Buitenbrouwers en buitentappers

Ivan Derycke

In dit bestand worden een aantal documenten samengebracht over buitenbrouwers en buitentappers tijdens het ancien régime.

Uit Stadsarchief Antwerpen (SAA), GA 4015: Buitenneringen – brouwers 1555-1658

Lijst van buitenbrouwers voor taxatie, 17de eeuw

We vermoeden dat het hier om een bespreking gaat opgemaakt in opdracht van de stad van de buitenbrouwers om in te kunnen schatten hoeveel men bij een eventuele onteigening zou moeten betalen. De stad streefde er immers naar om het bierbrouwen in de buitengebieden aan banden te leggen en de brouwactiviteiten in de stad te concentreren, dit ook omwille van de bieraccijns die dan meer kon opbrengen. Uiteindelijk haalde ze grotendeels haar slag thuis door het plakkaat van 10 november 1685 die iedere industriële activiteit in het omringende platteland verbood.
Men kan dit document vergelijken met de bijlage van het artikel van Dickschen: S. Dickschen, "De Antwerpse brouwersnatie en de dorpsbropuwers in de 17de en 18de eeuw", in: Bijdragen tot de Geschiedenis, vol. 76, 1993, pp. 199-211 (bijlage op p. 213).

 

Uit SAA, GA 4416: Brouwers I 1500-1560

Brouwerijen te Borgerhout en het contract met Van Schoonbeke: schadeclaims

Schade geleden door Jan Meermans en Andriesyne, zijn echtg., eigenaars van de brouwerij ‘De Belle’ te Borgerhout. Deze brouwerij was blijkbaar verschillende generaties actief geweest. Zij hadden een huurcontract voor 7 jaar met de wed. van wijlen Thomas van Lare afgesloten.
Ze vragen 4000 gulden als de brouwerij wordt gesloten voor het feit dat ze hun beroep niet meer kunnen uitvoeren. 

Schade die Jan Goeyvaerts en Magdalena vanden Broecke geleden hebben op hun brouwerij Sint Arnout te Borgerhout. Magdalena was gehuwd geweest met Jan Wils en deze had de brouwerij gekocht van Rutgheert Wils, op 10/01/1547 voor 47 Lb. Brabants, erfelijke rente, en 28 Car. guldens eens. Jan Wils heeft onmiddelijk 28 gulden betaald en 15 Lb Brab. erf. afgelost. en voor 600 gulden vertimmerd op het erf. Het profijt boven de kommer is dus 24 Lb. 15 s. 3 d. Brab. erfelijk waarvan de helft toekomt aan de kinderen van wijlen Jan Wils en de rest voor Jan Goeyvaerts is. Jan Goeyvaerts wil zijn eigendom en nering niet laten voor minder dan 4000 gulden aangezien hij zijn vrouw en 8 kinderen mee onderhoudt en daar zijn zijn knapen en maarten niet bij gerekend. Totaal: 5599 gulden eens tenzij ze hun nering mogen verder zetten.
 

Uit SAA, GA 4417: Brouwers II (1560-1570)

10/01/1569 (1570): buitenbrouwers die in Antwerpen willen leveren moeten een aantal eden zweren, de tarwe, gerst en haver die ze nodig hebben in Antwerpen kopen, en alle nieuwe tonnen, moeten voorzien zijn van het merkteken van de stad, en ook al het alaam moeten ze in de stad kopen: "stuyckmanden, werckcuypen, gheylcuypen, coelbacken, nieuwe brouwketelen, bierackers die zij voortaen behoeven zullen..." en ze moeten zich eerst bij de accijnzers melden en de eed doen vooraleer nog te mogen leveren. Uitzondering vormen de brouwers van Zoutleeuw, Hoegaarden en Nijmegen zoals voorzien in de regeling van 1565, alsook een paar individuele brouwers.
 

Uit SAA, GA 4420: Brouwers V (1595-1599)

23/11/1596 Catarina Thuenemans verklaart, samen met Gielis Biermans, en ook voor haar zuster Truyken Thuenemans en haar broeder Nicolaes die in Holland woont, tevreden te zijn inzake het proces dat de drie brouwers van Berchem, zijnde de erfgenamen van Herman van Utteren, Pauwels Thuenemans en Cornelis van Beemen tegen de stad hebben gevoerd. Betreft brouwerij Wit Cruys waar haar vader Pauwels heeft gebrouwen vanaf 1555 tot 1569. Merk op dat een Cornelis van Beemen, betrokken in dit dossier, schepen in Berchem was.


Uit SAA, GA 4421: Brouwers VI (1601-1610)

juni 1609: Guillaume Claeus, inwoner van Antwerpen, die een brouwerij in Deurne uitbaat alwaar dagelijks wordt gebrouwen, beklaagt zich erover dat ondanks het feit dat hij niet meer belast mag worden dan de binnenbieren, die van de accijnzen hem 8 stuivers per ton aanrekenen alsof het vreemd bier was. 

1/09/1609: Antwerpse brouwers beklagen zich over de concurrentie die ze ondervinden ten gevolge van het Twaallfjarig Bestand dat nu is ingegaan omwille van het heroprichten van brouwerijen in de buitengebieden alwaar de huurprijzen van de gebouwen veel lager ligt dan in de stad, lagere loonkosten voor personeel, gemakkelijker om aan graan te geraken, minder geen belastingen (op vervoer, tonnen,...). De Antwerpse brouwers zeggen buitenklanten te verliezen, zelfs de helft zou al kopen bij de buitenbrouwerijen. Wijzen op het feit dat het achteruitgaan van het brouwerswezen in Antwerpen, zware neveneffecten heeft op andere beroepen.


Uit SAA, GA 4424: Brouwers IX (1619)

19/02/1618: de Deurnese brouwer Guillielm Claeus klaagt bij het Antwerpse schepencollege dat de hij teveel belasting moet betalen (8 stuivers). Bovendien blijken de accijnsmeester bieren die naar de stad reizen onredelijk te belasten: in plaats van 4, 9 stuivers.


Uit SAA, GA 4433: Brouwers XVIII (1663-1669)

30/04/1664: stad reageert bij het hof inzake het proces dat oorspronkelijk gestart is door Michiel Decker, en nu overgenomen door de weduwe Jan Strijpen, samen met de overheid van Berchem, tegen de brouwers van Antwerpen.  Verwijzende naar de eerdere overeenkomsten met Berchem wijst de stad erop dat buitenbrouwers enkel in hun gemeente mogen leveren en niet in de stad, noch in die plaatsen waar de halfaccijns wordt geheven. Zij zegt ook dat het niet goed is dat ambachten, die eigenlijk tot de stad behoren, op het platteland zouden uitgebouwd worden waardoor het platteland stad wordt.  De stad heeft om dezelfde redenen vele jaren geprocedeerd tegen de weduwe Janssens, brouweres in Merksem-Dambrugge die ook haar bier in de stad wou verkopen. (Nota: inzake de processen tegen Michiel Decker bevinden zich in het archief van de Gilden en Ambachten tientallen bundels).

16/07/1667: Bij de insolvente boedel van Jonker Jan David Scholiers zat een hof van plaisantien in Deurne.  Er was daar een vrijdom van accijns en impost. 

17/10/1668: Joris vander Beken, pachter van de bieraccijnzen in Borgerhout, meldt dat ene Jacop Hermans, inwoner in Borgerhout, een brouwerij aan het bouwen is in zijn huis en bovendien over een herberg. Hierdoor zou de stad schade lijden en hij als pachter ook.  De stad verbiedt dan ook de uitbouw van de brouwerij. 

1/04/1669: Op verzoek van de weduwe van Jan Janssens, wonende in Merksem, verschijnen voor notaris François Haeckx Anthony Saeijs en Jacques Thevial, taverniers te Antwerpen en zij verklaren van de verzoekster regelmatig bier ontvangen te hebben uit haar brouwerij in Merksem, en dat alle accijnzen steeds netjes betaald waren.
 

Uit SAA, GA 4434: Brouwers XIX (1672-1678)

25/06/1676 verklaart de brouwersnatie dat ze alle kosten zal dragen betreffende de processen die stad aan het voeren is tegen Michiel de Decker, brouwer te Berchem, en de wethouders van Berchem. Men verbiedt op dit ogenblik het binnenbrengen van bier uit Berchem in de stad.
26/06/1676: De hooftmannen van de poorterije van Antwerpen en de wijkmeesters vinden dat importverbod niet goed en vragen de stad om dat te herzien.

 

Uit SAA, GA 4435: Brouwers XX (1681-1683)

18/02/1687: de koning beslist dat de dorpsbrouwerijen die er dus moeten mee stoppen sedert 1685, ook hun alaam uitbreken en onmiddellijk verplaatsen buiten de dorpen.

8/10/1687: Het hof van Brabant veroordeelt de stad om Anthoni de Brouwer, voormalig brouwer van de Cleynen Goeden Tijdt in Deurne die moest stoppen, de vacante plaats van boomsluyterschap met de wedden erbij, te doen innemen.  Bij het sluiten van zijn brouwerij had hij dat gevraagd maar de stad gunde hem dit blijkbaar niet. Zaak sleept begin 1688 nog aan. Hij is naar eigen zeggen een eerlijk man en poorter van Antwerpen.

Op 6/11/1687 laat de stad uitroepen dat er ambachtslieden in de buitendorpen ondanks het plakkaat van 1685 terug waren gestart. Koning liet ook weten dat niemand twee ambachten tegelijk mocht doen.

1687: 28/1 t.e m. 4/2: Vincente Cortes, griffier van de Raad van Brabant, grijpt in en gaat de buitenbrouwerijen bezoeken om sommen te eisen en de zaak te controleren. Volgende brouwers worden aangedaan:
Deurne: op de brug, Den Arendt, de Groote Goeden Tijdt, en bij M. Hannekart; In Oordenen, Wilmarsdonk, Ekeren, Merksem, Dambrugge heeft hij zes brouwerijen bezocht.  Dan is hij gedaan naar Hoboken, Wilrijk en Luithagen waar hij drie maal is afgestapt.

10/1689: er is nog geen ordonnantie over de werking van het cijnskantoor dat van de buitenrand (dorpen), moet verplaatst worden naar binnen de stadsmuren. 

Rond 1690: stad in proces met brouwerij de Cleynen Goedentyt in Deurne met de weduwe van François Hannecart. Had recht op 600 gulden uitkoopgeld

 

Uit SAA, GA 4436: Brouwers XXI (1690-1699)

In het kader van een proces tussen stad en brouwers laten de brouwers zich ontvallen op 31/01/1690 dat het plakkaat van 1685 geen enkel effect heeft. De neringen buiten de stad floreren volgens hen nog steeds en meer en meer. Ze beschouwen de ambachtslieden als onderkruipers omdat die de lasten van de steden niet hebben.  De uitvoering van het plakkaat had ook weerstand binnen de stad opgeroepen omdat een aantal ambachten van mening waren dat er ongelijkheid in het spel was en men eiste dat alle neringen op het platteland verboden zouden worden, wat niet ‘practicabel’ was.  Toen zocht men geld om de stadskas te spijzen en wijkmeesters en brouwers hebben toen aangedrongen op de publicatie van het plakkaat omdat men aldus 30.000 gulden meer per jaar zou in kas krijgen.  Dat heeft geleid tot een contract via de Breede Raad dat ertoe moest bijdragen dat de buitenbrouwerijen geweerd zouden worden. Om de brouwerijen te doen sluiten terwijl de eigenaars wel hun eigendom zouden behouden hebben de brouwers van de stad 22.500 gulden ingebracht.  Sommigen bleven toch doorbrouwen en die heeft men dan verplicht hun alaam in drie dagen tijd uit hun brouwerij te verwijderen. Er waren er steeds die o.m. in de Luithagen een brouwerij wilden beginnen. Daartegen heeft de stad gereageerd, o.m. in Wilrijk en Hoboken, maar in Borsbeek werd in de Vuilen Akker een brouwerij opgericht. Voortdurend worden buitenbieren geleverd in de buitenherbergen, desnoods via particuliere burgers. Daarnaast werd heel duidelijk gesteld dat poorters die zelf brouwden op het platteland, niet mochten verkopen in de dorpen. De brouwers van Antwerpen hadden het recht om bier aan te slagen op het platteland als ze een misdrijf zagen tegen het plakkaat van 1685. 

(1690) Op verzoek van de overheden en inwoners van Wilrijk, Berchem, Merksem en Borgerhout wordt een voorstel gedaan door de stad wat betreft de wijze van uitvoering van het plakkaat van 1685. Zo mochten de tappers blijven mits hun bier te halen uit de stad en de accijnzen te betalen.

23/09/1690: er blijkt nogal wat verwarring te zijn over welke accijnzen door de dorpelingen en de buitentappers betaald moeten worden.

22/06/1686: Antwerpse brouwers eisen dat om een hernieuwing van hun overeenkomst met de stad te verkrijgen als pachters van de bieraccijns, de pacht van de lepel, steenkool en steengruis, het plakkaat over de buiteneringen wordt gepubliceerd. Zijzelf zullen zich enkel bezig houden met het weren van de brouwerijen in de dorpen die in het plakkaat gemeld zijn. Ondertekenaars zijn Peeter de Man, Jan de Man, Jan Wittebol, Jacques van Mael, Reynier Borsbeeck, Simon Wouters, P. Knijff, H. Engelgrave en A. Schrijnmaeckers. Bevestigd op 13/10/1690. Hierbij presenteren bovenstaande personen zich om deze accijnzen weer te pachten, wat de bieren betreft zowel binnen als buiten de muren maar binnen de hand, en de 9 stuivers accijns op de bieren die buiten de stad gaan naar de dorpen waar men de halfaccijns betaalt. Ze willen dit weer voor drie jaren doen en de stad hiervoor jaarlijks een bedrag geven van 30.000 gulden bovenop de accijnsopbrengsten tussen 1/02/1685 en 1/02/1686. Ook wordt er een verhoging van de last op de steenkolen en gruis voorzien.  Tegeneis is de publicatie van het plakkaat op de buitenneringen. Pachters mogen de bieraccijns niet zelf ontvangen. Het zijn de tresoriers en hun officieren die dat mogen. De pachters moeten voor dit 30.000 gulden een borgstelling doen. Ze moet ieder half jaar afgelost worden.  Buitenbrouwers die binnen de stad gaan brouwen kunnen dit doen tegen dezelfde rechten als de binnenbrouwers. De pachters kunnen optreden tegen fraudeurs en inbrengers van vreemde bieren op het platteland.
Dit contract leidt tot een proces tussen stad en brouwers inzake de uitvoering van het plakkaat op de buitenneringen.

15/12/1699 (Antwoord Raad van Brabant): Op 22/6/1699 hadden de brouwers een verzoek aan de stad gericht om weer voor drie jaar de bieraccijns te kunnen pachten voor 30.000 gulden. Wijzen op het niet naleven van de vorige overeenkomsten, o.m. inzake de buitenbrouwers en de accijnzen op de buitenbieren. Dit had geleid tot processen. Maar bij de Raad van Brabant verliezen ze.

 

Uit SAA, GA 4437: Brouwers XXII (1700-1706) (in feite tot 1716)

Het taxatieboek van 25/01/1687 voorzag als uitbetalingssom voor de sluiting van de Cleynen Goedentijd te Deurne, eigendom van Sr. Franchois Hannicart, tapper en brouwer, voor het sluiten van zijn brouwerij 600 gulden. Maar Hannicart had dat betdrag geweigerd wegens zijnde onder de waarde. In 1704 vragen de weduwe, Jfr. Isabella Tibanti, en de kinderen dat de stad dit bedrag aan hen toch zou uitkeren. De Raad van Brabant draagt de stad op om dit te betalen op 5/7/1704. De stad is niet zo gewillig en vindt de aanpak van de erfgenamen Hannicart (voor de Raad van Brabant) nogal drastisch en is niet akkoord met de beslissing van de Raad van Brabant en begint daar op 15/07/1704 opnieuw een proces. Dit mondt uit in een vonnis op 24 april 1705 waarbij het voorstel van de stad om uiteindelijk toch te betalen wordt aanvaard. Maar op 19 augustus klaagt de weduwe Hannicaert via deurwaarder Braeckmans en bij procureur de Fraye dat de stad nog steeds 100 gulden te weinig betaald heeft en vraagt diens ingrijpen zonder een procedure te beginnen. De stad zegt al het geld geconsigneerd te hebben op de griffie van de Raad van Brabant.  

16/07/1714: Stad Lier protesteert bij de Raad van Brabant tegen de protectionistische maatregelen die Antwerpen uitvaardigt opdat het Lierse bier niet zou kunnen geleverd worden in Antwerpen en de ‘bijvang’ ervan (de omliggende dorpen). Er zijn verschillende klachten van leveranciers van Liers bier die zijn lastig gevallen door de Antwerpse overheid.

21/02/1715: Raad van Brabant vonnist voor Antwerpen negatief inzake een conflict met de dorpen van Wilrijk, Berchem, Merksem en Borgerhout. Deze dorpen behouden het recht dat ze de 7 stuivers op de bieren die vanuit Antwerpen naar hen gaan en door Antwerpse brouwers gebrouwen zijn niet moeten betalen. De kosten die de dorpelingen hierdoor (door het feit dat ze tijdelijk wel hebben moeten betalen) hadden, moeten door de stad worden terugbetaald.

 

Uit SAA, GA 4438: Brouwers XXIII (1717-1744)

Sedert 25/10/1724 loopt er een proces voor de Raad van Brabant tussen de drossaarden, schepenen en inwoners van Deurne, Borgerhout, Merksem, Dambrugge, Berchem en Wilrijk enerzijds (supplianten) en de onderschout van de stad Antwerpen en de dekens en de brouwersnatie anderzijds (rescribenten). Klacht is dat de tappers van de dorpen werden lastig gevallen tegen de Blijde Inkomst in. Er werd door de Antwerpse brouwers immers verboden aan plattelandsbrouwers om nog te leveren aan deze dorpen. Bovendien werden tappers in Borgerhout, Merksem en Berchem aangepakt en bedreigd met een boete van 100 gulden per ton plattelandsbier dat er werd aangetroffen en dat niet via Antwerpen was gegaan om daar te veraccijnzen. Het plakkaat van 10/11/1685 was nooit echt toegepast omdat men had vastgesteld dat het in de praktijk zelfs nadelig voor de Antwerpse brouwers zou zijn. De facto bleef alles dus bij het oude en bleven de ambachten voortdoen en iedereen betaalde de accijnzen. Bij vonnis van 4 mei 1729 worden de dorpen hierin gevolgd en wordt de stad veroordeeld de onkosten te betalen. De acties van de onderschout en het brouwersambacht zijn onterecht. De stad gaat op 17 juni onmiddellijk met een request terug ten aanval. Zij vragen aan het hof of het vonnis impliceert dat wat de vier aanliggende vrije dorpen betreft, het plakkaat van 4/11/1685 geen effect meer mag hebben.  

Ook in de Verenigde Provinciën was er een plakkaat geweest tegen het buitenbrouwen, ook omwille van de stedelijke financien. Via het plakkaat van 18 januari 1687 moesten mouters en brouwers op het platteland ermee stoppen op 21/03/1687. Uiterlijk 30 juni 1687 moest alles uitgebroken zijn. 

17/11/1730: de brouwers van Mortsel, Bouchout, Borsbeek, Wommelgem, Hemiksem en Schoten verklaren tegen het plakkaat van 1685 te willen ingaan. Het betreft de brouwers Anthonio de Grooff, Marcus de Laet, Cornelis Verbert, Peeter Peeters, A. De Backer, Peeter Meijis, Jan Dens, Adriaen Peeters, Francis Wagemans, Carel Feijen. Wordt dus een proces.  

Op19/12/1729 verkrijgen de wethouders van Antwerpen toch meer mogelijkheden tot toepassing van de plakkaten van 10/11/1685 en 7/6/1687 die tot nu toe weinig effectief waren. Er mag opgetreden worden in Hoboken, Wilrijk, Berchem, Deurne, Merksem, Dambrugge, Ekeren, Wilmarsdonk, Oosterweel en Luithagen. De lokale officieren moeten de plakkaten doen naleven en aan de wethouders van Antwerpen alle 14 dagen rapport uitbrengen van hun vordering. Dat was weeral zonder effect. De stad heeft dan maar zelf deurwaarders ingeschakeld. Men wilde de neringdoeners betrappen maar die waren duidelijk getipt en na de inspectie van hun lege huizen begonnen ze tegen ’s avonds terug alles op te bouwen en terug verder te doen.  Antwerpse brouwers klagen op 14/12/1730 aan de Raad van Brabant over deze situatie en krijgen hierin gelijk. De officieren moeten binnen 9 dagen een lijst van alle neringdoeners voorleggen aan de wethouders van Antwerpen. In januari 1731 is er in Merksem-Dambrugge een actie geweest van de lokale meier die de schepenen heeft gevorderd om de lijst te maken maar de drossaard protesteerde.

Begin 1731 laten de wethouders met een nieuw request aan de Raad van Brabant weten dat een aantal officieren gebotst zijn op lokale schepenen die niet meewerkten. De raad van Brabant reageert op 7 maart met een boete van 6 gulden ten laste van iedere schepene in de dorpen van Hoboken, Wilrijk, Berchem, Deurne, Borgerhout, Merksem, Dambrugge, Ekeren, Oorderen, Wilmarsdonk, Oosterweel en Luithagen, die de officieren zijn assistentie weigert, te verdelen in drie delen: keizer, aanbrenger en het betrokken ambacht in Antwerpen. 

16/02/1731: Plakkaat van de koning tegen het hervatten van de neringen, zelfs het brouwen, in de dorpen. Bevestigt het plakkaat van 1685.

 

Uit SAA, GA 4439 Brouwers XXIV (1745-1788)

24/01/1756: er wordt een procedure ingespannen door enige buitentappers van Berchem, Borgerhout, Wilrijk en Merksem en buitenbrouwers van Mortsel, Hemiksem, enz... via de Raad van Brabant. De brouwers van Antwerpen betuigen hun steun aan de stad in deze zaak op 28/4/1756. 

6 mei 1758: ondanks diverse pogingen om het plakkaat van 1685 na te doen leven, is dit niet gelukt. Ook kon men niet verbieden dat buitentappers inlandse bieren verkochten zonder dat die de accijnzen van Antwerpen gepasseerd waren. Dit alles ging, volgens de buitentappers en –brouwers,  immers in tegen de rechten die men via de Blijde Inkomst had. Raad van Brabant veroordeelt nu toch de tappers in de buitenijen om niet langer plattelandsbier of ander inlands bier te tappen zonder rekening te houden met het plakkaat van 1685. Het betreft dus de dorpen van Hoboken, Wilrijk, Berchem, Deurne, Borgerhout, Merksem, Dambrugge, Ekeren, Oorderen, Wilmarsdonk en Oosterweel. 

1763-1767: procedure tussen stad en brouwersnatie enerzijds en Matthias Wouters, Peeter de Grooff, buitentappers, en Joannes Taeymans en Cornelis Schuermans. Importeren in en doorheen de stad bieren uit Leuven en elders zonder er ooit stadsrechten op te betalen. Ze worden zelfs gelost op het bierhoofd bij het accijnskantoor zonder dat er iets op betaald wordt.  Dit gebeurt wat betreft bieren voor de vier vrije dorpen Berchem, Borgerhout, Merksem en Dambrugge. In de vrije dorpen moet alleen halfaccijns betaald worden en niet de 7 stuivers per ton voor de bieren uit Antwerpen, nocht de 9 stuivers per ton voor de bieren uit het platteland, Leuven, Hoegaarde of Mechelen. Dit ging volgens de stad in tegen de ordonnantie op de bieraccijns van 1732 waarbij de bieren steeds moeten aangegeven worden aan de poorten en de portiers een biljet moeten ontvangen.

Op 18/02/1765 getuigt Jacobus Auwerix, 68 jaar oud en concierge van de bieraccijns, dat steeds ook voor levering aan de vier dorpen 9 stuivers moet betaald worden als accijns. En daarnaast is er de staten impost die voortdurend is verhoogd geworden.
Ook Jacobus Frachez, 70 jaar oud en controleur van het bierimpost getuigt over de continue import van bier uit Leuven, Hoegaarde, Diest en Lier. Alle rechten, ook voor de vrije dorpen, worden volgens hem netjes betaald, en dit gedurende de 50 jaar dat hij daarmee bezig was.
Idem getuigenis van Henricus van Beek, 65 jaar oud, assistent van de controleur van de bieraccijns. Beide laatste getuigen stellen vast dat Leuven en Hoegaarde het meest geimporteerd worden.
Idem: Lambertus Cornelius Janssens, 70 jaar, controleir van de bieraccijnzen.
Matthijs De Groof junior, 43 jaar oud, facteur van de Leuvense bieren, verklaart wel degelijk 24 stuivers bieraccijns per vat te betalen.
Matthias de Groof, 65 jaar oud, facteur van de Leuvense bieren, getuigt evenzeer over de betaling van de accijnzen.
Joannes vanden Briel, 38 jaar oud, afkomstig van Gastel in het markiesaat van Bergen op Zoom, zegt ook niet anders geweten te hebben dan van de accijnzen op de bieren naar de buitengemeenten. 

Gebod van 7/10/1765 moet fraude tegengaan: sterke controle van de tonnen. Herbevestiging van de ordonnantien van 15/3 en 20/10/1642. 

21/04/1767 e.v.: weer getuigenissen: Adriaen Frans Van Kauter, 44 à 45 jaar, geboren in Merksem, schepen en herbergier, verklaart dat er in Antwerpen bier gelost en geroed wordt maar dat er ook ladingen door de stad gaan zonder betaling.
Germeyn LeRibau geboren in Hannuyt afkomstig, 59 jaar oud, voerman, heeft bier in de stad ingelegd nadat het de roeders gepasseerd was. Maar hij heeft ook bier van Leuven en Hoegaarden vervoerd naar Merksem, Borgerhout en Dambrugge en ook doorgevoerd zonder betaling van een accijns.  Hij heeft ook bier uit Leuven en Hoegaarden geleverd in Berchem en Wilrijk.
Arnoldus Mintens, geboortig van Herent, 40 jaar oud, voerman en herbergier in Berchem ‘In den Beer’. Heeft meestal geeen accijns betaald.
Henricus de Groof, geboren in St. Willibrord, 50 jaar oud, koopman en voerman, heeft bier vervoerd door de stad naar Merksem, Borgerhout, Deurne en St. Willibrord zonder accijns te betalen.
Cornelis Van De Velde, geboren in Wilrijk, 44 jaar oud, herbergier in Borgerhout, vervoerde Leuvens bier zonder betaling accijns.
Jan Ketelaers, geboren in de meierij van ’s Hertogenbosch, 60 jaar, woont in Borgerhout en is voerman en herbergier in Deurne. Nooit accijns betaald.
Adriaen Hendrickx van Merksem, 40 jaar oud, herbergier in Dambrugge, meldt dat de Leuvense bieren wel degelijk geroed worden en de accijns passeren bij aankomst in de stad en dan bij de facteurs gekelderd worden. Voor bier dat door de stad wordt gevoerd naar Merksem, Borgerhout en elders, wordt bij het binnenrijden aan de stadspoort 2 oorden betaald aan de portier en bij het buitenrijden één oord, en verder niets. Hijzelf betaalt nooit iets aan de stad op de geimporteerde bieren. Hij heeft ooit eens bruin bier uit Ekeren-Donk rechtstreeks aangevoerd zonder er accijns op te moeten betalen en hij kent ook niemand die daar ooit iets heeft moeten voor betalen.
Batkin de Baenhoff, drossaard van Merksem, 58 jaar oud, getuigt dat in Merksem, Wilrijk, Berchem en Borgerhout alleen de algemene landelijke belasting wordt betaald. Er moet in die vier dorpen ook geen andere bieraccijns betaald worden dan de halfaccijns en dat bedrag komt wat Merksem betreft in de dorpsrekening. De vrijheden van de vier dorpen zijn geboekstaafd in 4 ‘solemnele octroijen’ van 1683. Het zijn overeenkomsten tussen de stad en de dorpen waarvan een vonnis bestaat in de Raad van Brabant. Hij verklaart dat de vier dorpen vrijgesteld zijn van de 7 stuivers voor het Antwerpse bier en 9 stuivers voor de andere bieren.
Judocus van Vlaenderen, drossaard van Berchem, 50 jaar oud, verklaart hetzelfde.
Jacobus Lauwaerts, geboren in Berchem, 44 jaar, secretaris van Berchem, verklaart hetzelfde.
Peeter Donck,  geboren in Leuven, 54 jaar, bode van Leuven op Antwerpen, verklaart 24 jaar lang Leuvens bier door de stad te hebben gevoerd naar Merksem zonder ooit rechten erop betaald te hebben. Soms heeft hij ook een deel geleverd in de stad maar hij is nooit verontrust geworden.
Henricus Beetens, geboren in Rotselaar, 43 jaar, wonende bij de voerman Heremans, heeft dikwijls Leuvens bier geimporteerd en steeds via de accijns. Bieren voor de stad werden geroederd en opgeslagen, die van daarbuiten niet. Wat hij echter vervoert naar Borgerhout door de stad passeert vrij zonder dat er aan de stad moet betaald worden behalve de 2 oorden bij het binnenrijden en 1 oord bij het buitenrijden. Ook bij directe levering in Berchem heeft hij nooit betaald.
Cornelis de Schutter, geboren in Berchem, 59 jaar oud, schepen, becker en herbergier. Verklaart dat de vier dorpen alleen de algemene belasting betalen + een deel van het quota dat de 4 dorpen betalen voor het onderhoud van de tuin van zijne Koninklijke Hoogheid. Ook vrijstelling van de 7 en 9 stuivers per ton.
Martinus Room, geboren in Berchem en schepen aldaar 37 jaar oud, pachter van zijne stiel.  Analoge verklaring.
Jan Peeter, geboren in Merksem en schepen aldaar, 61 jaar oud, pachter. Analoge verklaring.
Peeter Besseleers, geboren in Schoten, schepenen van Merksem en pachte, 33 jaar oud, analoge verklaring. 
Joannes Meeus, geboren in Merksem en schepen aldaar, 52 jaar, pachter van zijn stiel, analoge verklaring.
Emanuel Gerard van Kildonck, geboren in Wuustwezel, 32 jaar oud, drossaard van Wilrijk. Analoge verklaring. Meldt zelfs dat de vier vrije dorpen solidair zijn in die zin dat indien iemand die vrijheid wordt afgenomen, ze samen zullen vergaderen om ervoor te zorgen dat die accijnsvrijheid behouden blijft.
Franciscus van Schel, geboren in Wilrijk, 63 jaar oud, pachter, idem.

25/06/1767: kopie van de bevestiging van vrijstelling van accijns (met uitzondering van de halfaccijns) in Berchem door de overeenkomst met de stad die was bevestigd door de koning op 14/05/1683. De oorspronkelijke regelingen inzake de halfaccijns in Berchem dateren dus van 23 mei en 12 juni 1516 en 18 december 1545. Gaf overigens aan Berchem ook nog andere vrijstelling o.m. op het logeren van vreemde troepen. Op 3/1/1669 was tussen Berchem en de stad vastgelegd dat er daar drie brouwerijen mochten blijven en zowel in Berchem als binnen de stadsgrenzen bier leveren.
De kopie was aangevraagd door Procureur Beckers in opdracht van Matthias Wouters en Peeter de Grooff, buitentappers, en Joes Taeymans en Cornelis Schuermans in hun proces tegen die van het brouwersambacht en de stad Antwerpen. 

25/06/1767: Overheden van de 4 dorpen tegen de stad. Ze verklaren geen accijns van 7 stuivers te moeten betalen. Dit lag al vast na een juridische procedure van de jaren 1690 uitmondend in een vonnis van de Raad van Brabant van 21/2/1715 dat de accijnsvrijheid wat betreft die 7 stuivers bevestigt. Kopie op verzoek van de hogergenoemden. 

Wouters, De Grooff, Taeymans en Schuermans komen tot de conclusie dat de stad geen basis heeft om die 7 stuivers of 9 stuivers te ontvangen. De getuigenissen van de controlleurs en concierge van de bieraccijns zijn volgens hen niet geldig want zij werken in stads dienst “om sonder te mogen tegenseggen promptelijck te volbrengen alle orders ende bevelen de welcke hun door de geinsinueerden (de stad) wel ofte quaelyck worden gegeven, ende alsoo niet anders en kan aensien worden als voor eenen domestucken getuijge in de saecke van sijne meesters...” De ontvangers krijgen bovendien extra inkomsten (tantièmes) naargelang ze meer geld ontvangen. Zij die staatsbelastingen ontvangen verklaren dat daarin de 9 stuivers voor de stad zitten. Ook de getuigenissen van de facteurs van de Leuvense bieren zijn verdacht want zij hebben hun functie maar dankzij de stad. Zij rekenen de 9 stuivers heimelijk door in hun verkoopprijs.

 

Uit SAA, GA 5012: proces brouwers en schepenen van de stad Antwerpen tegen Mattias Wouters, Peeter de Greef, de buitentappers en de buitenbrouwers, 18de eeuw

Op 3 februari 1756: request aan de keizer door Arnoldus Jacobs, Jacobus Bauwel, Cornelis De Schutter, Joes Cassiers, Bruno Verhoeven, Melchior van Schil, Michiel van Arenborgh en Arnoldus Pauwels, tappers en herbergiers vazn Merksem, Berchem en Wilrijk en samen met hen E.Heer G.H. De Graaf, eigenaar van de brouwerij gestaan in de Ouden Godt in Mortsel, Franciscus Bervoets, Cornelis Schuerwegh, Peeter Peeters, Ferdinandus Lattine, Cornelis Frans. van Regemortel, Cornelis Feijen en Peeter Schauvorst, buitenbrouwers in de dorpen van Mortsel, Wommelgem, Borsbeek, Hemiksem. Aanleiding is dat de stad met alle middelen tracht het plakkaat van 10 november 1685 uit te voeren en het leveren door buitenbrouwers aan buitentappers van hun bieren zonder vervoer naar de stad om daar hun bieren te laten veraccijnzen aan banden te leggen. Er worden bewijzen aangedragen dat men altijd heeft kunnen leveren zonder probleem en dat het plakkaat de facto onuitvoerbaar was.

Er volgen dus lijsten van brouwers en hun klanten vanaf de jaren 1700 tot 1755.

Stuk 2°: van brouwer Anthoni de Graaf wonende in de brouwerij de Oude God in Mortsel (jaren 1719-20). Leverde vooral ook Caves aan tappers en andere personen:

 Stuk 3° van brouwer Anthoni de Graaf, nog een reeks vanaf de jaren 1707 tot 1710

Stuk 4° van brouwer Adriaen de Backer, brouwer op de draaiboom onder Wommelgem. Levert dobbel bier, enkel bier, goed bier, locht bier, kroonen, pons

Stuk 5° De huisvrouw van Cornelis Verbett, brouwer op de Breestraet te Hemiksem, levert weedtbier, henckel weedtbier en een weinig bruin bier.

 Stuk 6°Anthoni de Graeff, caves, en een weinig bruin bier

Stuk 7° Peeter Peeters, brouwerij de Sprinckaen onder Borsbeek: levert verckensbier, goed bier

Stuk 8° Franciscus Bervoets brouwer op de Draaiboom onder Wommelgem (jaren 1730), levert poens bier, half bier, klein bier en Leuvens bier

 Stuk 9° Idem, jaren 1750

Stuk 10° Cornelis Verbert, Hemiksem, jaren 1750, levert wit, dobbel en bruin bier

Stuk 11° Accijnsboeken van Wilrijk: komen bier laten veraccijnzen

Stuk 12° idem

 Stuk 13° idem

 Stuk 14° idem

 Stuk 15° idem

 Stuk 16° idem

Stuk 17° Kantoor halve accijns te Borgerhout  3/2/1725-1/2/1726 opgave van tappers en inwoners die bier veraccijnzen

Stuk 24° Accijnzen Wilrijk

 Stuk 25° idem

 

Uit SAA, GA 5453 Proces brouwers en schepenen van Antwerpen tegen Arnoldus Jacobs en Cornelis de Schutter. Met betrekking tot Deurne en Borgerhout.

Ook weer bewijsstukken van brouwactiviteiten:

1749-1751 Brouwerij het Nosegat te Hemiksem leverde bruin bier, o.m. aan de meier van Oosterweel.

1728-1733 Brouwerij het Oud Veerhuis te Hemiksem, leverde bruin bier en drie gulden bier aan het café de Kroon in Oosterweel. Eigenaar van de brouwerij was toen Franchois Verschueren, en nu (1758) zijn zoon Anthoni.

1726-1732 Cornelis Verbert, brouwerij de Leeuw te Hemiksem, leverde ook aan Oosterweel verschillende soorten bier aan Peeter Diericx in de Goudbloem, Peeter Smidt in de Hoven Neere, aan Peeter de Smidt in Sint Janneken

1716-1717 Brouwer Gillis Boye levert aan diverse personen in Oosterweel bier

Bevat ook een bewijs uit 1758 waarbij Jan de Grooff, pachter van de accijnzen van bieren uit Antwerpen als van de buitenbieren die door de tappers van Oosterweel gesleten worden. En hij heeft die dertig jaar ingepacht gehad.

Bevat ook nog processtukken van de drossaard en de brouwers van Antwerrpen tegen de herbergier/tavernier Jan Martens op het Kiel, die bier rechtstreeks van Cornelis Verbert te Hemiksem had gekocht en niet de accijnzen heeft betaald (1742). Ook Francois vande Velde op het Kiel had tonnen van Verbert die werden aangeslagen.

Lijst van herbergiers in Merksem en Dambrugge die moeten opbrengen:

Dambrugge

Merksem

 

Uit SAA: GA 5539 Proces brouwers tegen de schepenen van Berchem 18de eeuw

Een deurwaarder  is op basis van de executie van de raad van Brabant van 26/06/1714 op 18/03/1715 samen met schepenen Adriaenssens en Peeter Geijsels, meier Peeter Putoirs en twee hellebardiers naar Merksem en Dambrugge getrokken langs volgende etablissementen: Merksem: Swerten Leeuw, Witten Engel, Swerten Arent, Croon ende Trompet; Dam: het Roosen Maeijken, over de redoute, Drij Snellen, Prins Cardinael, Conincxken, den Hertog van Beijeren, Prins van Parma, Prins van Oranien, Vliegende Peert, Croon, Bremen, Bourgons Cruys, Buda, Nieuwen huysen, Keijser Buda, Swaen ende Gulden Poort.

Analoge rondwandeling op 26/03/1715 in Berchem en daar kwam hij in volgende herbergen: Amsterdam, Claverblad, Posthoren, Wijngaert, Pannenhuijs, Buijtelaer, Keijser, Willecom, Hoywaegen, Wildeman, Moorjaen Thoren, Anckerbeir, Roscam, Duc de Borgognien, Prins Cardinael, Boomken, Ghulde Peerdt, De Vierheemsch Kinderen, Coninck van Spanien, Croon, Coninck van Vranckrijck, Vercken, Lammeken, Krijgsman, Valck, Dreijhoeck.
Maar op 8 april 1715 ging hij opnieuw rond en vond het volgende: