Zij vertrokken met hun abt

 

Bedenkingen over het cenobitisch karakter stichting van CÓteaux

door Armand Veilleux O.C.S.O.

 

Reeds vanaf het begin van het monachisme is er een spanning geweest ‑ een gezonde spanning meestal ‑ tussen de eremitische en de cenobitische vorm van monastiek leven. Zelfs binnen de cenobitische traditie is er een grote verscheidenheid in de vormgeving, de ene dichter bij kluizenaars gegroepeerd rond dezelfde geestelijke vader; de andere dichter bij, wat men als een authentieke cenobitische traditie beschouwt. Met deze sterk uiteenlopende belevingen in ons achterhoofd kunnen we zeggen, dat er fundamenteel twee typen monastieke communiteiten zijn, en bijgevolg twee typen abten ‑ hoewel dat niet alt moet getekend worden.

In het eerste geval zouden we kunnen zeggen dat het gat om een communiteit die een abt heeft, en in het tweede geval een abt die een communiteit heeft. Er is een hemelsbreed verschil tussen deze twee. De eerste volgen de cenobitische traditie van Opper‑ Egypte en CappadociŽ; de tweede de semi‑anachoretische traditie van Beneden‑Egypte.

Doorheen heel de geschiedenis van het monachisme deze twee oriŽntaties, zelfs tot op vandaag. De tweede vorm -of traditie ‑ die in het Westen vooral door Cassianus wordt verspreid, schijnt in onze dagen een nieuwe populariteit tegenieten.

In deze conferentie wil ik aantonen dat het primitieve evenals Molesmes waaruit het is voortgekomen, duidelijk tot het eerste type behoorde. CÓteaux was voor alles een communiteit die een reeks van bewonderenswaardige abten had. En het was een stichting van een communiteit van monniken met hun abt, en niet een stichting van een abt die enkele van zijn monniken uitstuurde om een stichting te doen.

De uitgesproken cenobitische oriŽntatie van het eerste CÓteaux is ťťn van zijn belangrijkste karakteristieken, en ze onderscheidt zich van bijna alle andere monastieke hervormingen van die tijd, die in de meeste gevallen een project waren van ťťn enkele persoon. Enkele voorbeelden hiervan:

 

  1. Romuald in Camaldoli (1012)
  2. Johannes Gualbertus in Vallombrosa (1038/39)
  3. Petrus Damianus in Fonte Avellana (1047)
  4. Stefanus van Mureto in Grandmont (c. 1076)
  5. Bruno in de Grande Chartreuse (1084)

 

Om beter het specifiek karakter van CÓteaux te zien, kan dat het best vergeleken worden met de hervorming van Cluny, die een bewonderenswaardige monastieke hervorming was en zeker de belangrijkste in de westerse Kerk voor CÓteaux.Het zal bijzonder verhelderend zijn de curriculum vitae van Berno, stichter en eerste abt van Cluny, te vergelijken met die van Robertus van Molesmes. Wanneer Willem de Vrome, hertog van AquitaniŽ, besloot een klooster te stichten op zijn eigendom "voor het heil van zijn ziel", schonk hij, zoals wij weten, zijn eigendom aan de apostelen Petrus en Paulus, maar in feite vertrouwde hij dit klooster toe aan abt Berno. Berno was een BourgondiŽr uit een adellijke familie, die reeds op haar gronden de abdij van Gigny gesticht had. Later, nadat hij monnik geworden was in Saint‑Martin van Autun, legde hij dezelfde hervorming op in Gigny en aan de cella van Baumeles‑Messieurs, die hij eveneens hervormd had. Dus op het ogenblik van de stichting van Cluny, was Berno reeds abt van Gigny en van Baume‑les Messieurs, en hij behield zijn gezag over de twee huizen. Hij kreeg daarna nog drie andere abdijen en verschillende communiteiten die hij moest hervormen en waarover hij eveneens het abbatiaal gezag uitoefende.

Voor zijn dood verdeelde Berno bij testament zijn abdijen tussen zijn neef Guy, aan wie hij Gigny en Baume schonk, en zijn leerling Odo, die Cluny kreeg. Zo heeft Berno, eerste abt van Cluny, zijn eigen opvolger, Odo, benoemd voor hij stierf. Odo zal later Aimard benoemen voor zijn dood en Aimard benoemde Mayeul. Er moet worden opgemerkt dat ze allen grote abten waren; en deze situatie was in overeenstemming met een lange traditie van het westers monachisme, die van de familiale kloosters, parallel met die van de familiale kerken (Eigenkirche).

Bij Robertus van Molesmes bevinden we ons in een totaal andere situatie. Robertus, een ware zoon van zijn tijd, had een sterk gemeenschapsgevoel. Nog voor hij abt was, was hij op de eerste plaats altijd bereid de belangen van de gemeenschap te behartigen. Het is waar dat hij dikwijls van communiteit veranderde, maar hij behoorde altijd tot een bepaalde communiteit. Hij was vrij jong ingetreden in Montier‑la‑Celle, en hij nam daar enkele jaren later (c. 1053) het dienstwerk van prior op zich. Daarna werd hij abt benoemd van Saint‑Michel du Tonnerre (c. 1068‑1072). Enkele jaren later werd hij opnieuw een eenvoudig monnik voordat hij prior werd van Saint Ayoul (1072), een priorij, afhankelijk van Montier‑la‑Celle. Later komen wij hem opnieuw tegen met een groep kluizenaars in de bossen van Colan. Met hen stichtte hij in 1075 Molesmes. Laten we even stil blijven staan bij deze laatste ervaring.

ledere grote monastieke hervorming begint met een eremitische beweging. Een groot aantal mensen kiest voor het kluizenaarsleven, de eersten omdat ze een authentieke kluizenaarsroeping hebben, de meesten omdat ze iets zoeken dat de cenobitische communiteiten van hun tijd hun niet konden bieden. Op het moment van de stichting van CÓteaux, was er een van die grote eremitische bewegingen aan de gang, die beantwoordde aan wat Dom Morin noemde: de "crisis van het cenobitisme" van de 11de eeuw. Een van de belangrijkste karakteristieken van de cistercienzerhervorming was dat zij erin slaagde deze nieuwe aantrekking tot de eenzaamheid terug te brengen binnen het cenobitisme.

In deze zin waren degenen die samengekomen waren in Colan geen kluizenaars in de strikte zin van het woord. Zij verlangden naar een levensstijl die meer eenzaamheid en eenvoud bood dan het cenobitisch leven van die tijd. Zij waren samengekomen in Colan en waren verbonden door dezelfde verlangens en hetzelfde ideaal. Ze hadden niets anders nodig dan een abt om een cenobitische communiteit te worden. En toen zij een abt hadden gekozen in de persoon van Robertus werden zij een cenobitische communiteit en was Molesmes gesticht.

Toen gebeurden er twee dingen. Ten eerste: dat Molesmes, omwille van zijn nieuwe geest, een grote en vlugge ontwikkeling kende, maar dit gebeurde binnen de context van het bestaande monastiek systeem, en werd dus opgenomen in het systeem. Omdat het ook een vurige abdij was, werd ze zeer gewaardeerd, kreeg veel kandidaten, veel weldoeners en veel schenkingen. Molesmes werd een grote en welvarende abdij, min of meer in dezelfde stijl als welke andere abdij van de cluniacenser traditie dan ook. Maar het was niet dat wat Robertus en zijn gezellen hadden gewild.

Er is nog een ander verschijnsel dat een groot verschil uitmaakte: Robertus was een zeer goede cenobitische abt. Dit betekent dat hij iemand was die een ideaal kon doorgeven, die in heel de communiteit of minstens bij een deel ervan de originele verlangens levend kon houden en ze op verschillende manieren verwerkelijken, met of zonder hem. Meer nog, terwijl hij nieuwe stichtingen van een nieuwe stijl vanuit Molesmes aanmoedigde en zelfs persoonlijk meedeed met sommige daarvan, verloor hij nooit de waardering en de liefde van zijn communiteit die hem altijd weer terug wilde hebben. Molesmes was duidelijk een communiteit die een abt had en hem niet wilde verliezen. Robertus was niet een abt die een communiteit had om door te geven aan een erfgenaam. Hij behoorde tot een communiteit.

Nadat meerdere groepen Molesmes verlaten hadden voor verschillende projecten, met inbegrip van de stichting van Aulps in 1097, bleef er nog een groep monniken met dezelfde visie en hetzelfde verlangen ‑ een visie en een verlangen die zij gemeenschappelijk hadden met hun abt. En op de dag dat zij vertrokken, zoals de tekst van het Exordium Parvum zegt: "vertrokken zij met hun abt". Men zou deze uitdrukking kunnen interpreteren als een vertrouwelijke manier van spreken waaraan niet teveel aandacht besteed moet worden, als het niet een houding aan het licht zou brengen, die men voortdurend in alle Primitieve Documenten van de Orde tegenkomt. Laten we een blik werpen op sommige van deze Primitieve Documenten.

Het is zeer veelzeggend dat het Exordium Parvum begint met "Wij" en niet met "Hij". "Wij, cisterciŽnzers, de eerste stichters van deze kerk..." (Nos cistercienses, primi huius ecclesiae fundatores). Het staat dus vast, vanaf de eerste regel, dat de stichting van CÓteaux het werk is van een groep monniken en dat het niet eenvoudig de stichting is van een klooster of een plaats, maar van een communiteit ‑ een kerk. En zij willen aantonen hoe hun levenswijze en hun 'coenobium' begonnen zijn.

Zeer zeker heeft Robertus, als abt van het klooster van Molesmes, een belangrijke rol gespeeld in de voorbereiding van de stichting. Nochtans was hij niet de enige die de apostolische Legaat Hugo te Lyon ontmoette. Hij ging er samen met "zekere broeders van het coenobium", naar toe, dit wil zeggen van Molesmes. De Legaat willigde met vreugde hun verzoek in. Hugo schreef toen een brief aan "Robertus, abt van Molesmes, en aan de broeders die met hem verlangden God te dienen volgens de Regel van Sint‑Benedictus."In het hoofddeel van de brief geeft Hugo de naam op van ten minste enkele van de broeders: "gij Abt Robertus, en gij ook, broeders Albericus, Odo, Johannes, Stefanus, Lethaldus en Petrus, maar ook hen die gij nog zult aanduiden, overeenkomstig de Regel... om met u mee te gaan..." Alles is hier heel duidelijk. Hugo krijgt het verzoek van een groep monniken en hoort de verlangens van deze groep en van hen die zich daarna nog bij de groep zullen aansluiten. Deze monniken zijn ook niet een groep rebellen, die contesteren tegen het gezag van hun abt, maar monniken die hun verzoek aanbieden samen

met hun abt.

Nr. 6 van hoofdstuk III van het Exordium Parvum, dat onderstreept hoe de monniken, toen ze nog in Molesmes waren, dikwijls samen kwamen om te betreuren hoe de Regel werd onderhouden, kan heel goed een latere interpolatie zijn. Dit komt in ieder geval overeen met de rest van het Exordium Parvum die het gemeenschappelijk project van de stichting van CÓteaux onderstreept.

Daarna beschrijft hoofdstuk IV hoe de eerste communiteit van CÓteaux abdij werd toen abt Robertus, vanaf het begin, de herdersstaf ontving van de plaatselijke bisschop, waardoor de monniken aan zijn pastorale zorgen werden toevertrouwd. Dit komt overeen met de taal van de Regel van Sint‑Benedictus, waar in de beschrijving van hun relaties, het bezittelijk vooraamwoord toegevoegd is bij de monniken maar niet bij de abt. De monniken moeten hun abt liefhebben en eerbiedigen en hem gehoorzamen. De abt moet liefhebben en dienen, niet 'zijn' monniken, maar de monniken waarover hij de herderlijke zorg heeft ontvangen. Met andere woorden: in de RB hebben de monniken een abt. De abt 'heeft' geen monniken en hij 'heeft' geen communiteit. Wat hij heeft, is de pastorale zorg over een groep monniken die, met hem, een communiteit vormen. (Men zou nooit een kerstkaart gekregen hebben met de vermelding "Abt Benedictus en zijn communiteit van Monte Cassino" of "Abt Robertus en zijn communiteit van CÓteaux...")

Robertus wordt daarna teruggeroepen naar Molesmes, zoals vroeger nog gebeurd was. Hier moeten we enige aandacht aan besteden. In deze tijd zou het ondenkbaar zijn dat een abt die zijn communiteit verlaten heeft met een contesterende groep om een experimentele stichting te doen, zou worden teruggeroepen door zijn communiteit. Het is, integendeel, zeer waarschijnlijk, dat de communiteit gekrenkt zou zijn, in die mate dat ze hem, minstens voor vele jaren, niet meer zouden willen zien. Het is nochtans zo dat iedere keer dat Robertus de communiteit van Molesmes verlaat voor een nieuwe stichting, hij wordt teruggeroepen door de monniken van Molesmes. Dit toont de goede verstandhouding aan die bestond tussen Robertus en zijn communiteit. Hij is hun abt; zij gaan ervan uit dat zij recht op hem hebben.

Een ander aspect dat we niet over het hoofd mogen zien is dat, wanneer Robertus terugkeert naar Molesmes, de jonge communiteit die hij verlaat niet uit elkaar valt. Zij groeit verder; omdat het niet het persoonlijk project was van een abt.

Robertus meent niet het gezag of het recht te hebben een nieuwe overste te benoemen in CÓteaux. Wanneer Robertus eenmaal vertrokken is, komt de communiteit van CÓteaux in kapittel bijeen en kiest op reguliere wijze ťťn van de broeders tot abt: Albericus, die prior geweest was in Molesmes en die de beweging die geleid had tot de stichting van CÓteaux, zeer ter harte ging.

Een der eerste dingen die Albericus deed, nog steeds volgens het Exordium Parvum, was 'met de raad van de broeders', het besluit nemen twee monniken naar Rome te sturen om de Romeinse bescherming voor de communiteit te vragen. De CisterciŽnzer bezorgdheid is geen kwestie van rechten of privileges van een abt tegenover een andere abt of een bisschop; het is een kwestie van de rechten van de communiteit, met haar abt.

Zij gaan naar Rome, voorzien van een brief van Hugo, aartsbisschop van Lyon, waarin deze mooie zin staat, die ik gekozen heb als titel van deze conferentie. Hugo doet een beroep op de steun van de Paus voor deze monniken die Molesmes hebben verlaten 'met hun abt', om trouw te zijn aan 'hun' beslissing strikt volgens de Regel te leven.

Na het ontvangen van het Romeins privilege voegt het Exordium Parvum XV de lijst toe van beslissingen die genomen zijn door de broeders, met deze woorden: "Toen hebben de abt en zijn broeders, hun verbintenis indachtig, eenstemmig een statuut opgesteld om de Regel van de zalige Benedictus te vestigen en te behouden op deze plaats..." (Dehinc abba ille et fratres eius, non immemores sponsioni suae, regulam beati Benedicti in loco illo ordinare et unanimiter statuerunt tenere ... ). Let er op, dat hier niet alleen de 'unanimiteit' in de observantie van de Regel, maar ook de uitdrukking "de abt en zijn broeders"... gebruikt wordt. 'Heeft' de abt, volgens de manier van spreken van Benedictus, niet een communiteit of monniken, hij heeft wel 'broeders', zoals iedere andere monnik.

Na de dood van Albericus en de verkiezing van Stefanus staat er in het Exordium Parvum een opmerking die nog treffender is dan al wat we tot nu toe reeds gehoord hebben. De tekst zegt: het was in zijn (Stefanus) tijd dat "de broeders met hun abt overeenkwamen de hertog van die streek, of gelijk welke prins, te verbieden nog ooit in die kerk hof te houden".

Wat is de betekenis van deze uitdrukking 'met hun abt?' Betekent het dat de rol van de abt beperkt wordt tot het geven van zijn toestemming of tot het uitoefenen van een veto‑recht?... Neen, ik denk dat heel de cenobitische context duidelijk aantoont dat de ware betekenis hiervan is dat, slechts wanneer de gemeenschap met de abt die zij gekozen hebben als vertegenwoordiger van Christus in hun midden, de broeders een waarachtige communiteit worden, en pas dan kunnen zij een communautaire beslissing nemen.

In het Exordium Cistercii vinden we dezelfde nadruk op de gemeenschappelijke voorbereiding en de realisatie van de stichting van CÓteaux als in het Exordium Parvum. Nummer 3 van het eerste hoofdstuk beschrijft hoe die monniken onder elkaar gesprekken hielden toen ze nog in Molesmes waren, en hoe zij, in een gemeenschappelijk akkoord, na een gemeenschappelijk beslissing, in eenheid met hun abt Robertus, probeerden te doen wat zij hadden beslist.

Er is nochtans een evolutie in het taalgebruik die aantoont hoe de persoon van de abt geleidelijk aan in belang toeneemt. Hoofdstuk IX nr. 4 zegt dat een abt niet naar een nieuwe stichting mag gezonden worden zonder ten minste twaalf monniken. Het gaat hier niet meer om een groep monniken die vertrekken met hun abt, maar over een abt die vertrekt met een groep monniken. Hier manifesteert zich reeds een nieuwe mentaliteit.

De eerste zin van de Carta Caritatis gebruikt zeker dezelfde manier van spreken als het Exordiurn Parvum. Ze begint aldus: "Voordat de cisterciŽnzerabdijen... bepaalden abt Stefanus en zijn broeders dat..."

Het is pas in de tweede redactie van de Carta Caritatis dat wij, op het einde, voor het eerst de vermelding zien: "de monniken van een abt", alsof een abt monniken kon 'hebben'. Het gaat om hoofdstuk II, nr. 27, waar gezegd wordt dat een abt geen monniken van een andere abt van onze Orde mag opnemen zonder toestemming van hun abt. Dat is niet meer de taal van de Regel.

Iets wat opvalt in de Carta Caritatis is het aantal paragrafen dat gewijd is aan de rangorde van de abten van de verschillende cisterciŽnzerkloosters wanneer zij samen zijn. Wie komt voor wie, en wie geeft zijn abbatiale zetel aan wie... enz. Men ziet hier zeker een verruiming van de rol van de abt, om niet te zeggen het abbatiaal 'ego'.

Maar er is nog iets veel belangrijkers in de Carta Caritatis, namelijk dat de gemeenschap tussen de kloosters wordt opgevat op een cenobitische wijze. Hierin waren de cisterciŽnzers grote vernieuwers.

Sint‑Benedictus heeft een Regel voor kloosters geschreven; maar hoewel hij zelf verschillende kloosters heeft gesticht, heeft hij niets voorzien over de betrekkingen tussen die kloosters. De autonomie van de monastieke communiteit is iets heel kostbaars, dat de monniken altijd angstvallig behoed hebben. Het kan echter een zwakheid zijn, vooral in tijden van crisis, hetzij intern of extern. Om deze reden deed de behoefte zich al vroeg voelen om institutionele banden vast te leggen tussen de kloosters. Benedictus van Aniane was de eerste die in het westers monachisme dergelijke institutionele banden tot stand bracht in de periode van de Karolingische hervorming. De hervorming van Cluny, die eigenlijk in dezelfde richting verder ging, kwam in een impasse. Deze Karolingische hervorming had inderdaad opnieuw de rol van de abt sterk onderstreept, maar terzelfder tijd had ze het gezag van de plaatselijke abt verzwakt door de inspanningen om een centrale controle in te stellen over heel het keizerrijk. Met Cluny was de onafhankelijkheid met betrekking tot de uitwendige tussenkomsten van de feodale heren, een voldongen feit, maar wel ten koste van de plaatselijke autonomie. Het gezag van de abt van Cluny werd zozeer uitgebreid dat alle monniken van alle afhankelijke huizen 'zijn' monniken waren en professie aflegden voor 'zijn' abdij van Cluny.

Een van de karakteristieken van de cisterciŽnzerhervorming was dat ze, voor de eerste keer in de geschiedenis van het monachisme, het evenwicht vond tussen de autonomie van ieder klooster en zijn gemeenschap in een juridisch lichaam door de band van de liefde. De kloosters zijn in eenheid verbonden door de liefde, maar ook door het delen van eenzelfde visie op het monastiek leven en dezelfde observanties. Het systeem van de filiatie en de instelling van de Visitatie worden beschouwd als een dienst aan de gemeenschap. Een recht en een plicht van waakzaamheid zijn toegewezen aan de Pater Immediatus, maar geen gezag in de interne zaken van zijn dochterhuizen. Er bestaat een gezag boven de communiteiten, maar het is niet persoonlijk; het is collectief. Dat is het gezag van het Generaal Kapittel.

Dan hebben we een monastieke Orde ‑ de eerste monastieke Orde in de strikte betekenis van het woord in het westers monachisme. Deze Orde is opgevat als een gemeenschap van communiteiten. CÓteaux is er in geslaagd dit te ontwikkelen door zijn sterke cenobitische oriŽntatie.

Het zou interessant zijn te bestuderen hoe deze cenobitische geest van het eerste CÓteaux is behouden gebleven of gewijzigd werd door de volgende generatie, bijzonder in sommige filiaties zoals die van Clairvaux, toen machtige en briljante abten als Bernardus zich manifesteerden.

Was Clairvaux een communiteit die een abt had of was Bernardus een abt die een communiteit had? ‑ Deze vraag zou een afzonderlijke studie vereisen.

In ieder geval bestond het eerste CÓteaux niet uit een groep kluizenaars die leefden onder eenzelfde geestelijke vader, maar een communiteit van broeders die in de eenzaamheid leefden onder een Regel en een abt. En ik zou willen suggereren dat misschien juist daar het belangrijkste element gelegen was van de terugkeer naar de Regel.

 

(vertaling uit het Frans dat een vertaling is uit het Engels)