Nieuws in het kort
Amerikaanse universiteiten
De student klant
Anne Morelli, professor aan de ULB, vertelt over een recent bezoek in de Verenigde Staten waar ze doceerde aan een universiteit in Texas.
De universiteiten staan, zoals elk ander product op de markt, in hevige concurrentie met elkaar. Gevolg is dat de student koning is en niet mag tegengesproken worden. Tijdens de lessen zijn de studenten aan het eten, spelen ze elektronische spelletjes, telefoneren ze of lezen ze tijdschriften. Als een professor hen terecht wijst gaat de student zijn beklag doen bij de directie en mag de professor het komen uitleggen.
Het niveau ligt zeer laag, vooral bij de talen. De studenten moeten gedurende twee jaren van één of twee talen het abc leren. Een jaar Pools en een jaar Duits bv. Het is moeilijk om aan een goede klant - de student betaalt immers 25.000 à 50.000 euro - het diploma niet te geven. Het personeel aan de universiteit heeft een precair statuut. De meeste collegas werken deeltijds, hebben geen sociale zekerheid en krijgen enkel een loon tijdens de maanden dat ze les geven. Zij gaan dus op zoek naar vakantiecursussen om de eindjes aan elkaar te knopen. Geen wonder dat die Amerikaanse profs dromen van de werkomstandigheden van hun Europese collegas, voegt Morelli er nog aan toe. Maar beseffen de Europese collegas dat de hervormingen in hun hoger onderwijs worden verantwoord vanuit de noodzaak met de Amerikanen te concurreren ?
Nederland
Banden tussen universiteiten en industrie
De Technische Universiteit in Delft betaalde samen met een aantal bedrijven een advertentie in de dagbladen, waarin gepleit werd voor het mee-ontwikkelen en aanschaffen van de JSF (Joint Strike Fighter, de opvolger van de F-16-gevechtsvliegtuigen) Met deze advertentie steunde de TU twee bedrijven die onderdelen voor de JSF zouden gaan produceren. De TU werkt kennelijk wel heel nauw samen met de wapen-industrie.
De Katholieke Universiteit Nijmegen en de Universiteit van Wageningen hebben samen een leerstoel gecreëerd, die betaald wordt uit een startersfonds voor ondernemers in de bio-industrie. De leerstoel gaat naar de directeur van een biotechnologie-bedrijf. Opmerkelijk, want normaal gesproken word je pas hoogleraar na hard werken, onderzoek doen en veel publiceren, en niet omdat je een of andere hotshot met geld bent!
Minister Flahaut
Cursus burgerzin op school
De oprichting van een cursus burgerzin in alle scholen is een dringende noodzaak. De politieke verantwoordelijken mogen niet langer talmen. Er is gevaar voor de democratie. In een strijdlustige toespraak tot de oud-verzetsstrijders van het Belgische Geheim Leger riep minister van Defensie André Flahaut op om de vuile en vervuilende gedachten van het extremisme te bestrijden.
Laten we erkennen dat we in staat van oorlog verkeren met het extremisme. Het is tijd om met daden te reageren en niet met toespraken! Ik heb vanaf oktober 2001 in de Koninklijke Militaire School en in de scholen voor onderofficieren een cursus burgerzin ingevoerd. Waarom zou dat ook niet mogelijk zijn in het onderwijs?
In zijn speech stelde Flahaut ook om in de strijd tegen links- en rechts extremisme en racisme kleine democratische waakzaamheidseenheden op te richten, die in scholen, werkplaatsen en wijken de mensen moeten informeren.
(De Standaard, 29 april 2002)
Allochtone hogeschoolstudenten
Slechts 2%
In het academiejaar 2000-2001 was 1,05 procent van de studenten aan de Vlaamse hogescholen van Turkse en Marokkaanse afkomst. Als men andere niet-EU-landen meetelt, komt men tot 1,96 procent eerstejaarsstudenten van allochtone afkomst.
Die allochtone studenten in het hoger onderwijs komen bijna uitsluitend uit het ASO. Van de allochtone jongeren zit echter een abnormaal groot aantal in het technisch of het beroepsonderwijs. Behalve het negatief effect van de taalachterstand bestaan enkel een paar half-wetenschappelijke vaststellingen. Bv. het feit dat het voornamelijk allochtone meisjes zijn die hogere studies aanvatten. Het rapport Mahieu (Universiteit Antwerpen) geeft daar twee verklaringen voor. Ten eerste belanden de meisjes relatief makkelijker in het ASO. Verder is het zo dat de cultuur waarin ze leven en die vaak ook gekenmerkt is door kansarmoede, bepaalt dat jongens snel aan de slag moeten gaan.
Mahieu noemt ook de zwakke sociale netwerken als drempel. In het leven aan de hogeschool of aan de unief staat zelfredzaamheid centraal en dat is niet meteen een belangrijk punt in de cultuur van allochtonen. Daarom is het zeker voor allochtone jongeren in het hoger onderwijs belangrijk om bij een groep vrienden te horen. De voorbeeldfunctie kan doorslaggevend zijn. Bovendien vormen autochtone studenten sowieso netwerken en het is als allochtoon extra moeilijk om daar vaste voet te krijgen. Het gebrek aan financiële ondersteuning remt ook de doorstroming naar het hoger onderwijs af.
Er vallen ook twee positieve tendensen te onderscheiden. Het aantal allochtone studenten dat doorstroomt naar het hoger onderwijs groeit wel drie keer zo snel als de totale winst aan studenten die de hogescholen jaarlijks noteren. Verder zijn steeds meer allochtone jongeren gemotiveerd om via hun studies sociale promotie te maken en zo de sociale achterstelling die hun ouders kenden goed te maken.
(De Morgen, 19 juni 2002)
Hogescholen als merken
Studenten shoppen
Hoe minder hogescholen er overblijven, hoe sterker ze op elkaar gelijken en hoe meer de student zich zal laten leiden door niet-educatieve kenmerken. Een hogeschool verleent een dienst, is een merk op een dienstenmarkt. Commerciële bedrijven, zoals grootwarenhuizen of dienstverstrekkers, zoals ziekenhuizen, zijn al langer vertrouwd met deze evolutie. Natuurlijk behouden ze wel hun core business, maar het onderscheid wordt gemaakt door de nevenactiviteiten. Hogescholen zullen een gelijkaardig proces doormaken. Zo evolueren ze tot merken op een markt. Hoe is die evolutie te verklaren?
Een eerste reden is de toenemende objectivering van het hogeschoolonderwijs. De hogescholen kunnen het zich niet permitteren naast de arbeidsmarkt te mikken. Sinds enige tijd hangen opleidingen af van opleidingsprofielen die op hun beurt zijn afgeleid uit beroepsprofielen, allemaal opgesteld door officiële commissies. Kortom een bepaalde opleiding vertoont aan alle instellingen dezelfde kenmerken.
De tweede reden houdt verband met de stijgende complexiteit van de hogescholen. Hogescholen worden bedrijven en dat vergt een no-nonsenseaanpak, die op zijn beurt de objectivering versterkt.
De ideologische verschraling, die tegelijk volgt uit en mede de oorzaak is van de objectivering en de no-nonsenseaanpak, vormt de derde pijler van deze evolutie. Hogescholen spreken nog amper over hun afkomst. Economische en beleidsmatige wetmatigheden op Europese schaal zetten aan tot meer samenwerking die het ideologische onderscheid als criterium redundant (overtollig) maakt.
Vier: internationaliseren houdt een driedubbele consequentie in. Wie in het kielzog van Bologna wil dat opleidingen en diplomas wereldwijd herkenbaar, uitwisselbaar en optelbaar zijn, moet meetbare en verifieerbare vergelijkingspunten hanteren.
De vijfde reden volgt vanzelf: accrediteren betekent zoveel als toegang verschaffen. Nieuwe opleidingen zullen niet in het aanbod worden opgenomen en bestaande zullen uit het rek worden verwijderd tenzij ze aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen.
Tot slot speelt ook de mondige burger zijn rol. Aangezien onderwijs steeds scherper iemands toekomst bepaalt, de overheid terugtreedt en de privé-sector terrein wint, kost een opleiding geld. De toekomstige student (en zijn ouders) shoppen zoals Test-Aankoop-enquêteurs. De student is klant, de hogeschool een provider van diensten.
(Eddy Bonte in De Morgen, 12 juni 2002)
Nederland
Bijna alle scholieren hebben computer
Vrijwel alle leerlingen in de hoogste klassen van het voortgezet (secundair, nvdr) onderwijs beschikken thuis over een computer. Slechts 3 procent moet het zonder stellen. Zowel thuis als op school gebruiken leerlingen de computer vooral voor het versturen en ontvangen van e-mails (57 procent), chatten (56) en websurfen. Het computerbezit in gezinnen bedroeg tien jaar geleden ongeveer veertig procent. Dat blijkt uit het rapport Van huis uit digitaal; verwerving van digitale vaardigheden tussen thuissituatie en school van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) na ondervraging van 1213 leerlingen.. Verder blijkt dat 84 procent van de leerlingen thuis toegang heeft tot internet, 80 procent een eigen e-mailadres heeft en 22 procent een eigen website. Off line wordt de pc thuis het meest gebruikt voor spelletjes.
Hun digitale vaardigheden doen de kinderen spelenderwijs thuis op. In de lessen op school wordt de computer niet vaak gebruikt; bij informatica en informatiekunde gebruikt 43 procent ten minste eenmaal per maand de computer. Bij andere vakken ligt dat nog lager: van 2 procent bij landbouw tot 14 procent bij techniek.
Het SCP constateert dat informatica-onderwijs de achterstand bij meisjes, allochtonen en leerlingen die thuis geen computer hebben, niet heeft gecompenseerd. ,,De overheidsinvesteringen in ICT-onderwijs hebben onvoldoende rendement als het gaat om het bijbrengen van digitale vaardigheden'', concluderen de onderzoekers. In de kabinetsperiode van Paars II is ruim een miljard euro besteed aan de invoering van informatica op scholen. (NRC Handelsblad, 11 april 2002)
De school is dood,
Lang leve de school
« Het instituut school ligt de afgelopen jaren zwaar onder vuur. Op zich is dat geen nieuw gegeven. De school werd al eerder afgeschreven. Sommigen onder ons zullen zich nog Illichs Deschooling society (1976) herinneren of Neills Summerhill (1960).
Toch lijkt het er op of een aantal onderwijsdeskundigen het doodsvonnis voor de school opnieuw hebben ontdekt. Het verschil met de jaren zestig en zeventig is echter dat de emancipatorische inspiratie plaats heeft gemaakt voor een postmodern en neo-liberaal gedachtengoed. We vragen ons dan ook af of links niet, meer dan ooit, het lang leve de school moet koesteren, nu rechts zich de school is dood heeft toegeëigend. »
(Chico Detrez in « Bevrijding » (ACOD-Onderwijs Antwerpen), april 2002)
Vlaams onderwijs
Schoolse vertraging
Van alle leerlingen die vorig schooljaar in het zesde jaar van het gewoon secundair Vlaams onderwijs zaten, had 36,3 procent een schoolse vertraging opgelopen. Bij de jongens liep die op tot 43,7 procent, bij de niet-Belgen tot 72,3 procent. Verdeeld over de onderwijsvormen bedroegen de cijfers : 16,6 procent (ASO), 44,5 procent (TSO), 56 procent (KSO) en 57,2 procent (BSO).
Op het einde van het lager onderwijs heeft 13 procent van de leerlingen een schoolse vertraging opgelopen.
In het hogescholenonderwijs slaagde vorig jaar 48,5 procent en in het universitair onderwijs 47,9 procent van de studenten die zich voor de eerste keer inschreven aan het hoger onderwijs. Dat blijkt uit een kwantitatieve analyse van het departement-Onderwijs.
Rusland
Achteruitgang onderwijs
Volgens een rapport van UNICEF is het aantal 15-18-jarigen die hun studies niet meer verderzetten tussen 1989 en 1998 met drie miljoen toegenomen in de 27 landen van de voormalige Sovjetunie en Oost-Europa. De slaagkansen op school zijn gemiddeld met 13 % gedaald in de vroegere Sovjetunie ; in Tadjikistan, door oorlog geteisterd, zelfs met 26 %.
Volgens de OESO wordt de toegang tot de school steeds ongelijker « in de mate dat de Russische maatschappij zich indeelt volgens rijkdom ». De jongste tien jaar hebben veel leerkrachten het onderwijs met zijn lage lonen verlaten en een job gezocht in de zakenwereld. (Le Courrier de lUnesco, februari 2002)
Italië
Progressieve leraars in gevaar
In Bologna heeft een volksvertegenwoordiger van Forza Italia, de partij van Berlusconi, een gratis telefoonnummer geopend waar studenten leraars kunnen verklikken die de regering kritikeren. Een inspectie van het ministerie van onderwijs gaat na of de leerkrachten de superioriteit van het Westen op de islamwereld voldoende in de verf zetten en of Kerstmis met voldoende waardigheid werd gevierd.
(Le Monde Diplomatique, april 2002)
Nigeria
Universiteiten in verval
Nigeria, een grote producent van aardolie, stond in Afrika bekend voor de uitstraling van zijn universiteiten. Vijftien jaar militaire dictatuur zorgden ervoor dat de petroleumrijkdommen steeds minder ten goede kwamen aan het volk maar wegvloeiden naar de buitenlandse oliemaatschappijen en de plaatselijke elite. Het gevolg is dat ook in de universiteiten zwaar werd bespaard. Vandaag zijn er universiteitsprofessoren die een tweede beroep uitoefenen (taxichauffeur, verkoper van videos,
) om de eindjes aan elkaar te knopen. Door het regelmatig uitvallen van de elektriciteit moeten vele studenten onder een olielamp studeren. Op de universiteit van de OAE (Organisatie van Afrikaanse Eenheid) zijn er 10.000 bedden voor 24.000 studenten. Het departement van microbiologie beschikt er over geen enkele elektronische microscoop. Voor de ganse universiteit zijn er slechts 1000 computers, grotendeels ontoegankelijk voor studenten. Briljante studenten besteden hun tijd en energie grotendeels aan overleven. Voor veel meisjes betekent dat prostitutie. Maffieuze netwerken heersen over de universiteitscampussen. De hersenvlucht naar het Noorden neemt toe.
(Le Monde Diplomatique, maart 2002)
Frankrijk
16.000 kinderen leven op straat
Het Franse Instituut voor de Statistiek (Insee) heeft voor het eerst het aantal daklozen berekend. Volgens het Insee zijn minstens 86.000 mensen dakloos in Frankrijk, van wie 16.000 minderjarigen. Daarbij komen dan nog eens 6.500 asielzoekers. Die cijfers zijn het strikte minimum, want de daklozen die tijdens een week niet naar een opvangcentrum of een gaarkeuken zijn geweest, zijn niet opgenomen in de telling.
Het beeld van de oude clochard onder de brug in Parijs klopt niet. De daklozen worden jonger en vrouwelijker. Een derde van de daklozen is tussen 18 en 29 jaar. Bovendien werkt een derde, maar het loon is te karig om iets te kunnen huren.
Schulden zijn de belangrijkste oorzaak van het nomadenbestaan. 43 procent van de daklozen heeft een schuld uitstaan.
Een derde van de daklozen brengt minstens een nacht per jaar door in een ziekenhuisbed. De belangrijkste oorzaken van de opname zijn breuken en kwetsuren na geweldpleging. Zij hebben last van ademhalingsproblemen, huidziekten en depressies. Het Insee rekende uit dat een dakloze per dag gemiddeld slechts vijf uur en drie kwartier slaapt, en dan nog in schijfjes.
(De Financieel-Economische Tijd, 30-1-2002)
Onderzoek
Kinderen leerkrachten slagen vaker
In ons vorig nummer van De democratische school (maart 2002) brachten we een dossier over de sociale selectie in het onderwijs. Naast cijfermateriaal zochten we ook naar de oorzaken. Toevallig verscheen ongeveer op hetzelfde moment een onderzoeksrapport van de KUL en de VUB over het slagen in het eerste jaar hoger onderwijs.
De onderzoekers volgden meer dan vierduizend studenten bij hun eerste jaar aan de universiteit of de hogeschool. Uit de studie blijkt dat er twee soorten risicofactoren zijn : degene waar jongeren zelf weinig of niets aan kunnen veranderen, en andere die ze meer in de hand hebben (studiehouding, al dan niet werken). Tot de eerste categorie behoren het geslacht van de student, de opleiding van de ouders, de gezinssituatie en eventuele financiële moeilijkheden. De ideale eerstejaarsstudent (die statistisch de meeste kans maakt om door te zetten en te slagen) is een meisje, heeft hoger opgeleide ouders, heeft een ouder die in het onderwijs werkt, heeft een moeder die deeltijds werkt of die huisvrouw is, ziet zijn studies probleemloos betaald door zijn ouders, zit op kamers, houdt van cultuur « met een grote C », maakt zijn studiekeuze vroeg en praat erover, werkt niet, gaat naar de lessen, heeft een relatie met iemand die aan dezelfde hogeschool of universiteit studeert
. :
De studie telt 500 bladzijden. Drop-out in hoger onderwijs. Onderzoek naar achtergronden en motieven van drop-out in het eerste jaar hoger ondrrwijs (KUL en VUB)..
(De standaard, 23-3-2002)