Hoofdstuk 3: Asimina triloba
3.1. Situering
Afdeling: Magnoliophyta
Klasse: Magnoliopsida
Onderklasse: Magnoliidae
Orde: Magnoliales
Familie: Annonaceae
Geslacht: Asimina
Soort:
Asimina triloba (L.) Dunal
3.2. De
Nederlandse benaming
De Asimina triloba (Fig. 3.1.) heeft verschillende Nederlandse benamingen: Pawpaw of Papaw worden het meest gebruikt. Omdat in veel Amerikaanse en Engelse literatuur de naam Pawpaw ook gebruikt wordt voor de Papaya (Carica papaya) zal hier verder enkel gebruik gemaakt worden van de Nederlandse naam Papaw.
Figuur
3.1. Asimina triloba
3.3. Algemeen
Het geslacht Asimina telt negen, kleine tot middelgrote bladverliezende of bladhoudende bomen of struiken. Alle soorten zijn inheems aan de oostkust van Noord-Amerika. De Asimina triloba is dé enige tropische vrucht die zo ver noordelijk terug te vinden is. Van de Annonaceae is het ook de enige soort die volledig winterhard is tot minstens zone 5, wat overeenkomt met –30 °C en meer (Fig. 3.2.). De boom vraagt minimaal 400 uur winterkoude en 160 vorstvrije dagen. De andere verwanten uit de familie zijn subtropisch tot tropisch. Totnogtoe zijn er geen ernstige ziekteproblemen gekend, wel komt op de plant wortelopslag voor. Het natuurlijk verspreidingsgebied gaande van Canada (Zuid-Ontario) tot Kansas en Noord-Florida is enorm. In het wild is de Papaw een zeldzame boom geworden en zelfs in Amerika zijn nog weinig mensen vertrouwd met deze boom en zijn tropisch uitziende vruchten.
Figuur
3.2. Klimaatzones van Noord-Amerika
3.4.
Historiek
Een van de eerste referenties is afkomstig van De Soto die na zijn expeditie in 1540 beschreef hoe de inheemse Amerikaanse bevolking deze boom verbouwde voor zijn vruchten. Hij zou ook de eerste zijn die de boom bij ons introduceerde. In 1936 zorgden Peter Collinson en de botanist John Barton voor een verdere verspreiding in West-Europa. In de 19de eeuw raakte de Papaw in de vergeethoek en het duurde tot na de grote depressie (1929) voordat men terug de Papaw erkende voor zijn sierwaarde en de grote voedingswaarde van zijn vruchten.
In 1988 stichtte Neal Peterson “The Papaw Federation” (PPF) met als bedoeling iedereen te laten kennismaken met de grotendeels onbekende vrucht. Ondertussen is de PPF uitgegroeid tot een wereldorganisatie die naast promotie en voorlichting ook verder onderzoek naar de toepassingsmogelijkheden van deze plant steunt.
3.5.
Botanische gegevens
3.5.1.
Boomvorm
De hoogte van een volwassen boom bedraagt 3 tot 6 m. Bij het aanplanten in volle zon bekomt men een van de grond af dicht bebladerd, smalle piramideachtige vorm. Bomen geplant in de schaduw daarentegen geven aanleiding tot een eerder licht vertakte boom met horizontale bladstand. Hier start de vertakking ook pas op ongeveer 1 meter boven de grond.
3.5.2.
Bladvorm
Het glanzende donkergroene, langwerpige blad (Fig. 3.3.) wordt 15 cm lang en geeft met de boomvorm aanleiding tot een tropische uitzicht. De bladverkleuring start in november. Het uitlopen van de bladeren begint pas eind mei, na de bloei.

Figuur
3.3. Blad van Asimina triloba
3.5.3. Bloei
De donkerbruine bloemknoppen ontwikkelen op de bladvoet van de bladeren van het vorige jaar. Deze lopen tussen maart en mei uit tot bruinpaarse bloesems met een diameter van ongeveer 6 cm (Fig. 3.4.). De bloemen bestaan uit 6 purperen kroonbladeren waarvan de 3 binnenste klein en rechtopstaand zijn en met de 3 grote omliggende een tulpachtige krans vormen. De 3 kelkblaadjes zijn roodbruin en behaard. De bloei is protogynisch wat wil zeggen dat de stamper eerder rijpt dan de meeldraden. Bijgevolg is zelfbestuiving onmogelijk. De bestuiving gebeurt hoofdzakelijk door vliegen, bijen en kevers.

Figuur
3.4. Bloei van Asimina triloba
3.5.4.
Aanplanting
Om de twee bomen aan te planten, die je nodig hebt voor de kruisbestuiving, wordt een maximale ruimte van 4 x 5 m aanbevolen. Er kan gebruik gemaakt worden van zaailingen of geënte planten. De jonge planten lijken gevoelig te zijn voor UV-licht, ze dienen dus in de jeugdfase beschermd te worden tegen volle zon (Jones et al., 1990). Oudere planten groeien en produceren dan weer meer als ze in de volle zon staan. De planten hergroeien moeilijk na het planten of verplanten, het is dan ook aan te raden bij voorkeur containerplanten te gebruiken. De planten hebben een voorkeur voor een lichte vochtige en lichtzure grond. De ideale planttijd is waarschijnlijk de maand maart (de Kinder, 2000).
3.5.5.
Vrucht
De vlezige vrucht van de Papaw is omgeven door een dunne groene schil die geel verkleurt tijdens het rijpen. De vruchten worden 3 tot 15 cm lang en hebben een diameter van 3 tot 10 cm waarbij de grootste het uitzicht van een mango hebben. Het vruchtgewicht varieert tussen de 200 en de 450 g; De vruchten kunnen alleen of in trossen hangen.
Pomologisch kan er een onderscheid gemaakt worden tussen 2 types:
de laatrijpende en nauwelijks eetbare, met zuiver wit vruchtvleesde vroegrijpende en aangenaam smakende, met geel tot oranjegeel vruchtvlees.
De rijptijd ligt tussen half augustus en begin oktober. Tijdens het afrijpen verspreiden de vruchten een erg nadrukkelijke en fruitige geur. In de vrucht bevinden zich 2 rijen van 2 tot 3 cm grote platte bruinzwarte zaden (Fig. 3.5.). Het totaal aantal zaden per vrucht is rasafhankelijk.

Figuur
3.5. Vrucht van Asimina triloba met geel of wit vruchtvlees
en
verschillende zaadschikking
3.5.6.
Klassieke vermeerdering
3.5.7. Beschikbare rassen (Callaway, 1993)
Momenteel zijn reeds verschillende rassen
beschikbaar:
‘Davis’: kleine vruchten, geel vruchtvlees, groene schil, grote zaden, goede smaak‘Mary Foos Johnson’: middelgrote vruchten, goudkleurig vruchtvlees, lichtgele schil, weinig zaden, goede smaak, zou zelffertiel zijn
‘Mitchell’: middelgrote vruchten, goudkleurig vruchtvlees, lichtgele schil, zeer goede smaak
‘Overlees’: een vroeg ras, grote vruchten, minder maar grotere zaden, geel vruchtvlees, zeer goede smaak
‘Prolific’: grote vruchten, geel vruchtvlees, zeer goede smaak
‘Sunflower’: een laat ras, middelgrote vruchten, goudkleurig vruchtvlees, lichtgele schil, weinig zaden, goede smaak, zou zelffertiel zijn
‘Sweet Alice’: middelgrote vruchten, geel vruchtvlees, goede smaak, rijke vruchtzetting
‘Taylor’: kleine vruchten, geel vruchtvlees, groene schil, zachte goede smaak
‘Taytoo’: middelgrote vruchten, geel vruchtvlees, lichtgroene schil, goede smaak, rijke vruchtzetting
‘Well's’: vrij grote vruchten, oranje vruchtvlees, groene schil, uitmuntende smaak
Andere beschikbare rassen zijn onder meer: ‘Golden 1, 2, 3 en 4’, ‘Rebecca’s Gold’ en ‘Zimmerman’.
3.6. Huidig
onderzoek
Momenteel loopt aan de Purdue University onder
leiding van McLaughlin, Pomper en Layne een onderzoek naar componenten uit de
bast die succes kennen in het gevecht tegen resistente kankers.
Deze componenten laten bij voorkeur drugsresistente kankers afsterven.
De componenten zorgen ervoor dat de mechanismen van kankercellen om
energie te produceren stilvallen waardoor ze afsterven.
Het verschil tussen een normale kankercel en de drugsresistente cel
bestaat erin dat deze laatste over een pompmechanisme beschikt om
antikanker-agenten uit de cel te verwijderen voordat deze de cel kunnen afdoden.
Deze pompen worden P-glycoproteïne pompen genoemd naar het proteïne
waaruit ze zijn opgebouwd. Momenteel werden reeds een 40-tal componenten ontdekt met
antikankerwerking waaronder een serie “Annonaceous acetogenins” genaamd, die
vooral kankercellen met het pompmechanisme doen afsterven.
Hoewel verder onderzoek nodig is blijken deze componenten veelbelovend in
de strijd tegen drugsresistente kankers (Oberlies et al.,1997; McLaughlin, 1997).
Mede door dit onderzoek en door het werk van de PPF groeit de interesse naar deze plant. Ook het onderzoek naar de mogelijkheden om de planten uit deze familie onder in vitro omstandigheden te vermeerderen neemt de laatste jaren sterk toe. Dit is niet alleen het geval in Amerika maar over heel de wereld is men op zoek naar geschikte in vitro technieken. In India slaagde men erin om scheuten te regenereren op bladeren van Annona squamosa (Nair et al., 1984). En in 1992 slaagden Bejoy en Hariharan erin om zaden van de Annona muricata in vitro te laten kiemen, op de wortels nieuwe scheuten te ontwikkelen en deze succesvol af te harden (Bejoy en Hariharan,1992).
Het eerste grote onderzoek werd in 1995 verricht door Rasai et al. In Australië. Zij onderzochten zowat alle mogelijke in vitro culturen met wisselend succes van vier Annona spp. namelijk de cherimoya, atemoya, squamosa en de muricata (Rasai et al. 1995).
Ook naar de in vitro mogelijkheden voor Asimina triloba werd reeds een onderzoek verricht. De Amerikaan D.R. Layne toonde aan dat de beste initiatie resultaten voor scheutculturen konden bekomen worden met jonge zaailingen en met scheuten genomen van wortelopslag (Layne et al.,1996).