DE BASISHOUDING VAN DE HULPVERLENER (mijn persoonlijke visie)

juliaan van acker, maart 2008

referenties:

Van Acker, J. (2004). Netwerken van solidariteit. Nederlands Tijdschrift voor Jeugdzorg, 8 (3), 160-163 (staat ook op mijn website onder het kopje ‘Hulpverleners’).

Moyaert, P. (2007). Barmhartigheid: transcendentie verdragen. Tijdschrift voor filosofie, 4(69), 713-732.


1. De hulpverlener is geen rechter die moet oordelen en sancties opleggen.

2. De hulpverlener is ook geen ouder, broer, zus, partner of vriend van de jongere. Zijn relatie is van beperkte duur en voorwaardelijk. Hij gaat beroepshalve een relatie aan met een in de tijd afgebakend doel.

3. Hij is ook niet iemand die de jongere met zijn therapeutische technieken zodanig moet manipuleren dat zijn gedrag verandert. Met therapeutische technieken, met conditionering, met overtuigingskracht, met het geven van inzicht, met het bewust maken van onbewuste processen of met gedragsbeïnvloedingsmethoden in het algemeen kan de hulpverlener niet veel bereiken of de veranderingen zijn niet duurzaam.

4. Het doel van de hulpverlening is dat de jongere het goede wil doen, dat hij zich verantwoordelijk tegenover de anderen wil gedragen.

5. Dit doel wordt bereikt als hij door een ander wordt “geïnspireerd” voor het goede. Dit lukt het best als de jongere een binding heeft met die ander en de ander om de jongere geeft, op een onvoorwaardelijke wijze.

6. De rol van de hulpverlener is die van bemiddelaar tussen de jongere en volwassenen die om hem geven, die hem kunnen inspireren voor het goede. Die volwassenen (gezinsleden, familieleden, vrienden van het gezin, leerkrachten, werkgevers) vormen het sociaal netwerk van de jongere.

7. De hulpverlener moet de volwassenen die het sociaal netwerk vormen van de jongere inspireren, adviseren en ondersteunen om hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de jongere te blijven opnemen.

8. Als bemiddelaar moet de hulpverlener een inspirerend model zijn als iemand die barmhartig of lankmoedig is. Barmhartigheid betekent niet alleen dat men voor een ander iets doet, maar ook dat men er niets voor terugvraagt. Als de jongere door zijn verleden en de omstandigheden waarin hij verkeert er niet in slaagt zijn gedrag te veranderen, blijft de hulpverlener mild en geduldig.

9. In zijn barmhartigheid erkent de hulpverlener dat het goede begrensd is, dat de jongere kampt met zijn eigen beperkingen, maar tegelijkertijd blijft hij in vertrouwen de jongere en de volwassenen met wie die jongere een binding heeft, op een positieve wijze stimuleren om het goede te doen.

10. “De liefde is lankmoedig, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe,... Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij” (1 Korintiërs, 13).

lees ook: Netwerken van solidariteit

HOME