Ontgoocheling en verveling. Dat waren onze gevoelens na
de confrontatie met elke relevantie ontberende “modellen” en de
“theorieën” in de faculteit economie. En dan deed zich de
gelegenheid voor om een gemeenschappelijk front op te richten die het
“autisme” van de economische discipline en haar onderwijs aan de
kaak stelt. Een “open brief” werd al heel gauw ondertekend door een
honderdtal studenten. Ook vele professoren sloten zich aan bij de oproep.
Sommigen hielpen zelfs mee met het opstellen van de brief.
Sindsdien breidde de beweging zich sterk uit. Magazines en
kranten maakten in hun kolommen plaats voor onze verontwaardiging.
Internationale contacten vermenigvuldigen zich. Debatten gingen door aan de
universiteit. Enzoverder. Maar die debatten lijken soms obscuur voor de
“niet-ingewijden”. Daarom ontrafelen we hieronder de inhoud van het
onderwijs in de economie aan het gros van de universiteiten, verduidelijken we
de redenen van onze ontevredenheid en onderzoeken we de pistes om de crisis van
het economisch onderwijs de kop in te drukken.
1. De economie in de auditoria
Vandaag ziet het curriculum van de faculteiten economie
eruit als volgt. Een belangrijk deel is gewijd aan de kennis van de
belangrijkste economische theorieën. Die cursussen hebben ook oog voor de
historische en sociologische omstandigheden van het ontstaan van de theorie. Ze
vergelijken en confronteren de theorieën. De studie van de politiek die de
toch wel ideologisch geladen theorieën aanraden of afwijzen, ontbreekt
evenmin. Verder worden in syllabi en werkcolleges de hedendaagse economische
problemen uitgepluisd zijnde onder meer de werkloosheid, de mondialisering, de
concentratie van bedrijven en de Europese eenmaking. Een cursus geschiedenis,
onontbeerlijk wil men de huidige problemen begrijpen, vervolledigt het
curriculum.
Althans dat is wat u zou denken. Dat is ook wat de student
verwacht bij aanvang van de studies in de economie. Maar zo’n onderwijs
bestaat niet meer, in het geheel niet. Slechts een minderheid van overwegend
oud-studenten heeft de geschetste vorming genoten.
1.1. Welkom in de wereld van de economische
“wetenschap”
Inderdaad, de economie wordt heden ten dage als een
economische wetenschap bestempeld. Dat ze uitgaat van hypothesen algemeen
erkend als waanzinnig, dat ze niet ondersteund wordt door empirische resultaten
doet allemaal niet ter zake, de economie kreeg het etiket wetenschap en daarmee
is de kous af. Volgens de meeste van haar theoretici is de “economische
wetenschap” complexe, héél complexe materie. Geen sprake
van dat er nagedacht wordt over sommige van de hierboven aangestipte problemen
zonder dat vooraf een hele reeks “instrumenten” tot zich genomen
worden. En die zullen u later, veel later, misschien wapenen om antwoorden te
zoeken op hedendaagse economische vragen.
Die instrumenten dragen namen die vertoeven in hogere
sferen: maximalisatie onder beperking, simultane vergelijkingsstelsels,
optimale dynamiek van de functie tussentijdse consumptie... Het probleem is dat
het beheersen van deze tot de verbeelding sprekende technieken veel tijd in
beslag neemt. heel veel tijd. Het resultaat is dat eens studenten definitief
hun neus uit de boeken halen, zij zich realiseren dat drie tot vijf jaren, of
zelfs meer, voorbijvlogen. En? Niets. Het is afgelopen. Zij kennen nog altijd
de ballen van de wereld waarin we leven. De muren rond de universiteit ontnam
hen elk zicht op de buitenwereld.
Hadden ze de studie dan maar moeten voortzetten?!
Uiteindelijk is dat een weerzinwekkende dooddoener. Zo’n visie heeft
alleen maar oog voor de belangen van een kleine minderheid (1%) die een leven
als vorser gaan leiden of een doctoraat nastreven. Maar los daarvan gaat het
gewoon om een vals argument. Het gevoel dat de economische wetenschap oproept
bij de bevolking zijnde een afkeer door haar vaagheid en onduidelijkheid blijkt
gegrond: onder de warboel van steeds gezochtere, gekunsteldere vergelijkingen,
schuilt niets of alleszins weinig.
2.2. De koning
is naakt
“Maar moeder, de koning heeft geen kleren aan!”
merkt de kleine op in de fabel, zo onthullende wat iedereen reeds zag. En dat
is exact de situatie van de hedendaagse economische wetenschap. Iedereen weet
dat het gros van de onderwijsstof en van de onderzoeksmaterie nog weinig met de
werkelijkheid heeft te maken. Maar jammer genoeg uit men dat slechts
tijdens gesprekken in kleine
groepjes aan toog of salontafel. Het is dus hoognodig om “De koning is
naakt” uit te schreeuwen over alle daken. Recent deed een algemeen erkend
theoreticus een eerste poging.
Wat wordt in feite onderwezen? Men praat van een volledig
imaginaire wereld. De personen, “agenten” genoemd, wonen in een
wereld zonder geschiedenis, zonder instellingen en overheid. Ieder doet zijn
berekeningen in een kleine hoek, teneinde zo gelukkig mogelijk te zijn (men
maximaliseert zijt nut). Iedereen is volslagen onwetend over wat zijn buur
uitspookt. Hetzelfde geldt voor de ondernemingen, die geen organisaties zijn
maar die zich beperken tot het aankopen van arbeid en kapitaal om dankzij een
identieke technologie, die
iedereen bezit, te “produceren”. Die technologie beschikt eveneens
over de merkwaardige eigenschap dat ze zich onmiddellijk aanpast aan
fluctuaties in prijs. Als het loon stijgt, hopla, ik ontslaag werknemers en ik
koop wat meer machines aan, die uiteraard vanzelf zullen functioneren. De
interest (prijs van het kapitaal) daalt, hopla, ik verpats machines en de
arbeiders pakken zich samen aan hetgeen overblijft in het machinepark. En dat
alles gaat in één adem, zonder moeite en zelfs zonder kosten.
Deze dominante, als “neoklassiek”
gekwalificeerde, theorie schetst een harmonieus en bekoorlijk tafereeltje van
de ware wereld. Ironisch genoeg stemt ze, zelfs indien we uitgaan van de
geschetste basisveronderstellingen, geheel niet met de werkelijke werking van
markten. Waar het verhaal helemaal lachwekkend wordt, is dat ze er niet in
slaagt, ondanks deze afwijkende, dwaze hypotheses, om simpele resultaten te
vinden. Zo is sinds de jaren ’70 gekend dat de “wet van vraag en
aanbod” onmogelijk kan bewezen worden. En de werken van
Nobelprijswinnaars van Arrow tot Debreu toonden al in de jaren ’50 aan
dat het bekomen van een evenwicht tussen vraag en aanbod op alle markten (het “algemeen
evenwicht”) slechts kon bewezen worden ten koste van een heleboel bijkomende hypotheses.
Nogal ongeloofwaardig, niet? We benadrukken dat het hier
niet om fictie gaat. Niets van wat huet staat is uitgevonden, noch overdreven.
De redenen van onze verontwaardiging spruiten hier makkelijk uit voort. Wij
willen ontsnappen uit deze krankzinnige wereld die schuilt onder de namen
“micro-economie” en “macro-economie”. Wij weigeren te
erkennen dat enkel de theorieën die passen in het model en die dezelfde technieken
gebruiken valabel zijn, en dat de anderen afgedaan worden als
onwetenschappelijk. Hoe willen we dat doen?
2. Wat weer is het?
2.1. Open de ogen, voor de hedendaagse economie ze sluit
De middelen die we voorstellen zijn eenvoudig:
- Plaatsmaken voor verscheidene theorieën: de theorieën bestempeld als neoklassiek mogen
niet het monopolie hebben op de verklaring. Andere economische theorieën
uit het verleden en het heden (Smith, Marx, Keynes, de institutionalisten, ...)
hebben ook hun recht op bestaan in het onderwijs. Dat is een minimum vereiste
om de kritisch geest van de studenten te voeden.
- De theorie situeren in haar context: op welke problemen antwoorden de theoretici op hun
moment dat ze hun theorie schreven (bijv. de crisis van 1929 voor Keynes)? Wat
waren de debatten in die tijd? Welke economische organisatie hadden ze voor
ogen? Welke politieke economie stelden ze voor? Met welke gevolgen? Enzovoort.
- De plaats van de formalisering beperken: de wiskunde neemt in de vorming een overdreven
plaats in. Ze is bovendien absoluut niet nodig, en zelfs niet nuttig, voor een
essentieel begrip van de theorieën (zelfs die van de neo-klassieke).
Wiskunde hoeft dus slechts mondjesmaat gebruikt worden, enkel wanneer het
gebruik zinvol is om een concreet probleem op te lossen of om een theoretisch
probleem te situeren. Maar de formele of denkbeeldige oefeningen die studenten
tijdens al die jaren tot treurens toe uitvoeren moeten verdwijnen
2.2.Maak plaats, maak plaats...
Plaats ruimen is dus de boodschap. Net zoals de Franse
econoom Jean Gadrey zijn wij van mening dat “het overgrote deel van de
micro-economie enkel moet onderwezen worden in naam van de geschiedenis, naast
bijvoorbeeld de marxistische theorie over de ‘waarde van arbeid’,
en moet verdwijnen uit de eerste cyclus”. Eenmaal dit verwezenlijkt zal
er weer een frisse wind door de auditoria waaien.
Maar plaatsmaken volstaat niet. Ook wijzigingen in de
pedagogie dringen zich op. De huidige organisatie is als volgt: een diarree
vergelijkingen in de hoorcolleges, en vervolgens de “toepassingen”
(nog altijd los van enige realiteit) in de begeleide werkcolleges. Een mogelijke
oplossing bestaat erin om het aantal lesuren van de student te verminderen
(vrij hoog in de economische wetenschappen) om zowel het individuele werk als
het werk in kleinere groepen aan te moedigen (het totaal uren van de proffen
blijft ongewijzigd) rond zinvolle vragen en onderwerpen.
Enkel op die manier is het realiseerbaar om anders te
werken, rond economische en sociale vraagstellingen. De concrete behandeling
van de belangrijkste maatschappelijke kwesties zal ook toestaan om in het
economische onderwijs andere disciplines te integreren zoals sociologie,
geschiedenis, recht en psychologie). Vandaag is zo’n integratie een
rariteit is, die deels veroorzaakt werd door de (barrière) van de
wiskunde, volgens velen nog altijd gezien als de noodzakelijke voorwaarde van
“wetenschappelijkheid”.
Conclusie
De economie wil zich voordoen als een wetenschap, dus moet
men leren om de “instrumenten” te beheersen, eigen aan al de
theorieën. Wij verwerpen deze benadering, en gaan uit van de politieke
geladenheid van deze discipline, zoals duidelijk blijkt uit de benaming
“politieke economie”. Theorieën moeten in hun maatschappelijke
context geschetst worden, wijzende op de relevantie en op de uitkomsten van de
economische poltiek die eruit volgen. Het is ontolereerbaar om de student nog
langer te laten verzuipen in oefeneningen, die hem alle redenen uit het oog
doen verliezen waarom hij ooit koos om de banken van de faculteit economie met
zijn zitvlak vereert. In het bijzonder moet het gewicht van de “neo-klassieke theorie” in
het curriculum drastisch verminderen, om plaats te maken voor andere
benaderingen. Jazeker, wij wensen theorie, of beter theorieën, maar dan
wel theorieën die ons toelaten om te denken, om te zien en die niet enkel
dienen als voorwendsel voor min of meer steriele, niets opleverende oefeningen
Zo kunnen we enigszins afstand nemen van wat ons onderwezen wordt, om een
kritische en constructieve blik werpen op de economie. Zo zullen we een kans
hebben om te begrijpen om wat zich daarbuiten afspeelt.
Mouvement des étudiants pour la reforme de
l’économie
www.autisme-economie.org