< Terug naar 'Roosevelt'

Franklin Delano Roosevelt.
Een vredelievend oorlogspresident.


Door: Prof. Em. Mark Eyskens - Minister van Staat
Met deze prachtige levensbeschrijving van Franklin Delano Roosevelt geeft Ingrid Baraitre nog meer glans aan de plaats die ze verworven heeft op de selecte lijst van de historische biografen. Reeds wijdde zij opmerkelijke publicaties aan generaal George Patton, aan generaal en president Dwight Eisenhower en aan eerste minister Winston Churchill. Als kundig geschoolde historica raadpleegde de auteur niet alleen de bestaande, zeer uitgebreide literatuur in verband met haar personages. Zij aarzelde ook niet persoonlijke briefwisseling en dagboeken op te sporen en zo mogelijk getuigenissen van familieleden, vrienden en collega’s in te zamelen en te noteren. Meteen ontstaan geschriften die begane paden verlaten, ongekende perspectieven openen en de geportretteerden tot leven brengen. Anekdoten en minder gekende personalia verlenen aan door de wereldgeschiedenis gebeitelde monumenten een menselijkheid, die de lezer het gevoel geeft een vertrouwelijke, haast intieme omgang met de hoofdpersoon te hebben. De in de tekst verwerkte foto’s en documenten verhogen de betrokkenheid van de lezer en maken hem tot een ooggetuige. Ingrid Baraitre hanteert haar pen enigszins als het penseel van een impressionistisch schilder, waarbij zij licht en schaduw tot uitdrukking brengt en met opeenvolgende toetsen een trefzekere en treffende compositie verwezenlijkt. Dit doet niets af aan de methodologische veeleisendheid die de auteur zich oplegt en waarmee zij het hoofdpersonage laat optreden als acteur van de stroomversnellingen, die de Geschiedenis met hoofdletter kenmerken. De schrijfster vat de cadans van historische gebeurtenissen, ontleedt hun complexiteit, onderstreept hun samenhang of tegenstrijdigheden en slaagt erin het ‘hijgen van de geschiedenis’ indringend weer te geven. Het levensverhaal van Franklin Delano Roosevelt is exemplarisch voor een adembenemende
‘action painting’ van de man, die samen met J. Stalin en W. Churchill het duizendjarige rijk van Hitler heeft weten te vernietigen.
President Roosevelt fungeert in het epische fresco, door Ingrid Baraitre geschetst, als het zwaartepunt van een aantal historische wetmatigheden. Vooreerst is er de ‘wet van het geschiedkundig personalisme’, wat betekent dat de geschiedenis van de mensheid op cruciale momenten bepaald wordt door de beslissingen genomen, de rol gespeeld en de actie ontwikkeld door personen, die achteraf het statuut toebedeeld krijgen van ‘historische figuren’. Deze wet geeft in feite een meer formalistische uitdrukking van wat met leiderschap wordt bedoeld. Het is evident dat elk lid van het oorlogse driemanschap Roosevelt – Churchill - Stalin heeft uitgemunt door leidinggevendheid en besluitvaardigheid en derhalve door denken en doen, durven en doorzetten, de vier ‘d-woorden’ die vandaag door de managementtheorie aan grote
captains of industry worden toegedicht. Churchill heeft ongetwijfeld door zijn wilskrachtige onverzettelijkheid en de bemoedigende invloed die hij uitoefende op de Britse bevolking een invasie van Engeland door de nazitroepen van Hitler weten te voorkomen. Roosevelt heeft niet geaarzeld, na het Japanse bombardement op Pearl Habour op 7 december 1941, de oorlog te verklaren én aan Japan én aan Duitsland, een daad die op termijn het lot van het Hitlerregime zou bezegelen. En Stalin slaagde er in de Duitse militaire pletwals in Rusland tegen te houden dankzij de heroïsche strijd van het Sovjetleger, wat geleid heeft tot een keerpunt in het verloop van de Tweede Wereldoorlog en de vermeende militaire onoverwinnelijkheid van het nazileger. De geschiedenis wemelt van personages die gebeurtenissen naar hun hand hebben gezet, zoals Napoleon, De Gaulle en ook … Hitler. Een ander mooi voorbeeld van de rol door leidersfiguren in de geschiedenis gespeeld blijkt onder meer uit een reeks meer recente gebeurtenissen zoals de beslissing genomen na de val van de muur van Berlijn in 1989 om in Europa een Monetaire Unie op te richten, een omwentelend besluit dat in grote mate te danken was aan de convergerende inzichten en compromisbereidheid van de Franse president François Mitterrand en de Duitse kanselier Helmut Kohl. Volledigheidshalve moet worden onderstreept dat de personalistische geschiedenislezing haaks staat op de stellingen verkondigd door het ‘historisch materialisme’ sinds de publicaties van Karl Marx. Die betoogde dat economische productievoorwaarden en materiële levensomstandigheden een determinerende invloed uitoefenen op de geschiedenis van de mensheid en op de acties ontwikkeld door haar leiders. De materiële infrastructuur bepaalt de maatschappelijke superstructuur.
Toch verdient het aanbeveling beide geschiedkundige opvattingen - de personalistische enerzijds en de materialistische anderzijds - niet te exclusief toe te passen op de historische analyse. Ideologische éénogigheid dient alvast te worden vermeden. Het ligt voor de hand dat Lenin en Hitler ook in grote mate door de omstandigheden werden gediend. Hitler kwam aan de macht als gevolg van de vreselijke economische crisis die in Duitsland dramatisch werd verergerd door de dwaze wraakbepalingen van het Verdrag van Versailles. En Stalin kon zich de aureool van een onfeilbare halfgod aanmeten dor zijn mobiliserend verzet tegen de Duitse inval en het beestachtige optreden van de Duitse troepen in zijn land. De of/of-logica, zo typisch voor het westerse denken, schatplichtig aan de Griekse wijsbegeerte, is niet zo maar toepasbaar op de geschiedenis. Het is veeleer de en/en-logica die steeds meer opgeld maakt en die ons wordt aangereikt door de Aziatische wijsheid (Yin en Yang) en door het paradigma van de kwantumfysica (contraria complementa sunt). Sterke persoonlijkheden en omstandigheden, vaak economisch en technologisch bepaald, stuwen de geschiedenis. Het werkwoord ‘stuwen’ is hier meer ter zake dan ‘sturen’, want zowel noodzaak als toeval gaan vaak hand in hand en verklaren waarom de geschiedenis van de mensheid vaak met horten en stoten evolueert. De poging van historici om de zware tendensen van de geschiedenis te ontrafelen doet hen vaak voorbijgaan aan het feit dat de geschiedenis een lavastroom, die niet zozeer de historische actoren maar wel de kleine mensen meesleept in een maalstroom en vaak niet bijdraagt aan hun geluk. De geschiedenis verloopt niet zelden tragisch. Breuklijnen en - punten in de geschiedenis treffen niet zelden miljoenen mensen in hun welvaart, welzijn, hun hebben en houden, hun overleven, hun leven
tout court en dat van hun geliefden. Ook bij het beschrijven van het interveniëren in de geschiedenis van iemand als president Roosevelt is dit overduidelijk, ook al was de man zelf zeer vredelievend ingesteld. De Tweede Wereldoorlog heeft in Europa en in het Verre Oosten een ‘onmenselijke’ ravage aangericht. De totale verliezen aan mensenlevens worden geschat op ongeveer 72 miljoen. Daarvan zijn 47 miljoen burgerslachtoffers, inclusief ongeveer 20 miljoen die tijdens de oorlog omkwamen door ontbering en ziekten. De militaire slachtoffers komen uit op ongeveer 25 miljoen, inclusief 5 miljoen die zijn gestorven in gevangenschap. De geallieerden verloren in totaal ongeveer 61 miljoen levens, terwijl aan de zijde van de asmogendheden 11 miljoen mensen het leven hebben verloren. Vooral Rusland betaalde een zeer hoge tol aan mensenlevens na de inval van de nazitroepen (ongeveer 24 miljoen doden, vooral bij de burgerbevolking). Duitsland verloor 7,5 miljoen mensenlevens, wat beantwoordde aan bijna 9 % van de bevolking. Maar het zijn vooral kleinere landen als Litouwen, Estland en Roemenië die relatief het zwaarst getroffen werden door het oorlogsgeweld en zijn nasleep, waar meer dan 10 %, soms 15 % van de bewoners werden uitgeroeid. Ook de Eerste Wereldoorlog eiste een kolossale dodentol van militairen en burgers met cijfers van tientallen miljoenen. In het Westen onderschat men ook makkelijk het zeer grote aantal mensen omgekomen tijdens de Tweede Wereldoorlog en de daarmee gepaard gaande burgeroorlogen in Azië, zoals in China, waar talrijke miljoenen mensen omkwamen, ook ingevolge hongersnood. Jozef Stalin, de Sovjet - Russische dictator, nooit beducht voor een cynische uitspraak, zou ooit verklaard hebben: ‘ Eén dode is een tragedie, een miljoen doden is een cijfer ’. Meest gruwelijk was het systematisch uitmoorden van hele bevolkingsgroepen, waarvan het meest hemeltergende voorbeeld uiteraard de Shoah is geweest. Het blijft een wrang historisch enigma hoe een van de meest beschaafde volkeren ter wereld, als het Duitse, althans in de 19e en 20e eeuw - denken we maar aan het aantal musici en wetenschapslui van Duitse oorsprong – in staat is geweest 6 miljoen joden in concentratiekampen uit te moorden, niet om wat zij hadden gedaan maar wel om wat zij waren. Het gaat om een onuitwisbare smet die kleeft op wat wij met enig narcisme weleens de ‘onnavolgbare westerse beschaving’ plegen te noemen. Hierbij past de uitspraak van Abel Hertzberg, die schreef: 'Er zijn geen zes miljoen Joden vermoord, maar één Jood en dat zes miljoen keer.'
Franklin Delano Roosevelt heeft in zijn leven, aangezien hij geboren was in 1885, de twee wereldoorlogen van nabij meegemaakt, die allebei als Europese conflicten zijn begonnen en de hele wereld, tot in Azië en Afrika, in vuur en vlam hebben gezet. Vanuit een Europees standpunt kan de stelling worden verdedigd dat beide wereldoorlogen wegens hun dieperliggende oorzaken erg met elkaar verbonden zijn en dat de onverstandige bepalingen van het verdrag van Versailles al in zich de kiemen bevatten van de Tweede Wereldoorlog, die nauwelijks 20 jaar na de Eerste is uitgebroken. Vandaag beseffen wij onvoldoende hoe aansluitend beide wereldconflicten elkaar hebben opgevolgd. En in beide gevallen zijn de Verenigde Staten militair tussenbeide gekomen. Het ging om historische beslissingen waarmee een einde werd gemaakt aan het Amerikaanse isolationisme, zoals beleden door de Amerikaanse buitenlandse politiek sinds de Monroe - doctrine van het begin van de 19de eeuw. Meteen zou Amerika, ook als gevolg van de verzwakking van de Europese landen na twee bloedige oorlogen, de voorwaarden vervullen om tijdens de tweede helft van de 20e eeuw een absoluut dominante rol te gaan spelen in de wereldpolitiek, enkel gecontroleerd door de Sovjet-Unie tijdens de koude Oorlog.

Het politieke levensverhaal van Franklin Delano Roosevelt sluit nauw aan bij de grote gebeurtenissen van de eerste helft van de 20e eeuw. Zijn academische scholing, zijn intellectuele belangstelling maar vooral zijn familiaal geprivilegieerde achtergrond maakte hem tot een haast voorbestemde acteur op het toneel van de wereldgeschiedenis. Zijn eerste historische optreden vond plaats te midden van de grootste economische crisis aller tijden, althans vooralsnog. In 1932 werd Roosevelt verkozen tot president van de Verenigde Staten als opvolger van de Republikeinse president Herbert Hoover. Deze laatste, waaraan België schatplichtig is omwille van de grootscheepse hulpverlening die hij voor de Belgische bevolking op gang heeft gebracht tijdens de Eerste Wereldoorlog, was een republikein die niet had begrepen dat de grote depressie van de jaren 30 niet langer met de klassieke recepten kon worden bestreden. Het conservatieve denken van dat ogenblik was op economisch gebied vrij eenvoudig. De dramatisch hoge werkloosheid betekende gewoon dat er zich een overaanbod van arbeid voordeed op de arbeidsmarkt. Als het aanbod de vraag overschrijdt moet de prijs dalen, zodat de vragers weer lust krijgen om hun aankopen te verhogen. Op de arbeidsmarkt fungeert het loon van de arbeiders als marktprijs. Met deze redenering werd natuurlijk voorbijgegaan aan de evidentie dat de arbeidsprijs, onder de vorm van loon, ook een essentieel inkomenseffect verwekt. Een massale daling van de lonen leidde dan ook tot een instorting van de koopkracht van de bevolking, een nieuwe ineenschrompeling van de vraag en een deflatoire spiraal, waardoor de economie in een neerwaarts gerichte trechter terechtkwam. Deze toestand was des te zorgwekkender omdat in deze periode, zeker in de Verenigde Staten van Amerika, de sociale zekerheid in haar kinderschoenen stond en er dus geen stootkussen voorradig was om de dalende koopkracht van de werkende bevolking te ondersteunen en tot op zekere hoogte op te vangen. Roosevelt stemde zijn verkiezingscampagne in 1932 af op een totaal ander economisch beleid dat hij lanceerde onder de vlag van het 'New Deal’, een grootschalig economisch relancebeleid van verhoogde overheidsuitgaven onder het invoeren en verhogen van sociale uitkeringen, het aanzetten van de investeringsmultiplier door vooral aanzienlijke openbare werken uit te voeren en zo nodig de onvermijdelijke overheidstekorten monetair te financieren. Dit verkiezingsprogramma, waaraan de doorsnee Amerikaan geen concrete boodschap had omwille van zijn techniciteit, sloeg evenwel aan omdat het een boodschap van hoop verkondigde. De Republikeinse president Hoover had zijn politieke geloofwaardigheid volledig verkwanseld door de crisis passief te ondergaan en aan te kondigen dat de welvaart in Amerika
'just around the corner' bereikbaar was, terwijl miljoenen werklozen dagelijks hun opwachting maakten om een bord soep uitgereikt te krijgen door caritatieve organisaties of door een geïmproviseerde stedelijke openbare onderstand. Het 'New Deal' - programma van Roosevelt was revolutionair in de methodiek en ging uit van een intuïtie die een aantal jaren later in 1936 op meesterlijke wijze zou worden uitgewerkt door de grootste econoom van de 20e eeuw, John Manyard Keynes in zijn boek: 'General theory of employment, interest and money'. Het Rooseveltbeleid kreeg aldus een wetenschappelijke basis en een prestige, ook dankzij een aantal positieve resultaten in de Verenigde Staten geboekt. Het Keynesiaanse economisch beleid zou in de hele wereld in de naoorlogse periode tot evangelie worden verheven. Het is slechts in de jaren 70 van de voorbije 20e eeuw dat de befaamde economische school van Chicago, onder leiding van Milton Friedman, is gaan waarschuwen voor de nefaste gevolgen van de excessen van de Keynesiaanse politiek, waarvan politici omwille van haar populariteit gemakkelijk gebruik en misbruik wisten te maken. Overdreven overheidstekorten en oplopende openbare schulden zouden de economie wereldwijd uit haar evenwicht lichten. Vandaag, in het tweede decennium van de 21e eeuw, lijkt deze waarschuwing nog steeds bijzonder pertinent. Wat nog niet wil zeggen dat het economisch herstelbeleid opnieuw zou dienen terug te grijpen naar de deflatoire heelmiddelen, zoals meer dan 80 jaar geleden door Herbert Hoover aangeprezen. De objectiviteit gebiedt echter de historicus eveneens te verwijzen naar wat in Duitsland is gebeurd vanaf het aantreden als kanselier en Führer in 1933 van Adolf Hitler die, geïnspireerd door de raadgevingen van zijn minister van financiën Hjalmar Schacht, een pre - keynesiaans relancebeleid ging voeren onder meer door het aanleggen van een uitgebreid netwerk van autobanen en de grootschalige productie van Volkswagen auto's. Tot op vandaag echter blijven economen van mening verschillen over de vraag of het New Deal - beleid van Roosevelt wel degelijk betekenisvol heeft bijgedragen tot het herstel van de Amerikaanse economie. Veel analisten zijn de mening toegedaan dat het dreigende oorlogsgevaar en de daarmee gepaard gaande herbewapening de economische activiteit hebben aangezwengeld. Deze redenering gaat zeker op voor de Duitse economie zodra bleek dat Hitler, daarbij de meest essentiële bepalingen van het Verdrag van Versailles met de voeten tredend, enorme militaire uitgaven ging verrichten met de bedoeling te kunnen beschikken over een ultramodern en paraat Duits aanvalsleger.

Het is natuurlijk jammer voor president Roosevelt dat hij als gevolg van zijn voortijdige dood op 12 april 1945 het einde van de Tweede Wereldoorlog niet heeft mogen beleven. Op de conferentie van Jalta, die begin februari 1945 plaats vond, was Roosevelt nog verschenen om er samen met Churchill en Stalin te onderhandelen over het beëindigen van de oorlog en het organiseren van het naoorlogse Europa. Op de toen gemaakte historische foto’s viel op hoezeer de Amerikaanse president een doodzieke indruk maakte, wat achteraf de stelling kracht bijzette dat Roosevelt op deze belangrijke internationale bijeenkomst te weinig weerstand had geboden aan de expansieve neigingen van Jozef Stalin. Churchill van zijn kant bleek wel op zijn hoede voor de drijverijen van de Sovjet-Unie in Oost-Europa, die trouwens weldra na de capitulatie van Duitsland zouden leiden tot het uitbreken van de zogenaamde Koude Oorlog, een heel apart en uniek hoofdstuk in de wereldgeschiedenis. Op de conferentie van Potsdam, die plaatsvond einde juli 1945, na de Duitse capitulatie maar nog voor die van Japan, ontbrak Roosevelt, inmiddels overleden en werd hij vervangen door zijn opvolger, Harry Truman, die op zich de verpletterende verantwoordelijkheid zou nemen om atoombommen te droppen op Hiroshima en Nagasaki, echter nadat in niet mis te verstane termen een ultimatum was gericht aan het Japanse oorlogskabinet.

Uiteraard is de figuur van Franklin Delano Roosevelt onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog die er zijdelings ook voor gezorgd heeft dat Roosevelt tot viermaal toe tot Amerikaans president werd verkozen, een unicum in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Teneinde machtsmisbruik te vermijden werd nadien de Amerikaanse grondwet gewijzigd – amendement XXII - zodat een president vandaag ten hoogste slechts één keer kan herverkozen worden. Men doet Roosevelt evenwel onrecht aan door hem al te eenzijdig te beschouwen als de oorlogspresident bij uitstek. Als intellectueel en democraat was Roosevelt sterk beïnvloed door de vredestichtende en wereldsolidaristische idealen van zijn voorganger, Woodrow Wilson, die als Amerikaans president in 1918 de gedachte lanceerde om een ' Volkenbond' oprichten, vandaag te beschouwen als de voorloper van de UNO. Tot grote ontgoocheling werden de genereuze ideeën van Wilson evenwel niet gesmaakt door een meerderheid van de Amerikaanse kiezers en zouden de Verenigde Staten zich distantiëren van de Volkenbond, die uiteindelijk toch het licht zag maar nooit erg succesrijk werd. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was de toestand echter verschillend. Roosevelt kon Stalin overhalen om mee te werken aan de oprichting van een ‘Organisatie van Verenigde Naties’, die zou bestuurd worden door de vijf grote landen die als overwinnaars uit de Tweede oorlog zouden treden. Maar reeds in 1941 hadden Winston Churchill en Franklin D. Roosevelt een gemeenschappelijke verklaring ondertekend waarin werd gepleit voor meer internationale samenwerking, ook na de oorlog, teneinde de vrede en de veiligheid te behartigen. Dit document kan worden beschouwd als een eerste stap naar de oprichting van de Verenigde Naties. Naar verluidt is het Roosevelt die de uitdrukking
'United Nations' aanmuntte, daarbij verwijzend naar een bevlogen geschrift van Lord Byron, wat getuigde van Roosevelts eigen aanzienlijk culturele bagage. Verscheidene vergaderingen hadden plaats teneinde ook de andere geallieerden en meer bepaald de Sovjet-Unie en China bij het initiatief te betrekken. Heel belangrijk was de conferentie die plaatsvond in een luxueuze villa in de omgeving van Washington, Dumbarton Oaks, genaamd, in de maanden september en oktober van 1944. Roosevelt beschouwde de blauwdruk voor de oprichting van de VN als zijn geestelijk testament en het verschafte hem grote voldoening dat hij erin Jalta mocht in slagen, toen zijn levenskrachten afnamen, om een akkoord te bereiken met zijn medestrijders Stalin en Churchill. Formeel is het tijdens de conferentie van San Francisco in april 1945 dat de Verenigde Naties als organisatie werden gesticht. Het handvest werd er door 50 landen aanvaard en op 26 juni ondertekend. Ook België was op deze conferentie aanwezig en vertegenwoordigd door minister August De Schryver, die lid was geweest van de Belgische regering in ballingschap in Londen. August De Schryver was een persoonlijke vriend van mijn ouders. In 1960 nam mijn vader, toen eerste minister, A. de Schryver op in zijn regering als minister van ‘Afrikaanse aangelegenheden’, wat voor gevolg had dat De Schryver een sleutelrol zou spelen in het proces van de Congolese onafhankelijkheid. De man was een getalenteerd causeur en ik herinner me zijn verhalen, onder meer gewijd aan de conferentie van San Francisco en het ontstaan van de VN. Vooral de aanhef van het handvest van de Verenigde Naties is een inspirerende tekst, hoog gestemd, die als volgt luidt: " Wij, volkeren van de Verenigde Naties, zijn vastbesloten ons vertrouwen te bevestigen in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde op de menselijke persoon, in gelijke rechten voor mannen en vrouwen en voor kleine en grote naties." Het handvest bepleit vervolgens internationale samenwerking op economisch, sociaal, cultureel en humanitair vlak en het behartigen van de fundamentele vrijheden voor allen zonder onderscheid van ras, geslacht, taal of godsdienst. Vandaag telt de UNO 192 aangesloten lidstaten, die allen de inhoud van het handvest hebben goedgekeurd. Men kan zich vragen stellen over de oprechtheid van de staatsleiders van een aantal landen die het VN-Charter hebben aanvaard om het nadien met de voeten te treden.

Ingrid Baraitre wijdt in haar boek zeer terecht ruime aandacht aan de persoon van Eleanor Roosevelt, de echtgenote van de president, die hem jarenlang heeft bijgestaan en dit steeds meer in de hoedanigheid van informele adviseur en ‘raadsvrouw’. Een buitenechtelijk slippertje van de president deed niets af aan de intense samenwerking tussen Eleanor en haar presidentiële echtgenoot. Eleanor Roosevelt ontpopte zich als een zeer overtuigde en overtuigende feministe en mensenrechtenactiviste. Zij steunde haar man in zijn ijver voor de oprichting van een Organisatie van de Verenigde Naties en was betrokken bij de onderhandelingen te Dumbarton Oaks. Na de dood van president Roosevelt op 12 april 1945 werd zijn echtgenote door de nieuwe president Harry Truman belast met het voorzitterschap van de werkgroep, en later van een commissie in de schoot van de inmiddels opgerichte Verenigde Naties om werk te maken van een ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’. Een paar keer had ik het voorrecht het prachtige landhuis Dumbarton Oaks te bezoeken, thans omgevormd tot een museum gewijd aan moderne kunst en waar Strawinsky voor de oorlog te gast was bij de rijke eigenaars. Op hun aandringen componeerde hij er het befaamde Dumbarton Oaks concerto. Het is in de aantrekkelijke living room van deze villa dat Eleanor Roosevelt een heel beperkte
task force heeft voorgezeten waaraan, althans in een eerste fase, hoofdzakelijk blanke westerlingen hebben deelgenomen. Er werd uitgegaan van een sneuveltekst opgesteld door de Canadese jurist John Peters Humphrey en de Franse rechtsgeleerde René Cassin, die later de Nobelprijs voor de Vrede zou krijgen. Nadien, op een meer formeel niveau, werd een redactiecommissie ingesteld waaraan werd deelgenomen door westerlingen of door aan westerse universiteiten gevormde intellectuelen, zoals een Libanese rechtsfilosoof, een voormalige Tsjechische president, een linkse Chileense diplomaat en een Panamese rechtsgeleerde. Verder werkten onder meer een Chinees, een Uruguayaan, een Iraniër, een Mexicaanse en een Indiase diplomaat aan de voorbereiding van de tekst mee. Ook de Russische deelnemende gedelegeerde toonde zich coöperatief. De Universele Verklaring werd behandeld door de VN Commissie voor Mensenrechten en gepropageerd door Eleanor Roosevelt, die als de weduwe van de overleden Amerikaanse president, van een groot prestige bleef genieten. Uiteindelijk werd de ‘Algemene Verklaring voor de Mensenrechten’ door de leden van de VN op 10 december 1948 aangenomen, zonder tegenstemmen maar met 8 onthoudingen (waaronder de Sovjet-Unie, Saoedi-Arabië en Zuid-Afrika).

De Universele Verklaring is de eerste internationale bevestiging van de universaliteit van mensenrechten. De verklaring heeft geen bindende kracht, maar heeft in de loop der jaren grote morele betekenis gekregen als de belangrijkste internationale standaard van de mensenrechten. Zij beïnvloedde ook het Europese mensenrechtenverdrag. Zelf ben ik steeds zeer onder de indruk geweest van de tekst van de Algemene Verklaring omwille van zijn verreikende inhoud en zijn uitzonderlijk belang indien wij de wereldgemeenschap willen behoeden voor barbarendom. Maar ook de literaire trefzekerheid van de Verklaring lijkt mij bijzonder geslaagd. De mensheid, wil ze ontsnappen aan ontmenselijking heeft onbetwistbaar nood aan een aantal algemene morele beginselen en gedragsregels, die overal gelden op alle lengte - en breedtegraden van onze planeet. Grote filosofen als Plato en Immanuel Kant hadden hun hele leven lang hun hersenen geplaagd met het zoeken naar een antwoord op de vraag: ‘Wat is de fundering van algemeen geldende ethische regels?’ En wat ze gevonden hadden was vrij voor de hand liggend ofschoon essentieel: ‘doe niet aan anderen aan wat je niet wenst dat men je zelf aan zou doen.’ In zekere zin is dit het beginsel van wederzijds respect of in een meer verheven concept, van wederzijdse naastenliefde, een idee dat ook in een aantal godsdiensten sterk aan bod is gekomen en in het bijzonder in het christendom. Men kan stellen dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, ondanks haar onvolkomenheden, de concrete neerslag is van het geloof in de geldigheid van universele morele principes. Het was en is al lang mijn overtuiging dat in een wereld van veranderingen en omwentelingen, vaak ook wetenschappelijk en technologisch gestuurd, de grootste maatschappelijke opgave van ethische aard is.
De vraag is immers hoe al die veranderingen kunnen worden omgezet in echte menselijke vooruitgang. Maar dan moet men weten wat men bedoelt met menselijke vooruitgang en meer in concreto welke veranderingen goed, welke minder goed en welke bar slecht zijn voor de mens. De vraag naar goed en kwaad wordt aldus een absoluut determinerende vraag voor de toekomst van de mensheid, indien de mensheid menselijk wil blijven en niet terug wil keren naar zijn dierlijke oorsprong. Reeds de beide Roosevelts en hun geestesgenoten deelden dit soort kwellende zorg.
In mijn functie van minister van Buitenlandse zaken heb ik vaak verwezen naar de Universele Verklaring van de rechten van de mens. Als ik een of ander land bezocht waar de eerbied voor de mensenrechten betwistbaar was, liet ik door een medewerker een nota opstellen met de lijst van de flagrante schendingen van de Universele Verklaring. En bij mijn bezoek aan mijn buitenlandse collega bracht ik dan het gesprek vroeg of laat op deze stekelige kwestie en zei: ‘ Waarde collega, ik heb vernomen – maar wellicht ben ik fout ingelicht – dat er in uw land politieke gevangenen zijn, die jaren moeten wachten op een proces, die brutaal worden behandeld en zelfs gefolterd, dat er grote discriminaties bestaan tussen man en vrouw, dat er heel veel corruptie is ’… enzovoort, enzovoort, enzovoort. Mijn
counterparts reageerden meestal uiteenlopend. Sommigen zeiden korzelig dat ik over heel onjuiste informatie beschikte en dat hij mij de stelligste verzekering kon geven dat in zijn land de Universele Verklaring strikt werd toegepast. Anderen zegden mij dat er wel degelijk in hun land mistoestanden heersten maar dat die het gevolg waren van traditie uit een ver verleden, dat ik moest rekening houden met de onstabiele binnenlandse toestand, de heersende etnische conflicten, de rivaliteit tussen de godsdiensten en ook het feit dat de vorige regering het allemaal had verknoeid. Mijn gesprekspartners beloofden me dan dat zij en hun regeringen hun uiterste best zouden doen om al deze scheeftrekkingen recht te zetten. En ten slotte ontmoette ik een derde type van reactie: die van openlijke verontwaardiging, waarbij mijn collega - gesprekspartners mij opgewonden in het gezicht slingerden: ‘ U verwijst naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens! Maar weet u wel wat voor document U citeert? Waarde collega, die Universele Verklaring van de Mensenrechten, dat is, verdorie, : a white paper ’ ! Het is een tekst opgesteld door blanken en aan ons opgedrongen. U doet aan ethisch imperialisme, typisch voor de arrogantie waarmede de blanken en meer bepaald de Europeanen de wereld bekijken en behandelen. Maar die tijd is nu voorbij. Ook wij hebben recht van spreken! ’. Bij een dergelijke uitval veronderstelde ik dan telkens dat mijn collega een min of meer gecultiveerd man was en inderdaad op de hoogte was van de oorsprong van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hij wist dus blijkbaar dat de eerste versie van de Universele Verklaring als een soort werkdocument was opgesteld door de Canadees John Peters Humphrey en vervolgens vanaf begin 1947 toevertrouwd aan een task force, die vergaderde onder de leiding van mevrouw Eleanor Roosevelt. Deze werkgroep bestond uit bijna uitsluitend blanke westerlingen of aan westerse universiteiten academisch gevormde medestanders, die zich wentelden in de zachte sofakussens van de salon van het Dumbarton Oaks -landgoed. Bovendien waren de meeste aanwezigen christenen of althans christelijk geïnspireerd. Het verwijt dat het om een white paper gaat, gekenmerkt door de blanke ethiek, is niet helemaal uit de lucht gegrepen. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens werd op 10 december 1948 door de Algemene vergadering van de Verenigde Naties goedgekeurd op het ogenblik dat de UNO slechts 58 lidstaten telde, in vergelijking met de 192 die er vandaag deel van uitmaken. Het is dus geen makkelijke opgave de leiders van 192 soevereine staten er vandaag van te overtuigen dat er algemene beginselen zijn inzake mensenrechten, in concreto omgezet in politieke, economische, sociale, maatschappelijke rechten, die door alle regeringen dienen te worden geëerbiedigd waar dan ook ter wereld. Vooral bepaalde politieke leiders uit moslimlanden hebben een totaal andere opvatting over de staatsinrichting en de rechten en plichten van de burgers, omdat zij die afleiden uit heilige boeken die meer dan 1000 jaar geleden werden geschreven. Een theocratische opvatting van de maatschappij is heel moeilijk verenigbaar met de democratie en met de scheiding van kerk en staat. Eerlijkheidshalve moet eraan worden toegevoegd dat nog in het Europa van de 19e eeuw door sommige katholieke middens analoge opvattingen werden verdedigd. Het gezag kwam immers van God en kon dus in geen geval ontstaan uit een democratische verkiezingsuitslag. Toen ik na de genocide in Rwanda een delegatie Hutu’s ontving, vertelde de voorzitter mij dood gemoedereerd dat er in zijn land geen mensen waren vermoord. Toen ik bleef aandringen riep hij uit dat geen mensen waren gedood, maar wel ongedierte was uitgeroeid. ‘Nous avons exterminé la vermine, monsieur. Et c’était notre devoir ’.Die van de andere stam waren immers geen mensen of in de beste hypothese ‘untermenschen’, een kwalificatie ooit in Europa gehoord in een niet zo ver verleden. Mijn Rwandese ervaring bleef mij heel bitter opbreken omdat ik in mijn gesprek met de Hutu’s was gestuit op een onoverschrijdbare muur van onbegrip, die aan hun kant een gruwelijke rechtlijnigheid vertoonde, nodig voor de behartiging van wat voor hen beantwoordde aan het goede in de wereld. Het grote gelijk is vaak de voedingsbodem van het grootst mogelijke kwaad. Blijft natuurlijk de vraag wat de fundering is van de universaliteit van identieke mensenrechten. De natuurlijke zedenleer, het menselijk geweten, een goddelijk geopenbaarde gedragscode, de overleving van het menselijk ras? Ik neem aan dat de Roosevelts, hadden ze nog geleefd in deze tijden van blind geweld en terrorisme, erg zouden geleden hebben onder de morele drogredenen die worden ingeroepen om de meest verwerpelijke aantasting van de menselijke waardigheid en het vernietigen van menselijk leven te rechtvaardigen.

Als auteur van Roosevelts biografie heeft Ingrid Baraitre een boek geschreven dat veel verder reikt dan alleen maar de levensbeschrijving van een buitengewoon belangrijk en getalenteerd politicus. Achter het gelaat van de staatsman, dat niet zelden een masker lijkt, onthult de schrijfster op briljante wijze het karakter, de hebbelijkheden, de verlangens, de ambities van een persoon van vlees en bloed, die door omstandigheden en concrete levenssituaties maar ook door afstamming en milieu en de inzet van heel veel karaktersterkte en vastbeslotenheid, de wereldgeschiedenis heeft weten te beïnvloeden. Uiteraard is dit weinigen gegund, for better and for worse. De in het boek opgenomen, boeiende foto’s vergemakkelijken de meer persoonlijke omgang met Roosevelt, zodat men de neiging krijgt hem gewoon Franklin te noemen. Franklin D. Roosevelt werd in 1882 geboren en stamde uit een zeer welvarend gezin. Zijn familienaam verwijst vanzelfsprekend naar zijn Hollandse roots. Roosevelts voorouders komen vermoedelijk uit Oud - Vossemeer op het eiland Tholen in Zeeland, waar men thans informatie kan vinden over de familie Roosevelt. In Middelburg worden daarom sinds 1982 in alle even jaren de Four Freedoms Awards uitgereikt. Sinds 1986 bestaat in de Zeeuwse hoofdstad het Roosevelt Study Center dat onderzoek verricht naar de Amerikaanse politieke geschiedenis en sinds 2004 heeft Middelburg ook de Roosevelt Academy, een University College van de Universiteit Utrecht. De jonge Franklin werd omringd door huispersoneel en door nanny's opgevoed op het landgoed Hyde Park. Zijn vader James was een all round zakenman, actief in de sectoren van de suikerraffinage, de mijnbouw en in de spoorwegensector. Hij investeerde aanzienlijk veel geld in de bouw van een kanaal door Nicaragua, een realisatie die ongetwijfeld zoon Franklin inspireerde toen hij in de jaren 30 als president zijn economisch relanceplan uitwerkte, steunend op grootschalige openbare werken. President Theodore Roosevelt was een grootoom en de hele familie deelde in de glorie van deze beroemde voorzaat. Franklin Roosevelt ging naar de beste scholen, leerde ook Frans en Duits en sprak voortreffelijk Engels. Verscheidene toespraken van Roosevelt kunnen vandaag nog worden beluisterd en het valt op hoezeer hij er in geslaagd is de typisch Amerikaanse tongval te onderdrukken. Een geslaagde poging maar die in Amerika wordt beschouwd als pretentieus, elitair en arrogant. Stiff upperlip english wordt er verafschuwd. De populariteit van Roosevelt had dus andere redenen. Hij studeerde aan de Harvard universiteit, waar hij echter slechts matige resultaten behaalde maar toch later kon bogen op zijn verblijf aan een van de beste universiteiten ter wereld. Hij volgde er colleges in economie, staatsinrichting en geschiedenis. Vrij jong raakt hij verliefd op Eleanor_Roosevelt, een verre nicht van hem, waarmee hij huwde in 1905. Aangezien hij niet moest werken om de kost studeerde hij verder rechten aan de Columbia universiteit te New York en behaalde er een diploma dat hem in de gelegenheid stelde zijn loopbaan te beginnen als jong advocaat aan de balie te New York. Daar leerde hij zijn gedachten zorgvuldig uit te drukken en de juiste argumenten aan te wenden teneinde andersdenkenden en tegenstrevers te overtuigen. Hij maakte zijn debuut in de Amerikaanse politiek toen de Democratische partij hem vroeg om zich kandidaat te stellen voor een zetel in de Senaat voor New York. In zijn verkiezingscampagne maakte hij de bestrijding van de corrupte partijbazen van zowel de Democratische als de Republikeinse partij tot hoofdthema. Roosevelt verstond snel de kunst van het campagne voeren waarbij hij alle mogelijke knepen uit de kast haalde. Uiteraard maakt hij, als kandidaat van de democraten, gebruik van zijn verwantschap met president Theodore Roosevelt, die een overtuigd republikein was. Deze verwijzing bezorgde Roosevelt junior ook sympathie bij de republikeinen, zodat hij zich kon aandienen als een kandidaat die de tegenstelling tussen de twee grote partijen oversteeg. Hij financierde zelf de campagne - onkosten en reed in een rode, met vlaggetjes versierde auto rond om zoveel mogelijk kiezers te bereiken en handen te schudden en een praatje te maken. Hij was een van de eerste kandidaten om de straten en markten in de steden af te dweilen en gebruik te maken van publicitaire posters. Dit soort aanpak van de kiezers, amerikanisme genoemd, werd met vertraging in Europa overgenomen. Eens verkozen tot senator ontpopte de jonge Roosevelt zich tot een begeesterd supporter van Woodrow Wilson, die in 1912 presidentskandidaat was. Eens verkozen benoemde president Wilson Roosevelt tot onderminister van Marine. Maar in 1921 sloeg het noodlot toe toen Roosevelt getroffen werd door een tragische aandoening, namelijk kinderverlamming, die zijn hele onderlichaam verlamde. Ingrid Baraitre beschrijft hoe deze afgrondelijke beproeving voor iemand die in het openbare leven staat, met weergaloze karaktersterkte door Roosevelt werd gedragen. Hij zou bewijzen dat een fysieke handicap niets afdeed aan zijn politieke kwaliteiten. En inderdaad in 1928 werd hij verkozen tot gouverneur van de staat New York. Onmiddellijk begon hij met een krachtig sociaal hervormingsprogramma. Van groot belang was de 'Brain Trust’ van adviseurs, die door Roosevelt werd bijeengebracht om New York te helpen herstellen van de gruwelijke nasleep van de economische en sociale malaise die volgde op Beurscrash van 1929. Ook als president zou Roosevelt zich omringen met het advies van deskundigen en academici, een methode die door zijn opvolgers op systematische wijze werd aangewend. In 1932 stelde Roosevelt zich kandidaat voor het presidentschap en won gemakkelijk. Zijn inaugurale rede bij de eedaflegging bezorgde hem meteen een grote faam. Want hij sprak historische woorden door te stellen dat wij in tijden van crisis vooral bevreesd moeten zijn voor onze eigen vrees: ‘We have nothing to fear except fear itself’. En onmiddellijk lanceerde hij zijn New Deal, daarbij betogend dat hij vastbesloten was zijn verkiezingsbeloften te houden. Roosevelt openbaarde zich als een great communicator, lang voor Roland Reagan. Het fenomeen van presidentiële persconferenties stamt uit die periode. Roosevelt als nieuwe president kondigde op zijn eerste persconferentie aan dat hij van stijl wilde veranderen. De journalisten waren nu niet langer verplicht om vooraf vragenlijstjes in te dienen en stilaan kregen deze conferenties een meer spontaan en informeel karakter. Daarbij verlangde Roosevelt van de aanwezige journalisten dat de dingen die hij hen off the record vertelde, niet als citaat zouden worden weergegeven in de pers maar slechts gebruikt mochten worden als back ground inspiratie, een methode die nu nog wordt gebruikt en soms ook misbruikt. De pers was, zeker de eerste jaren van zijn beleid, gecharmeerd van zijn aanpak. Deze goede relatie met de journalisten was voor Roosevelt van groot belang opdat zijn New Deal programma in de media niet in een ongunstig daglicht zou worden geplaatst. Behalve de persconferenties hield Roosevelt ook af en toe op zondagavonden Sunday Suppers op het Witte Huis, waarop de pers welkom was. Roosevelt richtte zijn aandacht ook op de communicatiemogelijkheden van de radio. Toen hij nog gouverneur was van de staat New York had hij al zijn eerste radiotoespraken gehouden om zijn beleid te verdedigen. Als president hield hij zijn legendarische en veelbeluisterde fireside chats, praatjes bij de haard, waardoor hij beoogde rechtstreekse contacten en banden met het Amerikaanse volk te smeden. Roosevelt wist zijn publiek te boeien door in voor iedereen begrijpelijke woorden over politiek te praten en slaagde er ook in om een gevoel van intimiteit op te roepen met zijn 'praatjes aan de haard.' Later geraakte bekend hoezeer hij deze toespraken zorgvuldig voorbereidde zodat hij ze op de dag van de uitzending bijna uit het hoofd kende. De fireside chats kregen een bijzonder belang tijdens de Tweede Wereldoorlog toen Roosevelt trachtte het Amerikaanse volk op te beuren en hoop te geven. Dit kwam sterk tot uiting in zijn beroemde speech van 8 december 1941 na de aanval van Japan op Pearl Harbor. Tijdens de eerste jaren van zijn presidentschap slaagde hij erin zijn lichamelijke handicap goed verborgen te houden door op de meeste foto's een zittende houding aan te nemen. Later verdween zijn schroom en toonde hij zich ook gezeten in een rolstoel. Tijdens het laatste jaar van zijn presidentschap in 1944-45 werd zijn fysieke aftakeling steeds meer zichtbaar en ontstond een stilzwijgend maar wijdverspreid gevoel van vriendschappelijke bezorgdheid om een persoon die de Amerikanen ervoeren als een president, staatshoofd, oorlogsleider, bestrijder van economisch ontij en sociaal onrecht, als zorgzame vriend. Zijn overlijden op 63-jarige leeftijd was dan ook een zware psychologische schok voor de Amerikanen en voor zeer veel burgers op de planeet.

Voor mij is het levensverhaal van Roosevelt nog steeds inspirerend en stichtend. Hopelijk is het dat ook nog voor de huidige generatie politici. Ingrid Baraitre heeft de veelzijdige aspecten van Roosevelts persoonlijkheid heel gevat weten te analyseren en te duiden. Dit boek vormt een prachtig diptiek met die andere historische biografie die ze recentelijk heeft gewijd aan de figuur van Winston Churchill. Als bewonderend lezer en attent commentator van mevrouw Ingrid Baraitres boeken, heb ik een verholen wens. Dat zij haar monumentaal historisch oeuvre zou afronden door een derde biografie te wijden aan de figuur van Jozef Stalin, het derde personage van het historische driemanschap dat erin slaagde de tweede wereldoorlog naar zijn hand te zetten. Het zou een unieke trilogie vormen.

Tijdens meer recente bezoeken aan Washington heb ik reeds een paar maal het originele, treffende
Roosevelt Memorial bezocht, fraai opgesteld in de buurt van het tidal basin, waar men een adembenemend uitzicht heeft over de Potomac River. Het monument, opgericht in 1997, omvat vier open lucht-kamers, die de vier opeenvolgende presidentiële termijnen van Roosevelt met beelden, reliëfs, citaten en tuinversieringen symboliseren; waaronder de strijd tegen de economische crisis, de oorlogsbeproevingen, de president in een rolstoel, de president gehuld in zijn capemantel en vergezeld van zijn hondje, en ook een deel van het monument gewijd aan Eleanor Roosevelt, die zo voorbeeldig en doelmatig de idealen van haar man en van de menselijkheid in het algemeen heeft gediend en behartigd.
In de memoriaalwanden zijn zinnen gebeiteld die de welsprekende stem van Roosevelt laten nagalmen:
‘ What we need are four freedoms: freedom of speech, freedom of worship, freedom from fear and freedom from wants’. En verder: ‘those who seek to establish systems of government based on the regimentation of all human beings by a handful of individual rulers cal this a new order. It is not new and it is not order ’.
Staande voor dit gedenkteken opgericht ter ere van een van de grootste staatslui uit de geschiedenis van de voorbije eeuw, schoot mij onwillekeurig het vers binnen van Horatius: ‘exegi monumentum’. ‘Ik heb een monument voltooid, duurzamer dan brons’, schreef de Romeinse dichter, en hij vervolgde: ‘… grootser dan de Koninklijke piramiden. Het kan niet vernield worden door de bijtende regen, de razende wind, door een ontelbaar aantal jaar, zelfs niet door de snelvoorbijgaande tijd. Ik zal niet volledig sterven, een groot deel van mijn persoon zal de dood vermijden. Door de roem bij het nageslacht, zal ik altijd blijven groeien en eigentijds blijven, zolang als de priester het Capitool bestijgt. ‘
Toen hij deze zin neerschreef kon Horatius niet vermoeden dat het Amerikaanse parlement te Washington zou gevestigd zijn in een gebouw dat
‘The Capitol’ zou worden genoemd. En Horatius besluit: ‘Melpomene, wees trots, je hebt het verdiend, en bekrans mijn hoofd genadig met een lauwerkrans.’
Graag vervang ik Melpomene door Ingrid Baraitre, die met dit indrukwekkende boek een gelouterde lauwerkrans heeft gemaakt voor president Franklin Delano Roosevelt.

Prof. Em. Mark Eyskens
Minister van Staat