OLIFANT

Aristoteles schrijft in zijn Over dieren het volgende over de olifant: "Van alle dieren is bij de olifant de neus het meest bijzondere, vanwege zijn buitengewone omvang en kracht. Hij gebruikt hem namelijk als een hand, waarmee hij zowel droog als vochtig voedsel naar zijn bek brengt, en hij trekt er ook bomen mee uit de grond door zijn slurf eromheen te leggen. Hij gebruikt hem dus net alsof het een hand is. Van nature leeft dit dier zowel in moerassen als op het land. Als hij dus zijn voedsel op een bepaald moment uit het water haalt moet hij ook kunnen ademen, omdat hij een landdier is, dat bloed heeft. Maar omdat hij zo buitengewoon groot is, kan hij zich niet snel uit het water naar het land verplaatsen, zoals sommige andere zoogdieren doen die bloed hebben en ademen. Daarom was het noodzakelijk dat hij net zo goed in het water zou kunnen leven als op het land. Zoals nu sommige mensen duikers voor het ademhalen van instrumenten voorzien om, als ze lange tijd onder water blijven, door middel van zo'n instrument lucht van buiten het water in te zuigen, zo heeft de natuur aan de olifanten hun lange neus gegeven als een vergelijkbaar instrument. Zo kunnen ze wanneer ze door water lopen ademhalen door hun neus uit het water te steken. Zoals gezegd is de slurf van olifanten hun neus. Een neus van deze aard moest wel zacht en buigzaam zijn, anders zou hij door zijn lengte een obstakel vormen voor het pakken van voedsel van buiten, net zoals dat naar verluidt het geval is bij de hoorns van achteruitgrazende runderen - men zegt namelijk dat deze zelfs tijdens het grazen achteruit lopen. Omdat hun neus dus zacht en buigzaam is maakt de natuur, zoals ze wel vaker dezelfde lichaamsdelen meer dan één functie geeft, hier extra gebruik van door hem ook de taak van voorpoten te geven. Viervoeters met veel tenen gebruiken namelijk hun voorpoten als handen, en niet alleen om hun gewicht erop te laten rusten. Olifanten behoren tot de veeltenigen, omdat hun hoef niet uit één stuk bestaat en ook niet uit twee maar wegens de buitengewone omvang en zwaarte van hun lichaam dienen hun voorpoten louter als stut en zijn ze door hun traagheid en gebrek aan buigzaamheid voor niets anders bruikbaar. De olifant heeft zijn neus dus niet alleen, zoals alle andere dieren die longen hebben, voor de ademhaling, maar omdat hij veel in het water vertoeft en daar niet snel uit kan komen, is zijn neus ook lang en kan hij worden opgerold; en omdat zijn voorpoten niet te gebruiken zijn voor iets anders dan lopen, laat zoals gezegd de natuur dit lichaamsdeel ook dienen voor wat anders de taak van de poten is. ... Bij dit soort dieren is de tong van nature zodanig dat hij als het ware de tegenhanger vormt van de slurf bij de olifanten. Bij olifanten dient de slurf immers ter verdediging, en bij genoemde dieren dient de tong als steekwapen. ... Buitengewone lichaamsgrootte zoals die van kamelen, en nog meer die van olifanten, is namelijk toereikend om te verhinderen dat deze door andere dieren worden gedood. ... De olifant heeft maar twee uiers, en wel onder de oksels van de voorpoten. De verklaring van het feit dat het er twee zijn is dat dit dier maar één jong werpt, en dat ze niet ter hoogte van de dijen zitten is omdat het veeltenig is: er is namelijk geen enkel veeltenig dier dat ze ter hoogte van de dijen heeft. Dat ze bovenaan bij de oksels zitten is omdat bij dieren die een veelvoud aan uiers hebben daar de eerste zitten, en die de meeste melk geven. ... Om deze reden heeft de olifant er twee en wel op die plaats. ... Maar het is ook mogelijk zich voort te bewegen zonder zijn been te buigen, op die manier waarop kinderen kruipen. Vroeger werd beweerd dat ook olifanten zich zo voortbewegen, maar dat is niet waar.".

afb. 151: olifantwijfje baart in het water - Bibliothèque Nationale de France, lat. 14429, Folio 114v

In het eerste boek Makkabeeën vinden we in hoofdstuk 6 het volgende: "Zo telde zijn leger honderdduizend man voetvolk, twintigduizend ruiters en tweeëndertig olifanten, die voor de oorlog waren afgericht. (30) ... De olifanten hield men sap van druiven en moerbeien voor om ze strijdlustig te maken. Daarna werden de dieren over de slagordes verdeeld: bij elke olifant stelde men duizend man voetvolk op, in maliënkolders gestoken en met bronzen helmen op het hoofd, evenals vijfhonderd uitstekende ruiters die de vaste begeleiders van een olifant waren, en het dier steeds vergezelden, waar het ook ging zonder er ooit van te scheiden. Op elke olifant was achter de geleider op een speciale wijze een sterke, goed afgedekte houten toren vastgegord, waarin een drietal soldaten zat, die vanuit daar aan de strijd deelnamen, en daarbij nog een Indiër. (35-38) ... Eleazar Avaran merkte dat één van de olifanten, die groter was dan alle andere, met een koninklijke pantserbedekking was uitgerust. In de veronderstelling dat de koning zich op dat dier bevond besloot hij zichzelf te offeren om zijn volk te redden en zo een onsterfelijke naam te verwerven. Onverschrokken stormde hij op het dier af, midden door de slagorde heen, terwijl hij links en rechts dodelijke slagen toebracht zodat men aan weerszijden voor hem terugweek. Hij dook onder de olifant, doorstak hem van onder en doodde hem. Het dier zakte ineen en verpletterde hem. (43-46)

afb. 147: Olifant met krijgers op zijn rug - Kongelige Bibliotek, Gl. kgl. S. 1633 4º, Folio 6v

Bij de Grieken en Romeinen komt de olifant zelden voor. De beschrijvingen die ze geven hebben meestal verband met verslagen van veldslagen - eerst als tegenstanders, later als element van de eigen troepen. Oosterse volkeren als Egyptenaren, Perzen en Indiërs hebben de olifant altijd al als oorlogsmachine gebruikt. De verliezen bij de tegenstander waren vooral te wijten aan de paniek die uitbrak bij het zien van de kolossale dieren. In de 4de eeuw voor Christus hadden de Griekse en Macedonische troepen van Alexander een ontmoeting met de troepen van de Perzische koning Darius III waarbij de olifant werd ingezet als aanvalswapen. De Romeinen maakten voor het eerst kennis met de olifant op het slagveld in 280 voor Christus tijdens de slag van Heraclea toen de twintig olifanten van de Griekse koning Pyrrhus hem de overwinning bezorgden. Het meest bekend is het verhaal van Hannibal die met zijn tweeënveertig olifanten over de Pyreneeën en de Alpen trok tijdens de tweede Punische oorlog (218 - 201 voor Christus). We kennen hiervan de verslagen van Livius en van Polybius. Enkele geschriften maken ook melding van de olifant in een soort dierentuin avant-la-lettre of als spektakel in de arena. Hier vinden we ook de eerste aanwijzingen dat de olifant bevreesd zou zijn voor varkens, rammen, muizen en muggen. Ook in de Griekse of Romeinse mythen komt de olifant niet voor. Op iconografisch gebied kennen we voorstellingen van de allegorische figuur "roem" op een triomfkaros die getrokken wordt door olifanten. Hier wordt dan de link gelegd met de lange levensduur of zelfs de onsterfelijkheid van de roem en de olifant.

De Physiologus zei het volgende over de olifant: "Er is in het gebergte een dier dat olifant genoemd wordt. In dit dier leeft niet de begeerte naar paring. Als hij zich wil voortplanten, gaat hij naar het Oosten, dichtbij het paradijs. Daar is een boom, de mandragora genoemd. Het mannetje en het vrouwtje gaan daarheen. En het vrouwtje neemt het eerst van die boom, geeft er ook van aan het mannetje en speelt met hem (haar spel), totdat ook hij ervan neemt. En als het mannetje ervan genomen heeft, paart hij met het vrouwtje (achterwaarts, omdat hij geen copulatieorgaan heeft. En zij draagt één dracht uit). En dadelijk wordt ze drachtig. Als nu de tijd aanbreekt, dat ze werpt, gaat ze naar een meer met water (gaat daar in), totdat het water tot haar uier komt en zo werpt ze vervolgens haar jong, in het water. En het komt naar haar flanken en zuigt de tepel van de moeder. De (mannetjes)olifant past op haar, wanneer zij moet werpen, vanwege de slang, aangezien de slang een vijand van de olifant is. En als de olifant hem vindt, vertrapt hij hem en doodt hem. ... De eigenschap van de olifant is als volgt: als hij valt, kan hij niet opstaan. Want hij heeft geen gewrichten in zijn knieën (zoals andere dieren). Maar hoe gaat het dan, als hij valt? Als hij wil slapen, leunt hij tegen een boom en slaapt in. Maar de jagers, die de eigenschap van de olifant kennen, komen en zagen de boom gedeeltelijk in. Als de olifant dan komt en er tegenaan leunt, valt hij tegelijk met de boom om. Dan begint hij luid te schreeuwen. Een andere olifant hoort dat en komt hem te hulp, maar hij kan hem niet overeind krijgen. Dan schreeuwen ze met z'n tweeën. En dan komen er twaalf olifanten, maar ook zij kunnen de gevallene niet overeind krijgen. Dan schreeuwen ze allemaal. Het allerlaatst komt er dan een klein olifantje. Het legt zijn slurf onder de olifant en helpt hem overeind. ... De eigenschap van de kleine olifant is als volgt: als ge zijn haren of beenderen op een of andere plaats verbrandt, komt daar geen boze geest, geen slang of enig kwaad binnen. ... De olifant en zijn vrouwtje worden toegepast op de persoon van Adam en Eva. Toen ze in de hof van Eden waren, voor de val, hadden ze geen weet van seksuele gemeenschap en geen kennis van paring. Maar toen de vrouw van de boom gegeten had, dat wil zeggen van de geestelijke mandragora, en ook haar man gegeten had, toen bekende Adam zijn vrouw en zij baarde Kaïn aan afkeurenswaardige wateren, zoals David zei: "Red mij, o God, want de wateren zijn tot aan mijn ziel gekomen". Toen kwam de grote olifant, dat is de Wet, maar zij kon hem niet doen opstaan. Vervolgens kwamen de twaalf olifanten, dat is het koor der profeten, maar ook zij konden de gevallene niet doen opstaan. Maar het allerlaatst is de geestelijke en heilige olifant gekomen (onze Heer Jezus Christus) en Hij deed de mens van de aarde opstaan. Hij die groter was dan allen (Christus, de nieuwe Adam) werd aller slaaf. Want Hij vernederde zich, nam de gestalte van een dienstknecht aan en werd hen gelijk, opdat Hij allen zou redden. ... De Physiologus heeft dus juist gesproken over de olifant.".

afb. 148: een olifant wordt aangevallen door zijn vijand de draak (of slang) -  Bibliothèque Nationale de France, lat. 3630, Folio 93r

We vinden het element van kuisheid bij olifanten ook terug bij Aelianus en Plinius die allebei vermelden dat deze dieren alleen en op een verborgen plek paren. Het thema van het water vinden we dan weer terug bij Aelianus en Aristoteles. Bij Plinius krijgen we een uitvoerig verslag van de strijd tussen de olifant en de slang: deze laatste lijkt de strijd te winnen maar als de olifant dood neervalt, verplettert hij in zijn val de slang. Aelianus en Aristoteles bestrijden de mening dat de olifant geen gewrichten heeft. Dit is waarschijnlijk een gevolg van persoonlijke waarnemingen. Het verbranden van huid en beenderen om het kwade af te weren, vinden we ook terug in de symboliek van het hert. Het is een verwarring die zijn oorsprong vindt in een verwisseling bij de vertaling uit het Grieks: "elaphos" betekent hinde en "elephas" olifant. Alle klassieke auteurs kennen deze eigenschap toe aan het hert.

Daar waar de olifant in het westen vooral bekend was om zijn grootte, zijn traagheid en zijn gewicht, stond hij in Afrika en vooral in Azië bekend om zijn kracht, voorspoed en zijn lange levensduur. Uitzonderlijk was een "witte" olifant die beschouwd werd als een heilig dier. 

afb. 149: olifant als schaakstuk

Jacob van Maerlant schreef in zijn Het boek der natuur het volgende over de olifant: "De elephas is de olifant. Het is een groot en sterk dier. Aan zijn bek hangt een lange slurf, die hij overal voor gebruikt. Die slurf heeft hij nodig omdat hij groot is en zich niet naar de grond kan buigen: zonder de slurf, waarmee hij eten en drinken naar zijn bek brengt, zou hij zich niet van voedsel kunnen voorzien. Bij Jacobus van Vitry lezen we dat olifanten op het slagveld met hun slurf slaan en er hun vijanden mee grijpen. Door hun moed en trouw zijn het in de oorlog zeer bruikbare dieren. Hun strijdlust neemt nog toe wanneer iemand ze rode wijn of bloed laat zien. Perzen en Indiërs trekken ten strijde met olifanten die gevechtstorens met vijftig soldaten dragen en breken daarmee door de vijandelijke linies heen - niets houdt daartegen stand. Het geluid dat olifanten uitstoten is zo krachtig dat het iedereen angst aanjaagt. Olifanten hebben grote slagtanden, die naar boven zijn gebogen en meer dan een meter lang zijn. Van deze tanden worden krachtige en kostbare geneesmiddelen gemaakt. Het poeder dat overblijft als ze verbrand zijn, stelpt neusbloedingen en stopt diarree; het is bovendien het beste middel om menstruatie te stoppen en het geneest bloedende aambeien. Van het poeder moet een drank gemaakt worden met sap van de weegbree. Olifantstanden zijn gemaakt van het fijnste ivoor, maar de rest van het skelet is minder waardevol en heilzaam. De slagtanden van de mannetjes zijn naar boven gebogen, die van de vrouwtjes zijn recht; de kromste tanden zijn het meeste waard. In oude boeken kan men lezen hoe men olifanten op het spoor komt en vangt. Twee meisjes die nog maagd zijn lopen naakt de wildernis in. Een van hen draagt een kelk, de ander een zwaard, en ze lopen uit volle borst te zingen. Zodra de olifant hen hoort, komt hij naar hen toe en als hij de maagden ziet, likt hij hun kuise ledematen, hun borsten en hun naakte lichaam, want olifanten houden van alles wat zuiver is. Hij geniet er intens van en valt weldra in slaap. Het ene meisje steekt dan zonder dralen het zwaard in zijn lijf, het andere vangt het bloed op van het stervende dier. Met het bloed worden koningsmantels purperrood geverfd. Zo heb ik het gelezen. Het bloed van de olifant is het zinnebeeld van het dierbare bloed dat uit Jezus' zijde stroomde. De maagden zijn de twee wetten, het Oude en het Nieuwe Verbond, waar joden en christenen onder zijn gesteld. Synagoge, de verraderlijke joodse maagd, is degene die Jezus' zijde doorboort; Ecclesia, de Kerk, vangt in de miskelk het bloed op waarmee het vlees van Jezus, Zijn prachtige purperen koningsmantel, zo wondermooi werd geverfd. Daarom zingt de bruid in het Hooglied: "Mijn geliefde is blank en rood, uitblinkend boven tienduizend.". Nu zult u kunnen lezen hoe olifanten getemd worden. De bijzonderheden daarover zijn te vinden in de Glosse op het Woord Gods. Als het dier eenmaal met de voorgeschreven listen gevangen is, wordt het door een van de jagers vreselijk afgeranseld. Vervolgens verschijnt degene die het dier aan zich wil onderwerpen en jaagt de eerste man weg. Dat maakt de olifant zo dankbaar dat hij degene die hem van de pijn heeft verlost met eerbied bejegent en altijd zal gehoorzamen. Dit zou voor ieder mens een les moeten zijn en een reden om Christus te danken, Die hem van zijn eeuwige vijand de duivel heeft verlost. Tussen de olifant en de draak heerst een onverzoenlijke vete. De draak, een groot en sterk monster, ligt op de loer bij plaatsen waar de olifanten zich verzamelen. Eerst slaat hij zijn staart om de poten van de olifant, maar daar kan deze zich met zijn slurf vlug van bevrijden. Ogenblikkelijk verplaatst de draak zijn aanval naar de ogen en neusgaten van zijn tegenstander, want daar baat zijn slurf hem niet. Vervolgens zuigt het monster het bloed uit de olifant. De geleerde Plinius zegt: draken zijn zo groot dat al het bloed nauwelijks genoeg is voor één teug. Het olifantenbloed stijgt de draak naar het hoofd. De olifant, verzwakt door bloedverlies, stort ter aarde en verplettert in zijn val soms zijn vijand. Hoor nu op welke manier de olifant de draak overvalt: hij spoort zijn slaapplaats op, onder een rots of onder een boom, en bedelft hem onder een zware massa stenen. Er zal nooit een einde komen aan de vijandschap tussen draak en olifant: als olifanten op een draak stuiten, trappen ze hem dood. Aristoteles schrijft dat olifanten paren als de vrouwtjes tien en de mannetjes vijf jaar oud zijn. De draagtijd duurt twee jaar, maar ze benutten slechts twee dagen van ieder jaar om te paren, meer niet. Het zijn zulke kuise en preutse dieren dat ze in het verborgene paren en niet terugkeren naar de kudde voordat ze zich gewassen hebben in het stromende water van een rivier. Er wordt niet gevochten om de vrouwtjes, want olifanten plegen geen overspel. Mensen, neem toch een voorbeeld aan het beschaafde gedrag van deze redeloze dieren! Als ze paren beklimt het mannetje het vrouwtje. De moeder loopt twee jaar rond met het jong in haar buik en brengt het ter wereld in een beek, omdat een val op het vasteland een wisse dood zou betekenen voor het jong. Soms brengen olifanten hun kalveren uit angst voor draken dadelijk na de geboorte naar een eiland. Het mannetje blijft altijd in de nabijheid van het vrouwtje als ze moet kalven. De geleerde Solinus beweert dat olifanten maar één keer dragen, maar het is zoals ik schrijf: het is gebleken dat ze drie tot vijf keer drachtig kunnen worden. Als de olifant een muis ziet, siddert hij van angst en slaat hij op de vlucht. Is dat niet hoogst verwonderlijk? Wonderbaarlijk zijt Gij, Here God, in al Uw werken! De olifant, die paarden angst inboezemt, is zelf bang van muizen...

Olifanten worden driehonderd jaar oud.

Ze kunnen niet tegen kou.

Tamme olifanten buigen voor de koning.

Om te rusten moet een olifant op zijn achterste gaan zitten, met zijn voorpoten recht vooruiten met zijn rug tegen een boom geleund. Als de boom breekt, valt hij op de grond en kan hij niet meer opstaan. Soms zagen jagers de boom half door. Dan briest de olifant geweldig. Het misbaar dat hij maakt is een hulpsignaal voor de andere olifanten, die klaaglijk trompetteren als ze hem niet kunnen helpen. Soms helpen de kleine olifanten hem met vereende krachten weer op de been met hun slurf, zodat hij kan ontkomen. Als ze daar niet in slagen blijft hij in gevangenschap achter. Olifanten hebben geen knieën, alle vier hun poten zijn zo stijf als steunbalken: daardoor kunnen ze zich niet oprichten als ze zijn gevallen.

Wind is zeer schadelijk voor een olifant.

Alle olifanten drinken graag wijn.

Ze blijven groeien tot ze veertig jaar oud zijn.

Olifanten houden van rivieren."

Het christendom associeerde het paargedrag van de olifanten met het menselijke paar Adam en Eva toen die nog in het Paradijs verbleven en geen seksualiteit kenden tot ze van de verboden vrucht aten. Het werd dan ook gebruikt als typisch voorbeeld voor de echtelijke seksualiteit in de middeleeuwse preken. Seks was alleen toegestaan als middel tot reproductie. Zo schreef Pier Damiani (1007-1072): "dat de olifant op het moment van de geslachtsdaad, de kop afkeert om zo aan te geven dat hij enkel de natuur volgt, tegen zijn wil en dus schaamte en afkeer voelt voor wat hij gaat doen.". Ook de geboorte had een christelijke symboliek: om te baren begeeft het wijfje zich in het water (= het doopsel) terwijl het mannetje de wacht houdt om de draak (= de duivel) af te weren. En zelfs het slapen heeft wordt "christelijk" geduid: vermits de olifant zijn poten niet kan buigen (zie boven) moet hij rechtop staand slapen, geleund tegen een muur of boom. De jager (= de duivel) zorgt dat de muur of boom het gewicht niet meer kan dragen, de olifant (= de zondaar die zich teveel bezig houdt met wereldse zaken) valt en het kleine olifantje dat er voor zorgt dat het volwassen dier terug rechtop geraakt staat symbool voor Christus. 

afb. 150: olifant uit Het boek der natuur - Koninklijke Bibliotheek, KB, KA 16, Folio 54r

Tot in de 16de eeuw waren er bepaalde bronnen die bleven volhouden dat de olifant - juist zoals de neushoorn volgens Plinius - zijn poten niet kon buigen. We zagen echter bij Aristoteles dat deze dit weerlegt. Strabo - 24 na Christus - beweert de stelling van het onbuigzame en de Physiologus neemt deze these over, waardoor het idee ook in de bestiaria in de middeleeuwen bleef voortleven. Ook maakten sommigen geen onderscheid tussen het ivoor van de tanden en de beenderen van de olifant. Plinius noemde t.a. de slagtanden van de olifant "horens". Het ivoor was in de middeleeuwen een fel begeerd materiaal waaruit prachtige beeldjes en tabletten werden gesneden. Deze kregen door analogie eveneens de naam "ivoortjes". Verder werden er aan het ivoor allerlei krachten toegeschreven. Zo was het niet alleen wit maar ook koud waardoor het "als men het in een doek wikkelde en die op gloeiende kolen legde, de doek niet zou verbanden en de kolen zouden uitgaan door de inwonende kou van het ivoor". Het verbranden van olifantenbotten zou de "serpenten en alle venijnige beesten uit het huis verdrijven". Een ander middeltje: "Wie lijdt aan de longen, hoest en kortademig is, moet de beenderen van de olifant in de zon verwarmen en er een beetje poeder van afschaven en dit in wijn koken, door een doek zeven en nog wat poeder toevoegen en dit dikwijls drinken, dan zal hij gezond worden. Het poeder dat overblijft als het ivoor verbrand is, stelpt neusbloedingen en stopt diarree, menstruatie en het geneest bloedende aambeien. Van het poeder moet een drank gemaakt worden met sap van de weegbree.". 

afb. 153: bewerkte olifantentand met dierenfiguren - Louvre, Parijs

Maar het belangrijkste gebruik van ivoor was in de kunst. De toegeschreven eigenschap om het kwade te verjagen maakte van ivoor een symbool voor Christus. Door zijn pure witheid wordt het ook in verband gebracht met de Waarheid die "rein en puur is als ivoor". Dit gaf aanleiding tot gebruik van dit materiaal voor het vervaardigen van omslagen voor evangelieboeken en hostiekelken. Het had dezelfde symboolwaarde van puurheid als de witte hermelijnpels en de huis van lammeren. Al in het Hooglied lezen we "Je hals is als de ivoren toren" (7:5). En in het Eerste boek der Koningen lezen we "De koning (Salomo) liet ook een grote troon van ivoor maken en die met fijn goed bedekken" (10:18). Daarom wordt in de middeleeuwse iconografie - in navolging van het christelijke Griekenland - de troon van Christus meestal afgebeeld in wit (ivoor) en geel (goud). 

In de middeleeuwen kon men met eigen ogen een olifant aanschouwen aan het hof van Karel de Grote. De keizer bezat een dier met de naam Abul-Abbas. Mogelijk was het de eerste olifant in het Westen vier eeuwen nadat enkele dieren in het Romeinse Rijk te bewonderen waren. Het bezitten van exotische dieren was in de middeleeuwen een sterk signaal van politieke macht. Verder bezat Karel de Grote ook nog beren, wilde zwijnen, leeuwen uit Marmorica en panters. De olifant - één van twee dieren die afkomstig waren van Harun ar-Rashid, de kalief van Bagdad - werd omstreeks 800 verscheept in Alexandrië naar Pisa en maakte van daar de reis over land naar Aken. Het tweede dier overleed tijdens de zeereis. De volledige menagerie volgde Karel de Grote tot in 806 op al zijn reizen. Abul-Abbas overleed rond 810 en volgens de legende zou één van zijn slagtanden zich als hoorn bevinden in de keizerlijke schatkamer in Aken. Een ander bekend verhaal is dat van de olifant die de Franse koning nu bekend onder de naam heilige Lodewijk (1214-1270) kreeg in 1254 van de sultan van Egypte. Omdat hij zelf geen exotische dieren bezat, schonk hij het dier aan Hendrik II van Engeland (1207-1272) die een gepassioneerd jager en dierenverzamelaar was. Volgens de bronnen zou de reis van het dier van Parijs naar Londen in 1255 een enorme menigte op de been hebben gebracht. Onder de begeleiders bevond zich Thomas van Savoya (1199-1259) die een document zou hebben bezegeld met een wasstempel met een afbeelding van de olifant dat dateert van 1258. In Londen aangekomen werd het dier met alle mogelijke luxe verzorgd. Zo zou het iedere dag een bad hebben mogen nemen in de Thames, omringd door een hele hofhouding. Matthew Paris (Matthaei Parisiensis - 1200-1259), monnik van de abdij van Sint Albans en raadgever van Hendrik II, zou twee miniaturen hebben gemaakt waarvoor het dier zelf als levend voorbeeld diende. 

          

afb. 156: Twee afbeeldingen van een olifant van Matthew Paris - allebei uit de Chronica Maiora II (Corpus Christi College) 

Een laatste voorbeeld is Annone, een albino-olifant genoemd naar een generaal van Hannibal en die door Manuele d'Aviz van Portugal aan paus Leone X werd geschonken rond 1510. Raffaello Sanzio (1483-1520) zou tekeningen gemaakt hebben van deze olifant maar deze zijn verloren gegaan. Ze bleven bekend door latere kopieën, o.a. van  Francisco d'Olanda (1517-1585).

In de architectuur en beeldhouwkunst kennen we de olifant in de middeleeuwen vooral als steun van preekstoelen, obelisken en een enkele keer op een kapiteel. 

afb. 152: kapiteel met olifanten - Aulnay-de-Saintonge, France (12de eeuw)

Een belangrijke bron van inspiratie voor afbeeldingen van de olifant waren de stoffen die afkomstig waren uit het Oosten en waarop exotische dieren stonden afgebeeld, waaronder de olifant. Eén van de bekendste van deze stoffen was de zgn. "zweetdoek van St. Josse" die momenteel in het Louvre in Parijs wordt bewaard. Het is eigenlijk een zijden Semitische zadeldoek, afkomstig uit Iran en waarschijnlijk gemaakt voor 961, het jaar waarin Abu Mansur Bakhtegin - voor wie het was vervaardigd - werd onthoofd. Tijdens de eerste kruistocht werd het door Etienne de Blois naar Frankrijk gebracht en als relikwie geschonken aan de abdij van St. Josse, nabij Caen in Normandië. Toen hij in 1134 werd herbegraven, werden de beenderen van St. Josse (Heilige Judocus ? - 675) in deze doek gewikkeld en het textiel heeft daar zijn naam aan ontleend. 

afb. 160: zweetdoek van St. Josse - Musée du Louvre, Parijs

Op een fragment in kalksteen dat afkomstig is uit de abdij van het Île-Barbe, nabij Lyon zien we een olifant afgebeeld die een opmerkelijke gelijkenis vertoont met deze op het "zweetdoek van St. Josse". 

afb. 161: olifant - kalsteen, einde van de XIde eeuw - Lyon, Musée historique de la ville

Er bestaat ook een Orde van de Olifant - zoals de Orde van het Gulden Vlies, de Orde van de Zwaan, de Orde van de Kousenband, enz. Volgens de traditie zou deze in de 12de eeuw zijn opgericht in Denemarken door Knud II van Denemarken (1019-1042) als herdenking aan een Deense kruistocht waarbij een Saraceense olifant werd gedood. Volgens de officiële geschriften werd de Orde in 1478 opgericht door Christiaan I (1426-1481) en bevestigd door paus Sixtus IV (1414-1484) in 1474. 

Afb. 155: Ster en lint van de Deense Orde van de Olifant

In 2009 schreef de Portugese auteur José Samarago het boek De tocht van de olifant, dat de tocht over de Alpen uit 1551 beschrijft van de olifant Soliman die Jom Joâo III van Portugal schonk aan Maximiliaan II van Bohemen.

terug naar index