Luk Vaes

 
       

HOME

   

PIANO

  - Bio
  - Programs
  - Photographs
   

TEXTS

  - Extended Techniques

  - Mauricio Kagel

  - Boudewijn Buckinx
  - Miscellaneous (dutch)
   

PROGRAMMING

  - November Music
   

LINKS

   







































   







































   







































   







































   







































   


TEXTS - Mauricio Kagel
  - Kagel - een schets van nabij
  - Het Mondelinge Verraad. Een Muziek Epos over de Duivel.
  - AN TASTEN, a study for piano (1979)
  - RECITATIVARIE, for singing harpsichord player (1972)
  - MM 51, a piece of film music for piano (1977)

Kagel - een schets van nabij

Mauricio Kagel is een beroemd en geliefd componist. In West Europa wordt hij al lang niet meer bekeken of beluisterd als een enfant terrible - door onze rechtstreekse bovenburen staat hij zelfs verheven boven elke norm. Niet iedereen kan daar even overtuigd mee om, zoals in Parijs, waar ze niet steeds weten hoe hem te presenteren maar, door het gevoel dat er niet omheen te komen is, hem toch uitnodigingen blijven sturen. En daar waar de verdere wereld zijn muziek nog niet op het podium heeft horen klinken, dan is die toch makkelijk beschikbaar door de gestadig groeiende CD reeks bij Winter & Winter. Het heeft dan wel heel lang geduurd tot een belangrijke studie over zijn werk verscheen in het Engels, maar met Bjorn Heile's recente boek is de rest van de gemeenschap bereikbaar geworden voor het begrip (van) Kagel. Enkele maanden geleden werd zelfs het eerste Kagel symposium georganiseerd, met een openingsreferaat over de stand van zaken van de Kagel exegese en een slot ceremonie om hem zijn tweede ere doctoraat te overhandigen. Kagel behoort dus officieel tot het pantheon der 'grootste nog levende componisten'. Of zoals hij ooit zelf uitriep bij de geboorte van zijn eerste kleinkind: "Jetzt bin ich Großkomponist!". Tijd om eens een blik te werpen op de mens achter de muziek. Het karakter van de componist dat mee bepaald hoe zijn composities op het podium geraken, wegen vinden doorheen de sector en al dan niet overleven. Niet alleen de wil om ze uitgevoerd te zien (en te horen) maar ook de drang en de manieren om na de creatie om te gaan met heel dat oeuvre dat in de loop van vele decennia is bijeengeschreven, is een onderdeel van de persoonlijkheid van een componist.
Dat Kagel een omnivoor is in de interesses die zijn scheppingskracht voeden, is genoegzaam gekend: zijn stempel op de geschiedenis van compositie zowel als film en hoorspel behoeft geen uitweiding meer. Maar ook nadat de ideeën uitgewerkt zijn, blijft hij als een veelzijdig werkpaard aan de kar trekken. Op zijn 75 houdt hij nog steeds de touwen zelf in de handen, en dat alles zonder assistent. Als dirigent wil hij er bij voorbeeld voor zorgen dat er voldoende musici rondlopen die zijn werk met hem hebben gespeeld, kwestie van de overlevering van de uitvoeringspraktijk voor zijn muziek al meteen gestalte te geven. Mee de informatie over zijn werk en persoon controleren is ook de reden waarom hij zelf de hand heeft in de boeken die zijn kompaan Werner Klüppelholz - "Der Klüppel" - met regelmaat door DuMont laat publiceren. Aan het laatste boek werd twee jaar lang gewerkt om de voor Kagel correcte neerslag van de vele uren interviews te bekomen. Ook op de CDs die uitkomen heeft hij een grote invloed. Enkele dagen nadat de verantwoordelijke van het Parijse Disque Montaigne me op een hele late avond vanuit Parijs belde om in paniek te waarschuwen dat het label - succesrijk als het nochtans was - zou worden opgedoekt en dat mijn project (de opnames van Kagel's pianomuziek) het niet zou halen, kwam van de meester de fax binnen met de melding dat hij al een nieuwe maatschappij had gevonden om mee verder te werken. Dat werd de zo mogelijk nog succesrijkere reeks van Stefan Winter. Overigens: ontevreden met de balans in de Südwestfunk opnames voor de piano-CD, ging Kagel een kleine week lang de WDR-studios in om eigenhandig aan de postproductie te werken. Toen de CD door Wire tot het beste van dat jaar werd gerekend, werd onder meer de balans geroemd…

Niet alleen voor de CDs en de eigen tournees heeft Kagel steeds de hand in de inhoud, ook wanneer hij zelf niet meespeelt, wil hij betrokken zijn bij het programmeren van zijn muziek. Vanaf de typische 'retrospectieve'-leeftijd van een componist (grofweg vanaf de grotere verjaargetallen: 50 of toch zeker 60 jaar, en van dan af meestal elke vijf jaar die erbij komen) komen de typische aanbiedingen binnen, zoals b.v. "zeer geachte heer Prof. Kagel, wij van Wien Modern plannen binnen vier jaar een 30-tal concerten rond uw oeuvre en zouden u graag eens tonen wat we willen doen." Kagel kijkt dan of hij nog vrij is, en meteen ook of de wensen van de organisatoren voldoende rekening houden met de wijzen waarop zijn werken volgens hem tot hun recht zullen komen. In veruit de meeste gevallen volgen dan lange correspondenties over grondige wijzigingen met hele door hem uitgewerkte programma voorstellen. Het moet daarbij gezegd dat het nooit herkauwde formules zijn. Zelfs de meest succesvolle werken - ik denk b.v. aan de reeks stukken rond de windroos - komen niet automatisch aan bod, ook al hebben de beschikbare ensembles er de bezetting voor en is het succes voor de organisator gegarandeerd. In de presentatie van zijn werk is hij steeds op zoek naar nieuwe verhoudingen tussen bekend en onbekend, klein en groot, oud en recent.

En er is steeds veel recent werk om keuzes uit te maken. Zo'n drie à vier keer per jaar is een nieuwe compositie klaar. Die productiviteit staat dan nog in de schaduw van het opdrachtenaanbod: zo een 40 per jaar. Daar zitten minder interessante dingen bij ("Graag een werk voor fluit solo met veel Flatterzunge want dat is mijn specialiteit"), maar ook belangwekkende vragen van vele orkesten en grote festivals. Naast keuzes maken wordt dus ook afschermen een noodzaak. En discipline. Tussen de hoorspel-, muziektheater- en filmproducties, concertreizen, festivalvoorbereidingen en musicologische interesses, moeten de nieuw te schrijven werken inpassen in een strakke timing. De daarvoor noodzakelijke efficiëntie is al meteen merkbaar in zijn communicatie. Alle correspondentie gebeurt hoofdzakelijk per fax, waarbij normaal de volgende dag een antwoord komt, meestal 's avonds laat, wanneer hij gewoontegetrouw met een stapel antwoorden naar zijn kelder stapt, waar de fotokopieer- en faxmachine staat. Alleen in augustus is het één maand windstil door zijn time-out in Toscane, maar daarop is alle werk steeds voorbereid. Hoe hij voor de rest zo kort op de bal kan communiceren, is soms raadselachtig, vooral wanneer je zijn reisschema kent en weet dat hij nauwelijks tijd kan hebben om in Keulen te zijn. Het eerste gevolg van een dergelijke striktheid, is dat hij het zelf haat wanneer iemand niet binnen redelijke termijn antwoordt. En hij zal niet nalaten dat ook met zoveel woorden te zeggen. Legendarisch zijn de situaties waarin hij zonder scrupules beslist om niet naar een concert te gaan waar hij verwacht wordt te dirigeren omdat er b.v. nooit een contract is opgestuurd of omdat er ergens vijf maanden verliepen tussen faxen of telefoons zonder dat hij 'auf dem laufenden' werd gehouden. Hij begon ooit elke eerste les aan een nieuwe student in zijn klas aan de Keulse hogeschool met zijn belangrijkste advies aan zij die ooit een opera zouden willen schrijven: "zet nooit één noot op papier vooraleer je een getekend contract in de hand houdt." In de praktijk, na vele jaren vriendschap, zijn enige flexibiliteit en begrip op die vlakken niet uitgesloten, maar de norm, en vooral de attitude, is duidelijk. De ervaring waarop ze gestoeld is, is dat overigens ook.

Maar ook voor zichzelf is hij merkbaar streng. In de zomer van 1993 - bijna anderhalf jaar nadat ik hem de opdracht had gegeven een nieuw pianowerk te schrijven, liep in mijn toenmalige appartement in New York een fax binnen met de post scriptum opmerking om de komende dagen mijn postbus in de gaten te houden. Dezelfde week had ik de eerste versie van Passé Composé in mijn handen: een kopij van het manuscript in een omslag van Peters Edition. Voor de prijs van wat toen een etude van Ligeti waard was (zowat 4 à 5 minuten muziek), kreeg ik ongevraagd een meer dan 20' durende Rhapsodie in handen. De première was gepland in Salzburg, augustus 1994, en we konden nu een jaar lang samenwerken aan een degelijke creatie. Ik had de tijd het werk in alle rust in te studeren, na een paar maanden begonnen we af te spreken. Bij hem thuis of tijdens gezamenlijke concertreizen. De eerste dergelijke repetitie was in een kuuroord waar een Rossini Festival een Kagel portret had gepland. De dag van het concert had de concertorganisatie op vraag van de Grote Gast een piano geleverd in een conferentie ruimte van ons hotel en konden we ons een hele middag met het nieuwe stuk bezig houden. Elk met onze partituur om tempi te controleren op hun gepastheid, speeltechnische opmerkingen te overlopen, dynamieken aan te passen, de impact van de structurele verhoudingen te testen, etc. Op basis van dergelijke sessies voerde Kagel aanpassingen door die meteen in een nieuwe versie naar mij werden opgestuurd. Op die manier zat de partituur tegen de première niet alleen volledig gerijpt in mijn hoofd, het werk was ook volledig klaar voor de druk. Of het nu voor solist of groot koor en orkest is, elk nieuw stuk van Kagel is precies een jaar vóór de geplande creatie klaar. Op die manier krijgt zijn muziek telkens de kans optimaal tot stand te komen en aan en publiek voorgesteld te worden.

Ook de uitvoerder is daarmee natuurlijk zeer gebaat en dus gelukkig. Kan hij eindelijk nieuwe muziek uitvoeren zoals zijn collega's uit de 'oude' muziek Brahms laten rijpen vooraleer ze ermee de podia opklimmen. Kagel heeft dan ook een trouwe kring uitvoerders rond zich geschaard. Het is begonnen met de muzikanten van het door hem opgerichte Keulse ensemble voor nieuwe muziek. Pianist Aloys Kontarsky, cellist Siegfried Palm, de gitaristen Bruck en Ross, slagwerker Christoph Caskel en organist Gerd Zacher hebben in het wereldje van de 20ste-eeuwse avant-garde een status die even indrukwekkend is als hun staat van dienst bij Kagel. De meesten onder hen zijn nu wel al de zeventig voorbij en (veel) minder actief dan hun vriend de componist zelf, die nog steeds hetzelfde verbazingwekkende tempo aanhoudt. Noodzakelijkerwijze heeft hij zijn entourage dus vernieuwd. Theo Anzelotti kwam erbij via een opdracht voor een accordeonstuk, maar ook met zijn eigen initiatief om bewerkingen te maken van bestaande Kagel werken voor toetsen instrumenten (klavier, orgel). Reinbert de Leeuw is met zijn Schönberg ensemble sinds lang een vaste opdrachtwerkenklant, de laatste jaren is daar MusikFabrik bij gekomen om te voldoen aan Kagel's eigen niet aflatende drang om zijn werk uit te voeren. Ondergetekende is bevoorrecht sinds begin de jaren 1990 tot die trouwe dienaren in het kabinet van de grootmeester te behoren. Om die pool muzikanten op peil te houden, wordt hij af en toe aangevuld met mensen en groepen die op Kagel een indruk maakten door hun toewijding. Pit Terre wijdt zich al veertig jaar aan het instrumentaal-theatrale werk van Kagel. Met zijn Theater Am Marienplatz in Krefeld heeft hij ondertussen zowat elk dergelijk stuk- in alle bezettingen - uitgevoerd. Een handig reservoir om als componist - gerust over kwaliteit - uit te putten wanneer de vraag komt naar podiumkunstige omkadering voor b.v. een seminariethema rond muziektheater.
Die toewijding voor zijn muziek is de sleutel waarmee Kagel eventuele nieuwelingen in zijn entourage screent. Toen ik destijds vond dat het tijd was dat er een nieuw Kagel werk voor piano kwam - na 14 jaar sinds zijn laatste solo piano stuk en een nieuwe stilistische wending verder - heb ik hem daar eerst vergeefs om gevraagd. Ondanks mijn enthousiasme en het feit dat de financiering rond was (twee aspecten waarvan ik in mijn jeugdigheid dacht dat ze de zaak al een eind op weg zouden helpen), kwam het onmiddellijke en onverzettelijke 'Ich habe leider keine Zeit'. Slechts toen ik nadien een compleet festival programma rond zijn muziek had samengesteld, en daar een jaar lang intens met hem voor had samengewerkt, was hij overtuigd van mijn onvoorwaardelijke interesse in zijn muziek. Deze keer nam hij het initiatief om het nieuwe pianostuk opnieuw ter sprake te brengen. Deze keer máakte hij de nodige tijd. Hij zorgde ook zelf voor de plaats van de creatie, de festivalorganisatie om het geheel in onder te brengen, de rechtstreekse contacten voor de opname, en vele tientallen verdere concerten. Aangezien hij steeds nauw betrokken is bij de programmatie van festivals en concerten rond zijn muziek, komen van zijn kant immers ook steeds de wensen om daar specifieke uitvoerders voor uit te nodigen. "Als je X wil opvoeren, moet je met Pit bellen" of "Voor een klavieravond moet je eens faxen naar Luk", adviezen die prompt gevolgd wordt door een fax aan de organisatie met de nodige contactgegevens, en eentje naar de betreffende leden van de Kagel-club met data, voorstellen voor programma, en de garantie dat een contract volgt.

De gedachte dat Kagel door dergelijke discipline en beschermingsreflexen een controlefreak moet zijn die niet kan delegeren, kan dan weer met gemak genuanceerd worden. Hij kan zonder probleem andere regisseurs aan de slag laten gaan met zijn troetelkinderen en staat open voor nieuwe interpretaties van zijn werk (door b.v. Alexandre Tharaud). En al staat hij zo goed als nooit interviews toe (nog steeds terugdenkend aan de problemen die zijn goede vriend John Cage had met journalisten, wanneer die zijn woorden in hun artikels verdraaid weergaven), hij heeft er geen probleem mee dat horden musicologen hun weg vinden naar zijn nalatenschap in het Baselse Sacher archief om te controleren in de manuscripten of het klopt wat bij Klüppelholz/Kagel te lezen staat.

Zoals hij zijn publiek dankbaar is 'dat ze hun kostbare tijd willen besteden aan het beluisteren van zijn muziek', zo is hij zijn uitvoerders dankbaar om hun intenties zijn muziek uit te voeren met dezelfde onvoorwaardelijke liefde als waarmee de klassieke meesterwerken behandeld worden. Het is die liefde voor zijn muziek die hem ertoe drijft ook zelf tot het uiterste te blijven gaan in zijn eigen engagement. Ongeacht hoe je tegenover de esthetiek van zijn composities staat, het is een inspirerend voorbeeld.

Luk Vaes, september 2007