Friedrich Nietzsche (1844-1900) zwierf in de laatste fase van zijn leven door de bergen van Zwitserland en ItaliŽ, waar hij meestal op kleine pensionkamertjes overnachtte. Overdag maakte deze rusteloze kluizenaar, gekweld door hevige hoofdpijnen, lange wandelingen. Toen hij in januari 1889 in Turijn, een stad waarvan hij hield, een koetsier zijn paard zag mishandelen, vloog hij het paard huilend om de hals. Toen hij vervolgens ook het kamertje dat hij op een bepaald moment betrok als een tempel wilde inrichten omdat hij de koning van ItaliŽ op bezoek zou krijgen, en helemaal toen hij 's nachts in aanvallen van razernij hevig met zijn hoofd op zijn piano bonkte, was duidelijk dat het niet goed met hem ging. Hoogmoedswaanzin was al uit zijn laatste boeken gebleken, en nog veel meer uit verschillende brieven die hij in deze tijd verstuurde (hij meende onder meer Boeddha, Jezus, Caesar, Voltaire, Bismarck en Napoleon te zijn). Zijn vriend Franz Overbeck haalde Nietzsche uiteindelijk weg uit Turijn. Het laatste decennium van zijn leven bracht hij door in verschillende klinieken en in zijn ouderlijk huis, waar hij nog enige tijd door zijn moeder en later zijn zus liefdevol werd verzorgd.
bron: Geschiedeniskalender 2006