Deurnese brouwerijen

In Antwerpen Bierstad Cahier 2 komen volgende brouwerijen uitgebreid aan bod:
1) Vroman (beperkt: voor de meer uitgebreide versie: klik hier)
2) De Hertog
3) De Ridder
4) De Leeuw/Schilders
5) De Ster/De Preter
6) Help U Zelve
7) Gambrinus
Er is ook nog informatie over De Broëta/Van der Molen
Bij de bierfirma's bespreken we ook nog De Verhuisbrouwerij (webstek)

Zestien brouwerijen in de zestiende eeuw
De zeventiende eeuw: heropstanding en sluiting
De brouwerij van Deurnebrug of brouwerij Vroman

Zestien brouwerijen in de zestiende eeuw

Paul Daeleman


Bij de voorbereiding van zijn publicatie over de geschiedenis van Deurne vond F. Nooyens in verscheidene archiefbronnen, sporen van de volgende Deurnese brouwerijen uit het midden van de zestiende eeuw. 1

1. De Roos

Brouwerij ‘De Roos was gelegen in de dorpskom en grensde ten oosten en ten zuiden aan ’s Herenstraat, ten westen aan de Schijn en ten noorden aan het huis De Alfsberg, eigendom van Christiaan van der Hofstad, schout van het land van Rijen.
In 1540 had de brouwerij een jaarlijkse huurwaarde van 75,5 gld. In 1543 verkochten de erfgenamen Matheeusen aan Jan van Laer en zijn echtgenote Marie de Valcke of Valcx de helft van de brouwerij met haar uitrusting, evenals de helft van twee aanpalende huisjes. De andere helft van het goed was tevoren reeds in het bezit van de kopers. Drie jaar later gaf Jan van Laer de brouwerij en de twee aanpalende huisjes te erve aan meier Wouter van Echelpoel en deze op zijn beurt reeds in 1548 aan Huibrecht Block, gehuwd met Pirijne Janssens.
Op 18 juni 1549 werd het goed voor de schepenen van Antwerpen overgedragen aan brouwer Jacob Janssens Peeterssone en diens echtgenote Anna Aerts, die in 1553 de brouwerij aan Jan Fijen verkocht. Deze Jan Fijen zorgde voor een trendbreuk, want hij bleef vele jaren brouwen in De Roos. In 1576 was De Roos verhuurd aan brouwer Jan van den Eynde, maar Jan Fijen was toen nog steeds de eigenaar. In 1579 brandt De Roos af.

2. Het Varken

Dit erf was ‘vast aende brugge’ gelegen en grensde ten westen aan de Schijn, ten noorden aan de Drink bij de Schijn ten zuiden aan ‘s Herenstraat en ten oosten aan ‘de gemeynte’. In 1538 gaven Franchoeys Nys, poorter van Antwerpen, en zijn echtgenote Barbara Haeck het huis Het Varken te erve aan Michiel Smit gehuwd met Marie van Westkerke. De oudst gevonden vermelding dat dit een brouwerij was, stamt uit 1541. Na de dood van zijn eigenaar Willem van Rennen werd het erf in 1553 door
zijn schuldeisers in beslag genomen. Het was toen al niet meer in gebruik als brouwerij. Een erg korte geschiedenis dus van brouwerij Het Varken. Of toch niet? Het vervolg van haar geschiedenis vertellen we onder de brouwerij van Deurnebrug, gekend ook als brouwerij Vroman.

3. De Pelikaan

Brouwerij De Pelikaan, voor het eerst vernoemd in 1562, was gelegen ‘achter de kercke’ en grensde ten zuiden aan het erf van de pastoor, ten oosten aan ‘s Herenstraat, ten noorden aan het goed van St.-Michiels en ten westen aan de Schijn. Brouwer in 1576 was Peeter Abels. In 1581 was het afgebrande erf eigendom van Adriaan Vuesels. Mogelijk gaat het hier om dezelfde brouwerij als die welke in 1544 door haar eigenaar Adriaan Vuesels werd geëxploiteerd en waarvan de jaarlijkse huurwaarde toen 30 gld bedroeg. De Pelikaan was buurman van de brouwerij aan Deurnebrug.

4. De Grote of Gulden Valk

Brouwerij De Grote Valk, ook De Gulden Valk genoemd, was eveneens ‘achter de kercke’ gelegen, tussen ‘s Herenstraat (nu Lackborslei) en de kerkweg die naast het Schuttershof (nu Hallershofstraat) liep, en paalde ten zuiden aan het huis De Kleine Valk. De oudste vermelding als brouwerij komt uit 1557. Twee jaar later verkochten brouwer Reinier Reyns en zijn echtgenote Cornelia Schillemans een rente op de brouwerij aan brouwer Geert Van Bruegele. In 1544 bezat Reinier Reyns een brouwerij, die hijzelf exploiteerde en waarvan de jaarlijkse huurwaarde op 38 gld. werd geraamd. Mogelijk gaat het om dezelfde brouwerij. In 1560 werd ene Beernaard als brouwer van De Gulden Valk genoemd.

5. Het (wit) Leeuwken

Deze brouwerij grensde ten noorden aan het Schuttershof, ten westen aan De drie Papegaaikens en ten zuiden aan ‘s Herenstraat (Turnhoutsebaan).

In 1547 was Geert Coopmans brouwer in Het Leeuwken. Mogelijk is dit de genoemde ‘Geerdt de brouwere’ die in 1544 een brouwerij van zijn vader huurde voor 36 gulden en 10 stuivers per jaar. In 1554 verkochten hij en zijn vrouw Anna Loenis de brouwerij Het wit Leeuwken met haar bedrijfsuitrusting en het aanpalende huis De Vogelenzang aan Adriaan Vereycke. In 1581 werd Het wit Leeuwken als ‘vuytspanninge’ ingeschreven op de lijst van de in 1579 vernielde huizen’.

6. De (rode) Hert

Ook brouwerij ‘Den Hert’ lag in de dorpskom, palende ten noorden aan ‘s Herenstraat (Turnhoutsebaan), ten oosten aan het huis Sinte-Loey te Peerde, ten zuiden aan een erf van Geraard Sterck en ten westen aan het huis De Schild van Engeland.

In 1543 was Jan van Hove Janszoon eigenaar van de brouwerij waarvan het erf een oppervlakte van anderhalf bunder besloeg. In 1548 verkocht Godevaart Dasen, de brouwer van Den Hert, voor de schepenen van Antwerpen aan Willem de Moelenere Hendrikszoon een rente van 27 gulden 10 stuivers op zijn brouwerij. Godevaart was geboren te Nettesheim bij Keulen en was in 1552 nog eigenaar van de brouwerij die met verscheidene renten was belast. De brouwerij bleef waarschijnlijk in werking tot ze in 1579 werd platgebrand ….

7. De Schild van Engeland

In 1543 gaf schrijnwerker Cornelis Peetercheels brouwerij ‘De Schild van Engeland’ te erve aan brouwer Peter Mortelmans. In een akte van 1551 is er nog sprake van een brouwerij, maar in latere vermeldingen van het huis werd echter niet meer van een brouwerij gesproken.

8. De Vier Heemskinderen

In 1560 was in het huis De Vier Heemskinderen, gelegen bij de molen, een brouwerij gevestigd. Mogelijk zou dit de brouwerij kunnen geweest zijn van Lucas van Campen, die in 1544 voor 66 gulden verhuurd werd aan Huibrecht Bouwens.
In latere oorkonden die handelen over De Vier Heemskinderen is geen sprake meer van een brouwerij.

9. De brouwerij bij de Schijn

Eén van de oudste brouwerijen van Deurne wordt in een oorkonde van 1529 vermeld, echter zonder naam. Ten noorden grensde ze aan ‘s Herenstraat (nu Cogelsplein) en ten westen aan de Schijn. Latere vermeldingen van een brouwerij bij de Schijn, ten zuiden van de ’s Herenstraat, zijn niet gevonden.

10. De Lelie

Lucas van Campen Klaaszoon en zijn echtgenote Marie van der Hoeven of van Hove waren in 1539 eigenaar van een brouwerij in de dorpskom genaamd ‘De Lelie’. Deze eigendom, ten oosten grenzende aan de kerkweg die door het Schuttershof liep (nu Hallershofstraat), ten zuiden aan ‘s Herenstraat (Turnhoutsebaan) en ten westen aan het ‘Rood Leeuwken, bestond uit twee woningen. Bakkerij De Lelie en een brouwerij. In 1542 gaven zij het huis te erve aan Jan Crauwels. Verdere gegevens over deze brouwerij ontbreken.

11. De Ster

Voor deze brouwerij beschikken we over nog minder gegevens. Er is slechts één vermelding bekend, namelijk uit 1567-1568. Nooyens is geneigd ze te situeren in Deurne doch meent dat het ook mogelijk is dat ze in het Borgerhoutse huis De Ster gevestigd was.

12. De Zon

In het huis De Zonne was in 1539 een brouwerij gevestigd. Deze situeert zich ten westen van de Schijn en ten noorden van de ‘s Herenstraat (Turnhoutsebaan. Deze eigendom hoorde voor één derde toe aan Margriete Hesselincx en voor twee derden van Peter van Hulshout, pachter van de hoeve Te Stertingen. In 1539 stond Margriete Hesselincx haar aandeel in het twee en een half bunder grote erf af aan Peter van Hulshout.

13. Sint-Anna

In herberg Sint-Anna, tegenover het Boshovenveken, bevond zich in 1558 ook een brouwerij. Ze lag ten zuiden van ‘s Herenstraat (Turnhoutsebaan) en ten westen van de weg die, van de Schotensteenweg af, dwars door de gronden van het huidige Rivierenhof naar het Sterckshof liep, ongeveer op de plaats waar zich nu de gebouwen van de Provinciale Landbouwschool bevinden. Wellicht is dit de brouwerij bij het Boshovenveken, die Magnus van Bullestrate in 1539 kocht van Antoon.

14. De Heibloem

Van een brouwerij in het huis ‘De Heibloem’, gelegen op het Molenveld ten noorden van ‘s Herenstraat (Turnhoutsebaan) is ook maar één vermelding bekend. In 1568-1569 werd brouwer Lambrecht beboet wegens ontduiking van de bieraccijns.

15. De Zotte Wereld

Op 26 april 1558 verkocht Klaas Mertens Roelandszoon aan Lowys Fraryn de stede De zotte Wereld te Manebrugge. Ze bestond uit een herberg, een brouwerij met bedrijfsuitrusting en 100 roeden grond, en was ten noorden van de Herentalsebaan nabij de Koudebeek gelegen. Later werd de herberg meestal De Verkeerde Wereld genoemd

16. De Ekster

Houtbreker Jan van de Velde kocht in 1538, van Klaas van Dale en zijn echtgenote Geertruid van Olmen een brouwerij grenzende ten zuiden en ten westen aan het Menegem- of Eksterlaar. In 1548 gaven de kinderen van wijlen Daniël van de Velde en Katarina Geerts deze brouwerij, geheten Het Eksterken, samen met de boomgaard ‘den Weesmoesere’, te erve aan Simon Druege. In de akte van 10 april 1553, waarmee Katarina van de Velde en haar echtgenoot Klaas Bloemsteen
de rente van 8 gld. die ze jaarlijks hieven op de brouwerij transporteerden aan Pauwels van Tichelt lezen we een beschrijving ‘Het Eksterken: ‘Brouwerie metten huysingen, hove, borneputte, aleme vander selver brouwerien metten opgaenden houten opt strate staende voerde voers. brouwerie bijden borneputte aldaer, met oock eenen boeghaert geheeten den Weesmoerttere daer aen gestaen ende gelegen al op Meneghem laer geheeten d’Extere’. Ook deze brouwerij werd in 1579 door de brandstichtende troepen van Farnese verwoest. In 1580 werd het ledige erf verkocht aan de familie Braeckmans en in 1599 aan Cornelis Verbiest. Maar ook toen was De Ekster nog steeds niet herbouwd.

Nooyens besluit zijn beschrijving van de zestiende eeuwse brouwerijen te Deurne als volgt. ‘De voorgaande lijst is misschien niet volledig wat het aantal en de bestaansduur van de brouwerijen betreft. Vijf van de vijftien brouwerijen die in de rol van 1544 werden vermeld, komen op voorgaande lijst niet voor of konden we niet met een van de brouwerijen van de lijst identificeren. We vermelden hierna de huurders, de eigenaars en de huurwaarde van deze vijf brouwerijen.


Huurder

Eigenaar

Huurwaarde

1. Wouter van Echenepoel, meier

G. Sterck

18 gld.

2. Hendrik van der Stee

Jan Vloeberchs

35 gld.

3. Peter van Doesborch

G. Sterck

60 gld.

4. Jan Wils en Aart van Broecke

Jan Moons, houtbreker

96 gld(St.-Arnoul?)

S. Govaart Vereycke

Govaart Vereycke

40 gld.


Hoe onvolledig de lijst echter ook moge zijn, er blijkt toch wel uit dat er omstreeks 1550 te Deurne-Borgerhout 25 à 20 brouwerijen in werking waren of m.a.w. niet zoveel minder dan in de stad Antwerpen. Aangezien we haast niets over de productiecapaciteit van die brouwerijen weten, zouden we evenwel te ver gaan indien we uit die cijfers zouden besluiten dat men in die jaren te Deurne-Borgerhout evenveel bier produceerde als te Antwerpen. Wat men echter niet kan ontkennen, is dat de Deurnese bierproductie, in vergelijking met de Antwerpse, in ieder geval belangrijk was en dat de Deurnese brouwers een niet onaanzienlijk deel van hun productie op de Antwerpse markt moeten hebben afgezet. Wanneer men deze toestand voor ogen houdt, zal men het optreden van de stad tegen de Deurnese brouwers.
tussen 1550 en 1560 gemakkelijker kunnen begrijpen.’


De zeventiende eeuw: heropstanding en sluiting van de dorpsbrouwerijen

Paul Daeleman


Maken we nog een kleine uitstap naar de zeventiende eeuw, dan ontmoeten we Geeraert de Brouwer in brouwerij 'Den Grooten Goeden Tijt (of Tijdt) en Anthoni de Brouwer in de 'Cleynen Goeden Tijdt', eigendom van François Hannecart. Verder was er nog brouwerij 'De Sprinkhaen', eigendom van dame van Ast, brouwerij 'De Swerten Arent', van Martinus Bertels en de niet nader benoemde brouwerij van Guillaume Claeus. Deze brouwerijen hing het plakkaat van 10 november 1685 boven het hoofd, dat iedere industriële activiteit buiten de stad verbood. Op 25 februari en 1 maart 1687 waren deurwaarders met stadswerkvolk de vier brouwerijen onder Deurne komen vernietigen en de brouwketels ‘instompen’. Deze vier brouwerijen waren buiten Deurnebrug, de Grote Goeden Tydt, de Cleynen Goeden Tydt en Den Sprinckhaen. De Raad van Brabant stelde de vergoeding vast die de stad aan de brouwers moest betalen. Geeraard De Brouwer van de Grote Goeden Tijdt kreeg 6.000 gulden, Juffrouw Van der Ast met haar brouwer Peeter Peeters van Den Sprinckhaen 1.900 gulden en Nicolaes Hanicaert van den Cleynen Goeden Tijdt 6.300 gulden. 2

Naast deze 'klassieke' dorpsbrouwerijen was er aan het kasteeltje Boterlaar, gebouwd in 1626, herbouwd in 1660, en gelegen op de grensscheiding Deurne-Wommelgem, vele jaren een brouwerij verbonden.3 Boterlaarhof is een oudere benaming voor ‘hofke Strijdonck’.De oudste gekende eigenaar van het buitengoed is Paulus van Asseliers, die het op 24 januari 1604 verkocht aan Frans Bonnecroy, lakenverkoper. Een jaar later werd Willem Claeys de nieuwe eigenaar en kort daarop kwam het hof in handen van Abraham de Hué. Een meer bekende naam is Herman Dassa, die het buitengoed, 'te voren eene brouwerij', in 1626 kocht.4


Van de brouwerij van Deurnebrug naar brouwerij Vroman

Marcel Windey5 en Paul Daeleman

De brouwerij bij Deurnebrug heeft een eeuwenoude geschiedenis, dan weer brouwerij, dan weer in verval, vernield, afgebrand om telkens weer opnieuw brouwerij te worden.

In 1541 wordt ‘aen de brugge’ voor het eerst een brouwerij vermeld, maar op 29 december 1558 is er in de schepenakten van Deurne-Borgerhout al een vermelding dat de brouwerij niet langer actief is: ‘een huis gelegen te Deurne aan de Brug, geheten ’t Vercken, vroeger een brouwerij nu 2 woningen nog een huis daarbij, on-voltrokken’. Blijkbaar is er later een ververij op die plaats geweest, maar wat er ook nog restte, bij de ‘slag van Deurne’ in 1579, zal alles platgebrand worden. De brouwerij werd mogelijk terug opgericht tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621).

Op 17 juni 1649 verkoopt Dorothea de Gavarelles, weduwe van Joos Hustin, collecteur van de bieraccijnzen van Antwerpen, aan Jan van Dael, brouwer, ‘de brouwerij met huizing aan Deurnebrug, uitgenomen de alem.’

Het plakkaat van 10 november 1685 verbood iedere industriële activiteit in het omringende platteland. De stad streefde er immers naar om het bierbrouwen in de buitengebieden aan banden te leggen en de brouwactiviteiten in de stad te concentreren, dit ook omwille van de bieraccijns die dan meer kon opbrengen. Op 27 juli 1686 waren de brouwersnatie en het Antwerps stadsbestuur als ‘heer van Deurne en Borgerhout’ een overeenkomst aangegaan dat de brouwersnatie alle accijns op bier overnam. Op 25 februari en 1 maart 1687 waren de deurwaarders met stadswerkvolk de vier brouwerijen onder Deurne komen vernietigen en de brouwketels ‘instompen’. Deze vier brouwerijen waren, behalve de brouwerij aan Deurnebrug, de Grote Goeden Tydt, de Cleynen Goeden Tydt en Den Sprinckhaen. De Raad van Brabant stelde de vergoeding vast die de stad aan de brouwers moest betalen. De weduwe Van Dael werd 3.000 gulden toegewezen voor haar brouwerij aan Deurnebrug, Geeraard De Brouwer van de Grote Goeden Tijdt kreeg 6.000 gulden, Juffrouw Van der Ast met haar brouwer Peeter Peeters van Den Sprinckhaen 1.900 gulden en Nicolaes Hanicaert van den Cleynen Goeden Tijdt 6.300 gulden.

Op 28 september 1696 verkoopt Geertruid van Dael, weduwe van Daniël Levers en consoorten, in erfdeling, aan hun broer Jan Karel van Dael en Elisabeth Spreutels, ‘de brouwerij aan Deurnebrug en een stuk land aan de Schijnt’. In de schepenakten wordt in die periode gesproken over ‘de voormalige brouwerij’.

Op 19 april 1714 verkoopt Jan Karel van Dael, voor 3.424 gulden aan Cornelis Priem en Magdalena Geerts een huis met toebehoren, materialen, grond enz., vroeger de brouwerij aan Deurnebrug’.

Verscheidene processen door de gemeente aangespannen om de ordonnantie van 1685, die het onmogelijk maakte nog brouwerijen te exploiteren buiten de stad, ongedaan te maken, kenden geen succes. In hun verzoekschrift aan de Raad van Brabant, wezen de wethouders van Deurne er op dat de inwoners van Deurne sinds enige tijd beroofd waren van een brouwerij voorzien van een keteltje ter grootte van vijf tonnen door de deurwaarder Braeckmans, op orders van de Brouwersnatie van Antwerpen, onder voorwendsel dat zij voor enige jaren aan enkele eigenaren van brouwerijen een vergoeding zouden hebben gegeven, en daarbij de ordonnantie van Zijne Majesteit van 10 november 1685 aanhalende, waarin vermeld dat er binnen het betrokken dorp geen brouwerij tot gebruik der inwoners zou mogen blijven. Dit zou voor gevolg hebben dat er ten tijde van den oogst de lieden bij gebrek aan ‘cleyn bier’, water zouden moeten gebruiken en daardoor in ziekten en onmacht vervallen. Daarom richtten zij zich tot zijne Majesteit, biddende dat er tot gerief en gebruik der inwoners van Deurne, een brouwerijtje van vijf tonnen zou mogen worden opgericht, zoals die, zonder uitzondering, in al de omliggende dorpen aanwezig was, zelfs waar men aan voornoemde ordonnantie onderworpen was.

Op 7 december 1715 gaf de Raad van Brabant dan toch toelating om een brouwerij te exploiteren die uitsluitend voor de inwoners mocht brouwen en niet leveren aan tappers. De stad liet dit echter niet zomaar gebeuren. De stad en de Brouwersnatie beriepen zich 27.000 gulden te hebben uitgegeven tot de vernietiging der brouwerijen rond de stad en dat andere dorpen ook deze gunst zouden vragen, zoals aan Deurne toegekend. Het verzet van Antwerpen was zo dringend, dat de Raad van Brabant hieraan niet kon weerstaan en op 2 december 1716 bevel gaf het proces te herzien. Het proces moet voor de stad echter niet veel beter verlopen zijn dan het vorige, aangezien Cornelis Priem als brouwer aan Deurnebrug aan de slag kon blijven. Maar met zijn keteltje van vijf tonen kwam Cornelis Priem niet uit de kosten en werd zijn brouwerij aangeslagen.

In 1726 waren Cornelis Priem en Magdalena Geerts dus verplicht, ‘... van al de inhoud van hun brouwerij, huis en stal, aan de gemeente Deurne-Borgerhout’, af te staan voor de verschuldigde kapitalen en intresten, in totaal 3.500 gulden. De gemeente ging zelf brouwen. In de rekening van Deurne van 1726 wordt vermeld:
'Item betaelt aen heerenrechten in ‘t vercoopen van het huys van Priem op Deurnebrugge, 54 gulden. Item betaelt aen eenen brouwketel voor deze gemeente 120 gulden voor eenen brouwaecker, eene copere buys, een trefterbuys, etc, 158 gulden. Item volgens ordonnantie aen Antoni Zegers voor geleverde tonnen ten dienste van deze dorpe brouwerije de somme van 50 gulden.'
De brouwerij werd verhuurd aan Denijs Ceulemans.

De gemeente maakte van deze gelegenheid gebruik om, tegen de zuidgevel van de brouwerij (dus langs de straatzijde) een Christusbeeld met offerblok te plaatsen. Of het hier om een nieuw initiatief ging of enkel om het herstellen van een bestaand beeld is niet duidelijk. Dit kruisbeeld was in ieder geval de oorsprong van de benaming ‘Kruisstraat’.

Op 28 juni 1735 besloot de gemeente Deurne-Borgerhout de brouwerij aan Deurnebrug te verkopen en op 28 augustus werd deze toegewezen voor 3.000 gulden aan brouwer Jan Boen, maar zo dat de gemeente er een rente op behield. Op 14 december 1767 verkoopt zijn zoon Cornelis Boen de voormalige huizing de Brouwerij aan Deurnebrug, met 3 huisjes en 5/4 bunder land aan Cornelis Vercammen en Elisabeth Simons. Deze hebben echter blijkbaar geen brouwerij uitgebaat in het pand.

Mogelijk waren zij nog de eigenaars als de uit Loenhout afkomstige Jan Baptist Vroman (1778-1862), in 1803 er begon te brouwen. Van de aankoop van het pand door Vroman is niets teruggevonden. In 1816 waren er in zijn brouwerij een drietal brouwersgasten werkzaam. Het gebrouwen bier werd enkel in Deurne-Borgerhout en omliggende gemeenten gedronken. In Borgerhout waren er in die tijd vier groothandelaren in aangevoerde bieren gevestigd. Er was dus geduchte concurrentie, vooral van het Leuvens bier.

De krijgsverrichtingen van begin 1814 tussen het Franse leger van Napoleon en dat van de geallieerde Engelse en Pruisische legers zou niet ongemerkt voorbijgaan. De Pruisen konden op 2 februari 1814 Deurne innemen maar de dag daarvoor hadden de Franse genietroepen de brug laten springen en een twintigtal huizen, waaronder de brouwerij van Deurnebrug in brand gestoken. De grootste slachtoffers waren de kastelen ter Rivieren, Leckbors, Vennenborg en Gallifort. Bij Jan Baptist Vroman was het huis en het vaatwerk afgebrand en werden 40 tonnen bier gestolen. Zijn totale schade beliep 2.730 gulden. Volgens Stockmans staken als gevolg van deze hevige gevechten een aantal kanonskogels in de muren van de brouwerij en van de pastorij. Trouwens, in de zuidmuur van de pastorij zit nog steeds zo’n kanonskogel. Volgens pastoor de Roover vertelde zijn voorganger Cornelius De Roy hem dat in de hof van de pastorij talrijke gesneuvelden begraven werden.


In het begin van de jaren twintig van de negentiende eeuw verminderde de consumptie van gersten, terwijl de omzet van Brusselse faro steeg. Aanvankelijk was het bedrijf van Vroman bij de Deurnebrug de voornaamste brouwerij van Deurne. Zij bereikte haar hoogtepunt in 1822, toen De Broëta zijn brouwactiviteit gestaakt had. In 1826 werd zij echter voorbij gestoken door die van Hanegraeff, en in 1827 door die van Vander Molen. De sluiting van het bedrijf van Vander Molen in 1829 bracht haar blijkbaar niet veel baat bij. 6

Hoeveelheid gestorte grondstoffen in hectoliter door brouwerij Vroman

1818

2.985

1822

3.720

1825

2.541

1826

2.394

1827

1.925

1830

1.570

In 1830 was Jan Baptist Vroman bij de eerste verkiezing in het onafhankelijke België, lid van de gemeenteraad geworden, wat hij bleef tot 1836.

Ook in 1830 waren er in de gemeente Deurne-Borgerhout, de splitsing gebeurde pas in 1836, twee brouwerijen in werking: de brouwerij van Vroman in Deurne zelf en de brouwerij en stokerij van de gebroeders Hanegraeff in Borgerhout. Beide ondernemingen hebben hun bedrijvigheid nog lange tijd na 1830 voortgezet. Einde 1833 vroeg Vroman een vergunning aan om naast zijn brouwerij in het huis van wijk A nr. 2 een stokerij te mogen oprichten. Zijn overbuur J. van den Dungen verzette zich ertegen omdat de rook van de stokerij hem zou hinderen bij het bleken. Na gunstig advies van de gemeenteraad verleende de Bestendige deputatie op 12 februari 1834 Vroman de gevraagde machtiging. Enkele maanden later werd Vroman gemachtigd om een rosmolen te installeren voor het malen van het graan van hun brouwerij en stokerij. Vóór 1837 had Vroman echter nooit een patent voor een stokerij.’7

Verwerkte hoeveelheden beslag in hectoliter door brouwerij Vroman

1830

1.570

1831

941

1832

852

1834

1.113

1835

1.239

Zoals zovele brouwers uit Antwerpen en omstreken was Vroman klant bij mouter P.J. Van Eynde op de Brouwersvliet.8



De brouwerij voor en na installatie van de rosmolen (Plan kadaster)


Jan Baptist was de zoon van de Loenhoutse brouwer Adrianus Judocus Vroman (1753-1814). Hij huwde in 1805 Isabella Mertens, dochter van Joannes Baptista Mertens (1754-1842) die zelf brouwer was in Schoten. Het echtpaar Vroman-Mertens kreeg negen kinderen. Eén van hun zonen, Franciscus Joseph (1817-1901), gehuwd met Maria Vervoort, nam de brouwactiviteit van zijn vader over en verwierf op 26 mei 1882 het totale eigendom uit de nalatenschap van zijn ouders, bij akte verleden voor notaris Dhanis te Antwerpen.


Bidprentje van Isabella Mertens met afbeelding van de St. - Fredeganduskerk (Turninum)

Van zijn zus Isabella en zijn broer Carolus had hij op 30 september 1879 het erfdeel ingekocht. Op 22 april 1882 kocht hij de 1/6 erfdelen van zijn broer Joannes en zijn zuster Maria in. Tot slot kocht hij op 26 mei 1882, in openbare veiling, het deel van zijn oudste zuster Joanna die al in 1851 was overleden. Op 15 september 1883 verkocht Franciscus Joseph Vroman het eigendom aan Franciscus Adrianus Cruls (1837-1885) en zijn echtgenote Eugenia Maria Magdalena Petronella Veders, bierbrouwster meesteres (1839-1894).

De erfgenamen van de echtgenoten Cruls – Veders verkochten op hun beurt op 21 augustus 1894 via de notarissen Van de Walle te Antwerpen en De Wilde te Borgerhout het eigendom. Deze erfgenamen waren: Norbertus Franciscus M. J. Cruls, brouwer te Merksem, Maria Barbara P. E. Cruls (°1867) gehuwd met Florentinus Jacobus Cornelius Joannes Baptista Neefs (°1863), bierbrouwer en Anna Josephina M. Cruls, gehuwd met Franciscus Carpentiers, apotheker op de St Jacobsmarkt 62 te Antwerpen. Blijkbaar is dochter Maria met haar man Flor Neefs in de brouwerij blijven wonen tot de latere afbraak. In 1890 rustte de weduwe Florent Cruls-Neefs de brouwerij uit met een stoommachine. Hun zoon Frans werd er op 18 augustus 1900 geboren.
Omstreeks 1896 werden de oude gebouwen afgebroken en in 1897-1898 door nieuwe vervangen.
Rond 1900 werd de brouwerij stilgelegd en verhuisde de familie Cruls naar Zelem, waar ze een ijzergieterij oprichtte.9

Aan deze afbraak en de oprichting van de nieuwe gebouwen op de locatie van deze verdwenen brouwerij aan de Deurnebrug over De Schijn, is een interessant stukje Deurnese geschiedenis verbonden. Er was toen nog geen sprake van het Cogelsplein, maar wel van de Kruis- en de Dorpstraat. Meer specifiek hebben we het dan, van Antwerpen komende over de linkerzijde van het huidige Cogelsplein. Na de afscheiding van ‘Sektie C’ (Borgerhout) van Deurne in 1836 verdween een gedeelte van Deurnes Kruisstraat daar deze dan grotendeels onder Borgerhout viel. Rond de eeuwwisseling begon men in Deurne eindelijk aan de verbreding van de Kruisstraat aangezien de smalle doorgang aan Deurnebrug, reeds tientallen jaren een steen des aanstoots was van de talrijke voerlieden die met moeite daar hun weg konden vervolgen met hun zwaar beladen wagens en bovendien nog tol moesten betalen. Met het huisnummer 1 begon de Kruisstraat op Deurnes grondgebied, want deze straat liep voor het grootste gedeelte over Borgerhout (nu ingenomen door de ring rond Antwerpen en de autosnelweg). In Deurne telde de enge straat 27 woningen en eindigde ter hoogte van het Ankerstraatje (nu Grapheusstraat). De talrijke bijgebouwen van dit eerste huis links, inclusief de rosmolen, paalden aan de hovingen van de pastorij. Het was hier dus dat reeds lang de brouwerij was gevestigd.

Met de laatst genoemde verkoop werd Isabella Catharina De Boey, weduwe van de Antwerpse scheepsmakelaar Edouard Isenbaert in 1894 de nieuwe eigenaar van dit erf aan nr. 1 in de Kruisstraat. Een jaar later, in 1895 kreeg ze een aanmaning ‘haar woonhuis te ontruimen, daar de verbredingswerken een aanvang zullen nemen. De afbraak der huizen heeft zeker een aantal jaren in beslag genomen en kort na 1900 begon men de nieuwe huizenrij te bouwen op de nieuwe rooilijn, merkelijk een aantal meters in noordelijke richting (zoals de huidige toestand). Reeds vanaf 1890 schreef men in de bevolkingsregisters de personen, wonende van aan de hoek Kerkstraat (Lackborslei) in de richting Turnhout, als wonende aan het Cogelsplein.

Op 27 juli 1896 sloot de weduwe Isenbaert-De Boey, per akte verleden voor notaris Edouard Papen te Deurne een overeenkomst met het Gemeentebestuur van Deurne. Het eigendom werd omschreven als ‘eenen eigendom waarop zich nog bevinden een gedeelte der gebouwen van de voormalige brouwerij ‘Deurne-Brug’, hangar, mouterij en woonhuis’, gekend op het kadaster onder de nummers A 723b, 724c, 725d en een deel van 725b, groot 700 vierkante meter. In ruil voor het afgestane deel van haar eigendom, ontving ze van de gemeente een perceel grond, groot 1.200 vierkante meter, op het kadaster gekend als gedeelte van de nummers A 722 en 718a. Verder werden nog een aantal voorwaarden van deze overeenkomst vastgelegd, zoals: De nog resterende gebouwen worden door, en op kosten van Mevrouw Isenbaert afgebroken binnen de twee maand tot op 30 cm onder de pas van de straat. De materialen en de machines blijven eigendom van Mevrouw Isenbaert en worden door haar en op haar kosten opgeruimd […] Mevrouw Isenbaert verplicht zich, binnen het jaar na de goedkeuring, op het door haar verkregen perceel zeven huizen op te richten zoals overeengekomen tussen de partijen, goedgekeurd door het Ministerie van Oorlog op 7 juli 1899 […] De gemeente zal op haar kosten de riool op het perceel, verkregen door Mevrouw Isenbaert, afbreken en hermaken onder de nieuwe straat. Onverminderd de meerwaarde van 7.000 Fr die de door de gemeente afgestane grond heeft, ten opzichte van de bloote grond afgestaan door Mevrouw Isenbaert, betaalt de gemeente nog 17.000 Fr aan haar. De kosten, rechten en honorarissen zijn ten laste van de gemeente.’ Volgens de gemeenteraad was dit een verantwoorde investering, ‘want het geldt hier vooral [om] den voornaamsten inkoom der gemeente merkelijk te verfraaien en zoodanig aan te leggen dat een paardentram gemakkelijk in de gemeente kunne binnenrijden.’10

De voorgevel van het afgebroken huis der brouwerij no.1 was schuin gebouwd geweest in de richting van de brug, wat de nauwe doorgang nog merkelijk versmalde. Zeer waarschijnlijk was het nog dezelfde brug, die met de opbrengst der bareelgelden, in 1836, nieuw aangelegd was. 11

Het was dan gedaan met het brouwen op deze locatie, want de volgende bewoners, nu in het nieuwe huis, waren Jos Somers (°1859), handelaar en herbergier (die zelf bottelde), samen met zijn echtgenote Rosalie Seberechts. De herberg hadden ze uitgerust met een kleine speeltuin. 12
En waar eeuwenlang gebrouwen werd, is thans rouwcentrum Loots gevestigd.



Links, de zeven nieuw gebouwde huizen, met vooraan de herberg Deurne-brug met zomertuin, op de gronden verkregen ter compensatie van de gedeeltelijke
onteigening van de vroegere brouwerij terreinen (Foto Turninum)




Ter orientatie: op deze foto van het Cogelsplein, is het tweede huis links met de vlaggemast, hetzelfde als dat
met de vlaggemast op de vorige foto
13


1 Nooyens 1981, pp. 575 – 581. Voor de feitelijke bronvermelding zie aldaar.

2 I. Derycke, Buitenbrouwers en buitentappers, http://users.skynet.be/antwerpiensia/buitenbrouwerstappers.htm

3 A. Sledsens, Wommelgem vroeger en nu, Wommelgem, 1962, p. 43.

4 J.B. Stockmans, Deurne en Borgerhout, sedert de vroegste tijden tot heden, heruitgave 1975, deel III, Antwerpen, p. 223; A. Sledsens, ‘Proeve tot verklaring van de Wommelgemse straatnamen (15), in De Krijter, Jaarboek 1991, Wommelgem, pp. 93-94.

5 Tenzij anders vermeld werden de vermelde gegevens gevonden in: RAA, Aktes van de schepenbank van Deurne en Borgerhout 1555-1801; RAA, Bouwaanvragen voor werken langs Rijks- en Provinciale wegen, Antwerpen 1818-1896; Notarisakten der aankopen door de gemeente Deurne, Oud gemeentearchief, nu archief AG Vespa; Notulen van de gemeenteraad en het college van de gemeente Deurne; SAA, Notities van kanunnik Karel de Ridder; Nooyens 1982 en Stockmans 1975 (heruitgave). Zie ook Derycke 2011b.

6 Nooyens 1982, pp. 451-453.

7 Nooyens 1982, pp. 531-532.

8 Vermeld op de klantenlijst van 1841 en 1859 (Schilders 1999, pp. 15 en 17).

9 Nooyens 1982, p. 738; J.B. Stockmans, Deurne en Borgerhout, sedert de vroegste tijden tot heden, heruitgave 1975, deel III, Antwerpen, p. 116.

10 Om deze gevaarlijke toestand van de smalle doorgang op de toenmalige Kruisstraat aan Deurne-brug te verhelpen, was reeds in 1844 voorgesteld, om de voorgevel van het huis der brouwerij te veranderen, maar dit voorstel werd door de Bestendige Deputatie afgewezen en dus moest men tot 1896 wachten voor de uitvoering van de verbredingswerken.

11 J. Hertelmans, Van Dorpsplaats en Kruisstraat tot Cogelsplein’, in Turninum, Deurne, 1982, nr. 33, pp. 18-29.

12 J. Hertelmans, ‘Cogelsplein’, in Turninum, Deurne, 1980, nr. 26, pp. 35-37.

13 https://www.facebook.com/schattenvandeurne/photos/pcb.513312588786415/513310455453295/?type=1&theater, geraadpleegd op 9 juli 2014.