Zij vertrokken met hun abt
Bedenkingen
over het cenobitisch karakter stichting van Cîteaux
door Armand Veilleux O.C.S.O.
Reeds vanaf het
begin van het monachisme is er een spanning geweest ‑ een gezonde
spanning meestal ‑ tussen de eremitische en de cenobitische vorm van
monastiek leven. Zelfs binnen de cenobitische traditie is er een grote
verscheidenheid in de vormgeving, de ene dichter bij kluizenaars gegroepeerd
rond dezelfde geestelijke vader; de andere dichter bij, wat men als een
authentieke cenobitische traditie beschouwt. Met deze sterk uiteenlopende
belevingen in ons achterhoofd kunnen we zeggen, dat er fundamenteel twee typen
monastieke communiteiten zijn, en bijgevolg twee typen abten ‑ hoewel dat
niet alt moet getekend worden.
In het eerste geval
zouden we kunnen zeggen dat het gat om een communiteit die een abt
heeft, en in het tweede geval een abt die een communiteit heeft.
Er is een hemelsbreed verschil tussen deze twee. De eerste volgen de
cenobitische traditie van Opper‑ Egypte en Cappadocië; de tweede de semi‑anachoretische
traditie van Beneden‑Egypte.
Doorheen heel de
geschiedenis van het monachisme deze twee oriëntaties, zelfs tot op vandaag. De
tweede vorm -of traditie ‑ die in het Westen vooral door Cassianus wordt
verspreid, schijnt in onze dagen een nieuwe populariteit te genieten.
In deze
conferentie wil ik aantonen dat het primitieve evenals Molesmes waaruit het is
voortgekomen, duidelijk tot het eerste type behoorde. Cîteaux was voor alles
een communiteit die een reeks van bewonderenswaardige abten had. En het was een
stichting van een communiteit van monniken met hun abt, en niet een
stichting van een abt die enkele van zijn monniken uitstuurde om
een stichting te doen.
De uitgesproken
cenobitische oriëntatie van het eerste Cîteaux is één van zijn belangrijkste
karakteristieken, en ze onderscheidt zich van bijna alle andere monastieke
hervormingen van die tijd, die in de meeste gevallen een project waren van één
enkele persoon. Enkele voorbeelden hiervan:
Om beter het
specifiek karakter van Cîteaux te zien, kan dat het best vergeleken worden met
de hervorming van Cluny, die een bewonderenswaardige monastieke hervorming was
en zeker de belangrijkste in de westerse Kerk voor Cîteaux. Het zal bijzonder verhelderend zijn de curriculum
vitae van Berno, stichter en eerste abt van Cluny, te vergelijken met die
van Robertus van Molesmes. Wanneer Willem de Vrome, hertog van Aquitanië,
besloot een klooster te stichten op zijn eigendom "voor het heil van zijn
ziel", schonk hij, zoals wij weten, zijn eigendom aan de apostelen Petrus en
Paulus, maar in feite vertrouwde hij dit klooster toe aan abt Berno. Berno was
een Bourgondiër uit een adellijke familie, die reeds op haar gronden de abdij
van Gigny gesticht had. Later, nadat hij monnik geworden was in Saint‑Martin
van Autun, legde hij dezelfde hervorming op in Gigny en aan de cella van
Baumeles‑Messieurs, die hij eveneens hervormd had. Dus op het ogenblik
van de stichting van Cluny, was Berno reeds abt van Gigny en van Baume‑les
Messieurs, en hij behield zijn gezag over de twee huizen. Hij kreeg daarna nog
drie andere abdijen en verschillende communiteiten die hij moest hervormen en
waarover hij eveneens het abbatiaal gezag uitoefende.
Voor zijn dood
verdeelde Berno bij testament zijn abdijen tussen zijn neef Guy, aan wie hij
Gigny en Baume schonk, en zijn leerling Odo, die Cluny kreeg. Zo heeft Berno,
eerste abt van Cluny, zijn eigen opvolger, Odo, benoemd voor hij stierf. Odo
zal later Aimard benoemen voor zijn dood en Aimard benoemde Mayeul. Er moet
worden opgemerkt dat ze allen grote abten waren; en deze situatie was in
overeenstemming met een lange traditie van het westers monachisme, die van de
familiale kloosters, parallel met die van de familiale kerken (Eigenkirche).
Bij Robertus van
Molesmes bevinden we ons in een totaal andere situatie. Robertus, een ware zoon
van zijn tijd, had een sterk gemeenschapsgevoel. Nog voor hij abt was, was hij
op de eerste plaats altijd bereid de belangen van de gemeenschap te behartigen.
Het is waar dat hij dikwijls van communiteit veranderde, maar hij behoorde
altijd tot een bepaalde communiteit. Hij was vrij jong ingetreden in Montier‑la‑Celle,
en hij nam daar enkele jaren later (c. 1053) het dienstwerk van prior op zich.
Daarna werd hij abt benoemd van Saint‑Michel du Tonnerre (c. 1068‑1072).
Enkele jaren later werd hij opnieuw een eenvoudig monnik voordat hij prior werd
van Saint Ayoul (1072), een priorij, afhankelijk van Montier‑la‑Celle.
Later komen wij hem opnieuw tegen met een groep kluizenaars in de bossen van
Colan. Met hen stichtte hij in 1075 Molesmes. Laten we even stil blijven staan
bij deze laatste ervaring.
ledere grote
monastieke hervorming begint met een eremitische beweging. Een groot aantal
mensen kiest voor het kluizenaarsleven, de eersten omdat ze een authentieke
kluizenaarsroeping hebben, de meesten omdat ze iets zoeken dat de cenobitische
communiteiten van hun tijd hun niet konden bieden. Op het moment van de
stichting van Cîteaux, was er een van die grote eremitische bewegingen aan de
gang, die beantwoordde aan wat Dom Morin noemde: de "crisis van het
cenobitisme" van de 11de eeuw. Een van de belangrijkste
karakteristieken van de cistercienzerhervorming was dat zij erin slaagde deze
nieuwe aantrekking tot de eenzaamheid terug te brengen binnen het cenobitisme.
In deze zin waren
degenen die samengekomen waren in Colan geen kluizenaars in de strikte zin van
het woord. Zij verlangden naar een levensstijl die meer eenzaamheid en eenvoud
bood dan het cenobitisch leven van die tijd. Zij waren samengekomen in Colan en
waren verbonden door dezelfde verlangens en hetzelfde ideaal. Ze hadden niets
anders nodig dan een abt om een cenobitische communiteit te worden. En toen zij
een abt hadden gekozen in de persoon van Robertus werden zij een cenobitische
communiteit en was Molesmes gesticht.
Toen gebeurden er
twee dingen. Ten eerste: dat Molesmes, omwille van zijn nieuwe geest, een grote
en vlugge ontwikkeling kende, maar dit gebeurde binnen de context van het
bestaande monastiek systeem, en werd dus opgenomen in het systeem. Omdat het
ook een vurige abdij was, werd ze zeer gewaardeerd, kreeg veel kandidaten, veel
weldoeners en veel schenkingen. Molesmes werd een grote en welvarende abdij,
min of meer in dezelfde stijl als welke andere abdij van de cluniacenser
traditie dan ook. Maar het was niet dat wat Robertus en zijn gezellen hadden
gewild.
Er is nog een
ander verschijnsel dat een groot verschil uitmaakte: Robertus was een zeer
goede cenobitische abt. Dit betekent dat hij iemand was die een ideaal kon
doorgeven, die in heel de communiteit of minstens bij een deel ervan de
originele verlangens levend kon houden en ze op verschillende manieren
verwerkelijken, met of zonder hem. Meer nog, terwijl hij nieuwe stichtingen van
een nieuwe stijl vanuit Molesmes aanmoedigde en zelfs persoonlijk meedeed met
sommige daarvan, verloor hij nooit de waardering en de liefde van zijn
communiteit die hem altijd weer terug wilde hebben. Molesmes was duidelijk een communiteit
die een abt had en hem niet wilde verliezen. Robertus was niet een abt die
een communiteit had om door te geven aan een erfgenaam. Hij behoorde tot
een communiteit.
Nadat meerdere
groepen Molesmes verlaten hadden voor verschillende projecten, met inbegrip van
de stichting van Aulps in 1097, bleef er nog een groep monniken met dezelfde
visie en hetzelfde verlangen ‑ een visie en een verlangen die zij
gemeenschappelijk hadden met hun abt. En op de dag dat zij vertrokken, zoals de
tekst van het Exordium Parvum zegt: "vertrokken zij met hun
abt". Men zou deze uitdrukking kunnen interpreteren als een vertrouwelijke
manier van spreken waaraan niet teveel aandacht besteed moet worden, als het
niet een houding aan het licht zou brengen, die men voortdurend in alle
Primitieve Documenten van de Orde tegenkomt. Laten we een blik werpen op
sommige van deze Primitieve Documenten.
Het is zeer
veelzeggend dat het Exordium Parvum begint met "Wij" en niet
met "Hij". "Wij, cisterciënzers, de eerste stichters van deze
kerk..." (Nos
cistercienses, primi huius ecclesiae fundatores). Het staat dus vast, vanaf de eerste regel, dat de
stichting van Cîteaux het werk is van een groep monniken en dat het niet
eenvoudig de stichting is van een klooster of een plaats, maar van een
communiteit ‑ een kerk. En zij willen aantonen hoe hun levenswijze en hun
'coenobium' begonnen zijn.
Zeer zeker heeft
Robertus, als abt van het klooster van Molesmes, een belangrijke rol gespeeld
in de voorbereiding van de stichting. Nochtans was hij niet de enige die de
apostolische Legaat Hugo te Lyon ontmoette. Hij ging er samen met "zekere
broeders van het coenobium", naar toe, dit wil zeggen van Molesmes. De
Legaat willigde met vreugde hun verzoek in. Hugo schreef toen een brief aan
"Robertus, abt van Molesmes, en aan de broeders die met hem verlangden God
te dienen volgens de Regel van Sint‑Benedictus." In het hoofddeel van de brief geeft Hugo de
naam op van ten minste enkele van de broeders: "gij Abt Robertus, en gij
ook, broeders Albericus, Odo, Johannes, Stefanus, Lethaldus en Petrus, maar ook
hen die gij nog zult aanduiden, overeenkomstig de Regel... om met u mee te
gaan..." Alles is hier heel duidelijk. Hugo krijgt het verzoek van een
groep monniken en hoort de verlangens van deze groep en van hen die zich daarna
nog bij de groep zullen aansluiten. Deze monniken zijn ook niet een groep
rebellen, die contesteren tegen het gezag van hun abt, maar monniken die hun
verzoek aanbieden samen
met hun abt.
Nr. 6 van
hoofdstuk III van het Exordium Parvum, dat onderstreept hoe de monniken, toen
ze nog in Molesmes waren, dikwijls samen kwamen om te betreuren hoe de Regel
werd onderhouden, kan heel goed een latere interpolatie zijn. Dit komt in ieder
geval overeen met de rest van het Exordium Parvum die het gemeenschappelijk
project van de stichting van Cîteaux onderstreept.
Daarna beschrijft
hoofdstuk IV hoe de eerste communiteit van Cîteaux abdij werd toen abt
Robertus, vanaf het begin, de herdersstaf ontving van de plaatselijke bisschop,
waardoor de monniken aan zijn pastorale zorgen werden toevertrouwd. Dit komt
overeen met de taal van de Regel van Sint‑Benedictus, waar in de
beschrijving van hun relaties, het bezittelijk vooraamwoord toegevoegd is bij
de monniken maar niet bij de abt. De monniken moeten hun abt liefhebben en
eerbiedigen en hem gehoorzamen. De abt moet liefhebben en dienen, niet 'zijn'
monniken, maar de monniken waarover hij de herderlijke zorg heeft ontvangen.
Met andere woorden: in de RB hebben de monniken een abt. De abt 'heeft' geen
monniken en hij 'heeft' geen communiteit. Wat hij heeft, is de pastorale zorg
over een groep monniken die, met hem, een communiteit vormen. (Men zou nooit
een kerstkaart gekregen hebben met de vermelding "Abt Benedictus en zijn
communiteit van Monte Cassino" of "Abt Robertus en zijn communiteit
van Cîteaux...")
Robertus wordt
daarna teruggeroepen naar Molesmes, zoals vroeger nog gebeurd was. Hier moeten
we enige aandacht aan besteden. In deze tijd zou het ondenkbaar zijn dat een
abt die zijn communiteit verlaten heeft met een contesterende groep om een
experimentele stichting te doen, zou worden teruggeroepen door zijn communiteit.
Het is, integendeel, zeer waarschijnlijk, dat de communiteit gekrenkt zou zijn,
in die mate dat ze hem, minstens voor vele jaren, niet meer zouden willen zien.
Het is nochtans zo dat iedere keer dat Robertus de communiteit van Molesmes
verlaat voor een nieuwe stichting, hij wordt teruggeroepen door de monniken van
Molesmes. Dit toont de goede verstandhouding aan die bestond tussen Robertus en
zijn communiteit. Hij is hun abt; zij gaan ervan uit dat zij recht op hem
hebben.
Een ander aspect
dat we niet over het hoofd mogen zien is dat, wanneer Robertus terugkeert naar
Molesmes, de jonge communiteit die hij verlaat niet uit elkaar valt. Zij groeit
verder; omdat het niet het persoonlijk project was van een abt.
Robertus meent
niet het gezag of het recht te hebben een nieuwe overste te benoemen in
Cîteaux. Wanneer Robertus eenmaal vertrokken is, komt de communiteit van
Cîteaux in kapittel bijeen en kiest op reguliere wijze één van de broeders tot
abt: Albericus, die prior geweest was in Molesmes en die de beweging die geleid
had tot de stichting van Cîteaux, zeer ter harte ging.
Een der eerste
dingen die Albericus deed, nog steeds volgens het Exordium Parvum, was 'met de
raad van de broeders', het besluit nemen twee monniken naar Rome te sturen om
de Romeinse bescherming voor de communiteit te vragen. De Cisterciënzer
bezorgdheid is geen kwestie van rechten of privileges van een abt tegenover een
andere abt of een bisschop; het is een kwestie van de rechten van de
communiteit, met haar abt.
Zij gaan naar
Rome, voorzien van een brief van Hugo, aartsbisschop van Lyon, waarin deze
mooie zin staat, die ik gekozen heb als titel van deze conferentie. Hugo doet
een beroep op de steun van de Paus voor deze monniken die Molesmes hebben
verlaten 'met hun abt', om trouw te zijn aan 'hun' beslissing strikt volgens de
Regel te leven.
Na het ontvangen
van het Romeins privilege voegt het Exordium Parvum XV de lijst toe van
beslissingen die genomen zijn door de broeders, met deze woorden: "Toen
hebben de abt en zijn broeders, hun verbintenis indachtig, eenstemmig een
statuut opgesteld om de Regel van de zalige Benedictus te vestigen en te
behouden op deze plaats..." (Dehinc abba ille et fratres eius, non immemores sponsioni suae, regulam
beati Benedicti in loco illo ordinare et unanimiter statuerunt tenere ... ). Let er op, dat hier niet alleen de
'unanimiteit' in de observantie van de Regel, maar ook de uitdrukking "de
abt en zijn broeders"... gebruikt wordt. 'Heeft' de abt,
volgens de manier van spreken van Benedictus, niet een communiteit of monniken,
hij heeft wel 'broeders', zoals iedere andere monnik.
Na de dood van
Albericus en de verkiezing van Stefanus staat er in het Exordium Parvum een
opmerking die nog treffender is dan al wat we tot nu toe reeds gehoord hebben.
De tekst zegt: het was in zijn (Stefanus) tijd dat "de broeders met hun
abt overeenkwamen de hertog van die streek, of gelijk welke prins, te verbieden
nog ooit in die kerk hof te houden".
Wat is de
betekenis van deze uitdrukking 'met hun abt?' Betekent het dat de rol van de
abt beperkt wordt tot het geven van zijn toestemming of tot het uitoefenen van
een veto‑recht?... Neen, ik denk dat heel de cenobitische context
duidelijk aantoont dat de ware betekenis hiervan is dat, slechts wanneer de
gemeenschap met de abt die zij gekozen hebben als vertegenwoordiger van
Christus in hun midden, de broeders een waarachtige communiteit worden, en pas
dan kunnen zij een communautaire beslissing nemen.
In het Exordium
Cistercii vinden we dezelfde nadruk op de gemeenschappelijke voorbereiding
en de realisatie van de stichting van Cîteaux als in het Exordium Parvum.
Nummer 3 van het eerste hoofdstuk beschrijft hoe die monniken onder elkaar
gesprekken hielden toen ze nog in Molesmes waren, en hoe zij, in een
gemeenschappelijk akkoord, na een gemeenschappelijk beslissing, in eenheid met
hun abt Robertus, probeerden te doen wat zij hadden beslist.
Er is nochtans
een evolutie in het taalgebruik die aantoont hoe de persoon van de abt
geleidelijk aan in belang toeneemt. Hoofdstuk IX nr. 4 zegt dat een abt niet
naar een nieuwe stichting mag gezonden worden zonder ten minste twaalf
monniken. Het gaat hier niet meer om een groep monniken die vertrekken met hun
abt, maar over een abt die vertrekt met een groep monniken. Hier manifesteert
zich reeds een nieuwe mentaliteit.
De eerste zin van
de Carta Caritatis gebruikt zeker dezelfde manier van spreken als het Exordiurn
Parvum. Ze begint aldus: "Voordat de cisterciënzerabdijen... bepaalden abt
Stefanus en zijn broeders dat..."
Het is pas in de
tweede redactie van de Carta Caritatis dat wij, op het einde, voor het eerst de
vermelding zien: "de monniken van een abt", alsof een abt monniken
kon 'hebben'. Het gaat om hoofdstuk II, nr. 27, waar gezegd wordt dat een abt
geen monniken van een andere abt van onze Orde mag opnemen zonder toestemming
van hun abt. Dat is niet meer de taal van de Regel.
Iets wat opvalt
in de Carta Caritatis is het aantal paragrafen dat gewijd is aan de rangorde
van de abten van de verschillende cisterciënzerkloosters wanneer zij samen
zijn. Wie komt voor wie, en wie geeft zijn abbatiale zetel aan wie... enz. Men
ziet hier zeker een verruiming van de rol van de abt, om niet te zeggen het
abbatiaal 'ego'.
Maar er is nog
iets veel belangrijkers in de Carta Caritatis, namelijk dat de gemeenschap
tussen de kloosters wordt opgevat op een cenobitische wijze. Hierin waren de
cisterciënzers grote vernieuwers.
Sint‑Benedictus
heeft een Regel voor kloosters geschreven; maar hoewel hij zelf verschillende
kloosters heeft gesticht, heeft hij niets voorzien over de betrekkingen tussen
die kloosters. De autonomie van de monastieke communiteit is iets heel
kostbaars, dat de monniken altijd angstvallig behoed hebben. Het kan echter een
zwakheid zijn, vooral in tijden van crisis, hetzij intern of extern. Om deze
reden deed de behoefte zich al vroeg voelen om institutionele banden vast te
leggen tussen de kloosters. Benedictus van Aniane was de eerste die in het
westers monachisme dergelijke institutionele banden tot stand bracht in de periode
van de Karolingische hervorming. De hervorming van Cluny, die eigenlijk in
dezelfde richting verder ging, kwam in een impasse. Deze Karolingische
hervorming had inderdaad opnieuw de rol van de abt sterk onderstreept, maar
terzelfder tijd had ze het gezag van de plaatselijke abt verzwakt door de
inspanningen om een centrale controle in te stellen over heel het keizerrijk.
Met Cluny was de onafhankelijkheid met betrekking tot de uitwendige
tussenkomsten van de feodale heren, een voldongen feit, maar wel ten koste van
de plaatselijke autonomie. Het gezag van de abt van Cluny werd zozeer
uitgebreid dat alle monniken van alle afhankelijke huizen 'zijn' monniken waren
en professie aflegden voor 'zijn' abdij van Cluny.
Een van de
karakteristieken van de cisterciënzerhervorming was dat ze, voor de eerste keer
in de geschiedenis van het monachisme, het evenwicht vond tussen de autonomie
van ieder klooster en zijn gemeenschap in een juridisch lichaam door de band
van de liefde. De kloosters zijn in eenheid verbonden door de liefde, maar ook
door het delen van eenzelfde visie op het monastiek leven en dezelfde
observanties. Het systeem van de filiatie en de instelling van de Visitatie
worden beschouwd als een dienst aan de gemeenschap. Een recht en een plicht van
waakzaamheid zijn toegewezen aan de Pater Immediatus, maar geen gezag in de
interne zaken van zijn dochterhuizen. Er bestaat een gezag boven de
communiteiten, maar het is niet persoonlijk; het is collectief. Dat is het
gezag van het Generaal Kapittel.
Dan hebben we een
monastieke Orde ‑ de eerste monastieke Orde in de strikte betekenis van
het woord in het westers monachisme. Deze Orde is opgevat als een gemeenschap
van communiteiten. Cîteaux is er in geslaagd dit te ontwikkelen door zijn
sterke cenobitische oriëntatie.
Het zou
interessant zijn te bestuderen hoe deze cenobitische geest van het eerste
Cîteaux is behouden gebleven of gewijzigd werd door de volgende generatie,
bijzonder in sommige filiaties zoals die van Clairvaux, toen machtige en
briljante abten als Bernardus zich manifesteerden.
Was Clairvaux een
communiteit die een abt had of was Bernardus een abt die een communiteit had? ‑
Deze vraag zou een afzonderlijke studie vereisen.
In ieder geval
bestond het eerste Cîteaux niet uit een groep kluizenaars die leefden onder
eenzelfde geestelijke vader, maar een communiteit van broeders die in de
eenzaamheid leefden onder een Regel en een abt. En ik zou willen suggereren dat
misschien juist daar het belangrijkste element gelegen was van de terugkeer
naar de Regel.
(vertaling uit
het Frans dat een vertaling is uit het Engels)