Geroepen tot omvorming naar het beeld van Christus (2 Kor. 3,18)

______________________________________________________

 

 

            Bedenkingen over  monastieke vorming

 

 

 

I – Beeld van God

 

            Wij zijn geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God . We zijn echter gekwetst  door de zonde en hebben er nood aan dat dit beeld in ons wordt hersteld. Dat is het uiteindelijke doel van het Christelijke,en dus ook van het monastieke leven.

 

            Gods Zoon, die was in forma Dei, heeft niet gevreesd van zijn voorrecht af te zien; Hij heeft zich vernederd (Fil. 2,6-7),  door een van ons te worden, aan ons in alles gelijk, behalve in de zonde (Heb.4,15). Hij heeft aanvaard zijn forma, zijn schoonheid te verliezen. Hij werd misvormd, zodanig dat Hij niet meer herkenbaar was (Jes.53,2). Hij heeft de dood geproefd. Maar de Vader heeft Hem doen verrijzen,  Hem doen zetelen aan Zijn rechterhand en Hem tot Kyrios aangesteld (Fil. 2,9) . Zo werd ons de terugweg getoond en gebaand naar het Beeld. Wij zijn vervormd door de zonde en moeten ons hervormen opdat we geleidelijk aan omgevormd worden naar het beeld van de Verrezen Christus.

 

            Deze uiteindelijke omvorming, doorheen een lang proces van hervorming, of bekering, is het object van de monastieke vorming. Die vorming mag niet op de eerste plaats verstaan worden in de zin van een activiteit die een menselijke formator uitoefent op een andere persoon. Zij moet echter begrepen worden als een geleidelijke en constante , nooit voltooide omvorming van een persoon, die met behulp van de middelen die de monastieke conversatio biedt,de Heilige Geest toelaat het misvormde beeld en de verloren gelijkenis in hem te herstellen.

 

            Het thema van het Beeld van God staat centraal in de spiritualiteit van het primitieve monachisme. Die leer, die natuurlijk ontspringt uit Gen. 1,26, ligt de Kerkvaders , die het Heilsmysterie nauwkeurig  hebben doorvorst, nauw aan het hart. Ieder van hen heeft dit onderwerp op een andere manier behandeld, met de vrijheid die eigen is aan dichters en mystieken. Daardoor is deze leer erg complex geworden en in vele verschillende nuances weergegeven. We kunnen haar op de volgende manier samenvatten : De mens is naar het beeld (imago) en de gelijkenis (similitudo) van God geschapen. Als bevoorrecht schepsel wordt hij geroepen om deel te hebben aan het goddelijk leven. Die dispositie werd door de zonde omvergegooid, maar de mens behoudt de capaciteit om zich tot God te keren (capacitas Dei). Door de genade van de Verlossing en door de navolging van Jezus Christus, is de mens in staat deel te hebben aan het goddelijk leven. Als zijn predisposities tegenover God (imago) zich ontwikkelen en tot uiting komen in een blijvend deugdzaam leven, begeeft hij  zich op weg naar de gelijkenis (similitudo) en vindt hij zijn vervulling door beeld van God te worden.

 

            Wanneer men over monastieke vorming spreekt, denkt men bij die uitdrukking meestal aan de initiële vorming. Die kan echter slechts beschouwd worden als een element of een fase van het globale omvormingsproces dat we zojuist vernoemden. Het doel van de monastieke vorming, in al haar fasen,  kan niets anders zijn dan het herstel van het beeld van God in de monnik.Het gaat hier om een progressieve omvorming die het hele leven omvat. Om die weg tot omvorming te gaan heeft de mens slechts één model, één prototype, het Woord, dat het volmaakte Beeld van de Vader is, en dat  door Sint Bernardus sacramentum salutis genoemd wordt.

 

            Geen enkele Oudvader heeft eigenlijk ooit echt over de ‘vorming’ geschreven – tenminste niet in de zin waarin wij dat woord vandaag verstaan. Wij merken nochtans in hun geschriften dat zij zich duidelijk bewust waren hun rol , hetzij als abt, hetzij als geestelijke vader: was Christus te verwekken in hun leerlingen. Zij wisten dat zij hun monniken moesten leiden naar de navolging van Christus als zij die opdracht wilden realiseren. Het is inderdaad door die navolging van Christus dat de monnik de gelijkenis die hij op het moment van de schepping heeft ontvangen, in zijn leven geleidelijk aan actiever maakt , en dat het beeld van God in hem opnieuw wordt hersteld.

 

            De gedachte dat men iemand kan vormen in het monastieke leven, zoals men iemand vormt tot geneesheer, mecanicien of professor, is een heel moderne opvatting. De Oudvaders zouden nooit op die gedachte gekomen zijn. Voor hen was het monastieke leven geen realiteit waartoe men iemand kon vormen, maar in tegendeel een middel, of eerder een geheel van middelen, waardoor iemand zich liet vormen. Door het monastieke leven te leven wordt iemand steeds meer monnik en laat men zich geleidelijk omvormen tot beeld van Christus.

 

           

II – In cenobitisch milieu

____________________

 

 

            Wanneer de anachoreten van de eerste eeuwen naar de woestijn trokken, zochten zij onder de leiding van een geestelijke vader te staan die de woestijn had ervaren en die blijk gaf  dat de Geest greep op hem had gekregen en hem tot pneumatofoor had gemaakt. Die charismatische geestelijke vader in de woestijn gaf zijn eigen ervaring door, zoals een goeroe. Die vader-zoon of meester-leerlingrelatie was normalerwijze voorlopig en liep ten einde wanneer de leerling genoeg geestelijke rijpheid had verkregen om verder zijn weg alleen in de eenzaamheid te gaan.

 

            Het charisma van de vaders van het cenobitisme,van Pachomius of Basilius bijvoorbeeld, bestond erin een stabiele vorm van gemeenschapsleven, een politeia, uit te werken,met een vastgestelde regel doorheen dewelke, van dan af ,de geestelijke ervaring zou doorgegeven worden. Hier staan wij tegenover een authentieke monastieke cultuur die uitdrukking geeft aan een collectieve identiteit waarbij allen die er zich bij aansluiten hun eigen persoonlijke identiteit kunnen vinden.

 

            Onder cultuur moet men hier verstaan een complex geheel van geestelijke doctrines, ascetische tradities, gewoonten, observantie, administratieve organisatie enz., die uitdrukking geven aan een geestelijke ervaring, die haar levend houden en doorgeven.Een cultuur impliceert cohesie en coherentie van alle elementen van het leven.Zulke cultuur is altijd en bij uitstek de vrucht van de ervaring van een gemeenschap. Een individu vindt zijn eigen cultuur niet uit. De rol van de heiligen, mystieken en genieën, evenals die van dichters en artiesten of van theologen bestaat erin uitdrukking te geven aan de ervaring die  doorgegeven en levend gehouden werd in hun cultuur.

 

            In cenobitisch milieu wordt de monastieke ervaring in wezen doorgegeven in en door de vorm zelf van het communiteitsleven. Daar ook wordt de monnik gevormd vanaf zijn intrede in het klooster tot zijn komen aan de ‘overwal’. Sint Benediktus voegt zich in die grote cenobitische traditie  en het is daar dat de monniken van de Benediktijnse traditie hun basisprincipes van de monastieke vorming moeten zoeken en niet in een eremitisch

 georiënteerde spiritualiteit.

 

            Wanneer Benediktus, in het eerste hoofdstuk van zijn Regel, de verschillende categorieën monniken beschrijft, definieert hij het zeer sterke ras van de cenobieten als diegenen die leven a)in gemeenschap, b) onder een regel, en c) onder een abt. Daar hebben we de drie pijlers van het cenobitisme en de volgorde waarin Benediktus ze noemt is van kapitaal belang. De geschiedenis leert ons dat men een periode van decadentie doormaakt telkens als het evenwicht tussen deze drie elementen verbroken is.

 

            Gemeenschap, regel, abt. We mogen zeggen dat  deze de drie grondelementen zijn van de Benediktijnse conversatio . Het is dus door ze te beleven in elke etappe van zijn monastiek bestaan dat de monnik geleidelijk aan monnik wordt en dat zijn vorming – of omvorming – waarheid wordt in de zin zoals we die hierboven vermeldden.

 

 

1) De gemeenschap

           

 

            In de grote Benediktijnse en Cisterciënzertradtie wordt iemand niet geroepen tot een monastiek leven in het algemeen of voor die bepaalde congregatie. Iemand wordt geroepen voor een concrete gemeenschap van broeders die een kerkcel vormen. Daar zal hij na een degelijke proeftijd, stabiliteit beloven; en het is met die broeders dat hij het heilsmysterie in de Kerk zal beleven tot aan het eind van zijn dagen, tenzij de gehoorzaamheid hem een andere zending toevertrouwt.

 

            De manier waarop iedere concrete gemeenschap deze communio , deze koinonia beleeft , heeft een zeer diepe invloed op de menselijke en geestelijke ontwikkeling van de monnik in de loop van zijn bestaan. Het is op de eerste plaats de gemeenschap als zodanig die de belangrijkste vormende rol speelt, in weerwil van alle mogelijke ‘vormingsmiddelen’ die zij haar leden kan bieden.

 

            Een gemeenschap kan die rol slechts goed vervullen op voorwaarde dat zij ter plaatse een solide monastieke cultuur heeft ontwikkeld. Zulk een monastieke cultuur impliceert een heldere gemeenschappelijke visie op het monastiek leven en een geestelijke oriëntatie die alle elementen van het dagelijkse leven conditioneert  en ‘informeert’ (in aristotelische zin): de manier van bidden,  werken, gemeenschappelijke beslissingen  treffen, gasten  ontvangen enz.

 

            Wanneer een dergelijke gemeenschappelijke visie, een dergelijke cultuur            aanwezig is, dan zal de rol van de ‘vormingsverantwoordelijken’ (abt, novicemeester, lesgevers) er essentieel in bestaan de monniken, vooral de nieuwkomers, te helpen om zich in te leven, zich erdoor te laten vormen en die ‘cultuur’ op een verantwoordelijke en creatieve manier aan te nemen. Is die cultuur niet aanwezig dan zullen over het algemeen alle aangewende ‘vormingstechnieken’ (cursussen, sessies, counseling, enz.) slechts weinig resultaat oogsten.

 

            Een monastieke gemeenschap is niet zomaar een plaats waar men zijn persoonlijke ascese beoefent. Zij is een plaats waar men samen de wil van God zoekt. Benediktus vraagt al de broeders bijeen te roepen telkens als het om een belangrijke zaak gaat: convocet abbas omnem congregationem (RB 3,1), omnes ad consilium vocari (RB 2,2). Het gaat hier niet om een eenvoudige uitoefening van de macht van de meerderheid of over democratie  ‘avant  la  lettre’. Het gaat erom samen te luisteren naar wat de Heilige Geest tot elkeen zegt tot welzijn van allen. Zelfs al heeft de abt de uiteindelijke verantwoordelijkheid om beslissingen te nemen, het conventueel kapittel is de gelegenheid voor elkeen om zijn communautaire medeverantwoordelijkheid uit te oefenen en dus om te groeien in verantwoordelijkheidszin.

 

            Een gezonde gemeenschap is ook een plaats van emotionele  en affectieve groei. De persoonlijke relaties die zich kunnen ontwikkelen in de schoot van het communiteitsleven  zijn tegelijk een school die iemand in staat stelt een diepe relatie met God aan te gaan  en tevens zijn zij een sacramentele uitdrukking van die relatie. Daar de christelijke gemeenschap een nieuwe visie op menselijke relaties incarneert, worden deze gezien en beleefd als een sacramentele uitdrukking van het mysterie Kerk. Het gaat om iets dieper dan een vage gemeenschapszin. We willen echter wijzen op de valstrik van een unanimiteit van het ‘fusionerende’ type, die uiteindelijk de individuen berooft van hun persoonlijke identiteit.

 

            Het broederlijk samenleven stelt ons in staat onszelf te leren kennen doorheen de ontmoetingen van elke dag en onze nood aan bekering te ontdekken. Men kan er zich gemakkelijk erkennen als een gemeenschap van zondaars die allen vergeving hebben ontvangen. Het geeft ook de mogelijkheid zich te laten omvormen door de beoefening van de broederliefde.

 

            Een gezond gemeenschapsleven is de plaats waar wij kunnen leren de realiteit te zien en te interpreteren, niet alleen in ons maar ook rondom ons en ook hoe wij kunnen binnen te dringen in de kern ervan. Authentiek contemplatief leven bestaat er niet in zich uit de werkelijkheid terug te trekken om zich in een kunstmatige of zuiver spirituele wereld terug te trekken. Het bestaat erin zich terug te trekken in de kern,  in het hart van iedere werkelijkheid. Gezond gemeenschapsleven helpt ons de diverse informaties die wij ontvangen, of de gebeurtenissen die wij meemaken op een serene manier te evalueren. Het helpt ons subjectieve projecties en bewuste of onbewuste verlangens te overstijgen.

 

            Starre houdingen, persoonlijke analyses van de werkelijkheid vormen in vele gevallen een hinderpaal voor spirituele en menselijke groei. Een monnik die gewoon blijft groeien in het gemeenschapsleven moet een persoon zijn die steeds  meer in staat is zich aan te passen, zijn opinies en stellingnamen  te veranderen. Hij weet hoe de onvermijdelijke conflicten van het menselijk bestaan aan te pakken en in vrede van hart te leven midden in de spanningen van ieder gemeenschapsleven. Een gezond  gemeenschapsleven stelt iemand geleidelijk in staat die houding van begrip, medeleven en sympathie voor elkeen te verwerven. Een monnik die zich ontpopt als ketterijjager  heeft iets abnormaals.

 

            In een gemeenschap leert een monnik eenheid te brengen in zijn leven. In de wereld kan iemand gemakkelijk een reeks parallelle levens leiden. Er zijn bijvoorbeeld zakenlui, beroepsmensen of politici, voor wie hun beroep en hun familiaal leven, of hun beroep en hun religieuze praktijk totaal van elkaar gescheiden zijn. Voor een monnik zou dat onmogelijk moeten zijn. Een monnik kan inderdaad verantwoordelijkheden hebben in zijn gemeenschap en zelfs buiten het klooster; al die activiteiten maken echter deel uit van zijn monastiek leven; hij wijdt zich eraan als monnik: met eenvoud, dit wil zeggen op één doel gericht, slechts om één ding bekommerd in zijn leven.

 

 

2) De Regel

 

            Christus is gehoorzaam geworden op een wijze waardoor zijn wil zich geheel heeft vereenzelvigd met die van de Vader. Het is langs diezelfde weg van gehoorzaamheid,  in navolging van Christus, dat een monnik de Geest toestaat geleidelijk aan het beeld van God in hem te herstellen. Het gaat natuurlijk om gehoorzaamheid aan de goddelijke wil; die gehoorzaamheid incarneert zich echter in al ons doen in het dagelijks leven.

 

            Het Evangelie is een onuitputtelijke bron van ‘levensvormen’. Het heeft talrijke manieren van ‘Christus volgen’ voortgebracht. De stichters van het cenobitisme hebben het charisma van een existentiële interpretatie van het Evangelie ontvangen. Wanneer dit charisma op een coherente manier beleefd is geworden in een groep, dan werd het omgezet in  een regel.Wanneer men intreedt in een cenobitische gemeenschap, dan voegt men zich in een traditie, in een geleefde interpretatie van het Evangelie. Men kiest deze ‘weg’ in vrijheid middenin  vele andere mogelijkheden.Voor Benediktus is het zo belangrijk dat die keuze in vrijheid en luciditeit wordt genomen, dat hij de Regel drie maal in zijn geheel laat lezen voor de kandidaat in de loop van het jaar dat aan zijn engagement in de communauteit voorafgaat. Het is inderdaad die Regel die de monnik zal vormen en omvormen wanneer hij eerlijk en authentiek beleefd wordt.

 

            Het gemeenschapsleven en de Regel die het structureert zijn de middelen om Gods liefde waar te maken, in de liefde van/voor de broeders, door de voorkeur te geven aan het welzijn van de gemeenschap boven zijn eigen wil; het is de overste die de goddelijke wil, uitgedrukt in de Regel, toepast in concrete situaties van eigen wil. Evenzo wordt de onderlinge gehoorzaamheid waarover Benediktus spreekt  beleefd als een dienst, en dus als een oefening in eenheid van willen, die leidt naar zuiverheid van hart en God schouwen.

 

            Voor de hedendaagse monnik is de Regel niet alleen de tekst van Sint Benediktus, maar ook de Constituties eigen aan de monastieke Congregatie waartoe hij behoort en de geschreven  of mondeling overgeleverde reglementen van zijn plaatselijke gemeenschap. Heel dit ‘legislatief’  geheel is geen simpele ‘wet’: het is de objectieve uitdrukking van de eigen identiteit van een gemeenschap of van een groep gemeenschappen. Men verwerft zich een culturele identiteit wanneer men zich door zijn cultuur laat vormen, of  zich integreert in een andere cultuur. Zo komt men er ook toe een persoonlijke monastieke identiteit te ontwikkelen wanneer men zich geleidelijk laat vormen door een monastieke cultuur en men zich integreert  in een gemeenschap. De capaciteit van een kandidaat om de collectieve identiteit van zijn gemeenschap op zich te nemen en tegelijk meer en meer zichzelf te worden is het teken van een ware roeping.

 

           

3°)  De Abt

 

            In de Benediktijnse traditie is de abt als vertegenwoordiger van Christus in zijn gemeenschap de geestelijke vader, de meester en de geneesheer. Zijn rol verschilt natuurlijk heel veel met die van oversten van religieuze gemeenschappen van recentere traditie. Al is het passend dat hij broeder blijft onder de broeders, hij mag toch ook niet vergeten dat hij geroepen werd om vader te zijn – niet omdat de anderen als kinderen of adolescenten moeten zijn voor hem, maar omdat hij de verantwoordelijkheid heeft Christus in hen te verwekken.

 

            Als vader moet de abt van zijn kant de zachtheid en de goedheid van Christus openbaren, door te trachten meer bemind dan gevreesd te worden, door zich aan te passen aan het karakter van elkeen en door zijn broeders op te wekken met een blij en opgewekt hart de weg ten einde te lopen waarop God hen geroepen heeft. De monnik daarentegen  moet tegenover zijn abt zijn leven lang een volwassen zoonrelatie weten te bewaren,ongeacht hun respectieve leeftijd. Als een monnik na zijn professie in zijn abt niets anders meer ziet dan de persoon die hij moet gehoorzamen in belangrijke zaken, zal hij wellicht als monnik niet meer groeien ( zelfs al bezit hij grote menselijke begaafdheden en gebruikt hij die voor de Kerk en de gemeenschap ).

 

            Niet zelden heden ten dage probeert de novice in het klooster de familie te hervinden  die hij net verlaten heeft of die hij, in vele gevallen, niet gehad heeft. Hij tracht dan de vaderfiguur te vereenzelvigen met de autoriteit en de moederfiguur met de gemeenschap. Zulk een houding verhindert een ware groei want zij bestaat erin het familiemodel gewoonweg opnieuw te creëren.

 

            Wordt de verhouding tussen de monnik en de abt niet op een volwassen en vrije manier beleefd, dan zal er een houding van passiviteit, onveiligheid en angst ontstaan. Het monastieke leven houdt een scheiding van familiebanden in. Andere, soortgelijke banden moeten in het klooster niet aangesnoerd worden. Een gemeenschap moet een plaats zijn waar personen leven met een groot verlangen samen op weg te gaan naar het eeuwige leven; geen beschermende moederschoot. De hedendaagse maatschappij bereidt ons ongelukkigerwijze niet voor op die gezonde relatie met autoriteit en wet. Ofwel weigert men elke autoriteit, met een ernstig gebrek aan iedere vorm van respect, ofwel zoekt men veiligheid in een  sterke

autoriteit die alles beslist.

 

            Als meester in de school van Christus is de abt de bewaker van de trouw van zijn leerlingen aan de monastieke traditie. Opdat de regel en de traditie geen dode letter zouden zijn moet hij ze voortdurend op een dynamische wijze interpreteren. Hij voedt zijn monniken door woord en voorbeeld. Hij deelt het brood van het Woord van God uit, dat geïnterpreteerd wordt voor de gemeenschap op ieder nieuw moment van zijn evolutie.

 

            Als geneesheer : hij moet de wonden verzorgen en, in de naam van Christus, de broeders genezen die door de zonde gewond zijn. Hij moet ook een vader zijn tot wie men zich kan wenden op momenten van persoonlijke crisis.

 

            De abt is de vader, de meester en de geneesheer van alle leden van zijn gemeenschap. Zelfs al is er een novicemeester en een meester van de jonggeprofesten, de abt mag zijn rol als vader van de novicen en jonggeprofesten niet opgeven. In de moderne actieve gemeenschappen , waar elke provincie een enkel noviciaat heeft voor de hele congregatie, heeft  de novice geen enkele andere directe overste dan zijn novicemeester; hij zal aan een huis van de congregatie toegewezen worden na zijn professie. In het Benediktijnse leven, waar men niet intreedt in een congregatie maar in dat welbepaald klooster, is de abt de vader van allen, de novicen inbegrepen. Hij mag zijn verantwoordelijkheid niet van zich afschudden  ook al delegeert hij een groot part ervan aan de novicemeester.

           

            Het is dus van essentieel belang dat er een grote eenheid van inzichten bestaat tussen de abt en de novicemeester. De inspanningen van  een novicemeester om een nieuwe gemeenschap te vormen die verschilt van de rest van de gemeenschap, of van een andere monastieke richting dan die van de abt, zijn bijna zeker gedoemd tot mislukking.De abt is de uiteindelijke verantwoordelijke voor de vorming van de novicen evenzeer als van alle overige leden van de gemeenschap. De novicemeester, zijn afgevaardigde, heeft gewoonweg de opdracht de novicen van naderbij te begeleiden op hun monastieke weg en de onderrichtingen te verschaffen die nodig zijn bij het begin van het monastiek leven.

 

            De rijpheid van een monnik (novice of geprofeste) zal grotendeels afhangen van zijn capaciteit een gezonde relatie aan te gaan met de gemeenschap, de regel en de abt.

 

 

III – De basiselementen van de monastieke ascese

 

            De monastieke conversatio, beleefd in gemeenschap, onder een regel en een abt, bestaat uit talrijke elementen. Aan drie ervan, die een speciale ‘vormende’ waarde hebben, hecht Sint Benediktus bijzonder belang: het Opus Dei, de Lectio divina en het werk. Maar nog fundamenteler is de plaats van het Kruis in het leven van een monnik

 

 

1)     Leerschool van het Kruis            

 

Een monnik treedt in het klooster om Christus te volgen en om door de weg van gehoorzaamheid naar de Vader terug te keren van wie hij zich door ongehoorzaamheid had afgekeerd (Prol. van de Regel). Het is echter door het lijden dat de Zoon van God gehoorzaamheid heeft geleerd (Heb. 5,8). Voor de  Christen die Christus wil volgen bestaat er geen andere weg. Christus spreekt in de Evangeliën trouwens uitdrukkelijk over de eisen van een dergelijke sequela. “Wil iemand achter Mij aan gaan, dan moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen”.

 

Dat is de eerste gesteldheid die men moet nagaan wanneer iemand in het klooster aankomt. Is de kandidaat bereid het Kruis te aanvaarden? Daarna zal men hem gedurende de eerste jaren van zijn monastiek leven moeten leiden en helpen om die harde weg te aanvaarden. Benediktus wil  dat men de nieuwkomer heel duidelijk vanaf het begin waarschuwt voor de harde en moeilijke dingen waardoor men naar God gaat (RB 58,8).

 

Niet zelden stelt men in onze communauteiten met droefheid vast dat een monnik die nochtans uitstekend geschikt leek, kort na de plechtige professie weggaat. Bijna in alle gevallen is het de vorming tot het Kruis die gefaald heeft. De monnik was gelukkig in het monastiek leven zolang hij er een aangenaam milieu vond waarin hij zich kon ontwikkelen , waar zijn talenten werden geapprecieerd, waar hij zijn capaciteiten kon ontplooien, enz. Van zodra echter een ernstige beproeving zich voordeed, van zodra het kruis zich aanbood stortte alles in.

 

Dit moet in verband gebracht worden met het thema van de inculturatie. De ware inculturatie bestaat er niet in alle houdingen die eigen zijn aan een cultuur in het christendom op te nemen; zij bestaat er eerder in iedere cultuur te christianiseren. Het mysterie van de verlossing door het kruis is eigen aan het christendom; het interpelleert alle culturen. Wij moeten het allemaal leren en alle dagen opnieuw leren. Zonder aanvaarding van het Kruis heeft geen enkel element van de monastieke ascese enige zin; maar als de monnik het met vreugde aanvaardt, dan zal het hem vormen heel zijn leven lang.

 

2)     Het Opus Dei

 

Het gebed, eigen aan het monastiek leven is het voortdurend gebed. Dit wordt voorbereid door de lezing, de studie en  de meditatie van het Woord Gods;  het komt communautair tot uitdrukking in het Opus Dei en bloeit open in een zo voortdurend mogelijke aandacht voor God. Het Opus Dei is naast een communautaire uitdrukking van gebed tevens een gebedsschool. De monnik leert er zonder ophouden, in de loop van zijn bestaan, God te loven, zijn zonden te bewenen, voorspreker te zijn bij God voor zichzelf en voor heel de mensheid en alle aspecten van het heilsmysterie te beschouwen.

 

Het Opus Dei mag echter niet beschouwd worden los van het geheel van de sacramentele wereld. Daar wordt de monnik gelijkvormig aan het beeld van Christus in de Eucharistieviering, genezen van zijn kwetsuren in de boeteviering, door diverse zegeningen gesterkt om zijn verantwoordelijkheden op te nemen, en uiteindelijk voorbereid om op een positieve manier de crisissen van het leven door te maken, vooral de crisis van de ultieme overgang, door het sacrament van de ziekenzalving.          

 

3)     Lectio (en studies)

 

 

Het is interessant te noteren dat in de primitieve christelijke literatuur, tenminste tot aan de tijd van Sint Benediktus, de uitdrukking lectio divina altijd slaat op de Heilige Schrift zelf en niet op wat een mens met de Schrift doet. Als men die uitdrukking zou willen vertalen, zou men moeten spreken van een “goddelijke les” en niet van een “goddelijke lezing”. De Heilige Schrift onderricht de monnik niet alleen, maar omvormt hem doorheen dagelijks contact. Heel zijn leven moet geworteld zijn in die lectio divina, deze “goddelijke les”, die hij leest, doorvorst, bestudeert en zonder ophouden bemediteert, zonder enige waterdichte scheiding te maken tussen al die diverse activiteiten. Als de monnik zich geleidelijk aan laat doordringen van de Schrift, zal zij hem vormen en geleidelijk aan tot een ware contemplatief maken, dit wil zeggen: tot iemand die niet noodzakelijk “mystieke” ervaringen heeft, maar een mens die God ziet in alles en alles beschouwt in het licht van God.        

 

We zouden moeten afstand kunnen nemen van de hedendaagse theorieën die van de lectio divina een speciale vorm van ‘lezing’ gemaakt hebben en haar daardoor hebben omgevormd tot een observantie onder de andere, ook al wordt ze als de belangrijkste beschouwd. Als men van de lectio divina een speciale activiteit maakt die men moet vervullen opeen precies moment van de dag en gedurende een bepaalde tijd, dan maakt men er goed en wel een observantie van die daardoor haar gratuïteit verliest waardoor men haar graag wil karakteriseren. Men loopt ook het gevaar de rest van de dag en de andere bezigheden van de monnik te ontdoen van de dimensie van liefdevolle aandacht voor God  omdat men die wil concentreren in die geprivilegieerde observantie.

 

De monnik moet,vanaf het begin van zijn monastiek leven,leren zo constant mogelijk een luisterende houding aan te nemen tegenover God. Hij moet zich zonder ophouden laten doordringen, interpelleren, omvormen door het woord van God dat tot hem komt doorheen zijn langzame en ‘savourerende’ lezing van de Schrift, doorheen wetenschappelijke studie ervan, doorheen zijn lezing of studie van de Vaders, doorheen zijn werk en ontmoetingen met zijn broeders. Als de monnik deze houding ontwikkelt, dan zal ieder te absoluut onderscheid tussen lectio divina  en studie van de Schrift of de Vaders of andere lectuur hem artificieel voorkomen. Dit onderscheid kan zelfs schadelijk zijn als het leidt tot een ‘uitdrogen’ van de studie.

 

Studie heeft inderdaad zijn plaats in het leven van de monnik. Opdat een monnik goed zijn monastiek leven zou beleven moet hij noodzakelijkerwijze een aantal dingen leren. Vermits de Schrift de grondregel van het monastiek leven is, zoals we reeds zegden, en de voornaamste bron van de liturgie, moet de monnik vanaf het begin van zijn monastiek leven goed ingewijd worden in de Bijbel. Hij zal moeten leren de Schrift op een contemplatieve wijze te lezen, maar hij zal tevens moeten geïnitieerd worden in de belangrijkste Heilige Boeken, in de diverse niveaus van interpretatie, enz. Hij zal ook moeten ingewijd worden in de monastieke traditie, in haar geschiedenis en spiritualiteit. Hij zal een goede vorming moeten krijgen in de christelijke leer en een inwijding in de kerkvaders.Die vorming is noodzakelijk voor allen, al kan dat onder heel diverse vormen gebeuren. In bepaalde kloosters waar men een groep novicen heeft die allen een goede basisvorming gekregen hebben, zou die vorming kunnen gebeuren langs een cyclus van goed georganiseerde cursussen. In andere gevallen kan het tutoriaal systeem  de voorkeur genieten. Sommigen zullen hun voordeel doen met een wetenschappelijke benadering, anderen zullen een eenvoudiger benadering verkiezen. Niet allen hebben dezelfde noden, noch dezelfde intellectuele capaciteiten. Men moet echter goed de motivaties van de kandidaten evalueren, die tegenwoordig nogal vaak een heel eenvoudig leven ‘zonder studies’ wensen. De dorst naar “verschijningen” en buitengewone dingen die men in sommige gemeenschappen vindt, komt dikwijls voort uit een onvoldoende kennis van de essentiële christelijke boodschap.

 

Een gemeenschap moet een studieprogramma voorzien dat deel uitmaakt van zijn algemeen vormingsprogramma. Een deel van dit programma wordt gezien in de loop van het noviciaat en het monasticaat. De rest wordt gestudeerd een leven lang.

 

Wanneer er een zeker anti-intellectualisme bestaat in meer dan één klooster heden ten dage, is dat misschien ten dele uit reactie op verschillende ‘vormingsverantwoordelijken die geneigd zijn de hele monastieke vorming te laten bestaan uit een serie cursussen. Sedert enkele decennia studeert men in de monastieke Orden heel veel de Vaders van het monachisme. Onze novicen en jonggeprofesten worden erin onderwezen. Ik ben niet zeker of dat altijd de resultaten heeft opgeleverd die men er van verwachtte. Waarom ? Misschien  omdat men de jonge monniken te vroeg in contact brengt met die literatuur, voordat zij een monastieke identiteit hebben verworven die hen zou toelaten deze persoonlijk te assimileren en er zich door te laten vormen eerder dan haar te bestuderen.

 

De ideale novicemeester zou diegene zijn die de monastieke traditie zodanig heeft geassimileerd dat hij de inhoud ervan trouw zou kunnen doorgeven, zonder ooit een enkele oudvader te moeten citeren. Nemen we een voorbeeld. De Vaders van Cîteaux in de twaalfde eeuw, die goed de Griekse en Latijnse Vaders kenden, en die zich door hen hadden laten vormen, blijken ze nooit ‘onderwezen’ te hebben. We kunnen zelfs zeggen dat zij nooit de Schrift hebben onderwezen, zelfs al kenden zij die uit het hoofd, zij haar constant citeerden en soms literaire kunstgrepen gebruikten die erin bestonden een Boek van de Schrift te becommentariëren, als middel om hun geestelijk onderricht door te geven. Wat zij hebben doorgegeven is wat zij leefden.

 

De Vaders, evenals de Schrift, geven slechts hun geheim prijs als zij gelezen worden in de schoot van een monastieke cultuur die dezelfde waarden incarneert. Vandaar nogmaals het belang van een monastieke cultuur te ontwikkelen die alle elementen van het leven omvat. En één van die elementen is het werk.

 

 

4) Het werk  

           

 

            Voor Sint Benediktus is het werk een basiselement van het monastiek leven. “Zij zullen werkelijk monniken zijn als zij leven van het werk hunner handen (RB 48,8). Het werk, handenarbeid of intellectuele of pastorale arbeid in sommige gevallen, is de plaats waar de scheppende capaciteit of de geschiktheid tot samenwerken met anderen en met God aan het licht komt. Een monnik moet dus leren ernstig werk te toen in dienst van zijn gemeenschap of in naam van de gemeenschap, ten dienste van de Kerk en van de maatschappij.

 

            Het werk zal deze vormende rol niet vervullen als het lijkt op dilettantisme of , zoals het gemakkelijk kan gebeuren, een plaats wordt waar de dorst naar macht zich manifesteert en de eigen wil tot uitdrukking komt.

 

            In een monastieke gemeenschap heeft het werk zulk een impact op de algemene atmosfeer van de gemeenschap en het bepaalt in die mate het evenwicht, dat de abt de zorg voor het materiële in de gemeenschap niet  aan de cellerier alleen kan overlaten. Hij is er verantwoordelijk voor te zorgen dat het werk zodanig georganiseerd wordt dat het bijdraagt tot de monastieke groei van de monniken, jonge en oude.

 

 

IV – Etappes in de vorming

 

            Al is de vorming een proces dat het hele leven voortduurt, zoals we dit met nadruk gezegd hebben in de vorige bladzijden, dit proces kent nochtans fasen, die heel erg van elkaar verschillen, met elk haar eigen uitdagingen, genaden en problemen. Wij kunnen in dit kort artikel niet iedere fase in  detail analyseren, maar we zouden ze evenwel graag opsommen en sommige meer betekenisvolle aspecten ervan vermelden. Er zijn de initiële etappes, waar de postulant en de novice grotere nood hebben aan leiding en hulp, of waar de jonggeprofeste veel dingen moet leren. Er is de centrale periode van het leven, waarin men groeit doorheen de verantwoordelijkheden die men op zich moet nemen in de gemeenschap. Er zijn ook , in iedere periode, de crisissen, en uiteindelijk de ultieme crisis van het oud worden en van de dood. Op de allereerste plaats echter is er de fase van de onderscheiding van de roeping voor de intrede in het klooster.

 

1) De onderscheidingsfase

              

                       

Men treedt niet in het klooster om te proberen, om te zien of het ons bevalt of om te zien of men in staat is aan de eisen te voldoen. Men treedt in om het monastiek leven te leven. De kerkelijke wetgeving heeft natuurlijk, op basis van eeuwenoude ervaring, verschillende opeenvolgende fasen in het monastiek engagement ingevoegd voordat men tot een definitief engagement komt. Desalniettemin, wanneer een kandidaat slechts komt om te ‘kijken’ en niet met de vaste overtuiging zich geheel aan het monastiek leven te geven vanaf het begin, dan is er weinig kans dat hij blijft.

 

            Onderscheiding voor de intrede in het klooster is daarom van kapitaal belang. Kandidaten aanvaarden zonder die onderscheiding bewijst geen dienst, noch aan de persoon zelf, noch aan de Kerk, noch aan de gemeenschap. Een ernstige onderscheiding is echter ‘Kerkwerk’.   

 

            Wanneer iemand zich in het klooster aanmeldt moet men eerst onderscheiden om welke redenen hij komt. En daar het meermaals voorkomt dat de kandidaten zich niet geheel bewust zijn van hun ware motiveringen, moet men hen dikwijls helpen door een tamelijk lange begeleiding om die motiveringen te onderscheiden. Niet zelden komt iemand naar het klooster met een soort  generieke roeping voor het religieuze leven of zelfs voor het christelijk leven. Ofwel heeft hij de ervaring van een plotse bekering doorgemaakt en wil hij zich geheel aan God geven; ofwel heeft hij een diepe gebedsgenade ontvangen en wil hij zich wijden aan het gebedsleven; ofwel gaat het om een priester of een actief religieus die erg geëngageerd is in een bediening die hem weinig vrije tijd laat, en die verlangt  naar contemplatief gebed. In al die gevallen moet men hen helpen onderscheiden of  God hen werkelijk roept tot het monastiek leven of dat Hij hen niet eerder roept,  op de plaats waar zij staan,tot verdieping van de christelijke waarden, waar zij zozeer nood aan voelen.

 

            Een ander aspect van de onderscheiding bestaat erin te zien of de kandidaat bezit wat hij nodig heeft om blijvend het leven te leiden waartoe hij zich engageert: voldoende fysische en psychische gezondheid, levensdiscipline of de capaciteit om ze te verwerven, standvastigheid, enz. Zij echter die op een speciale manier door het leven gekwetst zijn: door een ongelukkige jeugd, voortijdige en negatieve seksuele ervaringen, mislukt huwelijk, enz., hebben nood aan speciale aandacht. Als zij nog niet genoeg op positieve manier die beproevingen verwerkt hebben, zou een goede begeleiding erin kunnen bestaan hen te helpen hun kwetsuren te genezen alvorens in het klooster te treden. Wanneer men een monastieke gemeenschap terecht beschouwt als een therapeutische gemeenschap, in die zin dat wij allen door het leven gekwetst zijn, al ware het maar door onze zonden, en dat de gemeenschap een normaal milieu is van menselijke groei, zowel psychisch als geestelijk, toch zijn evenwicht en voldoende gezondheid noodzakelijk om er zijn voordeel mee te kunnen doen. Een persoon wiens kwetsuren de hulp vergen van een professioneel psycholoog zou die therapie moeten krijgen alvorens in het noviciaat te treden. Zo een therapie vereist alle psychische energie van een persoon, evenzeer als de  noviciaatsvorming. De twee kunnen nauwelijks tegelijkertijd ondernomen worden.

 

            Een solide gemeenschap met een lange monastieke traditie kan zich gemakkelijker permitteren kandidaten aan te nemen van wie de monastieke roeping nog onzeker is. De uiteindelijke onderscheiding gebeurt dan met gemak doorheen het concrete leven. Dat is echter niet mogelijk in een recente en kleine gemeenschap. In dat geval is de gemeenschap nog niet solide genoeg gevestigd opdat een kandidaat al gauw, doorheen de confrontatie, zou ontdekken of hier zijn plaats is of niet. Anderzijds zal de aanwezigheid van één of meerdere kandidaten die niet echt de monastieke roeping hebben de novicemeester verplichten met hen  kostbare tijd te wijden aan problemen die feitelijk niets met het monastiek leven te maken hebben; en de echte roepingen zullen daardoor des te meer verwaarloosd worden.

 

            Onder de valse motivaties waarvoor men naar het klooster kan komen is er vooreerst het zoeken van materiële veiligheid. Al bij al is men in het klooster ongeveer zeker dat men drie maaltijden krijgt per dag en dat men een dak boven zijn hoofd heeft. Men krijgt er eveneens de nodige medische zorgen toegediend als men ziek is. Die motivatie speelt waarschijnlijk niet meer zo dikwijls mee in de landen van de eerste en tweede wereld, maar kan een rol blijven spelen in de Jonge Kerken. Dit geldt eveneens voor het zoeken naar sociale promotie

 

            In een periode van grote onveiligheid op alle niveaus, zoals onze tijd, komt men niet zelden naar het klooster tengevolge van een zoeken naar psychologische en geestelijke veiligheid. Daar zit geen kwaad in, als dit niet de hoofdmotivatie is. Deze jongeren moeten vooral snel geholpen worden hun veiligheid te vinden in een vertrouwvolle  relatie met God en niet in de kunstmatige steun van strenge structuren en versleten observanties. Onze kloosters moeten niet omgevormd worden tot kampen voor culturele vluchtelingen.

 

            Een groot deel van de zogenaamde ‘geestelijke’ literatuur schept schadelijke verwarring tussen ‘de wereld verlaten’, in johaneïsche zin,en de hedendaagse cultuur de rug toekeren. Als iemand zich in het klooster aanmeldt omdat hij vindt dat de wereld ziek en slecht is en dat hij die wil verlaten om zijn heil te zoeken in het klooster, dan moet hij terug de wereld ingestuurd worden en moet men hem helpen die zieke wereld lief te hebben zoals God hem liefheeft. Dan alleen zal hij kunnen naar de woestijn vluchten, zoals de Woestijnvaders, niet uit angst voor de strijd, maar juist om te strijden tegen de krachten van het kwaad die niet alleen in de wereld, maar ook en vooral in eigen hart werkzaam zijn.

 

            Sommigen komen naar het klooster na een – charismatische of andere – ervaring van een bijzonder type van christelijke gemeenschap met een eigen spiritualiteit en een zeer sterke zin voor broederlijkheid. In principe kan dit een uitstekende voorbereiding bieden op het communauteitsleven; maar niet zelden creëert dit problemen als gemeenschapsleven geïdentificeerd wordt met die bijzondere vorm. Die personen vinden dan dat er geen ‘gemeenschapsleven’ is in de gemeenschap waar ze zijn ingetreden omdat ze er niet dezelfde intensiteit van collectieve ‘versmelting’(fusie) weervinden die zij voordien hebben gekend. Er bestaat een intensiteit van broederlijke verhoudingen die men kan beleven in weekendsamenkomsten, maar die men zich niet constant kan veroorloven zonder er een indigestie van te krijgen.

 

            Hetzelfde principe kan men toepassen op diverse gebedsvormen die iemand kan gekend hebben voor zijn intrede in het klooster. Er bestaat soms het gevaar ‘het gebed’  te identificeren met één van die vormen. Een teken van roeping zal zijn of iemand kan intreden in de typisch monastieke stijl van bidden : dit wil zeggen het Opus Dei enerzijds en het persoonlijk gebed  gevoed door de lectio divina anderzijds.

 

2) Het postulaat

 

                                      

Ook al is dit niet meer expliciet voorzien door het Canoniek Recht  (canon 597 §2

spreekt nochtans van adequate voorbereiding voor de intrede in het noviciaat), toch hebben de meeste gemeenschappen een postulaat, waarvan de duur kan verschillen naargelang de gevallen.

 

            Spijtig genoeg nochtans wordt dit postulaat dikwijls gebruikt om onderricht te geven in elementen van de christelijke doctrine (die voor de intrede hadden moeten onderwezen worden),of om het onderricht van het noviciaat te starten. Dat ontneemt het postulaat zijn eigen karakter van belangrijk overgangsmoment.

 

            De intrede in het klooster is inderdaad een belangrijk moment in het leven van een mens. Het gaat om een overgang van een levensstijl naar een andere. Die overgang begint bij een fysieke en affectieve scheiding van persoonlijke activiteiten en relaties waar tot op dat moment de persoonlijke identiteit van de kandidaat grotendeels van afhing. Heeft iemand de genade gekregen een gelukkig gezinsleven te hebben gekend en vele vrienden te hebben gehad, dan wordt die scheiding des te scherper ervaren.

 

            Omdat hij een levensvorm achterlaat zonder al ten volle in de andere te zijn geïntegreerd, is het normaal dat de postulant zijn situatie als vervreemdend ervaart, dit wil zeggen als nergens toe behorend, en dat hij een diepe leegte , soms zelfs een soort frustratie ervaart.Dat is een periode van sterven en verrijzen waarin hij geconfronteerd wordt met de betekenis van alles wat hij vooraf heeft beleefd, van alles wat hem tot de persoon heeft gemaakt die hij nu is, van alles wat hij verlaten heeft en blijft beminnen (familie, vrienden, enz.).

 

            De novicemeester moet aandacht hebben voor alles wat de postulanten op dat moment doormaken. Het zou echter een grote vergissing zijn hen van dit ‘rouwmoment’ te beroven. Dit rouwproces goed en bewust doormaken is van kapitaal belang voor de rest van het monastieke leven. Het zou een grove vergissing zijn die eerste dagen  - en zelfs heel het postulaat – te vullen met talrijke activiteiten, vergaderingen, conferenties om de postulanten ‘bezig’ te houden. Dat zou hen de mogelijkheid ontnemen bewust die overgang te maken naar de woestijn.

 

            Het postulaat zou dus geen tijd mogen zijn waarin men cursussen en conferenties geeft, behalve waar dit strikt vereist is om zich in te werken in het draaien van de gemeenschap. Die tijd wordt gegeven om geleidelijk gewoon te worden het monastiek leven te leven. De postulant moet  de nieuwe ‘plek’ ontdekken waar hij leeft, de gemeenschap, de Regel en de abt.  

 

 

3) Het noviciaat en het monasticaat  

     

 

 Alhoewel de onderscheiding van de roeping verdergaat gedurende het noviciaat, toch is die tijd niet op de eerste plaats een tijd van onderscheiding, daar men in het noviciaat slechts diegenen aanvaardt bij wie men een monastieke roeping meent te ontwaren. Het is een tijd van groei en rijping onder de leiding van een meester: groei in zelfkennis en –aanvaarding groei in de gemeenschapsrelaties, groei vooral in de persoonlijke relatie met God.

 

            Daartoe zal men de novice moeten helpen zijn gebedsleven te verdiepen en zich te voeden met het Woord van God. Men zal hem geleidelijk in contact brengen met de grote monastieke traditie en met het onderricht van de grote geestelijke meesters om hem te helpen zijn eigen geestelijke identiteit te bepalen.

 

            Het monasticaat, dat te dikwijls uitsluitend beschouwd wordt als een studietijd, omdat studie er noodzakelijkerwijze een grote plaats bekleedt, is op de eerste plaats een tijd waarin de jonge monnik wortel schiet in zijn gemeenschap. Hij  begint met verantwoordelijkheden te aanvaarden en zich voor te bereiden op het definitief engagement.

 

            Wij zullen ons niet verder bezig houden met deze twee belangrijke periodes van de initiële vorming, het noviciaat en monasticaat, omdat zij het onderwerp zijn van talrijke gespecialiseerde studies.

 

 

4) De crisissen

           

            Gewoonlijk ervaart de novice in het begin van het monastiek leven een gevoel van persoonlijk welzijn. Niet zelden hoort men iemand zeggen dat hij zich nooit zo goed gevoeld heeft in zijn leven als in zijn noviciaat. Maar het gebeurt echter ook niet zelden dat lijden zich aankondigt, zelfs tijdens het noviciaat, of enkele jaren later, doordat men zich bewust wordt van persoonlijke problemen die men reeds lang opgelost achtte, maar die zich met een nieuwe intensiteit manifesteren. Is men tijdens de eerste jaren constant overspoeld geweest door studies en andere activiteiten die ons bevielen, dan kan die ‘crisis’ ons veel later overvallen. Niet zelden breekt zij door kort na de plechtige professie, of in het geval van priester-monniken kort na de wijding.

 

            Die persoonlijke problemen kunnen van diverse aard zijn: een onvoldoende geïntegreerde of ontwrichte seksualiteit. Het kunnen psychologische kwetsuren zijn, voortkomend uit een gezinssituatie van alcoholiekers. Het kan gaan om een moeilijk karakter of bruuske onvoorziene humeurwisselingen enz. De stilte en de eenzaamheid van de monastieke woestijn, het gebrek aan menselijke steun en de grote moeilijkheid eindeloos lang zijn maskers op te houden in een gemeenschapsleven, maken het mogelijk dat die problemen zich manifesteren.

 

            Het is evident dat het hier niet gaat om problemen die eigen zijn aan het monastiek leven. In de wereld zouden zij zich wellicht één voor één gemanifesteerd hebben of  misschien opgelost zijn door een goede geslaagde carrière, een psychologische hulp of de therapie van een goed huwelijk. In het klooster gebeurt het niet zelden dat ze zich alle samen vertonen. Dat is het ogenblik om te zien of het huis gebouwd is op de rots of op zand (Mt. 7,25).

 

            Als een gemeenschapsleven het uitbreken van dergelijke crisis bevordert, dan biedt een gezonde communautaire context ook het middel om haar positief te beleven, met Gods genade, de onderscheiding van een geestelijke vader en de steun van de broeders. Elke overgang naar een nieuwe groeifase impliceert een soort positieve desintegratie van de persoonlijkheid die zich op nieuwe grondvesten moet baseren. Vele gevallen die tegenwoordig als zenuwinzinking worden beschouwd (en als dusdanig behandeld) zijn wellicht zulke crisissen, die in de taal van de mystieken ‘donkere nachten’ worden genoemd en die de kans bieden tot een kwalitatieve sprong in menselijke en geestelijke groei. Dat is het meest essentiële element van de permanente vorming, die men te dikwijls identificeert met periodieke recyclages.

 

            Een monastieke gemeenschap moet tenslotte bijzonder aandachtig zijn dat  ieder van haar leden wordt geholpen om sereen de grote finale crisis door te maken, die welke niemand kan vermijden en die het zegel van de Geest drukt op zijn omvorming in Christus.

 

 

Besluit

 

            Volgens de Regel van Sint Benediktus wordt de nieuweling in het klooster gevormd door het gemeenschapsleven te leven. Daarom wordt hij toevertrouwd aan een rijpe monnik, die vervuld is met de geest van onderscheiding en met ijver voor de zielen. Zijn rol zal er hoofdzakelijk in bestaan te onderscheiden of de nieuweling ijver heeft voor de bestanddelen van het monastieke leven die, voor alles, hem zullen vormen: het gebed van de gemeenschap, de gehoorzaamheid en de vernederingen.

 

            Dit is de weg van de vorming die het monastiek leven ons aanbiedt om te komen tot de vrijheid van hart die het ons mogelijk maakt met een verruimd hart en een vurige liefde voort te snellen op de weg van Gods geboden en, met Gods genade, te komen tot de volledige omvorming naar het beeld van Christus op de dag van de Ontmoeting.

 

 

 

 

Rome, 4 oktober 1995                                           Armand VEILLEUX