BESTIARIA

Definitie

Afb. 1 - Kat met rechtopstaande haren en uitgeslagen klauwen - reliëf aan de kleine bronzen deur aan de noordzijde van het schip - kathedraal van Strasbourg

“Voor iedere deugd en voor iedere zonde bestaat een aan de bestiaria ontleend voorbeeld, en de dieren geven een beeld van de mensenwereld”. Een citaat van frater William van Baskerville uit Umberto Eco’s De naam van de roos.

Dieren blijven mensen fascineren door de eeuwen heen, tot in onze tijd en maatschappij. Kijk maar naar de populariteit van natuurdocumentaires op televisie en het overweldigend aantal publicaties over dieren in onze bibliotheken.

Dieren blijven mensen aantrekken en afstoten. Alhoewel hierin een verschuiving is op te merken naargelang tijd en plaats die we in aanmerking nemen, blijft het een vaststaand gegeven. Kleine hondjes of katjes wekken onze sympathie op en roepen een hoge aaibaarheidsfactor bij ons te voorschijn. Spinnen en reptielen geven ons onwillekeurig rillingen van afschuw en angst. Zo gaan we de dieren opdelen – zonder wetenschappelijke basis – in de categorieën “gevaarlijk” en “ongevaarlijk”. Automatisch associëren we bepaalde dieren met gevaar en begrippen als toverij. Probeer het zelf maar even met dieren als “vleermuis”, “kat” en “kikker”. Ook nu schrijft men aan bepaalde dieren nog steeds een negatieve emotie toe. In Het Qumran mysterie, een theologische thriller van de Franse schrijfster Eliette Abécassis, wordt de Apocalyps als volgt beschreven : “Deze aarde zal weldra het domein van de ransuil en de egel, de velduil en de raaf zijn.”.

In de middeleeuwen was het niet anders. De “gewone” middeleeuwer leefde in nauw contact met de hem omringende dierenwereld. De “geletterde” mensen zochten naar de bron van bepaalde ideeën over de dieren en voegden daar hun eigen opmerkingen en ervaringen aan toe. Voor de “ongeletterde” middeleeuwer werd dit dan vertaald in de architectuur en de schilderkunst. Dit zal een heel belangrijk element zijn in de verbinding tussen de bestiaria en de andere middeleeuwse kunstvormen. Nemen we als voorbeeld de angst van de middeleeuwer voor bepaalde dieren. Die angst wortelde in het idee dat opgegeten worden door dieren - wolf of beer – gelijk stond met de dood zonder mogelijkheid van verlossing. Daarom vinden we het verscheurd worden van de mens door dieren – ook bv. door slangen, draken, padden, e.d. – terug als thema in de afbeeldingen van de hel in de kunst en de literatuur. Een rechtstreeks gevolg hiervan was dat de hel dikwijls werd afgebeeld als verslindende muil. Om zich af te zetten tegen de heidense vervolgingen – die het laten verslinden van christenen door dieren als een ultieme vernedering zagen – formuleerden de kerkvaders Ambrosius en Augustinus de theologie dat God verlossing bezorgde aan de martelaars door een overwinning – niet alleen over de vraatzucht van de wilde dieren, maar ook over de dood. Een andere belangrijke theologie – nl. van Thomas van Aquino – was dat in het paradijs de verloste mens geen voedsel nodig heeft, met als gevolg dat de dieren er dus overbodig zijn en dat er voor hen geen plaats is in het paradijs. In het bestiarium wordt een algemene definitie gegeven van het begrip dier : “Ze worden dieren genoemd omwille van het geweld waarmee ze boos zijn, en ze zijn gekend als “wild” (ferus) omdat ze van nature uit gewend zijn aan de vrijheid en omdat ze beheerst worden (ferantur) door hun eigen wensen. Zij dwalen hier en daar, gedragen zich vrij en ze gaan overal waar zij wensen te gaan”. Thomas van Aquino stelde dat “wreedheid en ruwheid hun namen ontleenden aan de gelijkenis met wilde dieren die worden beschreven als wreed”. Hij besloot hieruit dat mensen die zich zo gedroegen “dierlijk” waren. Menselijke wreedheid onderscheidde zich – volgens de middeleeuwse opvattingen – van de dierlijke door het feit dat er bij de mens een motief en een doel mee samenhing. Het was “logisch” terwijl het bij dieren “irrationeel” was. Er is een duidelijke evolutie merkbaar in de relatie mens-dier die zich ook uitdrukt in de bestiaria. In het begin van de middeleeuwen (ca. 400 AD) waren voor de theologen mensen en dieren duidelijk gescheiden soorten. Men ging hiervoor uit van het bijbelcitaat “Hij (de mens – nvdr.) zal heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over de tamme dieren, over alle wilde beesten en over al het gedierte dat over de grond kruipt” (Genesis 1,26). Een ander element was de reactie van de christenen tegen de heidense samenleving. Vermits de klassieke Oudheid de mensen en dieren als verwant beschouwde, reageerden de christenen in de andere richting. De leer van Augustinus steunt sterk op dit principe.In de late middeleeuwen (ca. 1400 AD) was men geëvolueerd naar een houding die stelde dat mensen en dieren bepaalde fysische en psychische kenmerken gemeen hadden. In de vierde eeuw gaf Ambrosius als belangrijkste onderscheid tussen mensen en dieren het feit dat mensen “reden” (ratio) hebben en dat dieren “irrationeel” zijn. Ook Augustinus noemde de mensen superieur over de “ruwe dieren” omdat ze “rationele schepselen” waren. Thomas van Aquino gaf aan dat dieren “geen verstand” bezaten en dat ze dus niet waren gemaakt “naar Gods beeld”. Opnieuw kwam hij tot het besluit dat dieren dus ook geen “verrijzenis” zouden kennen en er in de hemel geen dieren zouden zijn. Hoe belangrijk de bestiaria waren voor de theologische studies in de middeleeuwen blijkt o.a. nog uit het traktaat Defensorium inviolatae virginitatis beatae Mariaae van de Weense dominicaan Franz von Retz († 1427). Hierin onderzocht hij de maagdelijkheid van de Maagd Maria aan de hand van door God gegeven aanwijzingen in de natuur die vermeld stonden in de Physiologus en de bestiaria. Zo schreef hij over de pelikaan: “Indien een pelikaan zijn jongen met bloed tot leven kan wekken, waarom zou dan de maagd niet met haar reine bloed Christus ter wereld kunnen brengen?”.

Eén van de belangrijke bronnen voor het beoordelen van de dieren was een fragment uit het Boek van de Levieten. Het gaat om een opsomming van "reine en onreine dieren". Via de kerkvaders en de eerste theologen werden deze beoordelingen overgenomen door de middeleeuwse bestiaria - niet als voedselreglement maar wel als classificatie tussen reine en onreine dieren. Het gaat om fragment 11, 1-47: "De Heer sprak tot Mozes en Aaron: "Zeg tegen de Israëlieten:  Van alle landdieren op aarde mag u de volgende eten. Alle herkauwende dieren op aarde met gespleten hoeven mag u eten. Maar van de herkauwers of de dieren met gespleten hoeven mag u de volgende niet eten: de kameel, want hij herkauwt maar heeft geen gespleten hoeven: hij geldt als onrein; de klipdas, want hij herkauwt maar heeft geen gespleten hoeven: hij geldt als onrein; de haas, want hij herkauwt maar heeft geen gespleten hoeven: hij geldt als onrein; het varken, want het heeft wel gespleten hoeven maar het herkauwt niet: het geldt als onrein. Het vlees van deze dieren mag u niet eten, en hun kadavers niet aanraken: zij gelden als onrein. Dit zijn de waterdieren die u mag eten: alle waterdieren die vinnen en schubben hebben mag u eten, zowel de zeevissen als de riviervissen. Maar van alle zeevissen en riviervissen die geen vinnen en schubben hebben, de kleine zowel als de grote, behoort u een afschuw te hebben. ... De volgende vogels zijn onrein, u mag ze daarom niet eten: de arend, de lammergier, de baardgier, de wouw, de verschillende soorten valken, de verschillende soorten raven, de oehoe, de kortooruil, de langooruil, alle soorten sperwers, de steenuil, de aalscholver, de ibis, de witte uil, de pelikaan, de visarend, de ooievaar, de verschillende soorten reigers, de hop en de vleermuis. Van alle gevleugelde viervoetige insecten behoort u een afschuw te hebben, behalve van de volgende die u mag eten: de dieren die springpoten hebben. U mag dus de verschillende soorten sprinkhanen eten, sabelsprinkhanen, veldsprinkhanen en treksprinkhanen. Alle andere gevleugelde viervoetige insecten behoort u te verafschuwen. ... Van de kruipende dieren gelden de volgende als onrein: de mol, de muis, de verschillende soorten padden, de egel, de varaan, de hagedis, de slak en de kameleon. ... Dit is de wet op de landdieren, de vogels, de waterdieren en de kruipende dieren, zodat u weet welke dieren onrein en welke rein zijn, welke dieren u mag eten en welke niet.".

Bestiaria zijn geen uitvinding van de middeleeuwen. “Dierenboeken” bestonden reeds in de klassieke Oudheid en genoten toen al een zekere populariteit. De benaming “bestiarium” komt van de openingszin van de Physiologus, nl. “Bestiarum Vocabulum”. Het “bestiarium” is een verzameling van korte beschrijvingen over dieren en in sommige gevallen ook over mineralen. Jacq Vogelaar noemt de middeleeuwse bestiaria “een leerboek dat bestaat uit een encyclopedie van de dierenwereld, een verzameling morele exempels en een repertorium van allegorische interpretaties“. Het bevat niet alleen zoogdieren maar in sommige gevallen ook vogels en reptielen. Het gaat niet enkel om reëel bestaande soorten maar ook over imaginaire of fabeldieren. We kunnen ons hierbij natuurlijk wel de vraag stellen of de schrijvers deze “fabeldieren” niet als realiteit aanvaardden. Hierover bestaat een uitgebreide literatuur die wel interessante visies opent maar geen éénduidig besluit geeft. We gaan deze discussie hier niet voeren maar het is wel interessant om een bepaald argument te belichten. We ontmoeten de fabeldieren buiten de bestiaria ook in bepaalde vormen van architectuur en literatuur. Eén van de belangrijkste hiervan zijn de bijbelafbeeldingen. En juist daar ligt een belangrijk vertrekpunt. Als we zien dat fabeldieren als de basilisk en de griffioen worden afgebeeld in het scheppingsverhaal dan lijkt het me niet onredelijk om daaruit te besluiten dat de middeleeuwers geloofden in het bestaan van deze dieren. De auteurs van de bestiaria houden zich dus niet bezig met de vraag of deze dieren bestaan - dat is voor hun een zekerheid want god heeft hen geschapen ! - maar met hun plaats en hun betekenis in de schepping. We vinden afbeeldingen van o.a. de basilisk en de griffioen in samenhang met het scheppingsverhaal in een laatelfde-eeuwse ivoren miniatuur, genaamd De zesde dag van de schepping, dat zich bevindt in The Cloisters in New York.

Afb. 24 - De zesde dag van de schepping (met rechts de basilisk boven de griffioen) - ivoor 11de/12de eeuw

De beschreven soorten waren vergezeld van een moraliserende verduidelijking. Alhoewel het hier in zekere zin om natuurencyclopedieën ging, was het niet de bedoeling van de schrijver om alleen maar wetenschappelijke gegevens over te brengen. Zo werden in sommige gevallen de klassieke dierenfabels verwerkt in de gegevens. In enkele bestiaria komt ook het scheppingsverhaal voor. Meestal gebeurt dit in zeven afbeeldingen - één voor elke dag van de schepping. Op het eerste gezicht kan dit vreemd lijken maar er bestaat een nauwe band tussen de onderverdeling van de diersoorten en hun schepping. Volgens sommige bronnen zijn de bestiaria de overgang tussen de allegorische wereld van de Physiologus en de zuiver wetenschappelijke natuurboeken uit de renaissance. We moeten hierbij voor ogen houden dat in dat deel van de middeleeuwen – nl. de 12de eeuw waarin de bestiaria ontstaan – de wetenschap vooral werd bedreven in de kloosters en dus sterk was verbonden met de metafysische leer. De verbinding tussen “dierkunde” en christelijke moraal heeft zijn oorsprong in het feit dat de wetenschap voor het grootste deel in handen was van de christelijke geestelijkheid. Deze groep – volgens Georges Duby één van de drie orden die de feodale maatschappij beheerste – zag in de bestiaria een uitgelezen middel om via de kennis van de dierenwereld hun ideeën omtrent het christelijke geloof te verspreiden. De overgang van Physiologus naar bestiarium is deze van allegorisch naar moraliserend werk. Terwijl de Physiologus de dieren interpreteert in theologische zin, gaat het in het bestiarium meer om de moraalethische inhoud waardoor dit werk een meer didactische waarde krijgt. Er zijn slechts twee bestiaria bekend waarin de didactische allegorie volledig ontbreekt, nl. het bestiarium van Cambrai (Cambrai, Bibl. Mun. MS370) en een Provençaalse versie met als titel Aiso son las naturas d’alcus auzels e d’alcunas bestias. In vele gevallen - we komen hierop later terug - werden de heidense ideeën omgebogen naar het christendom onder het motto “als je het niet kan vernietigen, integreer het dan”. Eigenlijk zijn de bestiaria de uitdrukking van een typisch middeleeuws fenomeen, nl. het samengaan van een zeer grote bewondering voor de geschriften uit de klassieke Oudheid en van een maatschappelijk sterk Godbewustzijn. Belangrijke verschillen tussen de Physiologus en de bestiaria was dat de eerste bijna nooit illustraties hadden en dat juist deze afbeeldingen een typisch kenmerk waren van een bestiarium. Ook de bestiaria kunnen we nog onderverdelen in de luxueuze Latijnse versies met prachtige afbeeldingen en de bescheiden boeken in de streektaal. De eerste soort kende haar hoogtepunt in de 12de en 13de eeuw, de tweede bleef populair tot in de 15de eeuw. De afbeeldingen waren eerder een product van de fantasiewereld dan dat ze een natuurgetrouwe replica waren. Daarbij kon men ook bepaalde verschillen aantreffen in de illustraties van hetzelfde (fabel)dier in diverse bestiaria. Zo wordt de sirene soms afgebeeld als half vis / half mens (zeemeermin) en soms als half vogel / half mens (harpij). In dit geval zou het te verklaren zijn uit het feit dat het hier gaat om een niet bestaand wezen en waarbij men moest afgaan op de beschrijving in de tekst. Maar ook bij de illustraties van bestaande dieren merken we op dat deze niet altijd beantwoorden aan de beschrijving in de tekst en dat ze soms – als we de afbeeldingen van hetzelfde dier vergelijken in twee bestiaria – totaal verschillend zijn. Merkwaardig hierbij is dat de eenhoorn die toch ook een fabeldier is – op kleine details na – in de verschillende afbeeldingen erg gelijkend is. Sommige bestiaria geven aan dat de Grieken de eenhoorn “rhinoceros” noemden en hiermee hebben we waarschijnlijk een aanwijzing waar de kenmerken van het dier vandaan kwamen alhoewel de fysische gelijkenis heel anders is. In dat verband citeren we Marco Polo die de gelegenheid had om op zijn reizen de theorie van de bestiaria te toetsen aan de realiteit. Zo bracht hij de eenhoorn in verband met de neushoorn maar hij constateerde : “Zij beantwoorden niet aan de beschrijving van dieren die gevangen worden genomen door maagden zoals onze mensen veronderstellen, maar zij zijn integendeel van een andere aard.“ Het duurde echter nog geruime tijd voor men voort werkte op deze realistische observaties van Marco Polo. Men gaf alsnog de voorkeur aan de fictieve reizen van Sir John Mandeville met het relaas van fabeldieren en fantastische wezens zonder hoofd of met één oog op het voorhoofd.

We moeten deze afbeeldingen beschouwen als een uitdrukkingsmiddel dat door de predikende kloosterlingen - een groot deel van de Europese kloosterorden werd opgericht om het geloof te verspreiden - werd gebruikt om hun "leer" aanschouwelijk te maken voor hun publiek. Het waren "illustratieve voorbeelden" die door hun herhaling aanknopingspunten en vergelijkingspunten leverden voor hun preken. Uitgaande van dit idee is het maar een kleine stap om zich af te keren van het al te dikwijls geopperde idee dat de bestiaria "realistische" dierenboeken waren waarin de echte dierenwereld werd beschreven. Studies die de verhouding van de middeleeuwse mens tot de hun omringende dierenwereld als onderwerp hebben, vertrekken vanuit een foutief standpunt als ze hierbij uitgaan van de bestiaria. Hiervoor komen de sociale studies over de middeleeuwen - waarbij aan de hand van historische documenten de plaats van het dier in de sociale context van de middeleeuwen wordt onderzocht - eerder in aanmerking. Of de resultaten van archeologisch onderzoek in de woonplaatsen van de middeleeuwse mens. Als we ons willen toespitsen op de betekenis van de dieren in de bestiaria kunnen we niet omheen het theologische aspect. Volledig daarbij aansluitend is de wederzijdse invloed van het bestiarium en de schilder- en beeldhouwkunst. Ook bij deze laatsten was de functie hiervan in de middeleeuwen aanvankelijk eerder van pedagogische aard dan dat het moest dienen als louter versiering. Denken we hierbij maar aan de talloze afbeeldingen van "laatste oordeel"-taferelen in de kerken die in oorsprong ook dienden als illustratie bij de preken. 

Men kan de afbeeldingen in de bestiaria indelen in vier groepen: portretten, verhalende afbeeldingen, allegorische illustraties en beschouwende beelden. Tot de portretten behoren de afbeeldingen van een dier of dieren van dezelfde soort die niets bijzonder uitrichten. Ze worden meestal afgebeeld tegen een eenvoudige achtergrond. Sommige dieren zijn meteen herkenbaar maar vooral bij de vogels is het onderscheid dikwijls moeilijk. Zo is de zwaan vrij natuurgetrouw afgebeeld, maar de pelikaan en de hop zijn nagenoeg identiek. Soms zijn de dieren niet zo natuurgetrouw afgebeeld maar staan ze in een decoratieve pose zoals de afbeelding van de wilde geiten die overeenkomsten vertonen met afbeeldingen op textiel.

Afb. 13 – Aberdeen bestiarium – folio 8 recto – De tijger

De verhalende illustraties zijn meestal afbeeldingen van de tekst, zoals bv. het verhaal van de tijger (zie afbeelding 13 en 14). Soms is het verhaal afgebeeld op één beeld met verschillende stadia, een procédé dat kenmerkend is voor de middeleeuwse illustraties in het algemeen. Enkele keren is het verhaal uitgebeeld in verschillende illustraties zoals bv. de “honden van koning Garamentes” (zie afbeelding 12). In het Ashmole bestiarium is dit verhaal zelfs uitgebreid tot twee paginagrote illustraties die ieder verdeeld zijn in drie panelen. Uitzonderlijk vinden we ook verhalende afbeeldingen waarvan we geen verklaring in de tekst vinden. Het gaat dan om verhalen die afkomstig zijn uit andere boeken en waarvan we kunnen aannemen dat ze algemeen bekend waren.

Allegorische of moraliserende afbeeldingen zijn deze waarbij de kern van de illustratie verbonden is met de betekenis ervan. Typisch hiervoor is de pelikaan waarvan we drie allegorische stadia kennen. Het eerste is de jonge pelikaan die zijn ouders aanvalt, een beeld van Christus die wordt gewond door het mensdom. Het tweede is dat van de pelikaanouders die het jonge dier doden: zinnebeeld van God die zijn zoon slachtoffert. En het derde stadia is dat van de pelikaan die zijn zijde doorboort en zijn jongen voedert met zijn eigen bloed: een beeld dat staat voor Christus die het mensdom redt door zijn bloed te vergieten. Een ander voorbeeld van allegorische afbeelding komt uit het Aberdeen-bestiarium, nl. het tafereel van de “vuurstenen”. Eigenlijk gaat het hier om een geologisch gegeven maar door de uitbeelding ervan – met de naakte man en vrouw naast de boom – wordt de toeschouwer er aan herinnert dat het eigenlijk gaat om de zondeval. De tekst gaat als volgt : ”Op een bepaalde berg in het Oosten, zijn er vuurslaande stenen die in het Grieks terrobolem worden genoemd; ze zijn mannelijk en vrouwelijk. Als ze ver van elkaar zijn, gaat het vuur in hen niet ontbranden. Maar als bij toeval de vrouwelijke de mannelijke nadert, wordt het vuur meteen aangewakkerd, met het gevolg dat alles rond de berg vuur vat. Daarom, mannen van God, gij die deze manier van leven volgt, blijf weg van vrouwen, want als jij en zij elkaar naderen, zal de dubbele vlam in jullie beiden worden aangewakkerd en zal het goede dat Christus in jullie heeft bewerkt, worden verteerd. Want er zijn engelen van Satan, altijd in het offensief tegen de rechtvaardigen; niet heilige mannen maar ook kuise vrouwen. Tenslotte, Samson en Joseph werden beiden in bekoring gebracht. Eén overwon, de andere viel ten prooi. Eva en Suzanna werden in bekoring gebracht. De laatste hield vol, de eerste gaf toe. Daarom zal het hart in het oog worden gehouden en worden geleid door goddelijke lessen. Omdat de liefde van de vrouwen, die de oorzaak van de zonde was vanaf het begin, d.w.z. van Adam tot op de huidige dag, onbeheerst woedt in de zonen van de ongehoorzaamheid.”.

Afb. 14 – Ashmole bestiarium – De tijger

Beschouwende afbeeldingen hebben geen rechtstreekse verbinding met de tekst en ze dwingen de toeschouwer om na te denken over geestelijke zaken. Voorbeelden hiervan zijn o.a. de “Christus in majesteit” en de “vrouw met de zeven vogels” (zie afbeelding 8). Ook het portret van Isidorus dat soms voorkomt, hoort in deze categorie en is gebaseerd op de evangelistenportretten die in de evangeliën voorkomen.

Typisch voor de Latijnse bestiaria was dat de illustraties waren uitgevoerd in prachtige – maar daarom geen realistische – kleuren als rood, groen, blauw en goud. Deze in de volkstaal daarentegen waren dikwijls gekopieerde tekeningen die minder luxueus waren maar gemakkelijker te reproduceren. Bronnen voor illustratoren waren o.a. oudere bestiaria maar ook zoölogische verhandelingen, modelboeken van schilders, Oosters textiel met afbeeldingen van exotische dieren en in uitzonderlijke gevallen de privé-dierentuinen van adellijke personen (o.a. deze van keizer Frederik II van Hohenstaufen uit de 13de eeuw). Bij diegenen die gebruik maakten van deze laatste mogelijkheid merken we een groter naturalisme dan voorheen. Een goed voorbeeld hiervan is de “leeuw” in het werk van Villard de Honnecourt. Deze auteur had contact met levende dieren in Frankrijk terwijl zijn tijdgenoot Mathew Paris die ook “naar het leven” tekende maar in Engeland werkte en daar nauwelijks contact had met exotische dieren. In tegenstelling tot de “dierenboeken” uit de klassieke Oudheid die een hoge mate van objectiviteit beoogden, stelden de middeleeuwers hun natuuronderzoek in het teken van God als de scheppende kracht en van de mens als diegene die hier gebruik van kan maken. Een belangrijk verschil tussen de wetenschappers uit de klassieke Oudheid en de middeleeuwse denkers was dat deze laatsten nauwelijks belang hechtten aan natuurkundige observatie maar zich meer bezig hielden met theoretische discussies over de onderwerpen. Voeg daarbij de praktische bezwaren voor het ondernemen van verre reizen om feiten te verifiëren, waardoor auteurs geneigd waren om de dikwijls fantastische beschrijvingen van de enkele reizigers klakkeloos voor waar aan te nemen. Zo werden dieren als éénhoorns, griffioenen en wondermensen weergegeven als feiten en betekenden ze voor de middeleeuwer een realiteit. Charles Raven gaf hiervan een goede samenvatting als hij schreef “De hele houding naar de natuur toe was symbolisch … De mens zocht in de natuur geen kennis maar opbouw; geen verlichting maar de bevestiging van vooroordelen”. In verband met dat naturalisme in de afbeeldingen willen we er nogmaals op wijzen dat de teksten van de bestiaria bestonden uit twee delen, nl. een zoölogisch gedeelte waarin we de fysische beschrijving van het dier en zijn leefgebied en gewoontes terugvinden, en de symbolische interpretatie ervan die dikwijls samen gaat met de moraal. En dit laatste was het hoofdbestanddeel van de bestiaria, niet hun didactische waarde. Een uitzondering op deze regel was de beschrijving van het fabeldier “bonnacon” omdat we hier geen christelijke symboliek vinden. Het dier wordt beschreven als een paard met de kop van een stier. De bonnacon kan zich niet met zijn hoorns verdedigen omdat ze naar binnen zijn gedraaid. Zijn verdediging wordt als volgt beschreven : “Alhoewel zijn voorste deel het monster niet verdedigt, is zijn achtereind daar heel goed toe in staat. Want als hij zich wegdraait, lost hij de inhoud van zijn lange ingewanden die drie acres bedekt. En iedere boom die er mee in contact komt, vliegt in brand.” Uiteraard een beschrijving waar moeilijk een christelijke symboliek mee kan worden verbonden. Anderzijds zag men er weinig problemen in om de fysische kenmerken van een bepaald dier lichtjes aan te passen om op die manier de moraal duidelijker over te brengen.

Eén van de interessantste elementen van de bestiaria zijn de illustraties die niet alleen uitzonderlijk mooi zijn uitgevoerd, maar voor onze begrippen ook zeer humoristische details bevatten. Evenals de teksten kunnen we de afbeeldingen dikwijls terugbrengen op oudere klassieke bronnen. Via de Physiologus oefende bv. de Assyrische stijl (1000 – 200 BC) met zijn uitmuntende “dieren”-sculpturen een grote invloed uit op de illustraties van de bestiaria. De illustratoren van de middeleeuwse bestiaria zagen de afbeeldingen als een didactisch werktuig dat de tekst moest verduidelijken. We citeren in dat verband een fragment uit het Aberdeens bestiarium (MS. 24, f25v) : “… om de geest van gewone mensen te verbeteren, zo dat de ziel tenslotte fysische dingen kan verstaan die de geest moeilijk zou kunnen vatten: dat wat ze moeilijk kunnen begrijpen met hun oren, zullen ze begrijpen met hun ogen”.

 

Terug naar index