WAT EEN WEER - MAAND MEI

 

  1.  Als ’t op St. Filippus regent, is de oogst gezegend.

  2.  Avonddauw en zon in mei, veel hooikarren in de wei.

  3.  Een bijenzwerm in mei, goed teken voor de wei.

  4.  Een bijenzwerm in mei, maakt de hooiboer blij.

  5.  Is het koel en niet te nat in mei, dan is het hooiboerke blij.

  6.  Kamillegeur in mei, brengt de zomer dichterbij.

  7.  Mei niet te koud en niet te nat, vult de schuur en ook het vat.

  8.  Roept de houtduif keer op keer,  dan komt er vast en zeker mooi weer.                            

  9.  De zomer in de meie, zet oude lieden aan het vrijen.

 10. Te Sint-Job zet men de bonen volop.

        Wie bonen wil winnen, moet op Sint-Job beginnen.

        Op Sint-Job plant men bonen hals over kop.

 11.  Al is Mamertus oud en grijs, hij houdt van vriezen en van ijs.

 12.  Pancreas, Servaas en Bonifaas, zij geven vorst en ijs helaas.

 13.  Is met Servaas geen rijm te zien, zal Bonifaas geen sneeuw ons biën.

        Vóór St. Servaas is men niet behoed voor nachtelijke vorst.

 14.  Voor nachtvorst is men niet beschermd, tot St. Bonfaas zich over ons ontfermt.

 15.  Vóór ijsheilige de bloemen buiten, veelal kan je daar naar fluiten, wacht af tot ze zijn voorbij, de bloemen zijn dan blij.

 16.  Het kan vriezen tot in mei tot de ijsheiligen zijn voorbij.

 17.  IJsheiligen hebben harde koppen.

 18.  Mei tot jubelmaand verkoren, heeft toch rijm achter de oren.

 19.  Nachtvorst in mei, houdt ’t jonge groen niet schadevrij.

 20.  Is ’t koud en bloeit de Meidoorn, veel van haar pracht gaat verloren.

 21.  Weest op uw hoede en waakt nu wel, mei baart dikwijls kattenspel.

 22.  Meimaand trekt men schapen door de vaart, dan blijven ze voor schurft bewaard.

 23.  Is het weer in mei zeer mooi, dan krijgt de schuur maar weinig hooi.

 24.  Een warme meimaand is goed voor het hele jaar.

 25.  St. Urbanus en de zon, wijn in de ton.

 26.  Onweer in mei, maakt de boeren blij.

 27.  Donder in mei, zingt de boer: Johei !

 28.  Donder in mei, daar valt hagel bij.

 29.  Onweer in mei, gras in de wei.

 30.  Hoe meer onweer in mei, zoveel minder in de herfst.

 31.  Is het klaar met Petronel, dan meet men vlas met een el.

      Zwoele mei, boerengeschrei.

*   Scheert de zwaluw over water en wegen, dan komt of blijft er wind en regen.

*   Regen en wind in het midden van mei, maakt de boeren vast niet blij.

*   Krimpende wind, stinkende wind.

*   In mei een warme regen, betekent vruchtenzegen.

*   Warme en zachte meiregen geeft schone bloemen en rijke aren.

*   Is mei nat, een droge juni volgt haar pad.

*   Mei koel en nat, brengt koren in het vat.

*   Een natte mei geeft boter in de wei.

*   Meiregen, meizegen.

*   Meiregen is geldzegen.

*   Heden schupjes, morgen drupjes.

*   Meiregen op het zand, is goud op de plant.        

*   Als de bij naar huis toe vlucht, zit er regen in de lucht.

*   Mei nat, spek in het vat.

*   Als mei nat is en juni droog, moet de landman veel zakken gereedmaken.

*   Zingt de vink vroeg in de morgen, dan zal die dag voor regen zorgen.

*   In mei leggen alle vogels een ei, behalve de koekoek en de spriet want die kennen hun nest nog niet.        .

*   In de maand mei leggen alle vogels een ei, behalve de kwartel en de griet, die leggen in de meimaand niet.

*   Meikeverjaar, goed jaar.

*   Als de eikels in mei gaan bloeien, zal alles volop gaan groeien.

*   Van de bloem, bekomt mei de roem.

*    ’t Staartje van mei, is ’t staartje van de winter.

 

 

 

TERUG