Hoofdstuk
6: Algemene besluiten en
toekomstperspectieven
6.1. Scheutcultuur
6.1.1.
Initiatie
Het gemak waarmee in vitro scheuten uitlopen is vaak afhankelijk van de juvenieliteit van het weefsel. In vele gevallen is de kwaliteit van gewassen pas te evalueren in de adulte fase, dit is wanneer de plant in staat is om te bloeien. Het in vitro brengen van adult materiaal is moeilijker dan voor explantaten afkomstig van zaailingen (Hackett, 1985). Scheuten van één- of tweejarige planten en scheuten van wortelopslag slaan vaak goed aan in vitro (Layne, 1996). Toch werden in ons onderzoek goede resultaten bekomen bij het initiëren van explantaten afkomstig van meerjarig geënte planten en van juveniele scheuten van volwassen planten. De bruinverkleuring van het medium en van de explantaten werd bij alle types van explantaten vastgesteld. Wel was deze verkleuring op het SIB-medium minder uitgesproken. Het verbruinen vermindert door de explantaten regelmatig over te enten.
Omdat het opzwellen van de bladvoet het uitlopen van de knoppen hindert, was het noodzakelijk om een goede techniek te vinden om deze volledig weg te nemen. Het bleek zeer belangrijk te zijn dat hierbij de knop niet beschadigd werd. De beste manier om de bladvoet van de scheuten te snijden bleek om eerst twee insnijdingen te maken aan de zijkanten van de bladvoet, daarna een lichte insnijding op de rug en vervolgens voorzichtig de bladvoet af te breken door met een mespunt de bladvoet achteruit te buigen. Indien de bladvoet niet volledig werd weggenomen en/of de eindknop te sterk beschadigd werd dan kan naast bruinverkleuring het explantaat ook zijn vastheid verliezen. Het is niet zo dat de explantaten die bruin verkleuren dood zijn. In de proeven bleek dat zolang het explantaat zijn structurele integriteit behield, de mogelijkheid bestaat dat de knop uitloopt.
Al snel bleek dat SIB-medium het SIA-medium sterk overtrof qua mogelijkheden. Omdat de initiatie op dit medium vlot verliep werd beslist om geen verder onderzoek te verrichten om dit medium te optimaliseren en over te stappen naar de vermeerdering van de scheuten op dit medium.
6.1.2.
Propagatie
Door het SIB- medium aan te vullen tot het AAT-medium en met een hoge dosis aan cytokininen bleken we al vlug in staat om de explantaten te vermeerderen. Bij vele planten is het zo dat zij in vitro ook hun natuurlijk bioritme aanhouden. Asimina triloba vormt hierop geen uitzondering en leek ook in vitro in de wintermaanden in rust te gaan. Een volwaardige oplossing werd hiervoor niet gevonden. Uit de proeven bleek wel dat het geen zin heeft de cytokininen aan te vullen met het auxine NAA. In een eindbeoordeling van de drie cytokininen blijkt hier cytokinine D in kwalitatief opzicht als beste te eindigen. BA gaf wel de meeste scheutvorming maar toch bleek dat de scheuten langer groen bleven en een veel minder hydrisch uitzicht hadden op medium met cytokinine D. Ook op cytokinine B zagen we beduidend minder bruinverkleuring in vergelijking met BA. Dit cytokinine bleek echter niet actief genoeg om voor een goede scheutvorming te zorgen. Het is goed mogelijk dat de explantaten op medium met cytokinine B of D in plaats van om de twee weken pas om de vier weken hoeven overgezet te worden. Bij gebrek aan tijd en materiaal kon dit echter niet onderzocht worden.
6.2. Bladcultuur
Bij de drie experimenten op de twee verschillende media werd geen enkele keer initiatie van adventiefscheuten vastgesteld, toch dient deze methode van vermeerderen verder onderzocht te worden. Door een gebrek aan in vitro en in vivo bladmateriaal konden geen nieuwe proeven meer worden opgezet. Er zijn talrijke wegen voor verder onderzoek. Het kan zijn dat de samenstelling van de media niet voldoen aan de noden van Asimina triloba. Analoog met Annona squamosa kan de vorming van scheuten afhankelijk zijn van de lichtintensiteit (Nair et al., 1984). Ook naar de methode van steriliseren kan onderzoek worden verricht om de schade aan de bladeren tot een minimum te beperken en toch een voldoende steriel product te bekomen.
6.3. Zaadcultuur
Bij de verschillende proeven die met het zaad werden
opgezet werd geen scheutgroei of embryogenese vast gesteld.
Ook hier rijst weer de vraag of de media wel voldoen aan de noden van het
zaad om tot kieming te komen of om aanleiding te geven tot nieuw gevormde
embryo’s. Ook kan de vraag
geopperd worden of de zaden wel degelijk bevrucht waren.
In toekomstige proeven om een geschikt medium te zoeken verdient het
zeker de aanbeveling om te vertrekken van voldoende gestratificieerde zaden.
Ook hier dienen proeven te worden opgezet om tot een geschikter
sterilisatie protocol te komen. Wat
ook nuttig kan zijn is de invloed van de belichting na te gaan op de kieming en
embryogenese. Ook de cytokininen
blijken een gunstige invloed op het kiemproces te hebben.
Cytokininen blijken op zijn
minst gedeeltelijk de mogelijkheid te bezitten om licht te vervangen bij
zaadkieming. Uit experimenten bleek
namelijk dat bij lichtkiemers na toevoeging van cytokinine aan het medium de
zaden ook in het donker gingen kiemen (Kraepiel en Miginiac, 1997; Thomas et
al., 1997). Cytokininen kunnen als
vervangers optreden voor “red light” met een golflengte van 660 nm, vereist
bij zaadkieming (Miller, 1956; Horgan, 1984).
6.4. Algemeen
besluit
Eén jaar is veel te kort om een volledig beeld te krijgen over alle verschillende mogelijkheden voor de vermeerdering van deze weerbarstige plant. In dit werk werd aan de hand van de in de praktijk meest voorkomende technieken nagegaan hoe Asimina triloba reageert onder in vitro omstandigheden. Dit werk is verre van volledig en de proeven te kleinschalig om tot een sluitend protocol voor de vermeerdering te komen. Mede door dit werk werd gepoogd om het huidige onderzoek naar de mogelijkheden van deze merkwaardige boom verder open te trekken en de interesse bij meer mensen aan te wakkeren.
Als bijdrage aan het lopende onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van de nieuwe BA-derivaten werd hier bevestigd dat de werking van BA tussen dat van cytokinine B en D ligt. En dat verder onderzoek naar de mogelijkheden van beide nieuwe cytokininen kan leiden tot de ontwikkeling van cytokininen ‘op maat’ van elke plantensoort.