrijven en Schrift
lezen was geweest voor monniken en het hele christelijke volk nu toevlucht
zocht in de kloosters, waardoor het in onze dagen de naam van ‘monastieke
theologie’ kreeg. Anderzijds ontwikkelde zich in de Scholen een theologie
die gescheiden was van de geestelijke ervaring. Dit tot het grootste nadeel
zowel voor de ene als voor de andere. De zogenaamde monastieke theologie stagneerde
na enkele generaties, doordat ze niet werd bevrucht door een voortdurende
inculturatie. Van tijd tot tijd werd zij gered door enkele mystieken, vooral
grote mystica’s, die vrij genoeg stonden tegenover iets dat een monastiek
systeem was geworden dat parallel stond met het scholastiek systeem. Anderzijds
droogde de scholastieke theologie ook meer en meer uit. Wij kunnen ons met
recht afvragen hoe de christelijke theologie zou geëvolueerd zijn had deze
ongelukkige scheiding niet plaats gehad.
Ik wil niet vooruitlopen
op wat het thema van morgen zal zijn, maar de studie van het verleden heeft
geen zin zonder reflectie over het heden en de toekomst. Wij bevinden ons
in onze dagen op een historisch keerpunt, dat op vele wijzen gelijkt op dat
van de twaalfde eeuw. Diverse stromingen doorkruisen de maatschappij en de
Kerk.
Met Vaticanum II heeft de Kerk voor het eerst officieel opgehouden
te kniezen over de moderne wereld en heeft zij zich opengesteld, tenminste
in principe, voor een dialoog met die wereld. In de Kerk van vandaag echter
manifesteert zich een tendens volgens dewelke de moderne wereld onherstelbaar
een fiasco is, en volgens dewelke het er op aan komt een nieuwe ‘christenheid’
op te bouwen, waarin de Kerk opnieuw alle aspecten van het menselijk leven
zou beheren. Anderen, waaronder ikzelf, geloven daarentegen dat de roeping
van de Kerk , en dus ook van het monachisme, is gist in het deeg te zijn,
en dat we bijgevolg met de moderne wereld moeten werken aan de schepping van
een nieuwe maatschappij die er een van het derde millennium zal zijn.
Wanneer ik spreek over de moderne wereld, dan past
het in onze dagen te spreken over postmoderniteit, al gaat het hier volgens
mij eerder over een utopie dan om een realiteit. Maar dergelijke utopieën
veranderen over het algemeen in werkelijkheid. Niet zelden leest men geestelijke
of vrome geschriften die zich verheugen over de dood van de moderniteit en
het aanbreken van de postmoderniteit. Maar over welke postmoderniteit spreekt
men dan ? Er zijn er namelijk in verschillende variëteiten. Onder de profeten
van de postmoderniteit kunnen we twee duidelijk van elkaar verschillende oriëntaties
onderscheiden. Er zijn er die een postmoderniteit van het destructieve type
voorstellen, en zij die een integrerend type voorstellen. De eerste oriëntatie
is niet alleen tegen iedere vorm van dogma, maar ook tegen iedere mystiek.
De tweede staat wel open voor een mystieke oriëntatie.
Die
twee oriëntaties zullen lange tijd parallel evolueren, vooraleer zij al hun
consequenties zullen prijs geven en vooraleer de ene het zal halen op de andere.
Welke rol zal het monachisme spelen in die evolutie ? Want of we het willen
of niet, of we er bewust van zijn of niet, het zal een rol spelen en bijdragen
tot de ontwikkeling van één bepaald type
van maatschappij, meer dan van een ander. De inzet is groter dan ooit
in de geschiedenis; en daarom is het minder dan ooit tevoren gepermitteerd de geschiedenis achterwaarts in te gaan.
Dom Armand VEILLEUX, o.c.s.o.
Abbé de Scourmont (Belgique)
Cîteaux 98