Griekse filosofie
Toeval en Noodzaak in de Griekse Filosofie
Peter Doomen
K.U.Leuven
Inleiding
De filosofie tot aan de sofisten
De Milesische natuurfilosofen
Pythagoras en zijn school
De Eleaten
Herakleitos en de natuurfilosofen van de vijfde eeuw
De bloeitijd van de Griekse Wijsbegeerte
De sofisten
Sokrates
Plato
Aristoteles
Griekse filosofie na Aristoteles
Toeval en verantwoordelijkheid
Besluit
Noten
Inleiding
Het toeval en de noodzaak hebben de mens van oudsher geboeid. De Griekse filosofen vormen daarop geen
uitzondering. Uit diverse verhalen, maar evengoed
uit verscheidene leringen van filosofen, blijkt dat de oude Grieken begaan waren met het probleem van
oorzaken, toeval en determinisme.
Voor vele fenomenen bedenkt de mens verklaringen. Sommige van die verklaringen rijzen op uit verhalen
die uit een ondoorgrondelijk verleden komen, en
meestal de goden als protagonisten hadden. Een bekend voorbeeld zijn de zogenaamde aiolitische verklaringen
- deze waarbij men een natuurfenomeen duidt
door het een plaats te geven in de geschiedenis van goden en mensen. Zo zou de terugkeer van de seizoenen
zijn oorsprong vinden in het zesmaandelijks
verhuizen van Demeter van aarde naar onderwereld of andersom.
Verklaringen zijn pogingen om de wereld te vatten in bekende begrippen. Wanneer men voor een fenomeen
een verklaring geeft, dan houdt het op stochastisch
te zijn. Men begrijpt wat er gebeurt, en men kan voorspellen wat komen gaat.
Ook dit voorspellen bekleedt een belangrijke plaats in de oudgriekse beschaving. Denken we maar aan
het bestaan van het Orakel te Delphi. Zowel grote namen
als naamlozen hebben het bezocht, en lieten zich voor belangrijke of minder gewichtige beslissingen
leiden door wat het Orakel hen voorspiegelde. Het Orakel is
goddelijk - immers, enkel de goden weten wat was, is en zal zijn. Het was weinige stervelingen vergund
hierop een uitzondering te zijn. De bekendste is
ongetwijfeld de blinde ziener Teiresias, die door Hera van het gezichtsvermogen werd beroofd, maar van
Zeus zijn speciale vermogen kreeg.
Mais, après tout, l'inverse aurait pu se produire et la victoire tourner de son côté. Si cela ne
s'est pas fait, c'est qu'il a joué de malchance: il a glissé
pendant le combat, ou s'est trouvé aveuglé par le soleil, ou son coup a raté l'ennemi. Il faut faire
appel alors à l'action d'un dieu: Apollon sans doute
est intervenu sur le champ de bataille, pour assouvir une vielle rancune; il aura voulu se venger de
fautes commises autrefois contre lui. Mais, en
même temps, ce ressentiment d'Apollon est conforme à la loi du destin qui exige pour toute faute à l'égard
des dieux sa punition et qui a fait les
hommes mortels..
Voortdurend in onzekerheid leefden zij, de Grieken. Hun goden waren immers onvoorspelbaar, en konden
enkel te vriend worden gehouden mits voldoende
offers. In een houding van ootmoedigheid worden gebeurtenissen in een mensenleven aan de goden toegeschreven
- het draait daarbij niet om het afschuiven van
verantwoordelijkheid, maar wel om het zichzelf wapenen tegen hybris, de hoogmoed. Een opperste vorm
van hoogmoed was de goddeloosheid, of nog het
zichzelf gelijk stellen aan de goden. De mens hoort zijn lot te dragen; vorsen naar het waarom ervan,
of zelfs het proberen daaraan iets te veranderen, is ongepast
en wordt door de bewoners van het Pantheon niet getolereerd. "Ken uzelf, weet, dat ge een sterveling
zijt en geen god" is wel de belangrijkste uitspraak die het
Orakel ooit kon doen.
Dat het arbeidsethos in het Westen slechts vanaf de Renaissance opgang maakte, is daarom niet verwonderlijk.
Voordien zag de mens slechts een indirekt
verband tussen zijn handelen en zijn maatschappelijk welzijn: in al wat we doen, komen de goden tussen.
Met de opkomst van een mechanistische visie op de
wereld, waarvan het overbekende citaat van Pascal het toppunt is, ging men deze band als zeer direkt
waarnemen: wat ik doe, is rechtstreeks verantwoordelijk
voor hoe het met me gesteld is.
In wat volgt neem ik, naar aanleiding van m'n studie over het toevalsconcept in wetenschap en dagelijks
leven, enkele ideeën van Griekse filosofen omtrent toeval
en determinisme in ogenschouw. Daarbij valt onmiddellijk één ding op: meer dan wij ons nu kunnen voorstellen
werd het wereldbeeld toen bepaald door het
godsbeeld en de verhalen die met de goden samenhangen. Niet alleen werd het als "onwettelijk"
gezien zich atheïstisch op te stellen (onder dit voorwendsel werd
Sokrates veroordeeld). Zelfs de meest goddeloze denker, Epicurus, stelde slechts dat wij ons niet met
godszaken kunnen inlaten, en dat de goden zich evenmin
met het aardse bezighouden. Maar voordat Epicurus deze boude uitspraak kon doen, waren er vele andere
wijsgeren die elk hun eigen visie op toeval en
noodzaak hadden. Deze komen in wat volgt aan bod.
De filosofie tot aan de sofisten
De Milesische natuurfilosofen
Met Thales van Milete, de eerste natuurfilosoof, begint de Westerse wetenschap. Wetenschap is bij uitstek
het bedrijf dat probeert voor natuurlijke fenomenen
verklaringen te vinden, en de wereld te vatten in lijn en getal. Dat deed Thales ook: van hem is bekend
dat hij op een eenvoudige manier de hoogte van de
Egyptische pyramiden bepaalde. Misschien wel als eerste stelde hij de vraag: wie zijn wij? Wat is de
kosmos? Hoe is alles ontstaan? Zijn antwoord luidde: water
is het beginsel. Dat is niet zo gek als het nu lijkt: uit observatie wist de filosoof dat alle levende
dieren voor hun ontstaan en leven water nodig hadden. Hij had
goed naar de natuur gekeken, en trok bijgevolg de conclusie dat al wat is, bestaat dankzij water.
Zij leerling Anaximander verwerpt dit idee. Volgens hem is apeiron, het oneindige, het beginsel
van alles. In het begin was er de chaos (dat is in wezen een
toestand van volkomen willekeur). Nu ontstaat er in die willekeur een zekere orde, en wel door deling:
de wereld is geboren. De orde verdringt de chaos, en de
rol van toeval verkleint. Maar in hoeverre hij strikt deterministisch dacht, valt uit zijn leer (voor
zover we die kennen) niet op te maken. Datzelfde geldt voor zijn
tijdgenoot en derde Milesische natuurfilosoof Anaximenes, die de lucht als oerstof postuleerde.
Pythagoras en zijn school
De mathematica zoekt verbanden die boven alle twijfel verheven zijn. Voor Pythagoras kon de wereld niet
anders zijn dan een kosmos, een geordend geheel:
getuige daarvan zijn leer van de harmonie der sferen. Niet zoals zijn voorgangers zoekt Pythagoras het
beginsel in een stoffelijke substantie, lucht, water, aarde of
vuur, maar veeleer in een oerwet: met name de onveranderlijke getalmatige verhoudingen tussen de bestanddelen
van de wereld. In zulke wereld lijkt er voor
toeval en willekeur weinig plaats.
De Eleaten
Xenophanes, tijdgenoot van Pythagoras, staat er in de eerste plaats om bekend de wijsgeer te zijn die
fel van leer trok tegen de al te menselijke beelden die de
mens van de goden had gevormd. Hij neemt de andere uiterste plaats in: van de goden kunnen wij nooit
iets te weten komen, en er kan trouwens maar één god
bestaan. Iets dergelijks vinden we ook terug in de leer van Epicurus. Maar die god van Xenophanes is
alomtegenwoordig, zodat we zijn leer als pantheïstisch
kunnen beschouwen. Het lijkt erop dat deze wijsgeer daarmee geen deterministische visie op de wereld
aankleven kan, maar dat is wellicht te snel gesproken:
voor hem gaat er achter de wereld van menigvuldigheden een eeuwig, onveranderlijk Zijn schuil. De kern
van zijn leer is dus, wel beschouwd, vrij van willekeur.
Zijn leerling Parmenides werkte dit idee verder uit, tot in het extreme zelfs. Voor Parmenides kan er
noch worden, noch beweging bestaan omdat het Zijnde alles
vervult. Het zijn onze zintuigen die de illusie scheppen dat alles voortdurend in beweging is. De opvolger
van Parmenides, Zeno, formuleerde een aantal
paradoxen, die deze leer verder ondersteunen. Maar hier ligt de zwakte van de eleatische filosofie,
en het zich krampachtig vastklampen aan een onveranderlijk
Zijn is noch Grieks te noemen, noch vruchtbaar als wijsgerige theorie.
Dat wil echter niet zeggen dat in de Griekse filosofie het determinisme nu dood is. Het zal met name
Hereakleitos zijn die ten eerste juist het veranderen van alles
zou beklemtonen, en ten tweede de grondlegger zou worden voor enkele deterministisch georiënteerde wijsgeren:
Empedokles, Leukippos en Demokritos.
Herakleitos en de natuurfilosofen van de vijfde eeuw
Ook Herakleitos ziet eenheid in de veelheid (een typisch natuurwetenschappelijk standpunt), maar hij
weigert het onveranderlijke aan te nemen. Integendeel, alles
verandert voortdurend. De oersubstantie is voor hem vuur, wellicht in de zin van een kosmische
energie, en de wet van de eenheid der tegenstellingen brengt de
voortdurende verandering van al wat is op gang. De logos is daarin het ordenende beginsel.
Als Herakleitos bij ons bekend is, dan is het wel omwille van zijn spreuk: "Oorlog is de vader
van alles". Daarmee bedoelde hij: eenieder krijgt zijn plaats in dit
wereldbestel (zowel goden als mensen) door de oorlog, en daarbij verwijst hij duidelijk naar de vele
verhalen over de goden en hun oorlogen, die van beslissende
invloed zijn op wie de macht kreeg in het Pantheon. Maar ook meer wereldse oorlogen zorgen voor een
dergelijke machtsverdeling.
Zijn leerling Empedokles neemt het idee op van de eenheid der tegenstellingen, en benadert het als de
motor van de verandering: Al wat is, bestaat uit een
mengsel van de vier oerelementen, water, lucht, aarde en vuur. Door de twee drijvende krachten liefde
en haat wordt de wereld gemaakt. Zelfs levende wezens
kunnen door dit proces uit lagere organismen ontstaan. Empedokles formuleert hiermee een theorie die
we als deterministisch kunnen waarmerken: goden zijn
niet nodig om het ontstaan van orde in de chaos te verklaren.
Leukippos moet in dit verband genoemd worden. Van hem is slechts één fragment woordelijk bekend, dat
tevens de eerste heldere formulering van een causale
wet is: "Geen ding ontstaat doelloos, maar alles uit zin en noodzakelijkheid". Een klaardere
uiting van determinisme kunnen we ons niet voorstellen. Demokritos
heeft dat gegeven overgenomen en verwerkt in zijn leer omtrent de beweging van de atomen. De wereld
is noch geboren uit de bestierende kracht van een god,
noch uit toeval: beide zijn produkten van de menselijke fantasie, en dienen om onze onkunde te bedekken.
In feite zegt Demokritos hier wat Pascal eeuwen later
zou stellen: voor een supergeest, die alle toestanden van alle deeltjes en tevens alle erop inwerkende
krachten kent, is niets toevallig. Alles geschiedt met een
immanente noodzakelijkheid.
De vijfde en laatste die in dit verband wordt aangehaald, is Anaxagoras. Het mag enige verwondering
wekken dat Empedokles, Leukippos en Demokritos met
hun "goddeloze" leer niet in aanvaring zijn gekomen met de gevestigde orde, die zulke leringen
scherp veroordeelde. Bij Anaxagoras is dat wel gebeurd. Men
deed hem een proces aan wegens "onvroomheid". Hij vluchtte, en stierf enige tijd later in
ballingschap. Ook deze wijsgeer verkondigde een strikt mechanische
oorzaak voor alle verschijnselen. God is enkel nog degene, die een "eerste stoot" heeft gegeven
aan al wat is. Wat daarna gebeurt, is dan volledig te verklaren uit
kennis van vroegere toestanden.
De bloeitijd van de Griekse Wijsbegeerte
Waar de ideeën van de Griekse filosofen omtrent toeval en noodzakelijkheid nog onduidelijk aanwezig
waren, en pas in de vijfde eeuw min of meer sterk naar
voor kwamen, ziet men dat de filosofen uit de bloeitijd van de Griekse filosofie duidelijker naar deze
begrippen verwijzen: minder bij de sofisten en Socrates,
maar uitdrukkelijker bij Plato en tenslotte uitgebreid in de Physica van Aristoteles.
De sofisten
Waarachtig, mijn mening is dat deze mannen zo handelen volgens de natuur van de gerechtigheid en
- bij Zeus - volgens de wet van de natuur, als is
het dan niet volgens de wet die wij verzinnen …
Over toeval en noodzaak vinden we bij de sofisten weinig of niets. Deze grote thema's vormden ook geen
stof voor hen: de mens was maat van alle dingen, en
dat schijnt te impliceren dat zulke zaken als god en toeval voor ons onkenbaar zijn.
Toch toont de tussenwerping "bij Zeus" uit het citaat hierboven dat ze godsdienst niet uitsluiten.
Protagoras, hun voornaamste voorvechter, zegde enkel: "Van de
goden kan ik niet weten of ze zijn, noch of ze niet zijn". Men beschuldigde hem van goddeloosheid,
en hij werd uit Athene verbannen.
Het belang van de sofisten is voornamelijk gelegen in het feit dat zij tussenfiguren waren, die ten
eerste de blik van de filosoof op de mens hebben gericht, ten
tweede het denken zelf overdachten, en ten derde de voorwaarden geschapen om van de ethiek een wetenschappelijk
benaderbaar iets te maken. Het is dan
ook hier dat de periode van de natuurfilosofen (gekenmerkt door slechts een vage band tussen hun natuurwetenschappelijke
stellingen en hun ethiek) ophoudt.
De echte bloeitijd van de Griekse filosofie komt eraan, met het bekende trio Sokrates - Plato - Aristoteles.
Sokrates
Ook Sokrates werd van goddeloosheid beticht, en ertoe veroordeeld de gifbeker te ledigen. Dat deed hij,
want hij wou het hem door de goden toebereide lot
niet ontvluchten. Ducunt volentem fata, nolentem trahunt, zegde Seneca.
Dit beeld schetst goed de tegenstrijdigheid in de leer van Sokrates. Enerzijds rekende hij de verplichtingen
ten opzichte van de goden tot de voornaamste plichten
van de mens, maar aan de andere kant is de deugd voor hem evenwaardig aan kennis: zoals het onmogelijk
is het rechtvaardige te doen zonder het te kennen, zo
kan men ook niet het rechtvaardige niet doen, wanneer men het werkelijk kent. Daarom wil hij ook eenieder
tot zelfkennis brengen; de woorden van het Orakel
van Delphi liggen hem zo op de lippen: "Ken uzelf!"
Plato
Now everything that becomes or is created must of necessity be created by some cause, for without
a cause nothing can be created. The work of the
creator, whenever he looks to the unchangeable and fashions the form and nature of his work after an
unchangeable pattern, must necessarily be
made fair and perfect; but when he looks to the created only, and uses a created pattern, it is not
fair or perfect.
Ooit schamperde een filosoof over de Westerse wijsbegeerte dat deze slechts "voetnoten bij Plato"
zijn. Een uiting van bewondering voor deze Griekse filosoof,
die een omvattend stelsel van theorieën heeft ontworpen. Als inderdaad Plato van zulk stelsel de schepper
is, dan komt hij niet onderuit aan de problematiek van
oorzaak, gevolg en toeval.
In zijn werk Timaios heeft Plato een natuurwetenschappelijke visie uiteengezet. Met betrekking
tot het probleem dat ons hier bezighoudt, de visie van de Griekse
filosofen op toeval en noodzaak te verhelderen, is het belangrijk te weten dat bij Plato de natuurwetenschap
nooit volkomen zekerheid kan verwerven over haar
object, maar slechts een mate van waarschijnlijkheid. Dit hangt ten nauwste samen met de ideeënleer
waarvan hij de vader is: werkelijke ideeën zijn slechts voor
het denken toegankelijk, en de stoffelijke natuur heeft dan enkel secundaire betekenis.
We kunnen daarom zijn leer dualistisch noemen: hij postuleert het bestaan van stoffelijke entiteiten
en van onstoffelijke Ideeën. De kloof tussen beide wordt niet
overbrugd, en dat wordt problematisch wanneer we ons afvragen hoe de twee beginselen dan interageren.
In zijn latere werken neemt hij daarom aan dat er nog
een derde beginsel is, dat die kloof overbrugt: het krijgt de naam godheid of wereldziel,
dat in de vorm van een mythe of verhaal wordt gebracht (zoals alles wat
niet vatbaar is voor een strenge logische behandeling). Waar Plato dus eerst neigde naar de eerder deterministische
kant van de Eleaten, met een eenheid zonder
verandering, is hij in een latere periode van dat idee enigszins afgestapt om met betrekking tot de
problematiek "Zijn en worden" dichter naar Herakleitos te
naderen.
Aristoteles
But chance also and spontaneity are reckoned among causes: many things are said both to be and to
come to be as a result of chance and spontaneity.
We must inquire therefore in what manner chance and spontaneity are present among the causes enumerated,
and whether they are the same or
different, and generally what chance and spontaneity are.
Als er één filosoof uit de oudheid uitdrukkelijk de problematiek van toeval en noodzaak beroerd heeft,
dan is het wel Aristoteles. De man dacht dan ook over
alles na, zo verzekert Dante ons.
Hoewel Aristoteles gewoonlijk wordt gezien als een wijsgeer die logisch en ethisch determinisme afstreed,
kan men in zijn Physica wel een poging tot
verdediging van een causaal determinisme onderkennen. Hij probeert meerbepaald gebeurtenissen die hij
in de natuur onderkent (hij was een goed waarnemer)
en die men als "toevallig" bestempelt, onder te brengen in zijn systeem van causale verklaring.
Volgens Aristoteles zijn er drie soorten gebeurtenissen, die zich van elkaar onderscheiden door hun
kans op voorkomen: sommige komen altijd voor (dat zijn
eeuwige wetten, zoals de beweging der hemellichamen), andere vrijwel altijd, en weer andere bijna nooit.
Wat voorafgaat aan deze tweede soort beschrijft
Aristoteles als de materiële oorzaak van een gebeurtenis: als de gebeurtenis plaatsheeft, dan heeft
ook de oorzaak plaatsgevonden. Maar het voorkomen van de
oorzaak alleen is niet voldoende om het gevolg teweeg te brengen.
Het is de derde soort die ons hier het meest interesseert: de filosoof zegt van deze dat ze "door
toeval" (tychè) voorkomen. Daartoe behoren de gebeurtenissen
die tot stand komen door de vrije wil, maar ook degene die we in het dagelijks taalgebruik toevallig
noemen: "Ik liep hem toevallig tegen het lijf toen ik naar de
markt wandelde".
Maar strikt gesproken zijn toevalsgebeurtenissen "onveroorzaakte" gebeurtenissen. Het toeval per
se is niet de oorzaak van het feit dat ik de man tegenkom,
maar wel de oorzaak per accidens. En alle oorzaken per accidens zijn doeloorzaken. Toevalsgebeurtenissen
zijn bijgevolg niet vergezeld van finale oorzaken als
finale oorzaken, maar wel als efficiënte oorzaken.
Het feit dat hij op deze manier het toeval en de vrije wil in zijn oorzakelijk systeem opneemt, bewijst
dat we hem niet van determinisme kunnen beschuldigen. Zijn
medeburgers echter vonden blijkbaar dat ook hij goddeloos was, en Aristoteles moest vluchten wilde hij
niet hetzelfde lot ondergaan als de leermeester van zijn
leermeester.
Griekse filosofie na Aristoteles
Ex oriente lux. Na het ineenstorten van het Rijk van Alexander de Grote breekt de helleense periode
aan (ruwweg 320 tot 0). De wijsbeerte ontleende tal van
elementen uit het Oosten, en het aantal filosofische systemen nam sterk toe.
De stoïcijnen predikten een leer van matigheid, gebaseerd op de leringen van Sokrates en de kynikoi.
Een viertal kenmerken tekenen de stoïcijnse vorm van
wijsbegeerte. Ze is materialistisch, monistisch (in de zin dat er slechts één beginsel
is), de kosmos heeft een immanente wetmatigheid, en ze is pantheïstisch.
Waar de eerste drie kenmerken het vermoeden kunnen doen rijzen dat de stoïcijnen een deterministische
leer aankleven, verzekert de vierde ons ervan dat dat
niet het geval kan zijn, omdat de goden een belangrijke plaats toegewezen krijgen. Getuige daarvan de
hymne van Kleandres, opgedragen aan Zeus: Gij,
allerhoogste der goden, met talloze namen benoemde, die de natuur met eeuwige wetten beheerst, …
Het is dus Zeus zelf die de wereld bestiert, hoewel
de wetten die hij uitvaardigt eeuwig en onveranderlijk zijn.
De epikureeërs (vaak verkeerdelijk omschreven als losbollen die teugelloze zinnelijke lust nastreven)
stonden een heel andere leer voor. De fysica dient voor hen
om te tonen dat de wereld in haar geheel uit de natuurlijke loop der dingen voortvloeit, en dat de goden
haar noch geschapen, noch ooit beroerd hebben. Een
atheïstischer filosofie kunnen we ons niet voorstellen. Men zegt dan ook, dat Epikuros de mens zijn
vrees voor bovenaardse machten heeft ontnomen. Zulk
standpunt zou luttele jaren voordien nog volledig ondenkbaar zijn geweest. Welk een omwenteling in weinige
eeuwen tijd! Een iets gematigder voorstelling vinden
we in dezelfde periode bij de eclecticus Philo, die het beneden gods waardigheid acht om zich met wereldse
zaken in te laten. Theoretisch houdt hij de
mogelijkheid van het bestaan van de goden open, maar veel belang heeft dat allemaal niet: De goden laten
zich hoe dan ook niet met de wereld en haar
gebeurtenissen in. De neoplatonici, weerom uit dezelfde periode, sluiten zich bij dit standpunt aan.
Ze beweren dat het zelfs onmogelijk is, dat een god iets zou
doen. Dat vooronderstelt immers dat hij iets zou willen, en bijgevolg niet volmaakt zou zijn.
We zijn hiermee in een periode gekomen, waarin het niet langer strafbaar was om atheïst te zijn. Het
is vreemd genoeg dezelfde periode uit de geschiedenis
waarin het christendom, 's werelds grootste hedendaagse godsdienst, ontstaan is.
Toeval en verantwoordelijkheid
Nu enkele filosofen de revue zijn gepasseerd, keren we naar het uitgangspunt terug. Uit de diverse verhalen
en leringen blijkt, dat godsdienst, dagelijks leven en
wijsbegeerte (met inbegrip van de wetenschap) nog sterk verbonden waren bij de oude Grieken. Enkele
filosofen die het waagden de goden geen plaats te
bedelen in hun wereldvisie, kregen prompt met maatschappelijke druk te maken. Ze konden kiezen: inbinden
of inpakken. De meesten kozen voor het laatste.
Het ontstaan van de wetenschap hangt samen met de visie van de ontwerpers op toeval. Voor sommigen is
toeval slechts een indruk, een tekort aan kennis
(Demokritos). Anderen ontkennen toeval als "onveroorzaakte gebeurtenis" door een onderscheid
te maken tussen verschillende soorten oorzaken (Aristoteles).
En weer anderen houden vast aan goddelijke willekeur als verklaring voor zaken die de mens niet kan
vatten.
Dat laatste is de hoofdstroom van de Griekse levensopvatting. In talrijke tragedies, mythen en verhalen
komt het tot uiting: wat de mens overkomt, is bedisseld in
het Pantheon. De goden zijn grillige figuren, die men nooit kan vertrouwen. Met geritualiseerde offers
moeten zij te vriend gehouden worden, maar de minste fout
kan hen in toorn ontsteken. En de Grieken weten het: de goden nemen wraak.
Echter niet enkel de wraakzucht der goden kan tragedies veroorzaken. Soms vinden zij er gewoonweg plezier
in, bij wijze van tijdverdrijf, een oorlog te
veroorzaken. Het typevoorbeeld is de Trojaanse oorlog. Volgens de verhalen is deze oorlog volkomen het
plan van Zeus, die de protagonisten Paris en Helena
laat geboren worden, en hen vervolgens Aphrodite inschakelt om de twee bij elkaar te brengen. Dat gebeurt,
Paris schaakt Helena bij Menalaos en de Trojaanse
Oorlog is een feit.
Wat doen de Grieken met de schuldvraag? Wie neemt de verantwoordelijkheid voor de oorlog op zich? Het
valt moeilijk te ontkennen dat de Grieken de goden
als oorzaak zien; deze echter direkt de schuld geven doen ze niet.
Volgens B. Williams vallen er in het Homerische verhaal vier ideeën te onderscheiden, die nauw gerelateerd
zijn met dit concept: oorzaak, bedoeling,
gebeurtenis, en antwoord. Deze vier maken het begrip "verantwoordelijkheid"
uit. Men kan de oorzaak van iets zijn, zonder het ook gewild te hebben (zoals
Telemachus die op het einde van de Odysseus de deur openlaat, waardoor hij en Odysseus in een moeilijk
parket komen). De gebeurtenis die ermee samenhangt
kan positief of negatief zijn voor degene die de handeling stelt (in dat laatste geval duidelijk negatief)
en de persoon zelf of iemand in de omgeving kunnen zich
bevragen over de oorzaak, de bedoeling of de gebeurtenis zelf.
Wij zijn gewend om, wanneer we het over verantwoordelijkheid hebben, eerder de nadruk te leggen op de
bedoeling van de actor. De Grieken zagen dat
anders. Voor hen telde eerder de oorzaak (dat is een "strenger" verdict). Wellicht hangt dat
samen met het Griekse begrip van rechtvaardigheid: wie de oorzaak
is van iets, moet er ook de gevolgen van dragen. Zelfs wanneer men verblind is door atè. De goden
worden niet geblameerd, hoewel ze wel de uiteindelijke
oorzaak zijn - en het ook gewild hebben dat dergelijke gebeurtenis plaatsvond. Naar onze maatstaven
een vreemd begrip van verantwoordelijkheid. Wij zouden
iemand die verblind is (psychisch of in letterlijke zin) van zijn verantwoordelijkheid ontheffen, bij
de Grieken is dat ondenkbaar. Degene die getroffen wordt door
dit noodlot, neemt de verantwoondelijkheid op zich maar beklaagt zich tegelijkertijd over het feit dat
de goden nu precies hem hebben uitgekozen als werktuig
om hun zin door te drijven.
Besluit
Een eerste conclusie die ik trek uit wat ik gelezen heb over de Grieken, is dat de goden een belangrijke
plaats kregen in hun maatschappij. De wetenschappelijke
benadering van sommige filosofen, die de goden niet nodig achtten om te verklaren hoe de wereld in elkaar
zat, kon daaraan weinig veranderen.
Vandaag de dag kan men in principe onafhankelijk denken over goden en toeval. Ruwweg de helft van de
wetenschappers blijkt gelovig te zijn. En het toeval,
hoewel het in fysische kringen als onvermijdelijk wordt aanzien na Heisenberg, wordt niet door iedereen
voetstoots aanvaardt. De Grieken dachten daar anders
over. Ofwel geloof je in de goden, ofwel is alles gepredestineerd. Beide samen zouden immers de vrije
wil van de goden aan banden leggen, terwijl geen van
beide blijkbaar niet overdacht werd.
Ten tweede blijkt, dat er vaak een spanningsveld ontstond tussen het logos van de verhalen en
dat van de wetenschap. Dat schijnt voornamelijk gebeurd te zijn
bij filosofen als Aristoteles, Sokrates en Anaxagoras. De verhalen over goden en mensen leerden, dat
mensen van goden afhankelijk waren voor hun bestaan.
Daarom moesten zij regelmatig gunstig gestemd worden met offers. Dit verklaart mede het feit, dat de
godsdienst in het oude Griekenland zeer geritualiseerd was,
met veel oog voor traditie en uiterlijke bedoening. Daartegenover stelden natuurwetenschappelijk georiënteerde
wijsgeren dat de goden niet nodig waren om de
wereld draaiende te houden. Sommigen hielden dan de schijn hoog (uit angst voor sociale represailles?)
door te stellen dat de goden dan wel aan het begin van
alles stonden (de "eerste stoot" van Anaxagoras). Of dat ze de wereld wel regeren, maar dan
volgens eeuwige en onveranderlijke wetten (de stoïcijnen).
Sommige wijsgeren wagen zelfs de retorische zet om te beweren dat het goddelijke onkenbaar is (Epikuros)
en dat het beneden de waardigheid van de goden
zou zijn, zich met deze wereld te bemoeien (Philo).
Hoe dan ook, met de gehele Griekse wijsbegeerte is de aanzet gegeven naar het moderne denken over toeval.
Zoals Emepdokles reeds aanvoelde, kan in de
chaos inderdaad orde ontstaan (zij het dan lokaal), zonder krachten die daarvan de finale oorzaak zijn.
De moderne wetenschap sluit het bestaan van god of
goden niet uit, ze laat enkel zien dat voor tenminste sommige processen, waarvan men vroeger dacht dat
het niet anders kon, of er moest een schepper aan te pas
komen, puur toeval aan het werk kan zijn. Maar dat wil niet zeggen, dat de hele wereld ooit in een mensenhoofd
zal passen (de moderne hybris).
Noten
Tip: the left pane works like windows explorer! Please send your comments to Peter Doomen. This document was updated 27/05/00.
|