Geleid door de Geest

Meditatie over de spiritualiteit van het Godgewijde Leven

 

Armand Veilleux, OCSO

 

 

            Wij werden door Christus geroepen om Hem te volgen. Daarom zijn wij religieuzen geworden; en daarom zijn wij nu hier samen. We hebben gisteren over die roeping nagedacht. Vandaag zullen wij mediteren over de spiritualiteit van dit leven waartoe wij geroepen werden en dat wij hebben gekozen.

 

            Wanneer we spreken over “spiritualiteit” dan verwijzen we natuurlijk naar de Geest. En wanneer de Bijbel over geest spreekt, dan spreekt hij over adem, wind, bevruchting en geboorte. Ieder van ons die afdaalt in zijn hart kan de diverse ingrepen van de Geest opsporen die aan de oorsprong liggen van “zijn/haar” godgewijd leven. Ik zou u deze morgen willen uitnodigen om samen de ingrepen te overwegen van diezelfde Geest van God die aan de oorsprong liggen van het religieus leven in de Kerk, uitgaand van Hem, Jezus van Nazareth, die wij achterna zijn gegaan.

 

            Als u wil zullen we eerst enkele bijbelse iconen beschouwen, waarmee we een soort groot mozaïek zullen samenstellen, zoals we die kunnen zien in de Romeinse basilieken. En ik hoop dat wanneer al deze iconen  hun plaats zullen hebben gekregen, een helder beeld zal tevoorschijn treden van de oorsprong van het godgewijde leven en van de oorsprong van elk van ons.

 

I – Eerste deel : bijbels mozaïek van de oorsprong van het Godgewijd leven

 

Eerste icoon : de Doop van Jezus

 

            Laten we beginnen met het doopsel van Jezus, want daarin kunnen we werkelijk het  allereerste begin ontwaren van het christelijke religieuze leven..

 

            Rond zijn dertigste heeft Jezus zijn Galilea verlaten om naar Judea te gaan. En met de menigte die, op dat ogenblik, afdaalt van Jeruzalem naar de oevers van de Jordaan, met de menigte zondaars, komt hij zich laten dopen door Johannes. Op het ogenblik dat hij in het water afdaalt, scheurt het hemelgewelf open, de Geest daalt op hem neer in de vorm van een duif en de stem van de Vader doet zich horen : “Gij zijt mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn welbehagen heb”( Mk. 1, 9 – 11 ).

 

            Dat is een belangrijk keerpunt in het leven van Jezus. Onmiddellijk na die nederdaling van de Geest over hem, vertrekt hij, gedreven door de Geest, naar de woestijn waar hij zal bekoord worden door de Satan gedurende veertig dagen. Daarna zal hij zijn dienst van prediking aanvatten.

 

            “Gij zijt mijn Zoon, mijn Welbeminde”, heeft de Vader gezegd….

 

 

 

 

            Maar hoe kan de Zoon van de Vader zich daar bevinden, in het water van de Jordaan, tussen de zondaars, gedoopt worden door een asceet met een levenswijze die op zijn minst gelijkt op die van de monniken van Qumrân die daar vlakbij wonen ? Hoe is dat mogelijk ?

 

            Hij is daar aan het einde van een lange reis. En Sint Paulus beschrijft, in zijn brief aan de Filippenzen, de lange reis die Jezus daar heeft gebracht, op dat ogenblik van zijn en van onze geschiedenis.

 

            “Hij, die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God : Hij heeft zich van zichzelf ontdaan een het bestaan van een slaaf aangenomen.Hij is aan de mensen gelijk geworden (Fil. 2, 6-7 ).

 

            Die man in de wateren van de Jordaan, op wie de Heilige Geest neerdaalt, is de Zoon van de eeuwige Vader. Hij staat daar aan het eind van een lange afdaling, uit de schoot van God zelf tot in de schoot van onze menselijke conditie. Waarom die afdaling ? Om die te verstaan moet men veel verder teruggaan in de geschiedenis van de mensheid.

 

            Laten we nu die icoon van de Doop. We zullen er nog op terugkeren.  En voegen we een tweede icoon toe in een andere hoek van het mozaïek. We moeten inderdaad terugkeren tot de allereerste tussenkomst van de Geest in onze geschiedenis,  op het ogenblik van de schepping zelf.

 

 

Tweede icoon : De Geest van Genesis die het eerste leven verwekt

 

 

            De eerste verzen van Genesis beschrijven ons de hele geschapen wereld als ontspringend uit de Geest en uit het Woord van God. “De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de Geest van God zweefde over de wateren” (  Gen. 1,2 ).De oerchaos wordt bevrucht door de schaduw van de Geest en heel de geschapen wereld wordt geboren uit de ingreep van het Woord. God sprak…” Zeven keer spreekt God. God sprak en het licht ontstond. God sprak en de wateren scheiden zich van het droge. God sprak en de zon en de maan gingen schijnen… Maar vooral, op de laatste dag, sprak God : “Laten we de mens maken naar ons beeld, op ons gelijkend”( Gen. 1, 3 –28 ).

 

            God boetseerde de mens met klei uit de aarde en blies zijn eigen levensadem – zijn eigen geest -  in zijn neus en de mens werd een levend wezen ( Gen. 2, 7 ). Het menselijk wezen werd naar het beeld van God geschapen, met in zich de adem van God zelf, met, zoals Sint Petrus het zal zeggen, een deelname aan het wezen van God zelf ( 2 Petr.1,4 ). Er ligt dus in de mens een zaad van goddelijk leven dat geroepen wordt om onophoudelijk te groeien. En vermits dit zaad goddelijk is, kunnen we zeggen dat wij geboren werden met een oneindige groeicapaciteit.

 

            Zo begon het grote avontuur van man en vrouw. Een avontuur dat, zoals we weten, vanaf de eerste dagen gekenmerkt was door de zonde.  En de essentie zelf van de zonde is weigering van het leven, van dat leven dat de Geest steeds tot volheid in ons wil doen groeien.

 

           

 

 

Op een dag echter, in de loop van de lange tocht van de mensheid, verscheen een menselijk wezen in wie geen enkele weigering van het leven aanwezig was. In tegendeel,zij was totale openheid. Een vrouw verscheen, Maagdelijk vanaf haar ontvangenis, zo geheel openheid, dat de Geest van God – dezelfde Geest die men aanwezig vindt overal waar volheid van leven is – kwam over haar, zoals hij over de oerchaos was gekomen, zoals hij dertig jaar later over Jezus zal komen, zoals hij over de leerlingen zal komen op Pinksteren, zoals hij over elk van ons is gekomen op de dag van ons doopsel en ons vormsel en op de dag van onze religieuze professie. De Geest kwam over haar, en zij werd zwanger van God (Lk. 1,35 ). Zij baarde God (Lk. 2,52 ). Zij baarde een mens in wie het beeld van God zo totaal verwezenlijkt was dat hij volledig mens en volledig God was. Tegelijk volledig mens zoals God de mens bestemd had te zijn, en zoon van de Allerhoogste. Met haar vlees en haar bloed, evenals door de liefde van haar hart baarde zij God. Zij is Theotokos.

 

            Keren we nu terug naar onze eerste icoon, die van de Doop. Die zoon van Maria is opgegroeid in wijsheid en genade voor God en voor de mensen, zoals ieder ander menselijk wezen. Wanneer hij zich bij de asceet Johannes aandient om gedoopt te worden, is die daad niet slechts de voleinding van zijn eerste dertig jaar van persoonlijke groei. Het is ook de voleinding van miljoenen jaren van goddelijke voorbereiding, van miljoenen jaren groei van het zaad van goddelijk leven dat bij de dageraad van de schepping in de mensheid werd gelegd.

 

            En wat doet Jezus nu na zijn doop, nog voor zijn veertig dagen in de woestijn? Wanneer we de chronologie van Johannes volgen, roept hij zijn leerlingen om hem te volgen. Dat zal dan de derde icoon zijn van ons mozaïek.

 

 

Derde icoon : de roeping van de leerlingen

 

            Iedere evangelist heeft ons op zijn eigen manier dit zo belangrijke moment van zijn roeping beschreven. Blijven we nu stilstaan bij de zo tedere beschrijving die Sint Jan ons daarvan heeft nagelaten. Vooreerst was Johannes leerling van de Doper; en die zendt, in een geste van  grote vrijheid en grote onthechting,w zijn eigen leerlingen naar Jezus, de dag na diens doop. “Hij die mij gezonden had om met water te dopen, Hij had tot mij gesproken : Op wie gij de Geest zult zien neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt met de Heilige Geest” ( Joh. 1,33 ).

 

            De eersten die door Jezus gefascineerd worden zijn Andreas en Johannes.  Van zodra zijn de Doper horen zeggen : “Zie het Lam Gods”, gaan zij hem gewoonweg achterna. De uitdrukking is de moeite waard genoteerd te worden. Dat is de eerste vermelding van de sequela Christi in het Evangelie. Jezus keert zich om en vraagt hun : “Wat zoekt gij” – “Meester, waar houdt gij u op”, zeggen ze. –“Komt en ziet”, zegt Jezus. Deze dialoog in lapidaire stijl, van ongelooflijke schoonheid door zijn beknoptheid en zijn emotionele geladenheid, herinnert velen van ons ongetwijfeld aan de dag waarop wijzelf voor de eerste keer die roep hebben waargenomen. Kunnen wij, zoals Johannes zeggen dat het op die dag, op dat uur en op die plaats was?… Zoals oude echtparen nog de plaats, de dag, het uur van hun eerste liefdesverklaring kunnen herinneren (Joh. 1; 29 –39 ).

 

           

 

 

 

 

Andreas gaat Petrus halen.  ’s Anderendaags roept Jezus onmiddellijk Philippus en deze roept Natanaël (Joh. 1, 40-51 ). Zo vormt zich al gauw rond Jezus een kleine gemeenschap. Ieder wordt persoonlijk, bij zijn naam, geroepen, zoals wijzelf elk bij onze naam geroepen werden. In de loop van de maanden en de enkele jaren die op die roeping volgden,

zullen die speciaal gekozen leerlingen rond Jezus gemeenschap vormen, die men later de gemeenschap van de apostelen zal noemen. De menigten hechten zich aan Jezus voor gemengde motieven, en zullen Hem daarna verlaten. Sommigen die zijn boodschap hebben aangenomen, willen Hem ook navolgen, maar Jezus aanvaardt dat niet. Sommigen zijn zelfs heel intieme vrienden, zoals Martha, Maria en Lazarus, maar zij maken geen deel uit van die groep leerlingen, onder wie zich diegenen bevinden die op een dag uitgekozen zullen worden als Apostelen, en die Jezus volgen waar hij ook gaat. Zij zullen zijn strenge levensstijl overnemen evenals zijn dienstwerk bij zondaars en zieken.

 

            Aan die leerlingen die Hem volgen stelt Jezus zeer hoge, zelfs radicale eisen, meermaals uitgedrukt in zeer snedige formuleringen die ons zelfs brutaal voorkomen :

 

            “Laat de doden hun doden begraven en kom dan, volg Mij…” ( Lk. 9,60 ).

 

            “Wie de hand aan de ploeg slaat en achteruit kijkt is Mij niet waardig…” (Lk. 9,62 ).

 

            “Wie zijn vader of moeder meer liefheeft… is Mij niet waardig …” ( Mt. 10, 37 ).

 

            “Wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt is Mij niet waardig…” ( Mt. 10,38 ).

 

Hij  doet hen ook beloften :

 

“Wie zijn vader of moeder verlaten heeft… zal het honderdvoudig weerkrijgen” (Mt. 19, 29 ).

 

            Gedurende de eerste eeuwen van het monnikendom, die de eerste eeuwen van de geschiedenis van het religieuze zijn, zal men constant verwijzen naar die gemeenschap van leerlingen (of van de apostelen), als constant referentiemodel .

 

            Wij zijn overgegaan van de Doop tot de roeping van de eerste leerlingen en van die roeping naar hun leven in navolging van Christus. We moeten nu een andere icoon in het centrum van onze mozaïek plaatsen : die van de Transfiguratie.

 

Vierde icoon : de Transfiguratie

 

            Deze icoon werd door Paus Johannes-Paulus II gekozen als uitgangspunt voor zijn post-synodale Instructie over het godgewijd leven. Zij drukt inderdaad met een bijzondere intensiteit verschillende belangrijke aspecten van ons godgewijd leven uit.

 

            Deze scène situeert zich op een bijzonder cruciaal moment van het leven van Jezus. De massa’s laten Hem stilaan alleen. Hij weet dat Hij weldra zal sterven. Hij is begonnen zijn leerlingen zijn dood aan te kondigen.  Hij neemt dan drie onder hen met zich mee, met wie Hij diepere relaties heeft, en leidt hen een beetje binnen in het mysterie van Zijn glorie, ongetwijfeld, maar ook en op de eerste plaats, van zijn aanstaande dood ( Mt. 17,1-9; Mk. 9, 2-9; Lk. 9, 28-36 ).

 

            Laten we terugkeren, als u wil, naar de christologische hymne van het tweede hoofdstuk van de Brief aan de Filippenzen, waarvan we de eerste verzen zojuist hebben beluisterd; dat zal ons helpen om deze scène beter te begrijpen. Het Woord, dat in God  was “in forma Dei” heeft zichzelf ontledigd, geledigd (kenosis), hij is aan ons gelijk geworden :

 

            Hij heeft zich vernederd, Hij werd gehoorzaam tot de dood, tot de dood aan een kruis

(Fil. 2,8 ).

 

Daar is het dat dit ondoorgrondelijk mysterie van de “afdaling” van de Zoon van God

zich voltrekt. Hij heeft verzaakt aan ieder privilege, ieder recht. Hij heeft niets willen “achterhouden     “. Vanaf dat moment kan Hij alles “ontvangen” als genade, als gave :

 

            Hij heeft zichzelf ontledigd.. daarom heeft God Hem verheven en Hem de Naam gegeven die boven alle namen is. Wanneer men weigert zijn rechten op anderen te laten gelden, als men verzaakt aan zijn privileges, dan kan men alles ontvangen als “gave” (Fil.2,9).

 

            Zo worden duidelijk alle etappes aangegeven van de weg die ieder moet doorlopen die Christus wil navolgen. Het is een weg van communio die de totale verzaking  aan zichzelf inhoudt, een weg van sterven aan zichzelf, die uitloopt op de communio  in de volheid van leven,  maar een volheid die slechts gave kan zijn. Een gave die slechts hij of zij kan ontvangen die zich ontledigd heeft (kenose) van iedere aanspraak op wat voor recht ook, van iedere gehechtheid. “Wie zijn leven wil redden zal het verliezen… wie zijn leven verliest om Mijnentwil zal het vinden” (Mt.  16,25 ).

 

            We zullen aanstonds uitgebreid terugkomen op die realiteit van ‘communio’, die het hart is van het Godgewijd leven. Maar eerst moeten we met nog twee andere iconen enkele legen plekken opvullen die openblijven op ons mozaïek. De eerste is die van het Laatste Avondmaal:

 

Vijfde icoon : Het Laatste Avondmaal

 

            Johannes, dezelfde evangelist die ons met zo’n intense emotie zijn roeping en die van de andere leerlingen van het eerste uur heeft verteld, verhaalt ons ook het laatste Avondmaal met een delicate trek die ons de zojuist genoemde radicale eisen van Jezus in hun ware context doen verstaan.

 

            Jezus opent zijn hart geheel, tegelijk voor zijn Vader en voor zijn leerlingen. En de centrale realiteit die weerkeert in de loop van die toespraken bij het Laatste Avondmaal, is die van de communio, van de liefde. Hij heeft de Vader liefgehad, daarom heeft Hij altijd zijn wil gedaan. Hij heeft zijn leerlingen bemind, daarom heeft hij met hen alles gedeeld wat hij van de Vader vernomen heeft. Hij wil dat zij één zouden zijn zoals Hij en de Vader één zijn. En Hij doet hun deze belofte : “Als iemand mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren, en mijn Vader zal hem liefhebben en wij zullen bij hem komen en verblijf bij hem nemen “(Joh. 14,23).

 

            Wij verlangen allemaal in  God te wonen. Wat Jezus ons hier echter aankondigt is dat Hij en zijn Vader in ons willen wonen, in ons hun blijvende woning willen vestigen. En dat brengt ons tot onze zesde en laatste icoon, die van Pinksteren.

 

 

Zesde icoon : Pinksteren

 

            Laten we nog een moment bij de evangelist Johannes blijven, die Pinksteren situeert op de avond zelf van de Verrijzenis en die het beschrijft als een nieuw Genesis (Joh. 20,19-23). Jezus komt binnen in het cenakel, terwijl alle deuren gesloten zijn; Hij laat zich kennen als de verrezen Christus, door zijn handen en zijn zijde en zegt hun : “Zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend ik u “ (Joh. 20,21). Nadat hij dit gezegd had, blies hij over hen (zoals Jahwe in de neus van de eerste mens geblazen had) en zegt hun :”Ontvangt de Heilige Geest”(Joh. 20,22).

           

            We zijn weer beland bij ons uitgangspunt : het doorgeven van de Ademtocht van God, van het goddelijk leven. In het begin was dit de oergave van het leven, in al zijn frisheid. Maar deze keer gaat het om een doorgeven van de Geest die het verminkte beeld herstelt, die het verloren leven weergeeft: “Wie gij hun zonden zult vergeven, hun zullen ze vergeven zijn”(Joh. 20,23). Lucas vertelt in de Handelingen het binnendringen van de Geest in de leerlingen, gedurende de dagen van Pinksteren, op een nog dramatischer manier, onder de vorm van vurige tongen.

 

            Op die dag is de Kerk geboren, de gemeenschap van Jezus’ leerlingen; die gemeenschap die vanaf nu de zending krijgt die volheid van leven, van communio met de Vader in de Zoon, die hij de mensheid heeft gebracht, zichtbaar te incarneren.

 

            Vanaf dat moment wordt, met de Kerk, ook het religieus leven geboren. Want vanaf de eerste christen  generatie voelen vrouwen en mannen zich geroepen die radicale verzakingen als permanente levensvorm aan te nemen, die Jezus had geëist van hen die hem van meer nabij waren gevolgd, of die hij van deze of gene persoon had gevraagd, zoals de rijke jongeling, die hem hadden willen volgen. Die maagden – van beide geslachten – en die asceten zullen in de schoot van de lokale kerken leven; sommigen zullen zich later in de eenzaamheid terugtrekken en hun verhouding tot de kerkgemeenschap zal zich geleidelijk preciseren. Enkele eeuwen later zal het monastiek instituut ontstaan. De fundamentele engagementen zullen geleidelijk gepreciseerd worden in de vorm van geloften. Doorheen de eeuwen, vooral in het Westen, zullen we het fenomeen beleven van  voortdurende diversifiëring van de vormen van godgewijd leven. We kunnen echter zonder aarzelen zeggen dat als fundamenteel gegeven, deze vorm van christelijk leven die men nu “godgewijd leven” noemt, bestaat sedert de eerste christen generatie, en dat het wortelt in het leven van Jezus’ leerlingen die Hem zijn gevolgd gedurende zijn openbaar leven, en dat het zijn oorsprong vindt in het Doopsel van Jezus zelf. Op dit laatste punt kom ik straks nog terug.  

 

 

**************

 

           

 

 

 

 

Wanneer we nu een zekere afstand nemen en niet zomaar een of andere icoon bekijken, het mozaïek in zijn geheel, dan krijgen we een algemeen en duidelijk beeld van het godgewijd leven  als van een leven van communio. Dat geldt natuurlijk voor iedere vorm van christelijk leven, maar des te meer voor het godgewijd leven, met bijzondere modaliteiten, als sequela Christi volgens het model van de eerste gemeenschap van de apostelen.

 

Het intieme leven van Vader, Zoon en Geest is een liefdedans, een leven van eeuwige en oneindige communio. Het is die communio die God aan de mensheid heeft willen doorgeven door man en vrouw te scheppen naar zijn beeld en door hen zij Levensadem te schenken. De Vader heeft zijn Zoon naar ons gezonden om de terugweg te banen  naar de volledige gelijkvormigheid met het Beeld van God, die we verloren hebben. Jezus is niet alleen voor allen de terugweg naar de Vader; Hij heeft ook in de loop van zijn aardse leven, in de levenswijze die Hij met zijn meest nabije leerlingen beleefd heeft –  in kuisheid, armoede, gehoorzaamheid aan de Vader, verkondiging van het woord en van aandacht voor de kleinen, in broederlijke gemeenschap – het voorbeeld gegeven van een bijzondere manier om die terugkeer naar de Vader te beleven, die wij hebben aanvaard toen we onze religieuze professie deden.

 

 

II – Tweede deel : Het Godgewijd leven als leven van communio

 

            Het ultieme doel van ons godgewijd leven is ten volle het mysterie van communio te verwezenlijken waartoe wij geroepen zijn en waartoe Jezus ons de weg heeft gebaand.

 

            Wij moeten die communio beleven op alle niveaus van ons dagelijks leven. Wij worden geroepen om onder elkaar te communiceren in elk van onze lokale gemeenschappen, om met de gehele Kerk te communiceren, met onze broeders en zusters in de wereld, tot opbouw van een nieuwe cultuur, tot communiceren met de kleinsten en de armsten, enz. Maar voor alles zijn wij geroepen om met God te communiceren. Wanneer ik zeg ‘voor alles’, duidt dit ‘voor’ op een voorrang in belangrijkheid en niet in tijd, want alle andere vormen van communio zijn incarnaties, verwezenlijkingen en openbaringen van onze communio met God.

 

            Is het een valse redenering te denken dat communio met God slechts tot stand komt in het gebed, vooraleer men overgaat tot communio met mensen, dan is het evenzeer een illusie te denken dat communio met God mogelijk is doorheen apostolische activiteit, zonder een constante ontmoeting met God in het gebed.

 

1)      Communio met God in het stil gebed

 

“Wanneer gij bidt, zegt Jezus, trek u dan terug in uw kamer, sluit de deur achter u, en bidt tot uw Vader die in het verborgene is” (Mt. 6,6).Dat is de eerste raad die Jezus in het Evangelie geeft aangaande het gebed. Het gaat dus om een contemplatieve ontmoeting, van hart tot hart. Het gaat niet om een vage ontmoeting met een abstracte godheid, maar om een ontmoeting met onze Vader.

 

      Het gaat ook om een uitdrukkelijk ‘Christus-gebed’, daar God slechts onze Vader is

 

 

doordat Jezus, Christus, de eerstgeborene is van een menigte zusters en broeders (Rom. 8,29), en wij in  Hem en door Hem ook dochters en zonen van de Vader zijn.

 

      “In het verborgene”, zegt Jezus. Die ontmoeting heeft nood aan intieme en verborgen momenten, zoals iedere diepe persoonlijke relatie. Grote vriendschappen verbergt men niet; in tegendeel men is gelukkig dat iedereen ze kent. Maar het is toch in het verborgene dat vrienden de dingen zeggen en steeds weer uitzeggen die hen ten diepste verbinden. Dat geldt ook voor onze vriendschap met God; dat is een van de wetten van de Menswording.

 

      Ontmoeten we God als Vader in en door Christus Jezus, dan gebeurt die ontmoeting niet zonder dat de Geest van de Vader en de Zoon, die de adem van liefde is die hen  verenigt, op ons neerdaalt. Sint Paulus geeft ons in zijn Brief aan de Romeinen, hoofdstuk 8, een van de mooiste beschrijvingen van het christelijk gebed die we in het Nieuw Testament hebben. Eerst en vooral zegt hij ons dat wij geen geest van slaafsheid en van vrees hebben ontvangen, maar een geest van zoon- of dochterschap die ons doet uitroepen: “Abba, Vader! (Rom. 8,15).

 

      In dat woord – Abba – drukt Jezus heel zijn wezen uit. De Vader drukt zich geheel uit in de Zoon en als de Zoon antwoordt “Abba”, dan drukt Hij in dit eenvoudig woord heel zijn wezen uit. Jezus is gebed. Wat ons betreft, wij zijn altijd op weg geleidelijk hervormd te worden naar zijn beeld; wij zijn geen gebed, maar wij zijn onophoudelijk bezig gebed te worden.

 

Wij weten niet hoe wij moeten bidden, zegt Sint Paulus nog in datzelfde hoofdstuk, maar de Geest bidt in ons met een verzuchting die niet in woorden kan uitgedrukt worden (Rom. 8,26). Wat is die verzuchting, die verwant is met barensweeën? Is dat niet de uitdrukking van dat verlangen dat in ons vlees en in ons hart is gelegd op het ogenblik van de schepping?  Is het niet dat smachten opdat het beeld van God in ons in heel zijn schoonheid mag hersteld worden? Die verzuchting van de Geest in ons is de adem van God zelf, die hij in de neus van de eerste mens heeft geblazen die morgen van de Schepping. Uiteindelijk bestaat in de heilseconomie die Jezus heeft ingesteld slechts  één gebed van de Geest Gods in ons. De rest van wat wij gebed noemen, en dat van zeer groot belang blijft, is slechts een geheel van middelen die het mogelijk maken dat dit gebed van de Geest in ons kan opspringen om ons toe te laten ons ermee te verenigen en het tot ons

gebed te maken, zodat wij ook kunnen zeggen, Paulus parafraserend:”Ik bid niet, maar het is de Geest van God die bidt in mij”

 

      De intensiteit van dit gebed zal evenredig zijn met onze liefde. En het is misschien

in die context dat we het best de zin van ons godgewijd celibaat  kunnen begrijpen. In de primitieve ascetische literatuur, in de Syrische taal, die heel dicht staat bij het Hebreeuws en het Aramees, de taal die Jezus sprak, is de naam die voor asceet of monnik gebruikt wordt,en van dezelfde stam is als het woord dat de naam messias, yahid, vertaalt. Dat woord betekent radicale eenvoud, dit wil zeggen: afwezigheid van iedere dubbelhartigheid, natuurlijk, maar ook de afwezigheid van iedere verdeeldheid van hart tussen God en iets anders of God en de Mammon. Is ons hart verdeeld tussen God en iets anders? Dan moet men afhakken. “Als uw rechterhand u aanstoot geef, zegt Jezus,hak ze af…” (Mt. 5,30).  

 

      Door het celibaat en de godgewijde maagdelijkheid drukken wij uit in welke mate wij

 

 

gefascineerd zijn door de liefde die God ons en heel de mensheid toedraagt. En wij willen ons geheel laten doordringen van die liefde. Wijzelf willen hem beminnen met al de liefde waarmee hij ons heeft bemind. Terwijl de grote meerderheid van vrouwen en mannen geroepen zijn om hun Godsliefde te incarneren in de exclusieve liefde voor een echtgenoot, worden wij geroepen onze liefdescapaciteit onverdeeld op Hem te richten, opdat die liefde daarna op de anderen zou kunnen overvloeien, niet als een liefde die de onze zou zijn en die wederkerigheid eist, maar als Zijn liefde, geheel gratuit.

 

      Die moeilijke zelfgave – misschien kunnen we beter spreken van een verzaken aan onszelf, zoals het Woord Gods dat “aan God gelijk was zich van zichzelf heeft ontdaan”(Fil. 2,6) – die moeilijke verzaking die de gewijde maagdelijkheid is kan slechts zuiver beleefd worden als zij een zotte liefde voor God is die zich onophoudelijk uit in het verborgene  van het stille gebed, “in het verborgene”,  waar het eerst en onophoudelijk wordt gehoord en ontvangen.

 

      Het is ook in die “verborgen ontmoetingen” en in die uitwisselingen met de Vader dat wij de zalving ontvangen die maakt dat onze maagdelijkheid geen affectieve uitdroging wordt, maar ons in tegendeel geleidelijk een vrijheid van hart verschaft  die ons toestaat allen te beminnen die op onze weg worden geplaatst, en vooral hen die het meest onze liefde nodig hebben, mensen die door het leven en door de liefde gekwetst werden.

 

      Wordt ons gebed dagelijks gevoed in die momenten van stille ontmoeting, dan zal het geleidelijk aan een constant gebed worden, een van alle ogenblikken. Dat is de tweede onderrichting van Jezus over het gebed :”Bid zonder ophouden” (Lk.18,1; 1 Thess.5,17).

 

      In de loop van de lange Christelijke traditie werden diverse “gebedsmethodes” ontwikkeld. De meest “Christelijke” van al is ongetwijfeld de lectio divina, dit wil zeggen de aandachtige lezing van het Woord Gods, die dat woord in ons laat binnendringen, ons persoonlijk interpelleert en ons geleidelijk en onmerkbaar omvormt. Andere methodes werden ontwikkeld in de loop van de laatste eeuwen en zelfs in onze tijd. Heel wat Christenen vinden baat, of hebben baat gevonden gedurende een periode van hun geestelijk weg, in het gebruik van uitgewerkte methodes van grote religieuze tradities. We kunnen het woord van Jezus toepassen op al die methodes : beoordeel de boom aan zijn vruchten (Mt. 7,16).

 

      Het is belangrijk indachtig te zijn dat geen enkele methode, om het even dewelke, het gebed kan verwekken. Ieder Christelijk gebed is een zuivere gave van de Geest. Wij kunnen ons slecht openstellen om die gave te ontvangen, enerzijds door de zuiverheid van ons leven, en anderzijds door vrede te scheppen in ons hart op het ogenblik dat we in “het verborgene” binnentreden om ons te laten grijpen door de aanwezigheid van God die ons onophoudelijk omhult, maar waar we ons al te dikwijls niet bewust van zijn. Iedere methode die ons helpt de obstakels op te ruimen die het handelen van de H. Geest verhinderen, of die in ons lichaam en onze psychè rust herstelt die ons toestaat aandachtig te zijn, is een geapprecieerde hulp bij het gebed.

 

      Als God ons uitnodigt die communio met Hem te beleven, in de Zoon, dan moet die communio zich openbaren en verwerkelijken in de Kerk die het sacrament is waarin zich

 

 

 

dit mysterie van communio met God aanwezig komt in het zichtbaar teken van de leerlingen van Jezus die hun communio uitdrukken in geloof, liefde en hoop evenals door hun leven van alle dag als door de sacramentele praktijk.

 

2)      Communio in de Kerk

 

De Kerk, zoals de Constitutie Lumen Gentium van Vaticanum II haar beschrijft,is voor alles een mysterie (mysterion – sacramentum) van communio. Zij is het middel bij uitstek waardoor Christus, die het “oersacrament” is, de volledige zichtbare openbaring van de communio tussen God en de mensheid in een mens-God, blijvend aanwezig is in onze wereld, zodanig dat wij ons onophoudelijk bij hem in zijn mens-zijn zelf kunnen aansluiten. Zij is dit zichtbaar teken, doorheen de sacramentele werking, waarin zij  zichtbaar haar geloof  in het heilsmysterie uitdrukt dat onder diverse aspecten wordt getekend, en waarin zij ontvangt wat zij betekent. Zij is ook dat teken, door de manier waarop zij de zaligsprekingen beleeft doorheen haar leden. En de wet van de incarnatie wil dat die “Vergadering van de heiligen” ook alle begrenzingen bezit die inherent zijn aan een menselijke gemeenschap, zoals de Zoon van God, door mens te worden,al de begrenzingen heeft op zich genomen die inherent zijn aan het aards bestaan.

 

      Als religieus beleven wij dat mysterie van communio in de Kerk op verschillende niveaus:

 

      In ons sacramenteel leven en ons liturgisch gebed, waar die communio dagelijks gevoed en zichtbaar uitgedrukt wordt.

     

      In onze lokale gemeenschappen, die elk voor zich een zichtbare openbaring zijn van het integrale mysterie van communio in de Kerk;

 

      In onze deelname aan de zending tot evangelisatie en humanisering die Jezus aan zijn Kerk heeft toevertrouwd;

 

      Door onze commnio in een volwassen, nederige en oprechte gehoorzaamheid aan hen die in de schoot van de universele Kerk en van onze gemeenschappen een bediening van gezagdrager uitoefenen ten dienste van de communio.

 

      Het is dus in die context dat we onze gelofte van gehoorzaamheid moeten verstaan. Daarvoor moeten we eens te meer weerkeren naar de christologische hymne van het tweede hoofdstuk van de Brief van Paulus aan de Filippenzen. Richten we eerst onze aandacht op de context waarin Paulus deze hymne citeert.

 

      Paulus is bezig de Filippenzen op te wekken tot broederlijke communio; en hij doet dat met een emotieve intensiteit die laat blijken dat die communio voor de Filippenzen niet gemakkelijker was dan over het algemeen voor ons: “Als dan vermaning in Christus en liefdevolle bemoediging iets vermogen, als gemeenschap van Geest, als hartelijkheid en mededogen u iets zeggen…” (Fil.2,1). En waartoe vermaant hij hen? Tot heel eenvoudige dingen, maar die ook voor ons in ons gemeenschapsleven moeilijk liggen : “uw eenheid van denken, uw eenheid in de liefde, uw saamhorigheid en eensgezindheid. Geeft niet toe

 

 

 

aan partijzucht en ijdelheid, maar acht in ootmoed de ander hoger dan uzelf; Laat niemand alleen zijn eigen belangen behartigen, maar liever die van zijn naasten”(Fil.2,2-4). En juist op dat punt geeft Paulus als voorbeeld van dat alles Christus, meer bepaald de gehoorzame Christus.

 

      Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde”(Fil. 2,5), zegt hij. En hij citeert dan de hymne over de Christus die geheel ontdaan van ieder voorrecht, die gehoorzaam geworden is tot de dood… Voor Paulus is gehoorzaamheid de opperste vorm van liefde. Dat is de enige totaal gratuite vorm van liefde. Dat is de vorm van liefde waar men met overleg, zoals en met Christus, aan elk voorrecht of elk recht verzaakt. Slechts dan kan men , zoals Christus,alles ontvangen als gave: “Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de Naam verleend (echaristo) die boven alle namen is”(Fil. 2,9).

 

      Het is ook in de beoefening van de gehoorzaamheid dat wij meestal de inherente begrenzingen van de Kerk als menselijke realiteit ervaren ( wat zij ook is, krachtens de wet van de menswording). Het is ook daar dat wij onze eigen begrenzingen ervaren, van de moeilijkheid te sterven aan onze eigen wil: “Wie zijn leven wil redden zal het verliezen… wie het verliest om Mijnentwil die zal het redden” (Mt. 16, 25).

 

      Gehoorzaamheid aan de Kerk betekent uiteindelijk gehoorzaamheid aan de eisen van de Zending die wij allen moeten verwezenlijken, maar die God niet heeft toevertrouwd aan ieder van ons persoonlijk, maar aan zijn Kerk in haar geheel, dit wil zeggen aan zijn Volk. En dat volk is samengesteld als een gestructureerde maatschappij met een hiërarchie van diensten en bedieningen.

 

3)      Communio in de uitvoering van de zending

 

De Kerk bestaat niet voor zichzelf. Als er in de Kerk personen zijn die de verantwoordelijkheid hebben een zending uit te voeren voor de andere leden van de Kerk, dan is deze zending niet voor haarzelf, maar voor de wereld. “Gaat uit, onderricht alle volkeren…” (Mat. 28, 19).

 

            Sinds Jezus verrezen is, sinds Hij, zelfs in zijn menselijkheid, alle grenzen van ons menselijk bestaan hier op aarde overstijgt, is Hij altijd en overal aanwezig; Hij identificeert zich als het ware met ieder menselijk wezen. Wij kunnen Hem persoonlijk ontmoeten in iedere vrouw of man die wij op onze weg ontmoeten, of tot wie wij geroepen worden te gaan… zelfs naast onze weg! Jezus heeft ons echter  op een heel heldere wijze geopenbaard dat Hij zich op een bevoorrechte manier identificeert met hen die het Evangelie ‘de kleinen’ noemt.

 

            Het Evangelie spreekt ons inderdaad over twee complementaire ervaringen van Godsontmoeting. Er is op de eerste plaats de ontmoeting met de Vader in het verborgene in het contemplatieve gebed, waarover we het hoger hadden. Maar er is ook de ontmoeting met Christus geïdentificeerd met de zieke, de gevangene, de vluchteling, waarover Jezus ons spreekt in hoofdstuk 25 van Matteus. “Ik had honger en gij hebt mij te eten gegeven; ik had dorst en gij hebt mij te drinken gegeven; ik was in de gevangenis en gij hebt mij bezocht, enz.” Ofwel gij hebt niets van dat alles

 

 

 

gedaan.. Wat gij gedaan hebt – of niet gedaan – aan één van deze kleinen van deze wereld, hebt gij aan mij gedaan – of geweigerd aan mij te doen (Mat.25, 35-45).Die twee Godsontmoetingen zijn complementair en onscheidbaar.  Wij kunnen in ons leven geroepen worden één van die twee de voorrang te geven, maar wij kunnen de andere niet verwaarlozen. Het contemplatief gebed zonder aandacht voor de “kleinen” zou een illusie zijn; en de dienst aan de “kleinen” zonder aandacht voor God in de stilte van het hart zou louter activisme zijn.

 

            Die communio met God die wordt gerealiseerd in en  door de communio met de kleinsten wordt niet slechts vermeld op het einde van het Evangelie – in dit hoofdstuk 25 van Matteus. Zij wordt ook vermeld vanaf het begin van het Evangelie, zelfs voor de vermelding van het gebed in de stilte van het hart. Zij komt voor in de Zaligsprekingen waarmee de Bergrede begint. Als Jezus zegt: “Zalig de armen, zalig zij die wenen, zalig zij die worden vervolgd, enz.” (Mat. 5,3 –11), bieden die woorden niet slechts een spirituele troost (een pijnstiller) die het mogelijk maakt de ellendigheden van deze wereld te verdragen in afwachting van de genieting van de goederen van de toekomstige wereld. Integendeel. Zij verklaren de  armen, de zieken, de vervolgden zalig omdat Hij hen is komen bevrijden van die kwalen. Hij zegt het zeer duidelijk in zijn antwoord aan de leerlingen van Johannes, die hen deed vragen : “Zijt gij  werkelijk degene die komen moet?” Zijn antwoord is: “Ga aan Johannes zeggen wat gij gezien hebt: blinden zien, kreupelen lopen, de armen ontvangen de Blijde Boodschap”(Mat. 11, 2-6 ). Daar ligt het teken dat het Rijk Gods gekomen is. Wat Jezus begonnen is, wordt zijn leerlingen opgedragen verder te doen. De Zaligsprekingen zijn dus geen troost voor de droefheden van onze kwalen van dit ogenblik, maar een zending die aan zijn leerlingen gegeven wordt om de kwalen van de mensheid te lenigen. 

 

            Ook hier toont Jezus ons de weg. Hij is gekomen om ons te bevrijden van onze kwalen en onze ellendigheden. Maar wat deed Hij eerst ? Hij nam al onze ellende op zich, Hij verenigde zich met al onze kwalen, Hij nam al onze armoede op zich. Daar kunnen wij de zin vinden van onze derde gelofte, die van armoede. Door die gelofte willen wij communiceren met Christus die vrijwillig arm  is geworden, die aan alle voorrechten heeft verzaakt, die zich ontledigd heeft, leeg gemaakt heeft. Willen wij ook communiceren met alle armen in de wereld, met hen die nooit de luxe hebben gehad te mogen kiezen arm te zijn of niet. Wij hebben die luxe gehad. Zolang het Koninkrijk van God niet totaal gerealiseerd is op aarde, zolang de Christenen hun zending niet ten volle volbracht hebben zullen er armen zijn. En door een eenvoudige levensstijl te kiezen, door onze gelofte van armoede, willen wij onze solidariteit en onze communio met hen allen uitdrukken.

 

 

4)      Getuigen van de communio tegenover de scheidingen

 

 

De radicale ontlediging van Christus en zijn gehoorzaamheid hebben Hem tot de dood, tot de dood op een kruis geleid. Hij heeft in Zijn vlees de scheiding doorleefd die er bestaat in het hart van ieder mens  en tussen de mensen onderling. Die scheiding bestaat ongelukkig genoeg op verschillende niveaus in de schoot van de Kerk, van de

 

 

gemeenschap van hen die zichzelf leerlingen van Jezus Christus noemen en dat willen zijn.

 

            En denken we daarbij niet slechts aan de eeuwenlange scheiding tussen de Kerken van het Oosten en van het Westen, de vrucht van eeuwenlang onbegrip;  of ook niet aan de scheiding tussen verschillende westerse christelijke belijdenissen, die vruchten zijn van verschillende opvattingen over de nood aan hervorming in de Kerk. Denken we ook aan de spanningen, zelfs in de schoot van de Katholieke kerk, tussen diverse manieren van appreciëren van de bijdragen van de moderniteit, tussen een vleugel die zichzelf vrijer noemt of wil zijn en een vleugel die zich conservatiever acht of beschouwd wordt.

 

            Als religieuzen, die op een bijzondere manier gewijd zijn aan de communio            ,zouden wij niet slechts efficiënte acteurs in de schoot van de oecumenische beweging moeten zijn, maar ook tussenpersonen in de communio in de schoot van onze Katholieke Kerk zelf. Iedere houding van verharding , hetzij tegenover de hiërarchie of tegenover andere groepen of andere bewegingen in de Kerk gaat in tegen de natuur zelf van het godgewijd leven. En als wij het middelpunt van kritiek, van misprijzen of zelfs van vervolging zijn, van welke zijde ook, laten we dan de raad van Jezus niet vergeten en onze andere wang aanbieden. Dat is een daad die meer toedraagt tot de communio dan alle mogelijke campagnes en alle kruistochten.

 

            Maar nogmaals: de Kerk bestaat niet voor zichzelf. Zij wordt op missie uitgezonden in de wereld. In die wereld ontmoet zij gelovigen van andere religieuze  tradities. Door de duizelingwekkende ontwikkeling van de communicatiemedia in de loop van de laatste decennia, door de beweging van de volkeren – dikwijls veroorzaakt door oorlogen- door de massieve ontmoeting van culturen die daaruit volgt, maken we in onze dagen een steeds frequentere ontmoeting mee van religies in alle werelddelen. Niet alleen omdat wij op een bijzondere manier geroepen zijn tot communio,  maar ook omdat vele van onze religieuze instellingen over de hele wereld verspreid zijn, moet onze communio met God tot uiting komen in een inspanning tot dialoog en communio met allen die eveneens in hen het beeld van God dragen en die, door de werking van de Geest die sedert duizenden jaren in hun religies werkzaam is, zich inspannen om met diverse middelen dat beeld te herstellen.

 

            Sommigen onder ons zijn specifiek geroepen tot missiewerk. Allen zijn we geroepen tot communio die erin bestaat in onze broeders van de andere godsdiensten de semina verbi te beschouwen waarover Vaticanum II spreekt, tot beschouwen en eerbiedigen van de mysterieuze werking van de Geest van God in hen. Wij worden niet allen geroepen tot een specifiek werk in de schoot van de interreligieuze dialoog, die grote moeilijkheden in zich bergt; maar allen zijn wij geroepen om onze liefde voor God te incarneren in een dialoog zonder grenzen, die naar het woord van Paulus VI (geciteerd in Vita Consacrata), een nieuwe naam is voor liefde.

 

            En op onze dagen, waar vele van onze gemeenschappen vooral in de Jonge Kerken rekruteren, is het belangrijk dat die interreligieuze dialoog zich niet enkel beperkt tot de grote wereldgodsdiensten, zoals het hindoeïsme en het boeddhisme, maar zich uitbreidt naar de diverse religieuze tradities van Afrika en Amerika, evenals tot de verschillende landen van Azië.

              

 

 

5)      Commmunio met de kosmos

 

 

Laten we nogmaals terugkeren naar onze tweede icoon die we beschouwd hebben: die van de Schepping, waar wij de Geest van God hebben zien zweven boven de wateren, die hij vruchtbaar heeft gemaakt, en waar we twee elementen van de kosmos hebben zien ontspringen uit het Woord van God: “God sprak en…”. De hele geschapen natuur is dus een weerspiegeling van de goddelijke schoonheid. De schoonheid van de schepping zelf bestaat in haar harmonie, vrucht van de werking van de Geest. Die harmonie en die schoonheid werden vernietigd van zodra de eenmakende werking van de Geest verstoord werd door de interventie van de uitbuiting, vrucht van het egoïsme van de mens.

           

            Paulus, in hoofdstuk 8 van de Brief aan de Romeinen, dat we reeds gehoord hebben,  zegt ons dat we niet weten hoe te bidden maar dat de Geest Gods in ons bidt met verzuchtingen die niet in menselijke woorden kunnen uitgedrukt worden. Hij spreekt ook over diezelfde barensweeën die in de schepping aanwezig zijn. De hele natuur, zegt hij, kreunt en lijdt barensweeën, altijd door, wachtend op de volle verwerkelijking en de openbaring van het kindschap Gods  (Rom. 8,22-23).

 

            In onze dagen, wordt de geschapen natuur bedreigd door de interventies van de mens. Maar de ecologische zorg kan echter even gemakkelijk oorzaak van conflict en ideologische gevechten kan worden. Hier  moeten wij als religieuzen, uit hoofde van onze roeping tot communio, weten deze ecologische bezorgdheid te beleven als een communio met de natuur die God geschapen heeft, en dus als een andere manier om onze communio met God uit te drukken. Zoals Jezus de vrede wist de herstellen en de storm te bedaren door een woord en door over het water te lopen, zo moeten ook wij weten onze communio  met de geschapen natuur te beleven op een manier die het mogelijk maakt dat het Woord, dat wij in ons dragen,er kan binnendringen en haar terug tot leven te wekken.

 

6)      Communio door en over het Kruis heen

 

Laten we tenslotte terugkeren naar de icoon van de Gedaanteverandering. Waarover          

praatten Jezus, Elia en Mozes? – Over zijn nakende dood in Jeruzalem (Lk.9,31). Hoe ver is Jezus’ gehoorzaamheid gegaan? – Totderdood, en de dood aan een kruis. Hoe ver is zijn liefde gegaan? – Hij heeft mij zozeer liefgehad dat hij voor mij is gestorven, riep Paulus uit.

 

            Wij kunnen dus niet beweren een diepe communio met Christus te beleven als wij de communio met zijn Kruis niet aanvaarden. Jezus heeft hen het honderdvoudige beloofd die alles hebben achtergelaten om hem te volgen … met vervolgingen (Mk. 10,30). De dienaar staat niet boven zijn Heer, heeft hij nog gezegd: Wat ze de Meester hebben aangedaan, zullen ze ook de leerling aandoen (Joh. 15,20).

 

            Sedert het begin van de Christelijke tijdrekening hebben Christenen aanvaard te sterven om te getuigen van Christus. Onder de talrijke martelaren van de twintigste eeuw, waarvan de Heilige Vader een martyrologium heeft willen opstellen, bevinden zich naast vele leken en heel wat priesters en bisschoppen, ook een groot aantal religieuzen. Zij hebben hun

spiritualiteit van communio  ten einde toe willen beleven, tot de diepste eisen van de communio met God, met de vervolgde Christus, met de kleinen in deze wereld, met alle  slachtoffers  zonder naam of gezicht van onze oorlogen en onze uitbuitingen onder mensen.

 

            Die martelaars zijn voor ons modellen. Waarschijnlijk zullen weinigen onder ons geroepen worden tot dat ultiem getuigenis van de communio. Maar allen zijn wij geroepen het kruis in ons leven te aanvaarden. Of het nu komt in de vorm van vervolging van de kant van “de wereld”, van onbegrip, of ziekte. Het is altijd dat zuiverende vuur dat geleidelijk het zwijgen oplegt aan de noden waar wij, door onze geloften, aan verzaakt hebben,  om het “verlangen” in ons te doen groeien. Dat verlangen, dat een verzuchten is naar de volheid van leven, naar het volledige herstel van het beeld van God in ons. Dat verlangen is de verzuchting van de Geest die, uiteindelijk, het enige gebed is dat overblijft als al onze woorden verstommen en wij teruggebracht worden tot de stilte van het begin waar het leven verwekt wordt.

 

            Hij is gehoorzaam geworden tot de dood… Daarom heeft God Hem hoog verheven… Ik wil dat gij ook zijt waar Ik ben…

 

Conclusie

 

            Laten we afsluiten en terugkeren tot de icoon van het laatste Avondmaal. Nadat Hij zijn leerlingen nogmaals het gebod van de Liefde gegeven heeft, belooft Jezus hen de uiterste communio. “Als gij mijn geboden nakomt…( dit wil zeggen alle vormen van communio waartoe wij door Hem geroepen zijn ), dan zal Mijn Vader u liefhebben. Wij zullen tot u komen en verblijf bij u nemen.”

            In onze echt geestelijke momenten verlangen wij ten diepste in God te leven. Vergeten we niet dat Hij verlangt te leven in ons. Staan wij Vader, Zoon en Geest toe in ons hun woning te vestigen?