WAT EEN WEER - MAAND APRIL

 

   1. Op Sint-Huige, valt de sneeuwman in duigen.

   2. April met zijn gril, doet wat hij wil.

   3. Aprilse aren, die zijn er alle jaren.

   4. Is Isidoor voorbij, dan is ook de noordenwind voorbij.

*   5. Wil april niet vertrouwen, hij is en blijft de ouwe.  Nu lacht hij met zonnegloren,

     dan gooit hij met hagelstenen om de oren.                                                                       

   6. De vrouwen en aprillen, hebben beiden hun grillen.

   7. De heren en aprillen, bedriegen wie ze willen.       

   8. Grasmaands gril is hooimaands wil.                           

   9. Het zaterdagse weer op noen, is op de zondag heel de dag te doen.    

 10. Zaait g’op Sint-Ezechiël, zeker lukt de vlasgaard wel.

 11. De huwelijkse staat is als april, nu zon, dan storm en dan weer alles stil.

 12. Als april lacht, boerke wees voor uw oogst bedacht.

 13. Broedt de spreeuw vroeg in april, schoon een meimaand is op til.

 14. Op St. Tiburtin na de noen (3 uur namiddag) worden alle velden groen.

 15. Op Sint-Justijn doodt de kou het venijn.

 16. Aprilletje zoet, geeft nog wel eens een witte hoed.

 17. Sneeuw in april geen nood, met zware nachtvorst veel meer dood.

 18. Aprilvlokjes geven meiklokjes.                              

 19. Sneeuwt april nog op onze hoed, ’t is voor de druiven en koren goed.        

 20. Noordenwind in april en mei, maakt augustus en september blij.

 21. De donder op de blote doren, de melkkruik verloren.

 22. Als het dondert in april, verheugt zich de landbouwer; maar vlieg en schaap

       hebben veel te lijden.

 23. St. Joris warm en schoon, heeft ruw en nat tot loon.

       Valt vóór St. Joris geen regen meer, dan komt er nà hem des te meer.          

 24. April vult vele zolders, dankzij de vele donders.              

 25. Zo lang vóór St. Marcus warm, zo lang nà Marcus koud.

        Is de puit (kikvors) vóór Marcus kwaakt, blijft hij later niet bespraakt.

        St. Marcus koud, ook het Heilig hout.

        Plant pompoenen op St. Marcusdag vóór zon: ze worden dan zo dik als een ton.                                                                                  

  26. ’t Mag vroeg of laat zijn, april wil kwaad zijn.             

  27. Ne meikever in april is ne zot die niet weet wat hij wil.

  28. Als het vriest op St. Vital een natte zomer volgen wil.

  29. April veranderlijk en guur, brengt hooi en koren in de schuur.

  30. In april heldere maneschijn, zal de bloesem schadelijk zijn.

  Koude april geeft brood en wijn, zachte april is ’t ergste dat er kan zijn.

  Nachtvorst men een Zuidenwind op kersenblom, daar treurt de kweker om.

  Bloeien de bomen tweemaal op een rij, zal de winter zich rekken tot mei.

  Als in april kevers ontstaan dan zal de mei van kou vergaan.                            

  April koud en nat, veel koren in het vat.

  April koud en nat, vult schuur en vat.

  Een natte april, is de boeren naar hun wil.

  Droge april is niet der boeren wil, maar aprilse regen daar is hun veel aan gelegen.

  Geeft april veel regen, zo brengt het rijke zegen.

  Zo’n natte april belooft veel vruchten.

  Regen in april en wind in mei maakt de boerkens blij.

  Warme aprilregen is een grote zegen.

 

 

 

 

TERUG