Wilrijkse brouwerijen

In Antwerpen Bierstad Cahier 2 worden volgende brouwerijen uitgebreid behandeld:
1) Sint-Sebastiaan/Van Reeth
2) De Hand Godts/Vergouwen
3) De Ster/De Groof
4) De Barreel/De Decker
5) Sint-Antonius/Compeeren

Wilrijkse brouwers tijdens het ancien régime
Hoven van Plaisantiën
Brouwerij Leeuwenberch
De nieuwe Schaliemolen

Wilrijkse brouwers tijdens het ancien régime


Paul Daeleman

In Van Passen 1982 vinden we de volgende interessante informatie over nog meer Wilrijkse brouwers:1

In 1492 staat ene Jan vander Linden als brouwer te Wilrijk vermeld. In 1493 … blijkt [hij] verhuisd te zijn naar Herbeke onder Hemiksem, want in januari 1494 betaalt hij … 10 £11 sc.9 d.gr. Brab. voor de huur van de brouwerij, die aan Jan vander Moere toebehoort en die Vander Linden in huur had gehad. Ook voor het door hem “geargerde” d.w.z. beschadigde alaam in de brouwerij, betaalde Vander Linden nog een vergoeding. Intussen werd de brouwerij door haar eigenaar, Jan vander Moere, opnieuw verhuurd, en wel aan Berelmeeus vanden Velde Wolfaertssone.

De akte, die van 31 januari 1494 dateert, beschrijft de brouwerij als volgt:
een huysinge... metter brouwerien, ouenputte, moutvloere, begietbacke, molenhuyse, met eenre nyeuwen moelen daer een nyeuwe paer steenen op liggen elcken steen van derthiene duijmen dicke, mer eenre cameren ende keldere daer onder… metter poerten, soldere daer bouen ende noch een veehuys metten verkenscote...”

De ketel met kuipen en andere toebehoorten van de brouwerij werd op 9 £ 19 se. 6 d.gr. geschat en de huurprijs beliep 4 £ gr. en 10 vaten bier, elk van 12 stuivers, te leveren met Kerstmis. In de schatting van alaam waren niet inbegrepen de 98 vaten of aamvaten, 12 halve vaten, 6 oude vaten en 12 nieuwe zakken, die de huurder bij zijn afscheid opnieuw aan Vander Moere zou afleveren. De huurceel voorzag tenslotte dat Vanden Velde huis, molen en brouwerij in goede staat zou onderhouden. 2
Het samengaan van een brouwerij met een maalderij of molen was geen zeldzaamheid. Ons interesseert hier evenwel in de eerste plaats de brouwerij, die we waarschijnlijk op de hoek van de Bist en St.-Bavostraat kunnen situeren.
In 1499 was ene
Cornelis de Ruysschere brouwer te Wilrijk: hij bezat en verkocht toen een huis buiten St.-Jorispoort te Antwerpen.
In 1510-1511 staat als brouwer
Gheert Mens vermeld, die naast zijn brouwersbedrijf ook nog dat van boshouwer of houtkoopman vervult. We zien hem hout of bossen van de St.-Baafsabdij te Lint onder Kontich opkopen.
In 1541 ontmoeten we de 85-jarige
Jan Knyf als brouwer en schepen te Wilrijk.

Was de Leeuwenberg een brouwerij, ook de herberg de Hert aan de Bist had eenmaal een brouwerij. Dat blijkt uit een akte van 12 december 1553, waarin Adr. Spruijt, korenkoper, aan Andries Nouts, brouwer, een rente van 12 Kar.gl. jaarlijks verkocht, op een “herberge met huysinge. brouwerie, alame vander seluer, houe, borneputte, grachte, geh. Den Hert”. Die herberg-brouwerij is op dat moment in gebruik door Peter Verbert. Ook op 2 huizen daar naast rust de rente.

In 1557 koopt een ander Wilrijks brouwer, Nicasius Battalie, de tocht of het vruchtgebruik van de Edegemse stede ‘Vliegende Hert.’


De Koninklijke Ordonnantie van 10 november 1685 ging op het Antwerpse verzoek in: nering hoorde in de stad thuis, landbouw op het platteland. Dit betekende dat er geen plaats meer was voor brouwerijen in de omliggende dorpen. ‘(Het waren) de brouwerijen … en hun bierproduktie die de Stad [Antwerpen] er [dus] toe aanzette om de heerlijkheid Wilrijk in handen te krijgen. Ook de beperkingen in de vorm van speciale belasting op de bieren waren een uitvloeisel daarvan, …. de halve accijns.

In de zeventiende eeuw, nadat de ergste periode van oorlog en verwoesting achter de rug was, waren er een paar nieuwe herbergen opgekomen.
In 1669 b.v. waren de erfgenamen van Gerard Mertens eigenaar van een “stenen huizing wezende brouwery gen. “de
Hand Godts” [zie elders]
Ook de naam
Oude Brouwerij, te situeren aan de Bist, herinnert eraan dat er daar vroeger aan bierbrouwen gedaan werd. In 1687, de periode van de “stedelijke aanslag” op de ambachten en neringen, verkochten de erfgenamen van wijlen Jan Eliaerts dit pand aan Gillis van den Broeck, die er tot dan toe huurder van geweest was….
Elders vinden we voor deze eeuw nog twee namen van brouwers, namelijk Thomas Lambert en Gillis vanden Broeck.
3

Een … lijst namen, met aanduiding van het door die personen verbruikte bier, geeft ons een idee van de opbrengst van de belasting van 25 st. op elke ton goed bier; Michiel Mertens was in 1720-21 collecteur van deze bij ordonnantie van de Staten van Brabant op het bierverbruik gelegde belasting. De soorten bier die er opgesomd staan, waren Liers bier, Hemiksems bier, Boechouts bier, Antwerps bier, bruin bier, wit bier, half bier enz. In totaal bracht de belasting toen 535 gI. op. Het leeuwenaandeel van de verbruikte bieren staat vermeld als “zelf gebrouwen” wat we waarschijnlijk mogen interpreteren als bier dat ter plaatse, in de Wilrijkse brouwerijen was vervaardigd .

In 1800 staat de weduwe Colhoven als eigenares van een bierbrouwerij opgetekend. Daar ze in het jaar VIII evenwel niet heeft gebrouwen, wordt ze dat jaar van patentrecht vrijgesteld.’

Bij de telling van 1796 in de Franse Tijd, waren er terug twee brouwerijen in Wilrijk en bij de telling van 1810 was dit aantal verdubbeld.4 Merken we op dat in deze periode de verplichte overschakeling op het metriek stelsel menig neringdoener hoofdbrekens bezorgde.

Een telling van 1812 geeft ons, in een “état des manufactures” volgende brouwerijen:
brouwerij Colhoven (reeds 85 jr.), 2 à 3 werklieden, Bist
brouwerij Nagels (reeds 42 j.); 4 werklieden, Bist omvat ook brandewijnstokerij
brouwerij Beuckelaers, (reeds 24 j.). 3 man, Bist
brouwerij J. de Groof (reeds 20 j.), 2 man
brouwerij Deckers (reeds 3 à 4 j.) 2 man, Boomse Steenweg.

Een opgave van de brouwbedrijven uit 1816 vermeldt vier brouwerijen en één tonnenmakerij.
Naar Sleeckx in 1852 schrijft, waren er toen in Wilrijk een paar brouwers ‘die de zoogenaemde Wilryksche seef brouwden’.5 Verder was er één stokerij.
Naarmate de 19de eeuw voortschreed, verschenen er ook weer nieuwe namen aan het brouwersfirmament, naast andere die we al van vroeger kennen.’ Samen stelden deze vijf bedrijven in 1890, 38 werklieden te werk. Maar over deze brouwerijen hebben we het elders in deze publicatie.
In 1898 wordt nog door ene Dock een “fabriek van spuitschuimende dranken” opgericht .


Kasteelbrouwerijen


Paul Daeleman

Kasteel de Brandt (vlakbij Middelheim gelegen) werd in 1559 verkocht door Michiel Anthoni, koopman te Antwerpen, die zelf pas eigenaar geworden was in 1553. Uit de beschrijving van de te koop gestelde eigendom blijkt dat er op dit goed ook een brouwerij aanwezig was. Niets bijzonder in die tijd, in tegendeel. De uitvoerige verkoopakte stipuleert onder meer dat Anthoni mag blijven brouwen tot 1 mei 1560. De nieuwe eigenaar, koopman Pasquier de Villamonte, verkoopt op zijn beurt de Brandt in 1563, inclusief ‘alle de gereetschape vander brouwerie.’6

Wat kasteel Middelheim betreft, daar had op 18 juni 1766 de verkoop plaats van ‘den alem van een brouwerye , bestaande in brouwketel, kuypen, akers, verlekbacken, en al wat tot een complete brouwery is dienende’. In de annonce werd verder vermeld dat de brouwerij had toebehoord aan wijlen de douairière van schepen Coeck. Uit een eerdere beschrijving, opgemaakt naar aanleiding van de deling der goederen, blijkt dat deze brouwerij reeds in 1717 (en wellicht al veel eerder) aanwezig was.7



Brouwerij Leeuwenberg op de Bist te Wilrijk (naar Van Passen 1982, pp. 225, 471-472, 480)


Paul Daeleman

Reeds in 1494 was er sprake van een rosmolen op een brouwerij genaamd de Leeuwenberg aan de Bist. 

In 1546 vinden we Wouter Schoemans in de dubbele hoedanigheid van brouwer-herbergier in de bronnen vermeld. Op 4 mei 1547 schenkt brouwer W. Schoemans Janssone, omwille van de lange en vele goede diensten hem bewezen door zijn ‘peter’, Cornelis vanden Bogaerde, aan deze de helft van de stede met huis, duifhuis, ‘brouhuyse metten alleme vander brouwerye, metten tonnen, akeren, rosmoelene ende alle de gereetscape daertoe dienende’, gelegen op de hoek van de Kerkstraat. De andere helft daarvan behoort aan Kerstiaen Ments. De helft van de brouwerij die hij nu wegschenk, kwam hem gedeeltelijk toe door het huwelijk met wijlen Beatrice Nulaets en gedeeltelijk door aankoop tegen de genoemde K. Ments en tegen Cornelie Ments, bij schepenbrief van Wilrijk d.d. 20 december 1520. Gezien de situering op de hoek van Bist en Kerkstraat (nu St.-Bavostraat),  moet het hier om het huis de Leeuwenberg gaan, waarvan in 1606 gezegd wordt dat het voorheen een brouwerij is geweest. Ten minste tot 1569 zou Cornelis vanden Bogaerde brouwer in de Leeuwenberg geweest zijn.   
In 1615, ging het pand, dan genaamd Leeuwenborch, tegenover kasteel Ieperman, over in handen van een andere eigenaar. Het was op dat moment dus geen brouwerij meer.


Links, tegenover Kasteel Ieperman, brouwerij Leeuwenberg, omstreeks 1840, op een tekening van Van den Eynden (Stadsarchief Mechelen)

Volgens een koopakte uit 1720 is brouwerij Leeuwenberg dan weer in werking. Dat jaar kochten Dillis Verhoeven en Maria Lauwers de Leeuwenberg met alaam en toebehoren van Peter vanden Brande.
Ruim een halve eeuw later, in 1775 is het dan meier Colhoven, die samen met zijn echtgenote Elisabeth de Preter de brouwerij met tonnen, vaten en inboedel koopt.  Op 16 februari 1799 stierf meier H.J. Colhoven, op 66 jarige leeftijd. Brouwer-herbergier Hendrik Jan Colhoven, afkomstig uit Dordrecht, was de laatste meier van het Ancien Regime.








Links: Achtergevel van de voormalige brouwerij Leeuwenberg                                                                                      
Rechts: Voorgevel van de voormalige brouwerij Leeuwenberg die tijdelijk dienst deed (jaren veertig) als politiebureau (Foto Gemeentebestuur Wilrijk).


De nieuwe Schaliemolen

Paul Daeleman

Ten zuiden van de Krijgsbaan, de huidige Jules Moretuslei, verscheen de jongste windmolen van de gemeente. Voor de oprichting van deze graanmolen werd in 1833 een naamloze vennootschap opgericht door twee Wilrijkse brouwers: Jan-Baptist De Groof en Fr. Jos Nagels. Deze molen kon ook aangelegd worden als olie- of pelmolen. De vennoten stelden een molenaar aan, Guillielmus Comperen, die 423 frank als jaarlijkse vaste vergoeding kreeg, plus 5% van de opbrengst van de molen. Een lang leven heeft deze nv niet gekend, want in 1882 werd ze reeds ontbonden. De molen werd echter wel verder uitgebaat door maalder Franciscus De Groof, die de helft van de aandelen bezat en dit tot aan zijn dood in 1869. Zijn zoon Petrus Emilianus volgde zijn vader als molenaar op. In 1898 ging de molen over in de handen van een andere eigenaar.


1 R. Van Passen, Geschiedenis van Wilrijk, Wilrijk, 1982, pp. 470 – 473.

2 Op 6 februari 1545 verwierf ene Jan van den Velde, zoon van jan, afkomstig uit Wilrijk, het Antwerpse poortersrecht. Hij staat ingeschreven als brouwer (Van Passen 1982, p. 465).

3 I. Derycke, Buitenbrouwers en buitentappers, http://users.skynet.be/antwerpiensia/buitenbrouwerstappers.htm.

4 Van Passen 1982, p. 469.

5 Sleeckx, Beschrijving der provincie Antwerpen, 1852. Jan Lambrecht Dominicus (Domien) Sleeckx (OAntwerpen, 1818 – + Luik 1901) was een Vlaams taalkundige, journalist en schrijver van verhalen, romans, essays, drama’s en blijspelen.

6 Van Passen 1982, pp. 688-689.

7 Van Passen 1982, pp. 674-675.