D E   K  A  L  E  N  D  E R                      

De kalender is een indeling van een jaar in dagen en maanden, vaak met historische, agrarische of traditionele bijzonderheden.

De kalender is zeer oud.  Hij ontstond wanneer de mens zich rekenschap begon te geven van wat men de tijdrekening noemt.

De manieren om de tijd te meten zijn zeer talrijk.  Zo waren er bv. de planten door hun bloei, de insecten door hun gedaanteverwisseling en nog zoveel andere zaken die reeds ruwe maten van de tijd aangaven.

Het heeft niet lang geduurd of de mens ontdekte dat de sterren een geregelde beweging hebben, die het mogelijk maakt juistere maten te nemen.  Toen later de bewegingen van zon en maan bekend waren, was dit het middel om de tijd te meten.

Het zonnejaar en de lunaire (maan) maand kwamen spoedig in gebruik als veelvouden van de dagen.

Toen begonnen echter de moeilijkheden, omdat men deze verschillende begrippen met elkaar in verband wilde brengen.  Een zonnejaar heeft geen geheel aantal lunaire maanden.  Je zou kunnen zeggen dat de geschiedenis van de kalender een strijd was tussen de zon en de maan.

Eerst won de maan en de eerste kalenders zijn dan ook bij de meeste volkeren op het lunaire (maan) systeem gebaseerd.  Hier kwamen echter moeilijkheden van omdat de maanden spoedig in verschillende jaargetijden vielen. 

Uiteindelijk werd de maan door alle volkeren losgelaten en vervangen door de zon in de tijdsberekening, tenminste wat de burgelijke kalender betrof.

Het was Julius Caesar die in 44 v. chr. deze belangrijke hervorming bij de Romeinen invoerde op advies van de sterrenkundige Sosigenes.  Zo kwam er een einde aan de wanordelijkheden van de Romeinse kalender.

De Juliaanse kalender , een zonnekalender, was een feit.

De kalender telde 365 dagen, maar eens in de vier jaar werd een jaar van 366 dagen genomen.  Zo stelde hij de lengte van een tropisch jaar vast op 365 dagen en 6 uur.  In werkelijkheid telt het echter 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 6 seconden.

Op die manier viel de lenteëvening ieder jaar 11 minuten en 14 seconden te vroeg in en zo raakte de kalender op den duur achter op de seizoenen.

Dit verschil werd in de loop der tijden zó groot, dat op 4 oktober 1582, het jaar van de Gregoriaanse hervorming, deze kalender door Paus Gregorius XIII werd verbeterd.  Hij voegde er tien dagen bij ( jaar werd met tien dagen ingekort om de achterstand in te halen )  Zo volgde op donderdag 4 oktober, vrijdag 15 oktober.

Tevens besloot hij, dat de eeuwjaren die deelbaar zouden zijn door 4 niet meer als schrikkeljaar zouden beschouwd worden.  Uitzonderingen zijn de eeuwen die door 400 deelbaar zijn.

De Gregoriaanse kalender werd in de rooms-katholieke landen in 1582 of spoedig daarna ingevoerd; in de meeste protestantse landen in 1700 of later; in orthodoxe landen in het begin van de 20ste eeuw ( in Rusland bv. in 1918, na de revolutie )

 

Er zijn een groot aantal weerspreuken die betrekking hebben op de kalender.  Als men ze oplettend beschouwt, ziet men dadelijk dat ze in twee categorieën onder te brengen zijn:

Voorbeeld:  1) Een zachte zomer, geeft een strenge winter.

                     2) Warme oktoberdagen brengen februarivlagen.

                     3) Onweer laat in het jaar, vorst is nog niet klaar.

Voorbeeld:    

1) Sint Mathijs breekt het ijs. ( 24 febr. )

2) St.-Pieters' Stoeltje koud, wordt veertig dagen oud. ( 22 febr.

3) Doet Sinte-Katrien haar witte mantel aan, ze blijft er zeven weken rond mee gaan. ( 25 nov. )     

 

* LOTDAGEN:

Als men nauwkeurig de data der lotdagen onderzoekt, bemerkt men, dat vele aansluiten bij oude heidendse feesten.

Omdat de Kerk de kracht van de traditie bij het volk kende, werden deze heidense feesten niet opgeheven, maar vervangen door christelijke.

Waarschijnlijk werden op deze wijze de lotdagen aangewezen door de heiligen die toen op deze dagen gevierd werden.

Het volk gaf er zich geen rekenschap van dat de heilige uitsluitend diende om een datum vast te leggen en kende hem een invloed toe op het weer.

 

TERUG