Mevrouw Roosevelt omslag kopie


- WELKOM -



De biografieën van Ingrid Baraître

Uit: Historici Lovaniensis - Tijdingen uit Leuven. Oktober 2011

Ingrid Baraître (°Duffel, 1965) studeerde geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Leuven en behaalde in 1990 het licentiaatsdiploma met een eindverhandeling over
Het geslacht van Ranst in de heerlijkheid Cantecroy (1296-1503). Genealogische, ambachtelijke en feodale aspecten. Bij Uitgeverij Lannoo publiceerde zij tijdens de jongste jaren drie biografische studies, die in belangrijke mate te maken hebben met de Tweede Wereldoorlog: Patton, een generaal in de Ardennen (2006), Eisenhower en zijn generaals (2008) en Churchill. Zijn tocht met het noodlot (2009). Eerder dit jaar verscheen bij Uitgeverij Davidsfonds haar jongste boek, Franklin D. Roosevelt. Wereldleider in Oorlog en Vrede. Momenteel werkt Ingrid Baraître aan een biografie van diens echtgenote Anna Eleanor Roosevelt (1884-1962), de eerste Amerikaanse presidentsvrouw die echt vorm en inhoud gaf aan de functie van ‘first lady’ en die als feministe en mensenrechtenactiviste onder meer meewerkte aan het opstellen van de ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’ uit 1948. Een Franse vertaling van Ingrid Baraïtres boek over de Amerikaanse generaal en latere president Dwight David Eisenhower (1890-1969) is momenteel in voorbereiding. Meer dan redenen genoeg dus voor een interview met deze historica, die deeltijds werkt als office manager en daarnaast actief is als zelfstandig publicist. Het vraaggesprek werd opgestart met een uitvoerige correspondentie via e-mail en afgerond op een zonovergoten terras in de schaduw van het standbeeld van kunstschilder David Teniers de Jonge (1610-1690) op de Meir in Antwerpen.

Waarom specialiseerde u zich in de politieke en militaire geschiedenis, met name de Tweede Wereldoorlog, en waarom koos u daarbij de biografie als genre?
Dat gebeurde niet van de ene dag op de andere en berustte voor een groot deel op toeval. In de zomer van 2004 besloot ik langs te gaan in de stadsbibliotheek van mijn woonplaats Lier, wat ik in jaren niet meer had gedaan. Ik stuitte er op een boekje over de Tweede Wereldoorlog. Tijdens mijn lectuur werd ik getroffen door de omschrijving “de roekeloze generaal Patton“, over de man die het onderwerp vormde van een boeiende film die ik als kind samen met mijn vader ooit op televisie had gezien. Ik keerde terug naar de bibliotheek en zocht er een boek over hem. Dat bleek niet beschikbaar te zijn, ook niet in andere openbare bibliotheken en zeker niet in het Nederlands. Zo groeide het idee om zelf een biografie te schrijven over George Smith Patton jr. (1885-1945). Dat boek, Patton, een generaal in de Ardennen, werd gepubliceerd in 2006. Twee jaar later volgde een Franse vertaling, Patton, Un Général dans les Ardennes, en zo ging de bal aan het rollen.
Ik heb een voorkeur voor biografieën omdat het menselijke aspect daarin centraal staat. In de inleiding van mijn recente boek over Franklin Delano Roosevelt (1882-1945) schreef ik daaromtrent het volgende
: “Biografieën bieden de mogelijkheid om geschiedenis toegankelijker te maken. Ze maken de historische beschrijving menselijker, levendiger en herkenbaarder. Misschien is het volgende spreekwoord wel terecht: ‘Er bestaat geen geschiedenis, alleen biografie’. (...) Staatsleiders of andere grote figuren zijn geen supermensen. Enerzijds moeten ze als leidersfiguur wel een juiste route uittekenen en koers zetten naar de juiste haven. Ze moeten ook het wetgevend orgaan, in dit geval het Congres, overtuigen van hun route. Zij moeten bovendien een band hebben met het volk waarover ze het leiderschap uitoefenen. Die band vraagt om een inzicht en dat inzicht komt veeleer uit het hart dan uit het verstand. Het volk moet zich immers kunnen vereenzelvigen met de leider. Net zoals de Franse filosoof Joseph de Maistre zei: ‘Elk volk krijgt het bestuur dat het verdient’. (...) Anderzijds kampen ook zij met kleinere problemen op professioneel en privé-vlak, net zoals ieder van ons. Ook zij kunnen een broek maar aantrekken met één broekspijp tegelijk. En juist die bijkomende aspecten geven een biografie dat unieke kenmerk van herkenbaarheid, waardoor dit genre zich onderscheidt van andere vormen van geschiedschrijving”.

Hebben de vier door u gebiografeerde hoofdrolspelers uit de Tweede Wereldoorlog – de Britse eerste minister Winston Churchill (1874-1965), de Amerikaanse generaal en latere president Dwight David Eisenhower, de Amerikaanse generaal George Smith Patton jr. en de Amerikaanse president Franklin Delano Roosevelt – iets met elkaar gemeen en heeft u als mens en als historica iets geleerd uit de studie van hun leven en werk?
Eisenhower past het minst in het rijtje. De drie anderen vertonen treffende gelijkenissen. Ze hadden alle drie een ‘gebrek’. Patton leed aan dyslexie, slaagde er nooit in om zonder fouten te schrijven en liep slechts school vanaf zijn 12de. Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte hij echt carrière. Churchill beleefde een trieste jeugd, was een slechte leerling op school, had een spraakgebrek en bereikte de politieke top pas toen hij al pensioengerechtigd was. Bovendien leden Patton en Churchill beiden aan neerslachtigheid, geloofden zij alle twee heel erg in het noodlot en Patton bovendien in reïncarnatie. Daarnaast lieten zij zich allebei sterk inspireren door de geschiedenis. Patton, die stamde uit een familie van militairen, was een kenner van de krijgsgeschiedenis. Churchill was vrijwel dagelijk bezig met geschiedenis en publiceerde heel wat historische werken. In 1953 ontving hij de Nobelprijs voor Literatuur. Zowel Pattons leven als dat van Churchill getuigt van een zekere ‘roeping’. Dat is minder het geval bij Roosevelt en nog minder bij Eisenhower. Roosevelt tenslotte bracht het - ondanks zijn (kinder)verlamming - tot president van de Verenigde Staten van Amerika en werd drie maal herkozen, een nooit gezien feit in de Amerikaanse geschiedenis.
Zonder de Tweede Wereldoorlog zouden Patton, Churchill en Roosevelt nooit dezelfde impact hebben gehad op de geschiedenis van de 20ste eeuw. Soms brengt een crisissituatie bij bepaalde mensen het beste naar boven. Sommige van hun persoonlijkheidskenmerken manifesteren zich pas ten volle in problematische omstandigheden en kunnen dan het verschil maken. Van de andere kant is het zo dat persoonlijkheden zoals Patton en Churchill ‘waardeloos’ waren in vredestijd. Zij konden hun (leiders)capaciteiten pas echt ontplooien in crisis- of conflictsituaties. Patton kon zich trouwens niet neerleggen bij het einde van de Tweede Wereldoorlog. Hij was er van overtuigd dat de Sovjetunie de toekomstige vijand was en wilde – na de nederlaag van Duitsland en Japan - de strijd voortzetten tegen Rusland. Churchill verloor de eerste naoorlogse parlementsverkiezingen omdat hij meer aandacht besteedde aan de internationale dan aan de binnenlandse politiek. De Britten waren na 1945 echter oorlogsmoe en dachten (terecht) dat Churchill niet de juiste man was om na de oorlog de Britse binnenlandse welvaart herop te bouwen.
Terwijl Patton en Churchill de zaken wel eens op de spits dreven in naam van het Amerikaanse respectievelijk het Britse nationaal belang, situeerden de verdiensten van de Amerikaanse generaal Eisenhower zich eerder op een ander vlak. Eisenhower beschikte over voldoende geduld om de gemoederen tussen Britten en Amerikanen te bedaren. Hij was niet echt een praktische militair, maar vervulde vooral een belangrijke rol als bemiddelaar tussen de grote ego’s in zowel de Amerikaanse als de Britse legerleiding. Met Churchill verliepen de contacten op basis van wederzijds respect.
Persoonlijk voel ik de meeste sympathie voor Patton en Churchill. Dat doet echter niets af aan de verdiensten van Eisenhower en Roosevelt. Het is gewoon een subjectieve appreciatie. Ik heb van alle vier veel opgestoken. Hun persoonlijkheden, handelingen en karaktereigenschappen kunnen inspirerend werken voor ons eigen leven. Zo leert men bijvoorbeeld wat voor deze personen doorzettingsvermogen betekende, hoe zij moeilijke of zwakke momenten overwonnen, enzovoort. Ik houd wel van sommige mensen waar ‘een hoek af’ is of die ‘prettig gestoord’ zijn, zoals bijvoorbeeld Churchill en Patton.

Hoe waren de reacties op uw biografieën van deze ‘decisionmakers’, in uw omgeving, in de media, bij het publiek en in de academische wereld?
Men stelde mij al dikwijls de vraag waarom een vrouw zich met onderwerpen uit de mannenwereld bezighoudt. Ik gaf dan meestal als antwoord dat er veel vroedvrouwen zijn, maar toch ook enkele vroedmannen. Verder werden mijn boeken soms omschreven als “literaire non-fictie”: ze lezen als een verhaal, maar zijn wel echt gebeurd. Minister van Staat Mark Eyskens (°1933), die mijn biografieën typeerde als “impressionistische beschrijvingen”, is één van mijn grootste fans. Hij schreef het voorwoord voor mijn boek over Churchill en deed dat ook voor dat over Roosevelt. Ik zorg er altijd voor dat het hoofdpersonnage in mijn boeken op de eerste plaats komt. De historische gebeurtenissen fungeren als decor waartegen het leven van de betreffende persoon zich afspeelt. Mijn boeken bieden geen chronologisch relaas. Het zijn levensbeschrijvingen van hoofdrolspelers, met als zwaartepunt hun bijdrage aan de Tweede Wereldoorlog.

Heeft de Tweede Wereldoorlog nog directe betekenis en belang voor de wereld van vandaag?
Zeker en vast. Denk maar aan de Verenigde Naties, het levenswerk van Roosevelt. Ook de (politiek-maatschappelijke) opdeling van Europa in een oostelijk en een westelijk deel gedurende een halve eeuw – met het IJzeren Gordijn en de Berlijnse Muur ertussen – was een onmiddellijk gevolg van de Tweede Wereldoorlog. De huidige economische achterstand van de voormalige oostbloklanden, die onder dwang in de militaire en ideologische invloedssfeer van de toenmalige Sovjetunie kwamen te liggen, is rechtstreeks terug te voeren tot deze opdeling. Het was de hoge prijs die zijn Westerse bondgenoten tijdens de geallieerde conferenties in Teheran (1943), Jalta (1944) en Potsdam (1945) betaalden aan Jozef Stalin (1879-1953) voor de grootschalige en massale inzet van het Russische Rode Leger bij het op de knieën dwingen van Nazi-Duitsland. De Westerse geallieerden, met name de Verenigde Staten van Amerika en Groot- Brittannië, wonnen de oorlog maar verloren de vrede. Bovendien maakte de Tweede Wereldoorlog definitief een einde aan de Britse wereldheerschappij, een feit dat tot op vandaag doorwerkt op zowat alle terreinen van het maatschappelijk leven in Groot-Brittannië en in het internationaal beleid van het Verenigd Koninkrijk.

Hoe verklaart u de paradox dat militaire geschiedschrijving - zeker in België - niet bepaald een belangrijk aandachtspunt is in de historisch-wetenschappelijke wereld, maar dat er bij het lezende en het film- en televisiekijkende wel veel belangstelling voor bestaat?
Omdat in films, documentaires en series aan ‘verpersoonlijking’ wordt gedaan. Getuigen worden aan het woord gelaten en acteurs nemen de plaats in van de historische protagonisten. Militair-historische publicaties geven vaak veeleer een opsomming van strategieën en gevechten, en dat leest moeilijk. Personen worden daarbij voornamelijk belicht in functie van hun rol in militaire operaties. Ik draai de situatie om en belicht zo veel en zo volledig mogelijk de personen. Het oorlogsgebeuren fungeert eerder als decor. In mijn biografieën begin ik met de vraag waarom de persoon die het onderwerp vormt van deze studie op dat welbepaalde moment uit de schaduw is getreden. Aan het eind van mijn onderzoek, dat uitmondt in een boek, hoop ik voldoende elementen te hebben aangereikt om die vraagstelling gefundeerd te beantwoorden. Dat uitgangspunt verschilt nogal van de aanpak en de methodiek van de traditionele krijgsgeschiedenis. Msschien is het wel de ‘female touch’.
In België in het algemeen en in Vlaanderen in het bijzonder bestaat er – zowel in het academische milieu als daarbuiten – overigens totaal geen traditie wat betreft militaire historiografie. Dat heeft enerzijds te maken met het feit dat het grondgebied van het huidige België tijdens de voorbije eeuwen voortdurend in het bezit was van buitenlandse mogendheden en anderzijds met het gegeven dat – zeker in vergelijking met een voormalige grootmacht zoals bijvoorbeeld Groot-Brittannië - dat verleden nauwelijks ‘roemruchte’ militaire momenten of ‘heroïsche’ legeraanvoerders heeft opgeleverd. Er is bij ons bijgevolg niet echt een voedingsbodem voor militaire geschiedschrijving.


Hoe situeert u zichzelf tussen enerzijds de ‘Duitse traditie’ van geschiedschrijving in de eerste plaats op basis van ongepubliceerde bronnen en archivalia en anderzijds de ‘Angelsaksische traditie’ van geschiedschrijving die in nogal wat gevallen in hoofdzaak gebaseerd is op gepubliceerde bronnen en literatuur?
Ik denk dat ik behoor tot de laatste categorie. Eigenlijk zou ik niets liever doen dan gedurende langere tijd werken in archieven in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten van Amerika. Praktisch is dat (voorlopig) echter onmogelijk. Daarom maak ik graag gebruik van de Angelsaksische traditie, waarbij archiefdocumenten vaker en sneller op grote schaal worden uitgegeven of beschikbaar worden gesteld via de nieuwe media.

Was het voor u al dan niet een bewuste keuze om als Belgisch historica te publiceren over hoofdzakelijk niet-Belgische thema’s?
We leven vandaag in een internationale context, de wereld is ons dorp geworden. We hebben talloze televisiekanalen, de nieuwsberichten zijn internationaal gekleurd, via internet en e-mail hebben we toegang tot de hele wereld, enzovoort. Ik kijk graag over de grenzen. Schrijven over internationale geschiedenis is in zekere zin ook gemakkelijker dan schrijven over het (recente) Belgische verleden. Publicaties over de Koningskwestie, de Vlaamse beweging of andere politiek geladen thema’s kun je als Belgisch historicus moeilijk(er) objectief of sereen doen, en ook het Belgische lezerspubliek reageert er altijd subjectief op. Politieke geschiedenis, net zoals de politieke actualiteit, ligt gevoelig.

Heeft de historicus volgens u een maatschappelijke taak, en wat is in dat verband eventueel het belang van wetenschappelijke vulgarisatie of historische essayistiek?
Als men geen lessen trekt uit de fouten van het verleden, is men gedoemd om die opnieuw te maken of te beleven. Generaal Patton zocht inspiratie in de krijgsgeschiedenis en huldigde het motto “Nothing Old, Nothing New”. Hoe meer mensen daarvan overtuigd zijn, des te beter ik dat vind. Het wiel zal niet opnieuw worden uitgevonden. Alleen de technische kant van de oorlogvoering verandert. De krijgskunde vertoont al eeuwen dezelfde wetmatigheden (“Nothing New”), maar de middelen worden voortdurend vernieuwd (“Nothing Old”). Zo gaat het overigens ook op vele andere terreinen.
Wetenschappelijke vulgarisatie vind ik een lelijk woord met een pejoratieve bijklank. Ik spreek liever van wetenschappelijke democratisering. Van de andere kant zijn op het terrein van de militaire geschiedenis – en zeker in verband met de beide wereldoorlogen uit de 20ste eeuw – nogal wat ‘hobbyïsten’ actief die het soms niet al te nauw nemen met de regels van de historische methode, en dat zowel in België als elders.


Over Winston Churchill publiceerde u – behalve de al genoemde biografie uit 2009 – in 2010 ook het dossier ‘Churchill Special’ (Uitgeverij Elsevier). Wat vindt u van volgende slotalinea van een bijdrage in het Duitse weekblad ‘Der Spiegel’, dat werd overgenomen in het Vlaamse weekblad ‘Knack’ (15 september 2010, blz. 125): “Het is namelijk perfect mogelijk om Winston Churchill niet te mogen. Omdat een mensenleven zo weinig voor hem betekende. Omdat hij in de bommenoorlog met Duitsland elke zin voor maat verloor. Of omdat hij mee de etnische zuivering van Oost-Pruisen organiseerde. Maar uiteindelijk viel het mee dat hij het was die de oorlog won, en niet zijn vijand uit 1940”.
Dezelfde vraag werd ooit gesteld aan een Brits historicus en hij antwoordde doodleuk: “Who started it anyway?”. De Duitsers verteren de bombardementen, zoals bijvoorbeeld deze op Dresden, nog altijd zeer moeilijk. Laat ons de bombardementen tijdens de ‘Battle of Britain’ echter niet vergeten. De steden in het zuiden van Groot-Brittannië werden gebombardeerd, Londen lag in puin. Vele Britten herinneren zich de bombardementen op Coventry. Om nog te zwijgen van de Duitse V1- en V2-bommen of van de vele Duitse bombardementen op het Europese vasteland. Ik ben van oordeel dat de Duitse luchtmacht veel eerder elke zin voor maat verloor. Legers uit landen met een dictatoriaal regime - met name Nazi-Duitsland, de Sovjetunie en het Japanse keizerrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog - vechten met minder zin voor maat dan legers uit democratische landen.

Wat bedoelt u precies met de openingszin van uw boekje ‘WO II in West-Europa‘, dat in 2010 verscheen in de reeks ‘De Essentie’ van de Antwerpse uitgeverij Luster: “Het leven wordt voorwaarts geleefd maar achterwaarts begrepen” (blz. 5)?
Ik ben van oordeel dat - tussen enerzijds de feiten en anderzijds de beschrijving en de analyse ervan - een behoorlijke periode van reflexie noodzakelijk is. Anders belandt men van de geschiedschrijving in de journalistiek. Die periode van reflexie zorgt ervoor dat men een betere en diepere kijk krijgt op de oorzaken, de aanleiding, het verloop en de gevolgen van een historische gebeurtenis. Daardoor kan men de zaken kritischer en genuanceerder beoordelen en evalueren. Hoeveel mensen zeggen niet: “Mocht ik de klok kunnen terugdraaien, dan zou ik dit of dat anders doen”. Na een bepaalde, meestal ietwat langere periode in een mensenleven blikt men terug en overdenkt men de voorbije tijd. Soms beslist men dan om het leven een andere wending te geven. Dat is ook mij overkomen. Nadat ik afgestudeerd was, heb ik ongeveer 15 jaar hetzelfde leven geleid, tot mijn 40ste verjaardag dichterbij kwam. Ik overdacht wat ik verder met mijn leven wilde doen en besloot te doen waarvoor ik opgeleid was. Ik heb met andere woorden, na vele jaren voorwaarts te hebben geleefd, achterom gekeken en ik begreep dat ik iets anders wilde. Zo is het schrijven begonnen. Die openingszin is dus niet alleen van toepassing op de geschiedschrijving, maar misschien ook op de invulling en de zingeving van het leven. Bij mij was dat in ieder geval zo. Op die manier is de cirkel van dit interview rond en zijn we terug bij het voor mij erg belangrijke bibliotheekbezoek in de zomer van 2004.

Nico Van Campenhout



Het Nut van de Historische Biografie
Door de eeuwen heen zijn landen, staatsverbanden en samenlevingen met de regelmaat van de klok gewijzigd. Het reilen en zeilen van een samenleving verandert dagelijks. Daarom moet de levensbeschrijving van historische figuren steeds in verband gebracht worden met de tijd waarin hij/zij leefden. Toch zijn er universele en constante factoren die de tijdsgeest overschrijden en die nu nog steeds voor velen van ons herkenbaar zijn. Toen, zowel als nu, hadden mensen eigen persoonlijkheden, maakten ze carrière, hadden ze een privéleven of kwamen ze soms in crisissituaties terecht. Net zoals vandaag hadden ze ambities en probeerden ze die met wisselend succes te realiseren of kregen te maken met mislukkingen die ze moesten verwerken. Het beschrijven of lezen van hun levensrelaas leert ons hoe ze met succes en mislukking om- gingen. Ook zij moesten soms een stap terug zetten om nadien een sprong voorwaarts te maken. Niet anders dan nu hadden ze te maken met conflicten. We kunnen achterhalen wat voor hen belangrijk was in het leven en nagaan welke wegen ze bewandelden om hun verlangens te realiseren Het is mijn vaste overtuiging dat een kennismaking met figuren uit ons verleden inspirerend kan werken voor ons persoonlijk leven. Hun levensbeschrijving geeft de mogelijkheid om naar eigen goeddunken uit hun ervaringen en voorbeelden te putten om ons eigen leven te kleuren en in goede banen te leiden.

Het Nut van Krijgsgeschiedenis
"Nothing Old, Nothing New" Krijgsgeschiedenis is dat deel van de geschiedenis dat zich toelegt op de reconstructie van oorlogen. Elke oorlog is anders en wordt anders gevoerd. De ontwikkeling van nieuwe wapens houdt gelijke tred met de wetenschappelijke ontwikkeling van oorlogsvoering. Maar anderzijds zijn er in de oorlogsvoering door de eeuwen heen steeds constante factoren geweest. Deze nemen een belangrijke plaats in tijdens de hedendaagse opleiding van militairen. Dit heeft onder meer betrekking op de eigenschappen van een goede legeraanvoerder, het aanvallen op onverwachte momenten, strategische en tactische aspecten van gevechten enz. Hier wordt de krijgsgeschiedenis een inspiratiebron voor het huidige militaire landschap. Vele krijgsheren uit het verleden bestudeerden gulzig het wel en wee van hun voorgangers. Niet toevallig waren degene die dat deden zeer goede aanvoerders. Of zoals de Amerikaanse generaal Patton ooit zei over oorlogsvoering:"Nothing Old, Nothing New". Een leger in oorlog wordt gedrild op doorzettingsvermogen, nooit aflatende inzet, groepsgeest, oog hebben voor de kleinste kansen en het vechten tot de laatste snik. Vele van deze principes kunnen we terugvinden in de sport. Generaal Patton zei hierover:"Sport is oorlog in vredestijd." In een oorlogssituatie probeert men de vijand te verzwakken of uit te schakelen door een omsingeling en door zijn bevoorrading af te snijden of zijn communicatielijnen te saboteren. Hetzelfde gebeurt in de geneeskunde. Men probeert kwaadaardige tumoren klein te krijgen door hun voedingstoevoer stil te leggen. In de Verenigde Staten van Amerika is er een stroming die probeert de talenten van grote Amerikaanse militaire aanvoerders toe te passen in het bedrijfsleven bij de vorming van managers. Ze zoeken hierin inspiratie om de relatie van de manager tot het personeel te definiëren. Bevindingen uit de krijgsgeschiedenis kunnen aldus, door iedereen die dat wenst, op een verantwoorde, positieve en creatieve manier toegepast worden op vele domeinen.