A

Asquith, Herbert (1852-1928)

Brits staatsman en sedert 1924 graaf van Oxford.

Werd in 1886 lid van het Lagerhuis en was voorstander van zelfbestuur voor Ierland. Hij werd in 1908 minister-president steunend op een liberale meerderheid.

In 1916 moest hij, na een conflict met zijn partijgenoot Lloyd George over de organisatie van de hoogste oorlogsraad in Engeland, aftreden.

In 1924 bracht hij als leider van de liberalen de eerste Labourregering van Mac Donald ten val.

Allenby, Edmund (1861-1936)

Brits veldmaarschalk en viscount.

Nam deel aan de Boerenoorlog in Zuid-Afrika.

Hij diende aan het Westelijk front tot hij in juni 1917 opperbevelhebber werd in Palestina. In die functie dwong hij de Turken ertoe heel Syrië te ontruimen.

Van 1919 tot 1925 was hij Hoge Commissaris in Egypte.

Albert I, Lepold Clement Marie Meinrad (1875-1934)

Koning der Belgen sedert 1909. Zoon van Filips, graaf van Vlaanderen en neef van koning Leopold II. Hij genoot, geheel volgens de familietradities, een militaire opleiding. Trachtte ernaar de neutraliteitspolitiek van België te verstevigen.

Toen op 4 augustus 1914 de Belgische neutraliteit door de Duitse inval werd geschonden nam hij persoonlijk het opperbevel over het Belgisch leger op zich. Na de terugtocht achter de IJzer (oktober 1914) vestigde hij zich in De Panne.

In september 1918 leidde hij het leger in het bevrijdingsoffensief en op 22 november 1918 deed hij een triomfantelijke intocht in Brussel.

Op 17 februari 1934 kwam hij dodelijk ten val bij een rotsbeklimming te Marche-les-Dammes.

B

Beatty, David (1871-1936)

Earl, viscount Borodale, baron of the Northsea and of Brooksby.

Brits 'admiral of the fleet'.

Maakte als jonge officier, door zijn inzet en doorzettingsvermogen,zeer vlug promotie. Nam deel aan de operaties in Soedan (1896-98) en China (1900).

In 1914 bevelhebber van het slagkruisereskader in de Noordzee. Hij versloeg de Duitsers bij de zeeslagen bij Helgoland (augustus 1914) en Doggersbank (januari 1915).

In de zeeslag bij Jutland (mei 1916) leed hij echter zware verliezen tegen het nochtans zwakkere eskader onder bevel van de Duitse admiraal von Hipper.

In november 1916 volgde hij admiraal Jellicoe op als bevelhebber over de 'Grand Fleet'.

Van 1919 tot 1927 bekleedde hij de hoogst bereikbare functie van First Sealord.

Abbas Hilmi II (1874-1944)

Kedive van Egypte van 1892 tot 1914.

Kwam in het begin van zijn regering herhaaldelijk in conflict met de Britten. Kort na het uitbreken van WOI werd Egypte een onafhankelijk sultanaat en Abbas werd door de Britten afgezet.

Bethmann Hollweg, Theobold von (1856-1921)

Duits staatsman.

Werd in 1905 Pruisisch minister van Binnenlandse Zaken. In 1909 werd hij Rijkskanselier en Pruisisch minister-president.

Hij was een verwoed tegenstander van de vlootpolitiek van von Tirpitz.

Hij wilde toenadering tot Groot-Brittannië.

In 1917 verzette hij zich tegen de afkondiging van de onbeperkte duikbotenoorlog waardoor hij zich van alle partijen geïsoleerd werd en tot moest aftreden.

Bissing, Moritz Ferdinand von (1844-1917)

Duits generaal.

Duits reorganisator van de Duitse cavalerie.

Van november 1914 was hij gouverneur-generaal van België. Hij steunde het activisme en was voorstander van het houden van geheel België binnen de Duitse machtssfeer.

Op 18 april 1917 overleed hij te Brussel.

Briand, Aristide (1862-1932)

Frans politicus die zijn loopbaan begon als socialist maar er zich later van distantieerde. Was minister van Onderwijs (1906) en in 1909 werd hij voor het eerst minister-president. In 1912 en 1914 was hij minister van justitie.Was voor de tweede maal minister-president van 1915 tot 1917. Als minister van Buitenlandse Zaken probeerde hij de druk op het Oostelijk front te verhogen. Dit lukte slecht gedeeltelijk. Hij was ook een verwoed voorstander van de Brits-Franse troepenlanding in Saloniki waardoor een tweede front op de Balkan zou ontstaan. Deze mislukking leidde tot zijn val.

Na de oorlog speelde hij nog een zeer belangrijke rol in zowel de Franse als Europese politiek. Hij was een groot voorstander van de verzoeningspolitiek tegenover Duitsland. De Locarno-verdragen betekenden voor hem een persoonlijk succes. In 1928 werd het Briand-Kellog pact gesloten, waarbij verschillende Europese mogendheden zich verplichtten al hun geschillen op vreedzame wijze op te lossen.

Gedurende zijn lange carrière was hij 25 maal minister en 11 maal minister-president. In 1926 ontving hij de Nobelprijs voor de vrede.

C

Botha, Louis (1862-1919)

Zuid-Afrikaans generaal en staatsman.

In 1899 verdedigde hij de Noordelijke oever van de Tugela tegen de Engelsen en bracht hen zware verliezen toe.

In 1900 werd hij opperbevelhebber van de Transvaalse commando's.

In 1902 besloot hij tot loyale samenwerking met de Engelsen. Onder zijn toedoen kwam de Zuid-Afrikaanse Unie (Oranje Vrijstaat, Transvaal, Natal en Kaapkolonie) tot stand.

Botha moest optreden tegen generaal De Wet die in W.O. I neutraal wilde blijven.

Brusilov, Alexei (1853-1926)

Russisch cavaleriegeneraal die vol was van zelfvertrouwen en uitblonk door zijn buitengewone inzet. Hij was de architect van het enige geslaagde Russisch offensief tijdens de eerste wereldoorlog. Zie Brusilov-offensief in het gedeelte 'Gebeurtenissen'.

Bij het uitbreken van de oorlog was hij bevelhebber van het 8 Leger dat strijd leverde tegen de Oostenrijkers in Galicië. In 1916 nam hij de plaats in van generaal Ivanow als bevelhebber aan het Zuidoostelijk front. De Italiaanse vraag om Russische hulp, teneinde de Oostenrijkse druk op Trentino weg te nemen, werd door Brusilov op vlugge en efficiënte wijze beantwoord. In tegenstelling tot de traditionele tactiek van een uitputtingsslag op een klein front lanceerde hij met zijn vier legers een massaal offensief op een frontbreedte van +/- 500 km. Het Oostenrijks front werd op twee plaatsen doorbroken. De Boekovina en het grootste deel van Galicië werden veroverd. De inzet van Duitse aangevoerde troepen was echter de hoofdreden voor het mislukken van een beslissende overwinning. De zware Russische verliezen die hierdoor geleden werden veroorzaakten de ondermijning van de Russische slagkracht. Na de maartrevolutie en een mislukt offensief in juni 1917 werd hij vervangen door generaal Kornilov. Hij bleef in Rusland onder bolsjewistisch bewind en in 1920 vervoegde hij het Rode Leger.

Below, Otto von (1857-1944)

Duits generaal.

Onderscheidde zich in WOI bij de Mazoerische Meren. Hij had zeer afwisselende functies in het Duitse leger. Hij werd in oktober 1916 naar Macedonië gezonden waar hij het front nabij Monastir wist te stabiliseren en zo een overwinning van de geallieerden belette. Daarna werd hij naar het Izonzofront (1917) gezonden waar hij het bevel nam over een Duits-Oostenrijks Leger bestaande uit 12 divisies dat ingezet werd bij de slag om Caporetto (oktober - november 1917) en er een beslissende rol speelde. Hij beëindigde zijn militaire loopbaan aan het Westelijk front als commandant van het 17 Leger. Kort voor het einde van de oorlog werd hem nog de taak opgelegd om de mogelijke laatste slag op Duits territorium te helpen plannen.

Cadorna, Luigi (1850-1928)

Italiaans generaal.

Geboren als enige zoon van generaal Raffaele Cadorna die zowel aan de Italiaanse onafhankelijkheids- en herenigingoorlog als aan de Krimoorlog deel nam was hij als het ware in de wieg gelegd voor een militaire loopbaan. Na zijn opleiding in Milaan en Turijn werd hij al vlug bevelhebber van verscheidene Italiaanse bataljons waaronder het 10 Bersgliereregiment. In 1914, bij het uitbreken van de oorlog werd hij chef van de generale staf. Nadat ook Italië in mei 1915 in de oorlog verwikkeld werd leidde hij zijn 35 divisies tegen de Oostenrijks-Hongaarse stellingen. Hij beschikte echter niet over de nodige middelen om tegen de uitslovende stellingenoorlog gewapend te zijn.

Hij was, zoals de Fransen bij het begin van de oorlog, een absoluut voorstander van de massale frontale aanval die  uiteindelijk uiterst verlieslatend en weinig doeltreffend bleek.

Zij opperste gebod was de onvoorwaardelijk plichtvervulling. Hij was ervan overtuigd dat voor de eindzege geen enkel offer te groot kon zijn. Zo voerde hij de loopgravenoorlog met ijzeren hand en verlangde van zijn manschappen hun uiterste inzet en discipline. Hij had een eigen commandostijl waarbij hij zich door niemand liet bijstaan om raad te geven. Hij wist echter niet zijn middelen doeltreffend in te zetten, noch wist hij zijn overmacht aan manschappen vakkundig te benutten.

Op 24 april 1917 doorbraken de Duits-Oostenrijkse troepen de frontlijn nabij Caporetto en drongen door tot in de Venetiaanse vlakte. Na deze zware nederlaag werd hij vervangen door generaal Armando Diaz.

Na deze nederlaag raakte Cadorna, die de volledige verantwoordelijkheid voor de nederlaag droeg, politiek en sociaal geïsoleerd.

Het was Mussolini die hem rehabiliteerde en hem tot veldmaarschalk benoemde. Bij die gelegenheid ontving hij een villa in zijn geboorteplaats Pallanza. Na zijn dood werd hier eveneens een mausoleum opgericht.

Home | 1914 | 1915 | 1916 | 1917 | 1918 | Links  | Personages | Reizen | Links naar mijn

Filmpjes op You Tube

ABC  DEF  GHI  JKL  MNO  PQR  STU  VWXYZ

Cavell, Edith (1865-1915)

Britse verpleegster, sinds 1906 directrice van een rode-kruishospitaal in Brussel. Richtte er bij het begin van de oorlog een hospitaal op waar zowel geallieerde als Duitse soldaten werden verzorgd. Ze hielp een Belgische organisatie bij het overbrengen van licht gewonde Britten en Belgen naar Nederland. Ze werd op 5 augustus 1915 aangehouden en op 9 oktober, na bekentenissen, door de Duitse krijgsraad ter dood veroordeeld. Op 11 oktober 1915 werd ze, samen met haar helpers, op de Nationale Schietbaan (Tir National) te Brussel gefusilleerd.

Clemenceau, Georges-Benjamin (1841-1929)

Frans staatsman.

Studeerde medicijnen te Parijs en gaf Franse les aan een school in de nabijheid van New York. In 1870 was hij burgemeester van Montmartre en in 1875 werd hij voorzitter va n de gemeenteraad van Parijs. Hij was zeer sarcastisch en gaf zonder omwegen zijn kritiek op alles en iedereen hetgeen hem de bijnaam 'Le Tigre' opleverde. Was zeer pro-Brits en was een fervent voorstander van een revanche tegen Duitsland na de Franse nederlaag van 1871.

Tijdens de Dreyfus-affaire verscheen in zijn kolom in "L'Aurore" het proteststuk "J'accuse" van Emile Zola.

In 1903 kwam hij in de senaat, werd in 1906 minister en vormde zelf een kabinet.

President Pointcaré stelde hem in 1917 aan als eerste minister omdat 'Le Tigre' ondanks alles volhardend in een Duitse nederlaag geloofde. Zijn vertrouwen in de overwinning straalde af op zijn omgeving en hij liet maarschalk Foch benoemen tot opperbevelhebber der geallieerde legers. Na de Duitse nederlaag werd hij overal gehuldigd als 'vader van de overwinning'. Te Versailles wilde hij halsstarrig doorzetten dat Duitsland verbrokkeld zou worden en de Rijn de westgrens zou vormen. Omdat hij de Brits-Amerikaanse vriendschap hieraan niet wilde opofferen gaf hij tenslotte toe. Door Pointcarré en Foch werd dit uitgelegd als zwakheid. Toen hij in 1920 niet herkozen werd tot president trad hij uit de politiek. Hij schreef een boek over de schilder Monet en over zijn eigen levensbeschouwingen.