INVLOED OP DE LITERATUUR

Fabels

Het woord “fabel” komt via het Franse “fable” uit het Latijn waar het twee stammen heeft : “fabula” wat verhaal betekent of “fari” wat spreken wil zeggen. Het gaat om verhalen die zich afspelen in de natuur – vooral de dierenwereld – en waarin de handelingen en drijfveren van de dieren worden toegepast op de mens. Meestal treden de dieren – soms ook planten en voorwerpen – handelend en sprekend op. Oorspronkelijk had de fabel een episch karakter maar in de middeleeuwen kwam de nadruk te liggen op het didactische en moraliserende karakter. Dikwijls kunnen we dit terugvoeren op dezelfde belerende en beschouwelijke aantekeningen die we vinden in de bestiaria. In de klassieke Oudheid werden de fabels gebruikt als lesmateriaal in de retoriek en op die manier kwamen ze terecht in de middeleeuwse lesboeken. In de klassieke Oudheid had men er geen probleem mee om in de fabels de dieren te zien als voorbeelden voor de mensen. De christelijke traditie verzette zich aanvankelijk tegen dit principe maar het was toch ook al terug te vinden in de Physiologus waar de dieren als voorbeeld werden gesteld voor de mensen maar dan in een christelijke context. Zo was de kerkvader Augustinus een verdediger van de fabels met het argument dat als de inhoud onjuist was, de moraal van het verhaal het belangrijkste was voor de lezer. Hij was ook een voorstander van de studie van de dieren – zoals bv. in de Physiologus – om de analogieën te begrijpen tussen de mens, het dier en de schepping in de H. Schrift. Toch bleef er – vooral in de vroege middeleeuwen – een zekere dubbelzinnigheid van de Kerk t.o.v. dit probleem. Enerzijds plaatste de Kerk de mens totaal afgezonderd van het dier in de schepping en anderzijds aanvaardde ze moraliserende teksten waarin parallellen werden getrokken tussen mensen en dieren.

In fabels gaat het dus om dieren die aan ons worden voorgesteld met een mengsel van menselijke en dierlijke eigenschappen. Naargelang de tijdsperiode waarin ze zijn ontstaan en hun sociale context verschuift het accent in de fabels van dierlijkheid naar menselijkheid. De moeilijkheid met het bespreken van fabels is dat het verhaal ervan geen definitieve versie kent. Door het feit dat ze doorheen hun bestaan steeds opnieuw werden verteld, herschreven en vertaald kwamen er verschuivingen in het verhaal. Daarbij kwam nog dat de kopiist of de vertaler de fabels aanpasten aan hun eigen voorkeur of aan de inzichten van diegenen waarvoor hij het werk leverde. We kunnen dat illustreren met de fabel van “de hond en de ezel”. De Esopet legt de nadruk op de jaloezie van de ezel ten opzichte van de hond met als moraal dat de mensen elkaar benijden en proberen elkaars plek in te pikken. In Twispraec der creaturen gaat het niet om afgunst, maar is het de ezel er alleen maar om te doen om een plezieriger en gemakkelijker leven te leiden. De moraal is hier dat je niet moet proberen iets te zijn wat je van nature niet bent want dan bereik je het tegenovergestelde. In Dleven ende fabulen van Esopus heeft de auteur zelfs medelijden met de ezel die slim denkt te zijn maar die de situatie volledig verkeerd inschat. Volgens deze moraal is niet elk gedrag passend voor iedereen en moet een mens er rekening mee houden dat hij niet alles aankan. Drie keer eenzelfde verhaal en drie keer een andere interpretatie. We kennen dus geen definitieve versie en het illustreert hoe kneedbaar de fabel is. Tezelfdertijd toont het aan dat de fabel als verhaal nagenoeg ideaal is om ingepast te worden in de veranderende maatschappelijke en filosofische bewegingen. Voor de definitie van het begrip fabel in de middeleeuwen baseren we ons best op citaten uit die periode. Hieruit blijkt dat het belangrijkste element van de fabel de werking was die ze uitoefende op het publiek. Met de werking bedoelde men dat een onderhoudend verhaal er voor zorgt dat de toehoorder de moraal gemakkelijker begrijpt en onthoudt.

De Griekse fabeldichter Aesopus – waarschijnlijk uit de 6de eeuw voor Christus – geldt als de schepper van de fabel. Het was Maximos Planudes – een Byzantijns geleerde uit de 14de eeuw – die een biografie schreef van Aesopus, zoals La Fontaine aanhaalt in de inleiding bij zijn fabels. Eigenlijk is het niet meer dan de herhaling van een eeuwenoude legende. Aesopus is een legendarische figuur die uit Phrygië afkomstig zou zijn en als slaaf op Samos verbleef. Hij was een gebochelde man die – al rondreizend – zijn brood verdiende met het vertellen van verhalen. Aesopus zou in Delphi onschuldig ter dood zijn gebracht. Zijn fabels zijn niet bewaard gebleven maar uit latere overleveringen weten we dat ze in proza waren gesteld. De oudst bekende verzameling wordt toegeschreven aan Demetrius van Phaleron die omstreeks 300 voor Christus leefde. Ze werden later in verzen omgezet door Babrius en ze werden in het Latijn vertaald door Avianus. Het is in de bewerking van Phaedrus dat ze – nog steeds in het Latijn – over heel Europa werden verspreid. Het was Phaedrus (overleden na 50 na Christus) die de fabel als genre in de Latijnse literatuur invoerde via zijn bewerking van de fabels van Aesopus in jambische verzen. Zijn werk is bekend als de Fabulae Aesopiae en bestaat uit vijf boeken waarvan in totaal 93 fabels bewaard zijn gebleven. Behalve de herdichtingen bevatten ze ook eigen moraliserende dierenverhalen waaraan eigentijdse anekdoten zijn toegevoegd. De fabel staat hier in fel contrast tot het epos en de tragedie omdat het dierenverhaal – in tegenstelling tot de beide andere genres – geen grote of edele emoties kent. Alles blijft om zo te zeggen laag bij de grond en speelt zich af op het onpersoonlijke vlak: de personages – behalve dan de goden – hebben geen namen. Men spreekt over “de wolf”, “de leeuw”, “de kat”, “de vos” zodat men de indruk krijgt dat het niet over individuen gaat maar over rollen. De antieke diertypologie – die werd ontwikkeld door o.a. Aristoteles en Polemon – en die we terugvinden in de fabel, de natuurleer en de fysiognomische getuigenissen, werd in de middeleeuwen verdrongen door de aanvullende christelijke interpretaties.

In de vroege middeleeuwen ontstonden Latijnse parafrasen in proza die onder de titel Romulus werden verspreid. Hiervan bevinden zich handschriften in de bibliotheken van respectievelijk Londen, Brussel en Göttingen. Vanaf de 12de eeuw vinden we fabels in de volkstaal. Uit diezelfde periode stamt ook het eerste Middelnederlandse fragment uit de literatuurgeschiedenis, nl. het overbekende zinnetje “Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu wat unbidan we nu?” (“Hebben alle vogels nesten begonnen behalve jij en ik: wat wachten wij nu?”). Het is een fragment van een liefdesliedje dat we terugvinden in een Oudengels handschrift en dat waarschijnlijk door een monnikkopiist werd gebruikt om de scherpte van zijn schrijfveer te testen. In deze context is het wel leuk dat het over dieren, nl. vogels gaat zonder dat hiermee natuurlijk een link wordt gelegd naar de dierenboeken of dierenverhalen.

Sommige van de verhalen die we kennen als fabels staan in zeer gecondenseerde vorm in de Physiologus. Het verschil tussen fabels en de Physiologus is dat de eersten de nadruk leggen op morele en ethische keuzes terwijl het in de tweede vorm vooral ging om metafysische waarheden. Een voorbeeld van metafysische waarheid in de bestiaria is de afbeelding van de krokodil. De krokodil eet de mens en als bewijs van haar hypocrisie huilt ze “krokodillentranen”. Tezelfdertijd merken we een hydra op die zich van binnen uit de krokodil naar buiten vreet. In één beeld toont de illustrator de metafoor voor “hypocrisie” én de vrees van de middeleeuwer rond het thema “eten en gegeten worden”. Zo’n illustratie was een godengeschenk om preken aanschouwelijk te maken voor een ongeletterd publiek

Afb. 6 – krokodil die een mens eet en zelf wordt verslonden door een hydra

Bestiarium Harley 3244, f. 43

In het tijdperk van de Ottoonse keizers werd terug geschreven in het Latijn. Eén van de werken uit die periode was De Ecbasis cuiusdam captivi (Ontsnapping van een gevangene) van ca. 1046. Het was een dierenfabel en werd geschreven door een monnik uit Toul. De schrijver maakte gebruik van oude, mondeling overgeleverde dierenfabels. We komen hierop terug in het deel over het dierenepos. Maar ook van daarvoor zijn verhalen bekend die aanleunen bij de dierenfabel. Uit de Germaans-Frankische traditie kennen we bij Gregorius van Tours het verhaal van de slang dat wordt voorgedragen door koning Theodebald in 554 (IV, 9). Het gaat hier om de fabel in zijn meest elementaire vorm. In zijn dierengedicht De quodam verbece a cane discerpto (Luik, midden 9de eeuw) zinspeelt Sedulius Scotus op dierenverhalen en fabels met de vos als hoofdfiguur en in zijn leerboek Fecunda ratis (begin 11de eeuw) bracht Egbert van Luik een twintigtal fabels samen waaronder deze van de wolf en de vos. Aangenomen wordt dat de oudste dierenverhalen van de Europese letterkunde in het Latijn werden geschreven aan het hof van Karel de Grote door Alcuinus (Versus de gallo) en door Paulus Diaconus (Vanden zieken Leeuw).

In de vroege middeleeuwen lag het centrum van de fabels in Frankrijk. Sporen hiervan vinden we o.a. terug in de bibliotheek van het klooster van Fleury waar in 1030 de fabels de basis vormden voor een fresco op de muur van de refter. Dit was een vroeg voorbeeld van de verschuiving van tekst naar illustratie. Het zou leiden tot het onafhankelijke bestaan van de illustratie (wandschilderingen, beeldhouwwerk) los van de teksten. Het hoogtepunt hiervan vinden we terug in de gotische architectuur. Een ander vroeg voorbeeld van deze strekking zijn de randillustraties van het tapijt van Bayeux. Het feit dat hier fabeldieren werden afgebeeld zonder begeleidende teksten wijst er op dat de inhoud van de fabels genoegzaam bekend was. Toen de fabels later – na een periode waarin het genre weinig ingang vond bij het publiek – terug populair werden, begon hun verspreiding vanuit Noord-Frankrijk. Belangrijk is dat de toenemende populariteit van de fabels samen viel met deze van de bestiaria, nl. rond de 11de en 12de eeuw en dat de verspreiding uitging van de kloosters. Alhoewel de fabel en het bestiarium ieder een eigen interessesfeer had – respectievelijk een onderhoudende en een wetenschappelijke – hadden ze gemeenschappelijke kenmerken, nl. het feit dat de dieren werden gebruikt om de mensen een moraliteit bij te brengen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de beide genres elkaar wederzijds hebben beïnvloed. Voorbeelden van fabels die als wetenschappelijk in de bestiaria werden ingevoerd zijn o.a. het zichzelf castreren van de bever en de biseksuele aard van de hyena. Uit de 14de eeuw zijn Italiaanse bestiaria bekend die bestonden uit 61 wetenschappelijke hoofdstukken en 16 dierenfabels, respectievelijk 57/15 en 46/11. Hoe onduidelijk het onderscheid werd, blijkt uit het feit dat een 13de eeuwse Franse schrijver van fabels naar zijn werk verwees als een bestiarium. Na de 12de eeuw evolueerde de fabels van enkel maar sociale kritiek naar meer ingewikkelde allegorische voorstellingen.

Hoe belangrijk fabels waren in de middeleeuwen, blijkt uit het feit dat ook de beeldende kunsten hen als inspiratiebron gebruikten. Eén van de bekendste en artistiek meest waardevolle is de Fontana Maggiore in Perugia, rond 1275 gebouwd door Nicola en Giovanni Pisano. We vinden er o.a. afbeeldingen van de fabels van de kraanvogel en de wolf en deze van de wolf en het lam op terug.

afb. 61: Aesopus op de Fontana Maggiore in Perugia

Het gaat hier om een burgerlijk bouwwerk maar ook in een religieuze omgeving - zoals de kapitelen in kerken en kloostergangen - vinden we elementen terug uit de fabels. De volgende voorbeelden komen uit de romaanse kloostergang van de collegiale kerk van San Orso in Aosta. Het klooster zou rond 1132 zijn ontstaan en de afbeeldingen vertonen kenmerken van de Provençaalse school. Opmerkelijk is de zorg die is besteed aan de gelaatsuitdrukkingen en aan de zeer gedetailleerde weergave van pels en pluimen. Het gaat hier om een fragment uit de fabel van Aesopus die het verhaal verteld van de vos en de ooievaar. Op een dag nodigt de vos de ooievaar uit voor het avondmaal. Hij dient het echter op in brede en platte schalen zodat de ooievaar - met zijn lange, smalle bek - nauwelijks iets kan eten. Op haar beurt nodigt de ooievaar de vos uit maar zij dient het eten op in lange hoge kruiken met een smalle hals. Het enige dat de vos kan doen is langs de bovenrand likken en ook hij keert hongerig terug naar huis. Met als moraal "Waar kwaad wordt betaald met kwaad, worden beide partijen geschaad.".

     

afb. 59: twee zijden van hetzelfde kapiteel met afbeeldingen van de fabel van de vos en de ooievaar

Merkwaardig is dat we in de buurt een fresco vinden met hetzelfde thema. Op de binnenplaats van het Castello di Fenis in de Valle d'Aosta vinden we fresco's uit de 15de eeuw. Eén hiervan geeft - in spiegelbeeld - bijna exact hetzelfde tafereel weer als de rechterfoto van het kapiteel hierboven. Zouden beide afbeeldingen een gemeenschappelijke bron hebben die misschien te vinden zou zijn in een manuscript dat zich in één van de abdijen in de streek bevond. Het feit dat het - in geval van het Castello di Fenis - gaat om een burgerlijk bouwwerk hoeft dit niet tegen te spreken. Religieuze standen en adel waren erg nauw verbonden in die tijd en copijen van manuscripten voor de adel waren dikwijls afkomstig uit kloosters.

afb. 60: fresco uit de 15de eeuw met een fragment uit de fabel van de vos en de ooievaar - Castello di Fenis (Valle d'Aosta)

Zeer belangrijk was de Isopet, vertaald en bewerkt door Marie de France. Zij was een Franse schrijfster uit de 12de eeuw waarvan nauwelijks iets is bekend. Haar naam en afkomst kennen we uit één van de fabels waar ze aan het slot vermeldt :”Marie ai num, si sui de France” (“Ik heet Marie en ik kom uit Frankrijk”). Zij leefde in Engeland aan het hof van Henry II Plantagenet (ca. 1160-1190) en zijn echtgenote Eleanore van Aquitanië. De Esopet was opgedragen aan graaf Wiliame. Deze wordt door de meeste kenners van het werk geïdentificeerd als graaf William Longsword of Guillaume Longue Espee († 1226), een natuurlijke zoon van Henry II. Ze schreef naast de reeds genoemde Fables ook nog Laïs (een soort novellen) en L’Espurgatoire de Saint Patrice (een op een Ierse legende berustende heiligenroman). Haar oeuvre aan fabels bestaat uit 103 werken in verzen, geschreven tussen 1155 en 1189 in het Frans. Het aantal manuscripten dat we hier nu nog van bezitten, wijst erop dat deze fabels indertijd erg populair waren. Rond 1180 vertaalde zij uit het Latijn onder de titel Isopet een bundel fabels van een Angelsaks die zich Romulus Imperator noemde en die leefde rond de 5de – 6de eeuw. Marie de France volstond echter niet met de vertaling maar ze gaf de dierenfabels een voor haar tijd toepasselijke moraal mee. In tegenstelling tot de fabels uit de klassieke Oudheid die de moraal ervan betrokken op individuen, hadden de fabels van Marie de France betrekking op de maatschappij. In de Oudheid duidde een zwak dier op een zwak individu, bij Marie de France op een zwakke klasse in de maatschappij (bv. boeren of dienaren). Tezelfdertijd waren haar fabels bestemd voor het hof en dus stonden de dieren niet meer buiten de maatschappij met hun kritiek maar bestond deze erin de sociale hiërarchie te versterken en te loven. Het gaat hier dus om fabels die een conservatieve sociale inhoud hebben. In haar wereld wordt de maatschappij geregeerd door diegenen die hiervoor zijn geboren. Leeuwen en arenden zijn de machtigsten onder de dieren en daarom geboren leiders. Als een koning “slecht” is, wordt hij niet uitgebeeld door de leeuw maar door een wolf. Marie de France was er dus van overtuigd dat leiderschap aangeboren was – of beter nog dat het werd bepaald door afstamming – maar ze stelde wel in haar fabels dat dit leiderschap rechtvaardig moest zijn. Naast deze leiders moesten “de rijken” de maatschappij beheersen, maar ze moesten dit doen met begrip voor de armen. Haar maatschappij werd beheerst door de spreuk “noblesse oblige”. Ze pleit voor wraak tegenover een onrechtvaardige heerser maar haar fabels zijn geen oproep tot sociale revolutie maar wel een pleidooi dat deze heersers hun macht niet zouden misbruiken. We merken in haar fabels een sympathie voor de armen die onrecht worden aangedaan door de machtigen, maar ze gaat hierin niet zover dat ze de onderdrukten aanzet tot revolte. Ook de armen moesten hun plaats kennen in de maatschappij en geen pogingen doen om hoger op te komen. Haar maatschappelijke visie was er duidelijk één van het behoud van de standen, maar met een gevoel voor rechtvaardigheid. Wat betreft de plaats van de standen in de maatschappij en de verheven functie van de adel staan de fabels van Marie de France zeer dicht bij de hoofse ridderromans. Opvallend is ook haar sympathie voor het vrouwelijke element. In sommige fabels tekent ze één van de dieren als duidelijk vrouwelijk, zoals bv. in het verhaal van de beer en de vos en toont ze duidelijk meevoelen met de verkrachte vrouwtjesbeer. In de fabel van de drachtige zeug en de wolf die de geboorte wil meemaken, weigert de zeug dit aanbod van de wolf. De klassieke fabel eindigt met de moraal “Je moet een man eerst een proef laten ondergaan voordat je hem vertrouwt”. Marie de France wijzigt dit als volgt : “Alle vrouwen ondergaan een vernedering als mannelijke handen (de vrouw) durven aanraken op zo een ogenblik, of haar zelfs maar durven benaderen”. Zij gebruikt dus het verhaal om de vrouwen aan te raden om de mannen bij hen weg te houden tijdens de geboorte.

Wat Marie de France betekende voor de ontwikkeling van de fabels in de hogere lekenmaatschappij staat gelijk met het aandeel dat Odo of Cheriton had in het gebruik ervan ten dienste van de Kerk. Odo werd in 1185 geboren in Engeland en hij studeerde theologie in Parijs. De meeste dieren in zijn werken staan als voorbeeld – ten goede of ten kwade – voor de geestelijken en zij gedragen zich ook in die zin. Er is sprake van een kat die zich vermomd als kloosterling en zijn haar in de tonsuur laat scheren, een wolf die zijn natuur toch niet genoeg kan aanpassen om in een klooster te treden en een haan die de onfortuinlijke biechtvader is voor een hongerige en niet erg berouwvolle vos. Bij hem verschoof de moraal van maatschappelijke naar een christelijke zin. Juist door die christelijke moraal staan zijn fabels dichter bij de bestiaria dan de werken van Marie de France. Een ander element dat aantoont dat de fabels van Odo afstammen van de bestiaria is dat er fabeldieren als de eenhoorn in voorkomen. De fabels nemen soms eerder de vorm en de inhoud aan van preken dan van verhalen. Hiermee legt hij de link naar de exempla. Hij oefende invloed uit op latere schrijvers van fabels en op predikers als de franciscaan Nicole Bozon (13de eeuw) en de benedictijn John of Sheppey (14de eeuw). Interessant is dat Odo delen overnam uit het dierenepos Van de vos Reynaerde wat nog maar eens aantoont hoe smal de grens is tussen de verschillende genres.

De bekendste fabelverzamelingen in het Middelnederlands zijn de Esopet, de Parabelen van Cyrillus, Twispraec der creaturen, Die historien ende fabulen van Esopus en Dleven ende fabulen van Esopus. De Esopet is de oudste bekende Middelnederlandse verzameling fabels. We kennen ze uit een verzamelcodex van voor 1375 die zich momenteel in de Universiteitsbibliotheek van Leiden bevindt en die 67 berijmde Middelnederlandse dierenfabels bevat uit de tweede helft van de 13de eeuw. De naam van de vertaler en bewerker kennen we niet en de titel – Esopet – wijst op de nauwe binding met de Aesopische fabel. Volgens Jacob van Maerlant zou het auteursduo Calstaf en Noydekijn een Middelnederlandse fabelverzameling hebben geschreven met de titel Esopet maar het manuscript waarvan sprake lijkt niet meer te bestaan. De fabels in de Parabelen van Cyrillus stammen niet uit de Aesopische traditie en zijn ontstaan – wel in het Latijn – in de middeleeuwen. Hun inhoud en moraal steunt vooral op de bijbel en op filosofische, theologische en natuurwetenschappelijke werken. Men veronderstelt dat ze zijn ontstaan in de tweede helft van de 13de eeuw. Niettegenstaande de bloemrijke taal en de talrijke moraliserende uitweidingen, bevatten deze fabels de nodige dosis humor. Als beste voorbeeld hiervan dient de fabel van “De slang en de olifant – een fabel over de liefhebbers van onkuisheid”. We citeren de aanvang : “Toen een slang zich uitzinnig naar een onkuise ontmoeting spoedde, kwam hij een olifant tegen, die zei: “O mijn beste, waarheen haast je je met zo’n onstuimige vaart, met zo’n overvloedige aandrang van begeerte, met die snelle gang van de zinnelijke lust?” De slang kon nauwelijks blijven staan en antwoordde snel: “Voorwaar, broeder, ik haast me vol verlangen naar de vreugde van de vleselijke wellust, naar de troost van het onverzadigbare genoegen, naar het werk van de heerlijke gelukzaligheid.” Tot zover ons citaat. De olifant geeft dan aan het slot een wel bizar-humoristische oplossing voor het probleem van het seksuele genot: seks is zo ongezond, dat niemand er iets mee te maken zou willen hebben als er niet zoveel genot aan verbonden was. Het blijft natuurlijk maar de vraag of de humor die we hierin menen te bespeuren middeleeuws is of hedendaags! De Twispraec der Creaturen was een Middelnederlands werk dat eigenlijk een vertaling uit 1480 was van de Dialogus creaturarem van Nicolaus Pergamenus, vermoedelijk een Franse geestelijke uit het midden van de 14de eeuw. Dit werk bevat niet minder dan 122 fabels. Ook deze fabels berusten op gegevens uit de wetenschappelijke werken van die tijd. Zo is het helemaal niet moeilijk om het begin van de fabel van “De panter en het varken” een citaat te zien van een bestiarium: “De panter is een dier met veel kleuren en een prachtig uiterlijk, met een heleboel ronde rode en witte vlekken op zijn lichaam. Hij is heel mak en gedraagt zich vreedzaam tegenover alle dieren, behalve de draak, die zijn vijand is. Nadat de panter gegeten heeft en van allerlei gerechten genoten heeft, gaat hij in zijn hol liggen rusten. Als hij drie dagen geslapen heeft, staat hij op en geeft een geweldige brul. Alle dieren die zijn geluid horen komen naar hem toe en volgen de zoete geur die uit zijn mond komt. Als de draak de roep van de panter hoort, wordt hij bang en verstopt hij zich in goed verborgen holen en kuilen in de aarde.” Uit de bestiaria weten we dat de panter staat voor Christus, de draak voor de duivel en de drie dagen rust voor de herrijzenis na de dood. De auteur heeft niet alleen de karaktertrekken van de dieren overgenomen uit de bestiaria maar ook hun allegorische betekenissen. Zoals de titel het al aangeeft, zitten we met Die historien ende fabulen van Esopus terug bij de Aesopische fabels. Het is een vertaling van de Franse fabelverzameling Esope van Julien Macho die op haar beurt gebaseerd was op de middeleeuwse uitgave van de prozafabels van Romulus, nl. de Esopus van Heinrich Steinhöfer. Er zijn van de Middelnederlandse versie geen handschriften bekend, enkel maar gedrukte versies waarvan de oudste uit 1485. Dleven ende fabulen van Esopus is eigenlijk een leerboek van Claude Luython om de Franse taal te leren. Alle fabels – 22 in totaal – staan er in het Middelnederlands en het Frans. Luython was een schoolmeester die in Antwerpen werkte en die daar waarschijnlijk ook het werk heeft vertaald en laten drukken. Zoals de andere middeleeuwse fabels drukt de moraal de mentaliteit uit van de heersende klasse, niettegenstaande het werk is ontstaan in het eerste deel van de 16de eeuw en het daarmee buiten de context valt van deze studie.

Terug naar index